PIV-Bulletin 2012-3, GVR (Grote vriendelijke reus …)

Samenvatting:

[…]

GVR (Grote vriendelijke reus …)

Mr. A.F.J. Blondeel – ASR Nederland

In het politieke polderlandschap loopt een Grote Vriendelijke Reus ‘GVR’ rond. Of je nu zijn politieke denkbeelden deelt of niet, links en rechts is men wel tevreden met die typering van Emile Roemer. In het boek de GVR van meester-verteller Roald Dahl, maken monsterlijke mastodonten de mensheid het leven zuur. Het archetype reus is immers niet vriendelijk. Maar Dahl zou Dahl niet zijn, als hij de hoofdrol uiteindelijk niet zou toedichten aan een Grote Vriendelijke Reus die reuzengrote problemen op vriendelijke wijze oplost.

In het landschap van personenschaderegeling worden zaken ook nog weleens tot reusachtige proporties uitvergroot. Zo is er binnen ons vakgebied de doorgaans niet zo vriendelijke maar desondanks altijd en gestaag doorlopende discussie over kosten buiten rechte dan wel buitengerechtelijke kosten (BGK). Daarover zijn boeken volgeschreven. En niet te vergeten: dagelijkse correspondentie. De rechter die zelf advocaat is geweest constateert een opvallende opwaartse druk. De wetenschapper constateert een schrijnend gebrek aan marktwerking. Vide het verslag van het A&V seminar in PIV-Bulletin 2012, 2.

Sommige belangenbehartigers blijken niet in staat om een brief van een verzekeraar over bevoorschotting ex art. 6:96 BW op juiste wijze te lezen. Wat eigenlijk nogal raar is gelet op het hanteren van een vaak niet gering uurtarief. Groot is de woede dat verzekeraar slechts een gematigd uurtarief betaalt.Nee,” schrijft de correspondent van de verzekeraar dan terug: we proberen een acceptabele modus voor redelijke bevoorschotting binnen de tweede redelijkheidstoets te vinden.” De tijd die gemoeid is met deze discussie om de discussie, wordt vervolgens ook weer op dossierniveau doorgedeclareerd. Het lezen en repliceren van standaardbrieven kost op dossierniveau veel van dit soort zich voortdurend herhalende tijdseenheden. Soms wordt er per dossier een standaardbrief van ruim drie kantjes verzonden ‘plus jurisprudentie- en literatuurstudie’. Hoeveel tijd is er werkelijk gemoeid met het uitprinten en verzenden van dergelijke standaardbrieven, binnen het totale volume van de door de desbetreffende belangenbehartiger behandelde dossiers waarin deze brief wordt gebruikt? Bovendien zitten elementen van dergelijke werkzaamheden nou juist in de kantoorkosten, waarvoor in de declaratie al een opslag van veelal 6% in rekening wordt gebracht.

Het door Lameris in het vorige PIV Bulletin mede besproken vonnis van de Rechtbank Den Bosch 26 mei 2011, 719021, is in dit verband interessant, omdat de rechter daar op zeer gedetailleerde wijze ingaat op de tweede redelijkheidstoets: wat moet in de kantoorkosten begrepen worden geacht, secretariële werkzaamheden, reistijd, uurtarief en het aantal malen dat een gehanteerde minimum tariefseenheid, van in dat geval zes minuten, wordt gebruikt.

Een landelijk folderende belangenbehartiger schrijft 4,5 uur x € 230 = 1035, reis- en wachttijd + 209 ‘reiskosten’. Exclusief btw en nog onverlet een kantooropslag. Per dossier. Een kritisch claimbeoordelaar vraagt zich dan af waarom hij van deze belangenbehartiger per dossier steeds weer de volledige retour reistijd per bezoek in diens declaraties terugziet. Mag van een dergelijke ondernemer niet verlangd worden efficiënter te werken en de reistijd te verdelen over diverse gecombineerde bezoeken op een werkdag? Schaderegelaars die in dienst of in rechtstreekse opdracht van verzekeraars werken krijgen die eis immers ook mee. Vast staat in ieder geval wel dat een ondernemer in een reguliere markt die landelijk acquisitie pleegt, het zal afleggen tegen concurrenten die zuiniger hun reistijd in rekening brengen.

Ook rechters oordelen op dossierniveau over de gedeclareerde BGK. Lameris gaf in het vorige PIV-Bulletin een goede samenvatting van de stand van zaken in de rechtspraak. Nu is het wel zo dat rechters doorgaans oordelen in langlopende zaken die om welke reden ook niet minnelijk tot een oplossing konden komen. Het topje van de ijsberg van letselschadebehandeling. Met de uitkomst van de uitspraken slaan we elkaar op dossierniveau weer om de oren. Terwijl ook hier weer de vraag rijst: is het niet veel inzichtelijker om per op dit rechtsgebied ondernemende belangenbehartiger te kijken naar efficiënte bedrijfsvoering binnen diens totale werkvolume? Aan de andere kant van het speelveld liggen verzekeraars al lang onder het vergrootglas van efficiënt werken. Dat is geen enkel probleem, maar laten we dan het totale spectrum van claimbeoordeling goed beoordelen op best practices.

Een belangenbehartiger die failliet ging, beschreef zichzelf in een interview in Het Expertisemagazine (EM) als iemand met een kritische houding en strijder voor kwaliteit. Hij maakte zich boos over slecht betalende verzekeraars die in zijn optiek een fatsoenlijke schadeafwikkeling onmogelijk maken. Ons uurtarief is geen natte vingerwerk, maar opgebouwd uit reële kosten die een expert maakt als hij zijn werk goed wil doen. Mijn intentie is om altijd in te zetten op kwaliteit van de dienstverlening en de verbetering daarvan. Dit is strijdig met het belang van verzekeraars die kosten willen besparen. Ik maak er bezwaar tegen dat dit over de rug van belangenbehartigers en slachtoffers gebeurt. Dan verhogen ze de autopremies maar in plaats van eeuwig te zeuren over buitengerechtelijke kosten.”
De eerste twee regels uit het citaat zijn een visie van de ondernemer. Sympathiek, maar in een concurrerende markt zal hij dat dagelijks waar moeten maken tegenover zijn concurrenten. De opdrachtgever van een letselschadebureau zal er gelet op deze stelling van uit gaan dat alle kosten de dubbele redelijkheidstoets “dus” zullen doorstaan en is vanaf dat moment niet kritisch op de declaraties en urenstaten. Ontstaat er toch een discussie tussen zijn opdrachtnemer en de verzekeraar, dan is de kostenpost doorgaans al behoorlijk opgelopen. Dat er naar redelijkheid een verdedigbare discussie kan ontstaan, heb ik eerder in dit stukje al met enkele voorbeelden uitgelicht. De subtitel van de PIV publicatie uit 2000, Buitengerechtelijke Kosten: Vijf visies op de redelijkheid – ISBN 90 268 36163 – doet in feite nog steeds opgeld, in die zin dat een redelijkheidstoets altijd ruimte zal laten voor een andere perceptie.

De derde en vierde regel uit het bovenstaande citaat zijn een waardeoordeel, dat deels ook een vooroordeel in zich herbergt. Primair kan geriposteerd worden dat een verzekeraar juist kosten bespaart door onnodige discussies en daarmee gepaard gaande transactiekosten te vermijden. Een constructief gezamenlijk op basis van wederkerigheid uitgezet schaderegelingtraject, doet evenveel recht aan het belang van de benadeelde als aan dat van de aansprakelijke verzekeraar.

De slotzin krijgt, zeker in het huidige tijdsgewricht, maatschappelijk gezien denk ik de handen zeker niet (meer) massaal op elkaar. De consument wil dat er middels een gezonde bedrijfsvoering met zijn premies wordt omgegaan en is kritisch ten aanzien van de transactiekosten van verzekeringsproducten. Onlangs verscheen in De EM Nieuwsbrief 03 2012 een bericht over de oplopende premies in het Verenigd Koninkrijk, waar een speciale onderzoekscommissie is opgericht die concludeert dat de (letselschade)verzekeringsbranche een einde moet maken aan praktijken die premies opdrijven. De kosten voor juridische hulp en aanbrengprovisies van letselschadezaken worden daarbij kritisch bekeken.

De boosheid van de gefailleerde belangenbehartiger kwam terug in mijn herinnering, toen ik het in PIV-Bulletin 2012, 2 opgenomen interview met ‘de GVR van het verzekeringsrecht’, professor Han Wansink, onder ogen kreeg. Vooral als je Wansink’s visie onder de kopjes ‘Sociale functie’ en ‘Gedragscodes en meetbare normen’ leest, wordt een aantal zaken helder, die ook zeer bruikbaar zijn bij het eindelijk eens redelijk begroten van BGK. Waar Wansink het zwaartepunt van de sociale functie van verzekering aan de binnenkant legt (het maatschappelijk sociaal managen van een verzekeringsbedrijf), vergt de invulling van de tweede redelijkheidstoets eenzelfde opstelling van de kant van de ondernemende belangenbehartiger. Wansink refereert eraan dat de letselschaderegeling sinds het Drenth-arrest HR 3 april 1987, NJ 1988, 275, werd ontdekt als iets waar je goed geld mee kunt verdienen. Op veel terreinen is vervolgens de oorlog gevoerd, zo gaat hij verder, steeds weer per casus, op dossierniveau dus. De opkomst van gedragscodes heeft het stof aardig doen neerdalen, wat recht doet aan de kern van de zaak: ‘compassie met het slachtoffer’.

Via die sociale invalshoek van verzekeren kom je dus steeds weer uit bij beoordeling binnen de volumes, om recht te kunnen doen aan elke individuele casus. Voor wat betreft het komen tot een vergelijk over de invulling van de tweede redelijkheidstoets zal nog een reuzendoder nodig zijn, maar referte aan de sociale functie van schade verzekeren hoort daar van beide kanten van de markt zeker een rol in te spelen.
De wetgever heeft het goed gedaan door art. 6:96 BW in te voeren, waarmee ook het kwetsbare individu een gelijkwaardige rechtspositie kan krijgen ten opzichte van de professionele verzekeraar. Ook de personen die normaal gesproken dergelijke rechtshulp niet zouden kunnen financieren.
Het door de wetgever verder overlaten aan de markt om de redelijkheid zelf in te vullen is echter sinds 1992 nog geen succes geworden. Dat is ook helemaal geen vreemd fenomeen, kijk voor een recent voorbeeld maar eens naar alle heisa rond het loslaten van de tandartstarieven per 1 januari 2012. De markt blijkt weerbarstig, met ieder zo zijn eigen visie op wat redelijk is. Het PIV heeft op het gebied van het normeren van de BGK al uitgebreid onderzoek gedaan binnen de volumes, wat geresulteerd heeft in de PIV-staffel. Daar hoef je je als advocaat natuurlijk niet aan te binden. Maar ook die kant van de markt zal moeten meedenken binnen de sociale functie van het verzekeringsrecht. Art. 6:96 BW geeft je als advocaat/ondernemer een voorsprong op andere ondernemers, namelijk dat je de zekerheid hebt dat redelijke kosten van rechtsbijstand altijd zullen worden betaald. Food for thought voor de advocaten is, dat dit zijn weerslag moet hebben op de perceptie over de positie van ‘de ongebonden letselschadeadvocaat’ binnen die markt. Vide bijvoorbeeld een recente uitspraak van dagvoorzitter John Beer op het laatste LSA-Symposion, waarvan in PIV-Bulletin 2012, 2 een verslag is opgenomen. Beer deed zijn uitspraak in het kader van de medische paragraaf, maar ook op het vlak van het invullen van redelijke BGK werkt dit door. Als LSA werk je feitelijk in een markt van middels art. 6:96 BW gesubsidieerde rechtshulp. Het doel van die subsidie is bij letselschaderegelen niet alleen positioneel onderhandelen, maar ook het gezamenlijk werken aan het komen tot een wederzijds aanvaardbare oplossing. Dat vraagt om een genuanceerde aanpak. Op 3 april 2012 vierde het ‘Drenth-arrest’ zijn vijfentwintigjarig jubileum. Feitelijk heeft de focus van partijen in de achterliggende kwart eeuw vooral gelegen op een discussie op dossierniveau of de oplopende tarieven redelijk zijn. Tarieven die ten volle op elke bestede tijdseenheid worden toegepast. Vraagt de bijzonderheid van letselschaderegeling niet juist op dit punt om een andere benadering van honorering van tijdsbesteding dan focussen op de per ondernemer voor zijn eigen bedrijfsvoering redelijk geachte declaraties? Gelet op alle aannames en hypothesen die aan de schadevaststelling ten grondslag liggen, is letselschade nooit exacte wiskunde, maar vraagt het om een wederzijds kritische beoordeling met compassie voor het slachtoffer. Om de met die vaststelling gemoeide kosten binnen redelijke perken te houden, kun je dan bijvoorbeeld afwijken van traditionele visie op uurtarieven en tijdsbesteding van belangenbehartigers, door een soort van knip in de tarifering te maken. In het aanvangstraject vergaar je in een constructief gezamenlijk traject de onderliggende informatie en stukken waarop je de schadebegroting moet funderen. Dat is schaderegelingwerk, dat onder meer ‘gebenchmarkt’ moet worden met de kosten die verzekeraars aan schadebehandeling maken. Dan werk je op basis van gelijkheid en doe je recht aan de strekking van art. 6:96 BW. In de meeste gevallen ligt binnen een dergelijk constructief traject de visie op toerekenbare schade niet zover uit elkaar. Wat weer niet vreemd is, omdat art. 6:96 BW in feite niet meer dan een professionele toetsing aan de benadeelde geeft van wat de verzekeraar aan redelijk toerekenbare schade vaststelt. Professionals aan beide zijden die hun vak verstaan, zullen op grond van de concrete stukken niet ver uit elkaar kunnen liggen. In de top van de markt zullen er zaken zijn waarin je gelet op de hypothesen en aannames met een grotere bandbreedte komt te werken. Dat is de pluk werk die na de knip komt en waarop je zou kunnen verdedigen dat het meer advocatenwerk tegen een advocatentarief wordt.

Hierboven viel het woord ‘symposion’ en dat doet denken aan Griekenland. Thans worstelend met een faillissement maar toch de bakermat van onze westerse beschaving. Land van prachtige mythen die altijd een wijze boodschap in zich herbergen. Laten we de Boze Cyclopen links liggen en inschepen bij een reuze aardige veerman die bereid is tegen een redelijk tarief het vraagstuk betreffende redelijke begroting van BGK naar een goed einde te varen.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey