Hof: Letselschade na handgemeen

Samenvatting:

Tussen appellant en geïntimeerden is op 13 januari 2017 een handgemeen ontstaan. Geïntimeerden zijn strafrechtelijk veroordeeld wegens openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. In de procedure in eerste aanleg heeft appellant bij de rechtbank gevorderd dat geïntimeerden worden veroordeeld tot betaling van zijn schade ten gevolge van het handgemeen op 13 januari 2017. De rechtbank heeft geoordeeld dat geïntimeerden onrechtmatig jegens appellant hebben gehandeld en heeft geïntimeerden veroordeeld tot vergoeding van de nog te lijden materiele schade. Zowel appellant als een van de geïntimeerden is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis en vorderen vernietiging hiervan. Volgens geïntimeerde was er sprake van eigen schuld van appellant, maar het hof concludeert dat dit niet in rechte is komen vast te staan. De overige grieven die zien op het causaal verband tussen de mishandeling, het letsel en het verlies aan arbeidsvermogen, zullen nader door appellant moeten worden onderbouwd.

ECLI:NL:GHSHE:2023:3991

Instantie                                   Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak                28-11-2023

Datum publicatie 21-12-2023

Zaaknummer 200.314.490_01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Hoger beroep

letselschade na geweldsincident; eigen schuld; deskundigenberichten en onderbouwing verlies aan arbeidsvermogen

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2024-0005

Uitspraak

GERECHTSHOF s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.314.490/01

arrest van 28 november 2023

in de zaak van

[appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. A. Sarkis te Maastricht,

tegen

1

[geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] ,

  1. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep, advocaat: mr. M.C.A.M. van der Meer te Tilburg,

  1. [geïntimeerde 3] , wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. A. Smeekes te Breda,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , allen gezamenlijk als

[geïntimeerden] ,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 april 2022, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

  • Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/358165 / HA ZA 19-300)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 31 juli 2019, 28 augustus 2019, 1 juli 2020, 10 februari 2021 en 4 mei 2021.

  • Het geding in hoger beroep
    • Het verloop van de procedure blijkt uit:
      • de dagvaarding in hoger beroep;
      • de memorie van grieven met producties namens [appellant] ;
      • de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met éénproductie namens [geïntimeerde 3] ;
      • de memorie van antwoord namens [geïntimeerde 1] . en [geïntimeerde 2] ;
      • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep namens [appellant] .
    • Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
  • De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

De feiten

3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Deze feiten heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 1 juli 2020 vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht.

  1. Op vrijdagavond l3 januari 2017 heeft er een handgemeen plaatsgevonden tussen

[appellant] en buurtbewoners. Een klein aantal (destijds) minderjarige jongens, onder wie [geïntimeerde 2] , had sneeuwballen gegooid tegen het raam van de woning van [appellant] , die vervolgens zijn woning is uitgegaan om de jongens aan te spreken. Eén van de jongens heeft zijn ouders gebeld, waarna er twee volwassenen ter plaatse zijn gekomen, waaronder [geïntimeerde 1] .

Vervolgens is er een handgemeen ontstaan.

Op dezelfde avond van 13 januari 2017 is [appellant] naar de huisartsenpost gegaan. In het verslag van de huisarts staat over het consult vermeld:

“Niet buiten bewustzijn geweest. Li zwelling oog en bovenooglid. Oogkas stabiel. Oog zelf niet beschadigd. Bloedneus. Pijn kaakgewr re, lijkt geen fractuur”

Op 14 januari 2017 heeft [appellant] zich bij zijn werkgever ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als schadehersteller van auto’s.

Op 16 januari 2017 is door [appellant] aangifte gedaan bij de politie van mishandeling.

Zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 3] is strafrechtelijk veroordeeld in verband met een jegens [appellant] begaan strafbaar feit. Bij vonnis van 28 juni 2017 werd

[geïntimeerde 1] veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 180 uren en tot betaling van een schadevergoeding van 1.885,–. [geïntimeerde 2] werd veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren.

[appellant] heeft de aantekening mondeling vonnis van deze veroordelingen niet overgelegd. [geïntimeerde 3] is in de strafzaak veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren wegens openlijke geweldpleging terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft.

Op 24 januari 2017 heeft [appellant] zich bij een MKA-chirurg gepresenteerd. Deze MKA-chirurg heeft aan de hand van een CT scan bij [appellant] het volgende geconstateerd:

“een fractuur van de laterale wand van de orbita als ook de voorwand en de achterwand van de sinus maxillaris. De mediale wand van de sinus maxillaris is intact. Orbitabodem in tact. Er is slechts een geringe dislocatie van de fractuurdelen.”

Op 17 februari 2017 heeft [appellant] bij zijn huisarts melding gemaakt van stress- en angstklachten en heeft hij verzocht om een verwijzing naar een psycholoog.

Bij brief van 25 september 2017 zijn [geïntimeerden] namens [appellant] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor gestelde (resterende) door hem geleden en nog te lijden schade.

Op 3 juli 2018 werd [appellant] gezien door een oogarts op de polikliniek oogheelkunde. In de anamnese staat vermeld:

“Heeft na de mishandeling in januari 2017 klachten gekregen van met name hoofdpijn, trillend oog/ooglid links, ‘s avonds lichtflitsen links met soms groene strepen, pijnlijke ogen en mouches volantes links. Nu sinds kort ook pijnklachten rechts. Hoofdpijn straalt uit naar het achterhoofd. Bij neuroloog geen bijzonderheden gevonden. Nu ook aantal keer vocht in het onderooglid links gehad. ” Bij aanvullend onderzoek is door de oogarts vermeld:

“MRI feb 2018:

Status na fractuur maxillaris rechts. Geen aanwijzingen voor overige posttraumatische afwijkingen.” De conclusie van de oogarts luidt:

“1) CV troebelingen

  • Sicca
  • Latente nystagmus
  • infraorbitalis letsel rechts na maxillarisfractuur”

Een verzekeringsgeneeskundige van het UWV heeft in diens rapportage van 13 december 2018 geconcludeerd:

“() De bedrijfsarts heeft de belastbaarheid van klant adequaat ingeschat. De klant heeft geen benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De klant heeft ernstige medische problematiek waardoor onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren bestaat. () [appellant] heeft de Armeense nationaliteit en is in 2002 gevlucht uit Nagorno-Karabach.

Van 14 januari 2017 tot en met 14 januari 2019 heeft de werkgever van [appellant] diens volledige loon ter hoogte van 30.166,00 bruto per jaar (inclusief vakantiegeld) doorbetaald.

Sinds 14 januari 2019 ontvangt [appellant] een WIA-uitkering ter hoogte van

1.977, 24 bruto per maand (inclusief vakantiegeld), welke uitkering vanaf 14 maart 2019 is verlaagd naar 1.845,42 bruto per maand (inclusief vakantiegeld).

De procedure in eerste aanleg

3.2.1. In de onderhavige procedure heeft [appellant] , na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot:

  1. betaling van een bedrag ad 230.760,08, althans een in goede justitie te bepalen bedrag,zijnde de reeds begrote geleden materiële en immateriële schade;
  2. vergoeding van de nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bijstaat en te vereffenen volgens de wet, een en ander tegen behoorlijk bewijs van kwijting en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
  • voldoening van de kosten van dit geding, binnen veertien dagen na dagtekening van hetvonnis, en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat

[geïntimeerden] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld met als gevolg dat hij daardoor schade heeft opgelopen. Hij heeft vergoeding van deze schade gevorderd en in de akte houdende vermeerdering van eis in eerste aanleg de volgende schadeposten, alle tot maart 2019 opgesomd:

a.de medische kosten (het eigen risico) 402,02

b.de kosten voor huishoudelijke hulp 1.917,50

c.het verlies aan zelfwerkzaamheid 2.872,80

d.het verlies aan verdiencapaciteit 2.267,68

e.de reiskosten 591,24

f.de kosten voor rechtsbijstand 14.788,20

g.het smartengeld. 5.000,00

Daarnaast berekent hij het verlies aan verdiencapaciteit vanaf maart 2019 op een bedrag van 207.439,04.

3.2.3. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4. In het tussenvonnis van 31 juli 2019 heeft de rechtbank een door [appellant] gevorderde voorlopige voorziening, een voorschotbetaling, afgewezen.

3.2.5. In het tussenvonnis van 28 augustus 2019 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald, welke op 9 januari 2020 heeft plaatsgevonden.

3.2.6. In het tussenvonnis van 1 juli 2020 heeft de rechtbank, kort samengevat, [geïntimeerden] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van het bewijs dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens [appellant] en hoofdelijk aansprakelijk zijn.

3.2.7. In het tussenvonnis van 10 februari 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] jegens [appellant] in rechte vaststaat. Partijen is verzocht zich uit te laten over de gewenste benoeming van twee deskundigen, een oogarts en een psychiater.

In het tussenvonnis van 4 mei 2021 zijn beide deskundigen benoemd en het voorschot voor de door hen te maken kosten is bepaald.

3.2.8. In het eindvonnis van 20 april 2022 heeft de rechtbank [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van 1.075,28 aan [appellant] ter zake de reeds geleden materiële en immateriële schade en buitengerechtelijke (incasso)kosten. Voorts zijn [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de nog te lijden materiële schade zoals weergeven in rechtsoverweging 3.8. van het eindvonnis (zijnde de schadeposten: eigen risico en de kilometervergoeding), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. De deskundigenkosten zijn gelijkelijk over de twee procespartijen verdeeld, dit wil zeggen dat [geïntimeerden] hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een bedrag van 3.908,03 te voldoen aan de griffier en dat [appellant] eveneens tot betaling van dit bedrag is veroordeeld, te voldoen aan de griffier. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

De omvang van het hoger beroep

3.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.3.2. [geïntimeerde 1] . en [geïntimeerde 2] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld.

3.3.3. [geïntimeerde 3] heeft in incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot de vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog integraal afwijzen van de vorderingen van [appellant] met veroordeling van [appellant] in de integrale kosten van de eerste aanleg en het principaal hoger beroep met rente en nakosten.

3.3.4. Het hof stelt vast dat geen van partijen grieven heeft gericht tegen de tussenvonnissen zodat de beslissingen in deze tussenvonnissen tussen partijen zijn komen vast te staan. In hoger beroep staat de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] vast en ligt dan ook alleen de vraag voor of [appellant] als gevolg van het geweldsincident schade heeft geleden en, zo ja, hoe hoog de schade is en voor welk deel [geïntimeerde 3] , mede gelet op zijn beroep op eigen schuld, aansprakelijk is.

3.3.5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat de grief alle gronden moet bevatten die een appellant aanvoert om te betogen dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn.

Grief 3 in het incidenteel hoger beroep: de gestelde eigen schuld

3.4.1. Het hof zal eerst grief 3 in het incidenteel hoger beroep beoordelen, althans voor zover dat gaat over de gestelde eigen schuld van [appellant] . [geïntimeerde 3] stelt dat de eigen agressieve houding van [appellant] tot escalatie heeft geleid en dat hij het was, die de confrontatie met de kinderen heeft gezocht. [appellant] heeft deze stelling betwist, terwijl, ook al zou sprake zijn van enige achtervolging van de kinderen door hem, dit nog geen vrijbrief is om hem te mishandelen,

aldus [appellant] .

3.4.2. Het hof beoordeelt dit deel van de grief als volgt.

Terecht stelt [geïntimeerde 3] dat de rechtbank zijn beroep op eigen schuld had moeten beoordelen. Naar het oordeel van het hof slaagt dit beroep evenwel niet en leidt het ten onrechte niet beoordelen van dit verweer door de rechtbank niet tot een wijziging van het dictum. De grief slaagt dus in die zin niet. Het hof motiveert deze beslissing als volgt.

3.4.3. Artikel 6:101 BW lid 1 houdt het volgende in:

Het is aan [geïntimeerde 3] om te stellen en te bewijzen dat van eigen schuld in voormelde zin sprake is. Dit heeft hij niet althans onvoldoende gedaan.

Zo is onvoldoende gebleken dat de letselschade van [appellant] in causaal verband staat zowel met de gebeurtenis op grond waarvan [geïntimeerde 3] aansprakelijk gesteld kan worden als met een omstandigheid die aan [appellant] kan worden toegerekend. Het achtervolgen, aanspreken en vastpakken van de sneeuwballen gooiende kinderen of van één van hen staat in geen althans onvoldoende verband tot de letselschade om die schade daaraan (mede) te kunnen toerekenen. Uit getuigenverklaringen volgt dat [appellant] , ná de achtervolging en kort vóór het geweldsincident, bezig was om weg te lopen/naar huis te lopen. Het hof verwijst naar de verklaring van [naam 1] , p. 77 van het proces-verbaal (productie 2 bij de inleidende dagvaarding):

[hof: [appellant] ]

en de verklaring van [naam 2] , p. 82 van het proces-verbaal:

en de verklaring van [naam 3] , p. 86 van het proces-verbaal:

Daar komt bij dat evenmin is gebleken dat [appellant] na het weglopen/haar huis lopen kleding zou hebben aangetrokken om beter te kunnen vechten en terug zou zijn gekomen met als doel om te vechten, zoals [geïntimeerde 3] heeft gesteld en [appellant] betwist.

Het hof concludeert dat de gestelde eigen schuld van [appellant] aan zijn letsel in rechte niet komt vast te staan.

3.4.4. In de incidentele grief 3 heeft [geïntimeerde 3] voorts gesteld dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht niet in acht heeft genomen, nu hij passende medische behandelingen niet heeft gevolgd. De beslissing op dit deel van de grief houdt het hof aan.

Grief I in principaal hoger beroep: de oogproblematiek

3.5.1. Grief I is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank onder 3.5 van het bestreden vonnis. Uit deze overwegingen blijkt dat de rechtbank de bevindingen van de oogarts volgt en mede op grond daarvan het verzoek van [appellant] om een onderzoek door een neuroloog te gelasten

afwijst.

In de toelichting bij deze grief stelt [appellant] op de eerste plaats dat hij als gevolg van het geweldsincident bloeduitstortingen rond de linkeroogkas had, dat hij dus meerdere schoppen en stoten op zijn hoofd heeft gekregen waardoor er een cascade aan letsel is ontstaan. Dit had reden moeten zijn voor de rechtbank om aan de deskundige nadere vragen te stellen. Voorts stelt [appellant] dat de oogarts geen beschrijving heeft gegeven van de staat van de zenuwen. Het zou zo kunnen zijn, aldus [appellant] , dat als gevolg van het geweldsincident, waarbij [appellant] in zijn gezicht is geschopt en geslagen en letsel is ontstaan aan beide oogkassen (een breuk aan de rechteroogkas en bloeduitstortingen aan de linkeroogkas), één of meerdere zenuwen zijn beschadigd.

3.5.2. Het hof leest in deze toelichting geen voldoende steekhoudende bezwaren tegen de inhoud van het deskundigenbericht. De oogarts heeft kennis genomen van de relevante medische informatie en van de gestelde klachten van [appellant] . Hij heeft vervolgens onderzoek verricht en de resultaten daarvan opgenomen in de rapportage. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat het onderzoek onvolledig is geweest. De rechtbank heeft in het eindvonnis nog expliciet overwogen dat de oogarts niet heeft aangegeven een neurologisch onderzoek geïndiceerd te achten en heeft vermeld dat ook bij eerder onderzoek door oogartsen en een neuroloog geen goede verklaring voor de klachten is gevonden. Gelet hierop had het op de weg van [appellant] gelegen om deze overweging dan onderbouwd (met stukken) te betwisten.

Het hof volgt de zienswijze van voormelde oogarts nu de door de oogarts in zijn rapport gebezigde motivering het hof overtuigend voorkomt. In zoverre slaagt grief I van het principaal hoger beroep niet.

3.5.3. In de toelichting bij grief I gaat [appellant] vervolgens in op de overweging van de rechtbank dat het causaal verband tussen de (mogelijk eerder) ontstane mouches volantes (het waarnemen van vlekjes) en het geweldsincident onvoldoende is komen vast te staan, nu de mouches volantes waarschijnlijk pre-existent aanwezig waren. De rechtbank verwijst naar het deskundigenbericht. In de toelichting bij deze grief wijst [appellant] erop dat sprake was van een blanco voorgeschiedenis, dat de rechtbank op dit punt nadere vragen aan de deskundige had moeten stellen, dat het alleszins aannemelijk is dat de mouches volantes eerder zijn ontstaan als gevolg van de mishandelingen dan fysiologisch gebruikelijk en dat aldus het causale verband een gegeven is.

3.5.4. Het hof stelt allereerst vast dat in de toelichting bij deze grief niet wordt ingegaan op de overweging van de rechtbank dat met betrekking tot de (mogelijk eerder) ontstane mouches volantes geldt dat geen sprake is van een beperking in functioneren. Dit staat hiermede dan ook tussen partijen vast.

3.5.5. Ten aanzien van het medisch causaal verband geeft de deskundige aan:

De deskundige overweegt dat de mouches volantes zeer waarschijnlijk pre-existent aanwezig zijn geweest, maar mogelijk zijn zij door gedeeltelijke loslating van het glasvochtmembraan nu opvallender.

Het hof concludeert hieruit dat, medisch gezien, het causale verband tussen de mouches volantes en het geweldsincident moeilijk kan worden vastgesteld, maar het is niet geheel uitgesloten. Er is een alternatieve oorzaak aan te wijzen die volgens de deskundige veel aannemelijker is. Juridisch vertaalt zich dit in het inschatten van een kans. Nu echter dit letsel niet leidt tot beperkingen en er wel van kan worden uitgegaan dat [appellant] op termijn last zou krijgen van de mouches volantes, is het de vraag of en in hoeverre dit letsel bijdraagt in de totale vordering. Partijen mogen zich hierover uitlaten.

3.5.6. Onder de punten 23 en 24 van de toelichting haalt [appellant] jurisprudentie aan zonder daarbij een verband te leggen met overwegingen van de rechtbank waar hij het niet mee eens is. Het hof en ook de beide wederpartijen lezen hierin geen grief.

Grief II in principaal hoger beroep: het psychiatrisch deskundigenbericht

3.6.1. In de toelichting bij grief II stelt [appellant] dat de rechtbank de diagnose van PTSS anders heeft geïnterpreteerd dan deze door de deskundige zou zijn bedoeld: dat er na het geweldsincident een scala aan missers is ontstaan, is, zo stelt [appellant] , niet doorslaggevend voor de diagnose.

3.6.2. Het hof verwerpt dit deel van de grief. Feit is dat de deskundige, zoals ook aangehaald door [appellant] in de memorie van grieven, niet alleen het geweldsincident noemt maar ook hoe hij nadien door de politie en artsen is benaderd. Het is dus wel een factor die de deskundige van belang acht om te vermelden. De stelling van [appellant] dat deze factor niet doorslaggevend is, is niet onderbouwd. In zoverre slaagt de grief niet.

3.6.3. Het hof stelt vast dat er geen grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat, voor zover er sprake is van klachten/beperkingen die het gevolg zijn van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan ná het geweldsdelict, deze in beginsel niet aan dat incident kunnen worden toegerekend. De rechtbank heeft niet verder onderzocht of en zo ja welke klachten/beperkingen het gevolg zijn van de gebeurtenissen ná het geweldsincident en gaat in haar overwegingen verder in op de vraag of de door de deskundige vastgestelde beperkingen blijvend zijn.

3.6.4. In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat de rechtbank de causaliteit van de PTSSklachten als vaststaand had dienen aan te merken zolang het intensieve behandeltraject niet aangevangen is. Het is bovendien niet te voorspellen hoe het intensieve behandeltraject zal aanslaan. [appellant] concludeert dat het zeer plausibel is dat het psychisch letsel (enkel) is veroorzaakt door de mishandeling.

3.6.5. Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de causaliteit van de PTSS-klachten met het geweldsincident moet worden aangenomen zolang het intensieve behandeltraject niet is aangevangen. Het hof is van oordeel dat eerst zou moeten worden beoordeeld of alle PTSSklachten aan het geweldsincident moeten worden toegerekend, dan wel in welke mate dit het geval is en of een deel van de klachten aan de gebeurtenissen na het incident dient te worden toegerekend. Dit staat tussen partijen niet vast. Zoals hiervoor aangegeven, is de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag niet toegekomen nu [appellant] niet althans onvoldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van de PTSS-klachten blijvende beperkingen heeft of enige tijd klachten heeft gehad waardoor er verlies aan arbeidsvermogen is opgetreden. Het hof verwijst naar de hierna volgende overwegingen onder grief III in het principaal hoger beroep.

3.6.6. Het hof stelt vast dat, zo blijkt uit het deskundigenbericht van de psychiater, [appellant] vanaf maart 2017 onder behandeling is van psychiater [de psychiater] . Eind 2018 heeft hij een EMDRbehandeling ondergaan en op 26 januari 2021 meldt de psychiater dat een behandeling inclusief nazorg van circa één jaar gaat plaatsvinden. De als deskundige geraadpleegde psychiater is van mening dat een intensief, deels klinisch trauma behandeltraject moet worden ingezet. Haar rapport dateert van juli 2021. Uit de stelling van [appellant] dat niet te voorspellen is hoe het intensieve behandeltraject zal aanslaan, leidt het hof af dat [appellant] het advies van de deskundige heeft gevolgd en een behandeling is gestart. [appellant] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep als reactie op een deel van grief 3 in dit hoger beroep aangegeven dat hij geen enkele behandeling heeft geweigerd. De vraag is of en hoe het behandeltraject zoals door de deskundige aangegeven, is verlopen en wat dit voor gevolgen heeft gehad voor de beperkingen van [appellant] . Het ligt op de weg van [appellant] om het hof

op dit punt nader te informeren. Het hof zal hem daartoe in de gelegenheid stellen.

3.6.7. Afhankelijk van deze nadere stellingen en onderbouwing zal het hof het tweede deel van grief 3 in het incidenteel hoger beroep kunnen beoordelen.

Grief III in principaal hoger beroep: verlies aan arbeidsvermogen

3.7.1. In grief III komt [appellant] op tegen de afwijzing van het gevorderde verlies aan arbeidsvermogen. Hij verwijst naar de rapportage van het UWV en stelt dat de rechtbank een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige had moeten inschakelen. De rechtbank gaat, aldus [appellant] , ten onrechte voorbij aan het feit dat zijn arbeidsongeschiktheid nog steeds voortduurt.

3.7.2. Het hof stelt voorop dat het aan [appellant] is om de hier aan de orde zijnde schadevordering te onderbouwen. [appellant] verwijst naar een brief van het UWV van 13 december 2018. De verzekeringsgeneeskundige heeft in deze brief het volgende geschreven:

Deze brief vormt, naar het oordeel van het hof, geen onderbouwing voor de stelling dat als gevolg van het geweldsincident sprake is van een ziekte of een gebrek. Bovendien vormt de brief geen onderbouwing voor de stelling dat sprake zou zijn van blijvende beperkingen en wel van zodanige omvang dat [appellant] in de toekomst geen verdienvermogen meer heeft. De verzekeringsgeneeskundige geeft immers eind 2018 juist aan dat van duurzaamheid van beperkingen geen sprake is.

3.7.3. In zijn akte van 5 februari 2020 heeft [appellant] melding gemaakt van een brief van 6 januari 2020 waarin de psychotherapeut vermeldt dat de situatie van [appellant] is verslechterd. De aanwezige klachten duiden op herbelevingen die soms zo sterk zijn dat deze psychotisch aandoen. In de akte is het volgende citaat opgenomen:

Een kopie van deze brief is evenwel niet overgelegd.

Het hof stelt vast dat [appellant] geen toelichting heeft gegeven op de inhoud van dit schrijven en, belangrijker nog, hoe zich dit verhoudt tot de verwachting van de verzekeringsgeneeskundige dat de gestarte behandeling op termijn een positieve invloed heeft op de beperkingen.

3.7.4.

[appellant] stelt dat hij als gevolg van het geweldsincident aan beperkingen lijdt die de oorzaak zijn van zijn huidige arbeidsongeschiktheid. Hoewel in rechte nog niet vaststaat dat alle beperkingen die de psychiater in haar rapport heeft opgenomen, aan het geweldsincident kunnen worden toegerekend (zie de overwegingen bij grief II in het principaal hoger beroep), dient [appellant] eerst te onderbouwen dat het juist deze beperkingen zijn die hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid, vanaf de datum waarop hij het verlies aan arbeidsvermogen heeft berekend, 14 januari 2019 tot heden.

Het gaat hier dan om de beperkingen die de psychiater in haar rapport van 7 december 2021 als volgt heeft omschreven:

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om ter onderbouwing van zijn vordering de noodzakelijke stukken te overleggen. Het hof denkt dan aan een kopie van het volledige UWVdossier met alle rapportages van de verzekeringsarts (inclusief de lijst met beperkingen) en de arbeidsdeskundige.

3.7.5. Het hof houdt een beslissing op deze grief aan.

Grief 1 in incidenteel hoger beroep: psychische klachten zijn pre-existent

3.8.1. In grief 1 van het incidentele hoger beroep heeft [geïntimeerde 3] aangevoerd dat [appellant] reeds voorafgaand aan het ongeval PTSS-klachten had als gevolg van zijn oorlogsverleden.

[geïntimeerde 3] richt deze grief met name tegen de volgende overwegingen van de rechtbank:

Concreet stelt [geïntimeerde 3] in het incidenteel hoger beroep dat [appellant] als vluchteling reeds een oorlogstrauma had opgelopen en dat dit onvoldoende door de door de rechtbank benoemde psychiater is meegenomen. De PTSS-klachten van [appellant] waren ten tijde van het geweldsincident reeds aanwezig. Er is geen sprake van een persoonlijke predispositie maar de klachten waren pre-existent, aldus [geïntimeerde 3] .

[geïntimeerde 3] stelt, ter onderbouwing, dat [appellant] voorafgaande aan het geweldsincident maatschappelijk niet goed functioneerde: hij is regelmatig verhuisd en had al problemen op zijn werk vóór het incident. [geïntimeerde 3] verwijst voorts naar de naar zijn mening overtrokken, excessieve reactie van [appellant] op een verdwaalde sneeuwbal.

3.8.3. [appellant] betwist deze stellingen. Hij geeft aan dat hij jarenlang uitstekend heeft gefunctioneerd en gedurende de meer dan tien jaren dat hij heeft gewerkt, allerlei diplomas heeft gehaald. Hij leidde een succesvol leven en heeft een mooi gezin waarmee hij leuke dingen ondernam. De huidige psychische problemen hebben niets met enig oorlogsverleden te maken, aldus [appellant] .

3.8.4. Het hof memoreert eerst hoe de diagnose van de psychiater luidt:

De psychiater geeft voorts aan dat de klachten voorafgaande aan het incident niet bestonden en verwijst daarvoor naar de blanco psychiatrische voorgeschiedenis. Voorts geeft zij aan dat de klachten in de toekomst niet zouden zijn ontstaan als het incident zich niet had voorgedaan. Daarmede geeft zij, naar het oordeel van het hof, een onderbouwing voor het bestaan van het vereiste causale verband.

3.8.5. Het hof stelt vervolgens vast dat de door [geïntimeerde 3] gegeven feitelijke onderbouwing door

[appellant] is betwist en dat [geïntimeerde 3] geen bewijs voor deze stellingen heeft

aangeboden. Deze stellingen komen dan ook in rechte niet vast te staan.

Wel komt vast te staan dat [appellant] vanaf 2002 in Nederland woonde en nooit eerder een arts voor mogelijke psychische problematiek had benaderd. Er is nooit voorafgaand aan het geweldsincident een PTSS bij hem vastgesteld. Daarnaast staat vast dat hij, rekenend vanaf de datum van het geweldsincident, in ieder geval, vele jaren had gewerkt voor een autoschadeherstelbedrijf en aldaar zijn inkomen verdiende.

3.8.6. [geïntimeerde 3] stelt voorts, ter nadere onderbouwing, dat de psychiater in haar rapport het verhaal van [appellant] klakkeloos heeft gevolgd en juist het controlemechanisme van de symptoomvaliditeitstest achterwege heeft gelaten. Ten onrechte veronderstelt de psychiater dat er ofwel geen oorlogsverleden was ofwel dat dit geen invloed op de huidige klachten van [appellant] heeft, aldus [geïntimeerde 3] .

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde 3] niet betwist dat [appellant] een PTSS heeft, maar hij betwist dat de medische oorzaak daarvan gelegen is in het geweldsincident. Het toepassen van het controlemechanisme ziet evenwel op de gestelde diagnose. De deskundige heeft kennis genomen van de relevante medische informatie en van de klachten van [appellant] . Zij heeft vervolgens onderzoek verricht en de resultaten daarvan opgenomen in de rapportage. Uit de door [geïntimeerde 3] overgelegde producties blijkt dat een symptoomvaliditeitstest dient om te kunnen vaststellen of iemand klachten overdrijft of uit zijn duim zuigt. Juist is dat de deskundige een dergelijke test niet heeft uitgevoerd omdat [appellant] de taal onvoldoende machtig is om een dergelijke test te ondergaan. De deskundige geeft aan dat het verhaal van [appellant] plausibel overkomt, geen duidelijke inconsistentie bevat, ook niet ten opzichte van de meegezonden informatie en congruent is met de beschreven bevindingen bij het psychiatrisch onderzoek. Er zijn geen directe aanwijzingen voor aggravatie, simulatie of bagatelliseren, onderzochte komt oprecht en authentiek over, aldus de deskundige op p. 20 van haar rapport.

3.8.6. De deskundige stelt naar aanleiding van vragen van [geïntimeerden] en [geïntimeerde 3] dat er sprake is van consistentie tussen de ontvangen informatie en de bevindingen bij haar onderzoek, waardoor de conclusie getrokken kan worden dat er sprake is van een blanco psychiatrische en somatische voorgeschiedenis. De deskundige reageert hiermee op vragen die de beide partijen hebben gesteld. In het rapport van de psychiater is een deel van de ontvangen informatie uit de behandelende sector geciteerd. Daarin wordt gerefereerd aan het oorlogsverleden van [appellant] . Zo heeft de behandelend psychiater op 6 oktober 2017 aangegeven:

En zo heeft hij op 22 september 2018 vermeld:

Het hof stelt vast dat de psychiater kennis heeft genomen van de oude traumata. Naar het oordeel van het hof waren deze pre-existent aanwezig, maar daaruit kan dan niet de conclusie worden getrokken dat deze traumata de klachten tot gevolg hadden die de psychiater nu aan de diagnose ten grondslag heeft gelegd. De deskundige geeft op vragen nadrukkelijk aan dat [appellant] in de situatie zonder incident geen klachten zou hebben gehad. Naar het oordeel van het hof strookt dit niet alleen met de blanco psychiatrische voorgeschiedenis van [appellant] , maar het strookt ook met het feit dat [appellant] reeds vele jaren werkte, of, in de woorden van zijn behandelaar, een carrière had opgebouwd, een gezin had gesticht en een huis had gekocht.

[geïntimeerde 3] heeft in zijn betoog bovendien niet aangegeven wanneer, in de situatie zonder het incident, [appellant] als gevolg van de gestelde pre-existente PTSS zou zijn uitgevallen. De deskundige heeft daarentegen juist aangegeven dat de klachten er niet zouden zijn geweest als het incident [appellant] niet was overkomen. Het hof volgt dan ook op dit punt de zienswijze van de deskundige nu de door [geïntimeerde 3] in het vorenstaande aangegeven bezwaren onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend zijn, terwijl de gebezigde motivering, zeker bezien in samenhang met de hierboven genoemde vaststaande feiten, het hof voldoende overtuigend voorkomt.

3.8.7. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt dan ook niet. Het hof concludeert dat in rechte niet komt vast te staan dat [appellant] ten tijde van het geweldsincident reeds een PTSS had met de klachten zoals door de deskundige aangegeven. Er is wel sprake van een predispositie, hetgeen ook blijkt uit voormelde citaten.

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde 3] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie deze predispositie niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de schade waarvoor [geïntimeerden] aansprakelijk zijn.

Grief 2 in het incidenteel hoger beroep: de buitengerechtelijke kosten

3.9.1. In grief 2 in het incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerde 3] dat [appellant] geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt anders dan een verrichting ter instructie van de gerechtelijke procedure. De vordering had moeten worden afgewezen.

3.9.2. Het hof verwerpt deze grief. Als productie 19 bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] een overzicht overgelegd van de werkzaamheden die zijn advocaat vanaf 23 februari 2017 heeft verricht. Deze werkzaamheden betreffen o.a. het opvragen van medische gegevens. Dit zijn buitengerechtelijke werkzaamheden die als kosten voor de vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade als vergoeding in aanmerking komen. Gelet op deze productie had het op de weg van [geïntimeerde 3] gelegen om aan de hand van deze productie zijn stellingen nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep slaagt niet.

Grief IV in het principaal hoger beroep: schadeposten

3.10.1. In grief IV in het principaal hoger beroep betoogt [appellant] dat zijn vorderingen met betrekking tot de huishoudelijke hulp en het verlies aan zelfwerkzaamheid ten onrechte zijn afgewezen. De smartengeldvordering is eveneens ten onrechte deels afgewezen, alsook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.

3.10.2. Het hof houdt de beslissing op deze grief ten aanzien van de eerste drie schadeposten aan, nu de beoordeling ervan samenhangt met de vraag of en zo ja welke blijvende beperkingen ten gevolge de geweldspleging in rechte komen vast te staan.

3.10.3. De grief met betrekking tot het oordeel over de buitengerechtelijke kosten omvat, zo blijkt uit de toelichting, niet meer dan dat deze beslissing onbegrijpelijk is. Het hof leest hierin geen voldoende onderbouwde grief.

Voorlopige slotsom

3.11. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie na tussenarrest, eerst aan de zijde van [appellant] . Hij wordt in de gelegenheid gesteld om in te gaan op de vragen zoals gesteld onder r.o. 3.5.5. en 3.6.6 van dit arrest en op het gestelde in

r.o. 3.7.4. Daarna wordt [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld om bij memorie van antwoord na tussenarrest te reageren.

Het hof:

4.1. verwijst de zaak naar de rol van 9 januari 2024 voor memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellant] met de hiervoor in r.o. 3.11 vermelde doeleinden, waarna [geïntimeerden] in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop bij memorie van antwoord na tussenarrest te reageren;

4.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, F.C. Alink-Steinberg en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 november 2023.

griffierrolraadsheer

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey