Gerecht in eerste aanleg Aruba: Voorschot op de in de schadestaat vast te stellen schadevergoeding.

Samenvatting:

Eiseres vordert in kort geding een voorschot op de in de schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente over het smartengeld, schade wegens verlies arbeidsvermogen en vergoeding van de kosten voor mantelzorg. In de bodemprocedure heeft de rechter voor recht verklaard dat het land Aruba aansprakelijk is voor alle schade die eiseres heeft geleden als gevolg van het ongeval.

De vordering ten aanzien van wettelijke rente over het smartengeld wordt door het gerecht toegewezen. Ten aanzien van de schade wegens verlies arbeidsvermogen moet er voor vaststelling op de langere termijn een deskundige worden ingeschakeld. Het voorschot zal worden beperkt in tijd. Vergoeding van de kosten voor mantelzorg wordt niet toegewezen. Eiseres moet eerst de daadwerkelijk benutte mantelzorg in kaart brengen en deze moet ondersteund worden met een medische indicatie.

Uitspraak

Vonnis van 6 december 2023

Behorend bij AUA202303922 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Naam eiseres]

te Aruba,

EISERES, verder te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. G. de Hoogd,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND ARUBA,

te Aruba,

GEDAAGDE, verder te noemen: het Land,

gemachtigde: mr. V. Emerencia (DWJZ).

1 DE PROCEDURE

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met producties

– de akte vermeerdering van eis met producties

– de op 27 november 2023 door de gemachtigde van het Land toegezonden producties

– de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van de op 28 november 2023 gehouden zitting, waaraan de spreekaantekeningen van beide gemachtigden zijn gehecht

1.2.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1.

In een bodemprocedure tussen partijen heeft het gerecht bij vonnis van 11 januari 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:205 (hierna verder: het vonnis) voor recht verklaard dat het Land aansprakelijk is voor alle door [eiseres] geleden schade als gevolg van het ongeval op de open dag van de brandweer d.d. 13 oktober 2019. Tevens zijn diverse schadeposten aan [eiseres] toegewezen, waaronder de verschenen schade tot 30 juni 2021 voor verlies arbeidsvermogen (VAV) en kosten van mantelzorg. Voor betaling door het Land van de toekomstige schade aan [eiseres] heeft het gerecht de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen. Daartoe is nog geen verzoekschrift door [eiseres] ingediend.

2.2.

Het Land heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

2.3.

In het vonnis is over het letsel van [eiseres] onder meer overwogen:

“2.4. [eiseres] had meerdere breuken in haar linkerbeen en -knie, en is met spoed geopereerd. Het been/de knie van [eiseres] is gefixeerd met een roestvrijstalen plaat en 7 schroeven.

[…]

2.7.

In verband met aanhoudende pijnklachten en omdat [eiseres] haar knie niet geheel kon buigen is [eiseres] na een MRI-scan wederom geopereerd, waarbij de metalen fixatie en littekenweefsel is verwijderd.

2.8.

Als gevolg van het trauma in de knie kan [eiseres] met haar knie nu met hulp en handmatig een 90 graden flexie bereiken. In passieve toestand buigt de knie tot 80 graden flexie. [eiseres] heeft nog steeds pijnklachten. De prognose is dat dit in de toekomst zal verslechteren.

2.9.

Door de revalidatiearts verrichte onderzoeken hebben uitgewezen dat [eiseres] zes centimeter spierverlies in haar linkerbeen net boven de knie, zichtbare instabiliteit in haar linkerbeen en knie en mogelijk ook spierdystrofie heeft. Daardoor is het been van [eiseres] vervormd geraakt en zal nog verder vervormd raken, waardoor het voor haar onmogelijk is om zonder krukken te lopen. De linkerheup, -knie en -enkel van [eiseres] zijn niet langer op één lijn. [eiseres] zal daardoor voor onbepaalde tijd een corrigerende beugel moeten dragen om te proberen haar been recht te trekken. Zodra dit proces is voltooid, kan [eiseres] mogelijk zonder krukken lopen, maar met een verstevigende band. [eiseres] heeft blijvende schade aan haar linkerbeen en -knie, hetgeen blijvende invloed had en heeft op haar dagelijkse bezigheden en leven.”

2.4. [

eiseres] heeft op 1 november 2022 voor een second opinion de [naam kliniek] te Nijmegen (Nederland) bezocht. De orthopedisch chirurg [naam chirurg] van Laarhoven heeft daarover bij brief van 28 november 2022 gerapporteerd aan de huisarts van [eiseres]. In die brief staat onder meer:

 Anamnese:

Verwijzing uit Aruba

Status na tibia plateau fractuur

[…]

Pijn en bewegingsbeperking

Kan maximaal 90gr buigen

Donkere verkleuring van het litteken

Pijn lateraal met uitstraling naar distaal, brandende pijn

Nachtpijn is heviger dan pijn bij lopen

Heeft brace scharnierbrace

AR:30 min

Pijnstilling: gabapentine, pregabaline (gestopt, suf)

Med: amiodipine

Hulpvraag: minder pijn, geen wens tot betere functie

Conclusie:

Neuropathische pijn onderbeen links na multipele ingrepen en PBC.

Beleid:

Overleg PBC: zien nog mogelijkheden ten aanzien van neuropathische pijnklachten. Advies verwijzing naar hen en aldaar analyse, evt nog cryotherapie of Qutenza pleisters.”

2.5. [

eiseres] is daarna ter bestrijding van haar pijnklachten onder behandeling gekomen van de neuroloog [naam neuroloog] te Aruba.

2.6.

Op 15 september 2023 is in het ziekenhuis in Aruba een echo gemaakt van de linkerknie van [eiseres]. De radioloog heeft daarover aan de huisarts gerapporteerd:

“Zwelling laterale zijde linkerknie. Suggestie van peesruptuur links ter hoogte van de tibialis anterior met enige retractie.”

2.7. [

eiseres] ontvangt sinds augustus 2022 een maandelijkse bijstandsuitkering van (afgerond) Afl. 450,-. Voor het ongeval was zij vanaf 2 maart 2018 werkzaam bij Union Caribe N.V. als compliance assistent laatstelijk tegen een salaris van Afl. 3.000,- bruto per maand.

3 HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

3.1. [

eiseres] vordert als voorschot op de in de schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding over de periode van juli 2021 tot en met oktober 2023 Afl. 61.319,83 voor geleden schade VAV en Afl. 36.990,- als vergoeding voor de kosten mantelzorg. Gerekend vanaf 1 november 2023 vordert [eiseres] tevens Afl. 4.047,65 per maand als vergoeding voor dezelfde schade in de toekomst, bestaande uit Af. 2.678,90 voor VAV en Afl. 1.368,75 voor kosten mantelzorg. Ten slotte vordert [eiseres] de wettelijke rente van Afl. 4.493,65 over het op 2 maart 2023 door het Land aan haar betaalde smartengeld. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag al hetgeen in het vonnis reeds over de schade is overwogen, terwijl zij aan de hand van de sindsdien verzamelde en in dit geding gepresenteerde medische gegevens stelt dat zij vanwege haar (pijn)klachten en beperkingen nog steeds is aangewezen op mantelzorg gedurende drie uur per dag en niet in staat is enige loonvormende arbeid te verrichten.

3.2.

Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop hierna voor zover nodig nader zal worden ingegaan.

3.3.

Voorop gesteld wordt het volgende. Als slachtoffer van het aan haar op 13 oktober 2019 overkomen ongeval heeft [eiseres] op grond van artikel 6:97 BW jegens het Land als aansprakelijke partij -zoals in het vonnis is uitgemaakt- recht op concrete en volledige schadevergoeding, waardoor zij zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin zij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.

Dit beginsel brengt mee dat de schade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. 1

Bij de vaststelling van de schade op deze wijze is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast. De benadeelde moet feiten stellen en zonodig bewijzen waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid, waarna de rechter kan uitgaan van het bestaan van schade en deze zonodig, lettend op de aard ervan, door schatting kan bepalen. Tegen deze achtergrond zal het gerecht de vorderingen van [eiseres] hierna per onderdeel beoordelen.

3.4.

Terecht heeft het Land er aandacht voor gevraagd dat deze beoordeling in kort geding plaatsvindt met de daarbij behorende beperkingen. Dit betekent in de eerste plaats dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, is voorts terughoudendheid op zijn plaats en er moeten dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook -kort gezegd- of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken.

Wettelijke rente over smartengeld ad Afl. 4.493,65

3.5.

Deze vordering van Afl. 4.493,65 is klip en klaar, want op de wet (de artikelen 6:119, juncto 6:83 sub b BW) gegrond. Er is verzuimd deze vordering in de bodemprocedure mee te nemen, maar daarmee heeft [eiseres] er natuurlijk geen afstand van gedaan. Zij kan de wettelijke rente alsnog vorderen. Niet valt in te zien waarom [eiseres] daarvoor een (nieuwe) bodemprocedure zou moeten beginnen. Voor wat betreft het vereiste spoedeisend belang bij deze vordering, overweegt het gerecht dat deze volgens vaste rechtspraak uit oogpunt van proceseconomie kan ‘meeliften’ bij andere vorderingen die, zoals hierna zal blijken, zonder meer spoedeisend zijn. Het Land heeft tegen de berekening van [eiseres] geen cijfermatig verweer gevoerd, zodat het bedrag van

Afl. 4.493,65 wordt toegewezen.

Schade wegens verlies arbeidsvermogen (VAV)

3.6.

In het vonnis is de tot en met 30 juni 2021 verschenen schade van Afl. 11.051,77, zoals [eiseres] deze in de bodemprocedure had berekend, integraal toegewezen.

In dit kort geding wenst [eiseres] vergoeding van de onder deze noemer nadien geleden en nog te lijden schade.

3.7.

Met betrekking tot de geleden schade in de periode van 1 juli 2021 tot 1 november 2023, door [eiseres] becijferd op Afl. 61.319,83, neemt het gerecht het spoedeisend belang van de vordering aan. Het gaat om een inkomensvoorziening, vergelijkbaar met een loonvordering, en dat is naar zijn aard spoedeisend. Daarvoor hoeft [eiseres] niet eerst aan het Land rekening en verantwoording af te leggen hoe zij de uit het vonnis voortvloeiende betaling van Afl. 70.000,- heeft besteed.

3.8.

Het Land heeft op de zitting erkend dat [eiseres] in het licht van de door haar in deze procedure gepresenteerde medische gegevens, sinds het ongeval tot heden niet in staat is geweest enig werk te verrichten. Er is geen andere (medische) reden daarvoor gesteld of gebleken. Daarmee heeft [eiseres] voldoende gesteld om met redelijke mate van waarschijnlijkheid aan te kunnen nemen dat de door haar gestelde klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen het gevolg zijn van het ongeval.

Indien verder in aanmerking wordt genomen dat [eiseres] zonder ongeval in een voltijdse dienstbetrekking werkzaamheden had kunnen verrichten, bij wijze van normale voortzetting van haar carrière zoals zij deze ter zitting heeft toegelicht en zij daarin bij Union Caribe (of eventueel een andere werkgever) tenminste het salaris van Afl. 3.000,- bruto per maand had kunnen verdienen, dan staat in de schadestaatprocedure niets aan toewijzing van dit deel van de vordering in de weg als optelsom van de in de periode van 1 juli 2021 tot 1 november 2023 geleden schade.

Het Land heeft het verweer gevoerd dat hij nog ‘vragen van causaal verband en eigen schuld’ mag opwerpen in de schadestaatprocedure. Niet duidelijk is geworden wat het Land hier precies mee bedoelt. Als het gaat om de toedracht van het ongeval is alles in het vonnis al onherroepelijk beslist in het nadeel van het Land. In dat opzicht kan [eiseres] geen eigen schuld meer worden tegengeworpen. Zoals hiervoor is overwogen staat verder het causaal verband tussen het ongeval en de tussen 1 juli 2021 en 1 november 2023 geleden schade VAV in voldoende mate vast. Andere gebeurtenissen in het leven van [eiseres] in dit tijdvak die de(zelfde) schade hebben veroorzaakt, zijn er niet. Nu het Land de berekening van [eiseres] ook niet cijfermatig heeft bestreden kan binnen het onder 3.4 geschetste toetsingskader zonder enig restitutierisico het bedrag van Afl. 61.319,83 worden toegewezen.

3.9. [

eiseres] vordert gerekend vanaf 1 november 2023 tevens maandelijkse betalingen van Afl. 2.678,90, zonder begrenzing in de tijd, als voorschotten op de toekomstige schade VAV. Zij stelt in verband daarmee dat zij vanwege de dagelijks aanwezige pijnklachten, die wisselen in intensiteit en waarvoor geen effectieve behandeling bestaat, nooit meer zal kunnen werken. Dit sombere vooruitzicht heeft haar ook in een zwaar depressieve toestand gebracht, waarvoor zij psychologische hulp krijgt, aldus steeds [eiseres]. Wil deze vordering van [eiseres] worden toegewezen, dan moet op basis van de beschikbare informatie kunnen worden vastgesteld dat zij aanspraak heeft op aanvullende schadevergoeding onafgebroken gedurende de resterende duur van haar werkzame leven. [eiseres] is nu 53 jaar oud, dus dat gaat tot haar pensioen om een periode van 12 jaar. Het gerecht kan die periode niet goed overzien. Weliswaar zijn er recente medische gegevens voorhanden die niet tot optimisme stemmen, maar [eiseres] blijft zoeken naar een betere behandeling die de pijnklachten kunnen doen verminderen of verdwijnen.

Of dat succes zal hebben kan het gerecht niet inschatten of beoordelen. Daarvoor is de inschakeling van medisch deskundigen nodig. Dat moet in de schadestaatprocedure gebeuren. Het gerecht zal daarom de gevorderde maandelijkse voorschotten in tijd beperken en koppelen aan het daadwerkelijk door [eiseres] aanhangig maken van de schadestaatprocedure, zoals hierna verder zal worden uitgewerkt.

3.10.

Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. Het is onverstandig dat het Land in deze zaak met de armen over elkaar blijft afwachten. Daardoor worden kansen onbenut gelaten om de schadelast te beperken. Het gerecht denkt hierbij aan de door [eiseres] ondervonden moeilijkheden bij een verwijzing door AZV naar medische behandeling in Nederland. Als aansprakelijke partij kan het Land hierin het initiatief nemen om deze kosten wel te vergoeden. Succesvolle behandeling zou immers de weg kunnen openen naar re-integratie van [eiseres] en daarmee een beperking van de door het Land uiteindelijk te betalen schadevergoeding.

Los hiervan wijst het gerecht erop dat van de aansprakelijke partij gedurende het schaderegelingsproces een initiërende en leidende rol mag worden verwacht.

Nu de aansprakelijkheid vaststaat ligt het nogal voor de hand dat partijen in het kader van de schadeafwikkeling gezamenlijk overeenkomen een medisch deskundige in te schakelen en hem of haar een gezamenlijk overeengestemde vraagstelling voorleggen. Volgens vaste rechtspraak verbinden partijen zich daarmee in beginsel aan de inhoud van het rapport. Het is dus niet nodig daarvoor de schadestaatprocedure af te wachten.

Vergoeding van de kosten voor mantelzorg

3.11.

Ook op dit onderdeel vordert [eiseres] een vergoeding van de geleden schade in de periode van 1 juli 2021 tot 1 november 2023 van Afl 36.990,- en gerekend vanaf laatstgenoemde datum een maandelijks voorschot van Afl 1.368,75 op de toekomstig te lijden schade zonder begrenzing in de tijd. In beide gevallen gaat [eiseres] uit van een vaste behoefte aan mantelzorg van drie uur per dag.

3.12.

Deze vorderingen zijn problematisch omdat niet deugdelijk is geregistreerd welke mantelzorg daadwerkelijk in het verleden is verleend aan [eiseres], noch naar behoren is geobjectiveerd hoeveel uren mantelzorg [eiseres] nodig heeft. Het Land heeft dan ook terecht verweer gevoerd tegen dit onderdeel van de vordering. Dat betekent echter niet dat bij deze stand van zaken de hele vordering op dit onderdeel wordt afgewezen.

Voldoende aannemelijk is immers, vanwege de door [eiseres] ter zitting gegeven toelichting, dat zij ook sinds 1 juli 2021 vanwege haar gezondheidstoestand aangewezen was op mantelzorg. Het gerecht begrijpt dat dit steeds afhankelijk is geweest van de pijnaanvallen. [eiseres] kan dan terugvallen op vrienden en familie om haar te ondersteunen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen. Afspraken over een vaste inzet daarvoor zijn of worden daarvoor echter niet (meer) gemaakt. Die toestand is daarmee onvergelijkbaar met de periode kort na het ongeval toen [eiseres] wel behoefte had aan een vaste hulpstructuur. Bij deze stand van zaken stelt het gerecht schattenderwijs de kosten voor mantelzorg in de periode van 1 juli 2021 tot 1 november 2023 vast op een bedrag van Afl. 5.000,-. Dat is een conservatieve schatting vanwege de beperkingen die een kort geding nu eenmaal vergt. Voor toewijzing van een vast maandelijks bedrag, zelfs zonder tijdslimitering, bestaat geen toereikende grond. Het is aan [eiseres] om eerst de daadwerkelijke benutte mantelzorg in kaart te brengen en deze te ondersteunen door een medische indicatie.

Slotsom

3.13.

Het grootste deel van de vorderingen wordt toegewezen, opgeteld tot een bedrag van Afl. 70.813,48. Daarmee is het Land ook de (meest) in het ongelijk gestelde partij, zodat hij de kosten van de procedure moet betalen.

4 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, rechtdoende in kort geding:

4.1.

veroordeelt het Land om aan [eiseres] Afl. 70.813,48 te betalen;

4.2.

veroordeelt het Land tevens om aan [eiseres] met ingang van 1 november 2023 maandelijks Afl. 2.678,90 te betalen, onder de voorwaarde dat [eiseres] voor 1 januari 2024 een schadestaatprocedure tegen het Land aanhangig maakt en zolang in deze procedure geen eindvonnis is gewezen;

4.3.

veroordeelt het Land in de kosten van de procedure begroot op Afl. 675,- voor verschotten en op Afl. 1.500,- wegens gemachtigdensalaris.

4.4.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers, rechter-plv., en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2023 in aanwezigheid van de griffier.

Datum uitspraak: 6 december 2023

Instantie: gerecht in eerste aanleg van Aruba

Zaaknummer: AR AUA202303922

Inhoudsindicatie: Civiel. Mevrouw vordert als voorschot op de in de schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding: Wettelijke rente over smartengeld, Schade wegens verlies arbeidsvermogen en Vergoeding van de kosten voor mantelzorg.

Formele relaties (optioneel): nvt

Rechtsgebieden: Civiel

Rechter: mr. J.T.G. Roovers

Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey