Rechtbank: Deskundigenbericht met het oog op causaal verband

Samenvatting:

Verzoeker is op 7 september 2020 in Hilversum betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Het voertuig van verzoeker werd van achteren aangereden. De verzekeraar van dat voertuig heeft aansprakelijkheid erkend. Op verzoek van verzoeker beveelt de rechtbank een onderzoek door een neuroloog en neuropsycholoog, met het oog op de vaststelling van het causaal verband tussen de klachten van verzoeker en het ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/735522 / HA RK 23-203

Beschikking van 7 december 2023

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. B.L.M. Middeldorp te Breda,

tegen

BALOISE BELGIUM N.V.,

gevestigd te Beesd,

verwerende partij,

hierna te noemen: Baloise,

advocaat: mr. J.C. Rous te Rotterdam.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift, met producties, binnengekomen ter griffie op 23 juni 2023,

– de tussenbeschikking van 14 september 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

– het verweerschrift, met producties,

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 7 september 2020 in Hilversum betrokken geraakt bij een verkeersongeval. [verzoeker] remde voor een voertuig met pech, waarna hij van achteren werd aangereden. Het voertuig waardoor [verzoeker] werd aangereden was verzekerd bij Baloise.

2.2.

Baloise heeft aansprakelijkheid erkend.

2.3.

[verzoeker] is na het ongeval met een ambulance vervoerd naar het Tergooi Ziekenhuis in Hilversum. Voor zover bekend is hij niet buiten bewustzijn geweest.

2.4.

[verzoeker] is in verband met klachten na het ongeval door de huisarts verwezen naar een neuroloog en is gestart met fysiotherapie. De neuroloog heeft een multidisciplinaire revalidatie voorgeschreven die in januari 2021 van start is gegaan in het Amstel Ziekenhuis (Reade). Dit revalidatietraject bestond onder andere uit ergotherapie, maatschappelijk werk, psychologie en fysiotherapie. Nadat dit traject was afgerond is [verzoeker] door de huisarts verwezen naar een psychosomatisch therapeut.

2.5.

Voor het ongeval werkte [verzoeker] als zelfstandig ondernemer in de functie van commercieel directeur / sales manager voor een advocatenkantoor. Na het ongeval heeft [verzoeker] een tijd niet gewerkt. Omstreeks juni 2021 is [verzoeker] onder begeleiding van een re-integratiedeskundige stapsgewijs werkzaamheden gaan oppakken. Op dit moment loopt het re-integratietraject nog steeds.

2.6.

Voor het ongeval was [verzoeker] bekend met COPD, waarvoor hij medicamenteus wordt behandeld.

2.7.

De advocaat van [verzoeker] heeft diens huisarts gevraagd om informatie over de periode van twee jaar voor het ongeval, van 7 september 2018 tot 7 september 2020, over een eventueel eerder trauma en de aanwezigheid van pre-existente klachten in de vorm van hoofdpijn, nekpijn (al of niet met uitstraling naar de armen), schouderklachten, klachten van de wervelkolom, cognitieve klachten, overprikkelbaarheid (zowel psychisch als voor licht en geluid e.d.) en slaapstoornissen. Naar aanleiding hiervan heeft de huisarts in een brief van 28 december 2020 het volgende bericht:

“In de periode van 7-9-2018 tot het ongeval op 7-9-2020 is patiënt niet geweest met hoofdpijnklachten, nekpijn, schouderklachten, klachten van de wervelkolom, cognitieve klachten of overprikkelbaarheid en slaapstoornissen.”

3Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij dr. A. Verrips, neuroloog, en drs. A. van der Scheer, neuropsycholoog, als deskundigen te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden, en te bepalen dat Baloise de kosten van deze onderzoeken draagt.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Het deskundigenbericht is nodig om meer inzicht te krijgen in de medische gevolgen van het ongeval. [verzoeker] draagt de bewijslast voor zijn vordering op Baloise en om zijn vordering te kunnen onderbouwen is een deskundigenonderzoek door een neuroloog en neuropsycholoog noodzakelijk. Neuropsychologisch onderzoek moet als hulponderzoek deel uitmaken van de onafhankelijke neurologische beoordeling, omdat alleen de neuropsycholoog in staat is om neuropsychologische functiestoornissen te kwantificeren. De vraagstelling dient te worden ingeleid met een korte casusbeschrijving om de deskundigen te voorzien van enige context. De kosten van deze onderzoeken (waaronder het te betalen voorschot) moeten als zijnde kosten in de zin van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van Baloise komen, aangezien zij aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend.

3.3.

Baloise verzet zich gedeeltelijk tegen inwilliging van het verzoek. Zij stelt zich op het standpunt dat het verzoek kan worden toegewezen met de volgende aanpassingen:

De IWMD-vraagstelling wordt aan de neuroloog voorgelegd;

De neuroloog wordt niet op voorhand verplicht om een neuropsychologisch hulponderzoek te laten verrichten;

Een integrale uitdraai van het huisartsjournaal van een periode van minimaal twee jaar voor het ongeval dient te worden gedeeld met de neuroloog en de medisch adviseurs van partijen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Voorop staat dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 1 Rv in beginsel moet worden toegewezen, als dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als [verzoeker] geen belang bij het verzoek heeft, zoals bedoeld in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW), of als sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van recht of een ander zwaarwichtig belang dat zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.1

Deskundigenonderzoek door een neuroloog

4.2.

Baloise verzet zich niet tegen het verzoek van [verzoeker] tot de benoeming van een neuroloog voor het verrichten van een deskundigenonderzoek. Niet is gebleken van bovengenoemde uitzonderingen. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek dan ook toe.

4.3.

Baloise maakt ook geen bezwaar tegen de door [verzoeker] voorgestelde neuroloog, Verrips.

4.4.

De griffier heeft contact gelegd met Verrips. Hij heeft verklaard het deskundigenonderzoek te willen verrichten. Ook staat hij daartoe vrij. De rechtbank zal dan ook tot benoeming van deze deskundige overgaan.

4.5.

Verrips heeft verklaard een uurtarief van € 300,-, exclusief btw in rekening te zullen brengen. Verrips heeft een voorschot van € 4.880,- exclusief btw opgegeven (€ 5.904,80 inclusief btw).

Deskundigenonderzoek door een neuropsycholoog

4.6.

Baloise verzet zich tegen toewijzing van het verzoek om een onderzoek door een neuropsycholoog te bevelen. Haar medisch adviseur ziet daar geen aanleiding voor. Dit is een hulponderzoek dat niet standaard onderdeel uitmaakt van een neurologische expertise. Het is aan de neuroloog, die bij uitstek de expertise heeft om dat te doen, om te beoordelen en te beslissen of hij een neuropsychologische expertise noodzakelijk acht, aldus Baloise.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat het gedane verzoek tot benoeming van een neuropsycholoog voldoende concreet is. Ook heeft [verzoeker] belang bij zijn verzoek. Met het deskundigenonderzoek kan [verzoeker] zijn (bewijs- en/of proces)positie beter bepalen ten aanzien van het bestaan en de omvang van zijn klachten en het causaal verband tussen die klachten en het ongeval. Benoeming van een neuropsycholoog kan [verzoeker] de mogelijkheid geven om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden.

Voor neuropsychologisch onderzoek is niet alleen aanleiding als daartoe door een neuroloog wordt geadviseerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het gelasten van een neuropsychologisch deskundigenonderzoek voorbarig en onnodig is, gelet op de aard van het ongeval en de aard van de klachten die [verzoeker] daaraan stelt te hebben overgehouden. [verzoeker] stelt dat hij sinds het ongeval niet alleen lijdt aan klachten op fysiek, maar ook op cognitief gebied. Onderzoek naar die klachten betreft het specifieke kennisgebied van de neuropsycholoog. Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog worden toegewezen.

4.8.

Baloise maakt geen bezwaar tegen de door [verzoeker] voorgestelde neuropsycholoog, Van der Scheer.

4.9.

De griffier heeft contact gelegd met Van der Scheer. Zij heeft verklaard het deskundigenonderzoek te willen verrichten en daartoe vrij te staan. De rechtbank zal dan ook tot benoeming van deze deskundige overgaan.

4.10.

Van der Scheer hanteert een uurtarief van € 220,-, exclusief btw. Van der Scheer heeft een voorschot van € 5.500,- exclusief btw opgegeven (€ 6.655,- inclusief btw).

De vragen aan de deskundigen

4.11. Baloise maakt bezwaar tegen de door [verzoeker] in zijn verzoekschrift opgenomen vraagstelling. Zij voert aan dat [verzoeker] een aantal aanvullingen en wijzigingen op de IWMD-vraagstelling heeft opgenomen, waarin zij zich niet kan vinden. De casusbeschrijving uit de inleiding moet achterwege blijven, omdat daar in staat dat het ongeval een “hoog energetisch trauma” betrof. Voor Baloise staat niet vast dat hiervan sprake was en bovendien dient de deskundige op neutrale wijze te worden gevraagd een beoordeling te maken van het effect en de gevolgen van de aanrijding. Ook heeft [verzoeker] twee vragen toegevoegd aan de IWMD-vraagstelling (vraag 1l en 1m), waarmee Baloise niet kan instemmen.

4.12.

De rechtbank zal de vragen niet vooraf laten gaan door een inleiding met een casusbeschrijving. [verzoeker] heeft niet onderbouwd dat het voor een goed en volledig deskundigenonderzoek noodzakelijk is de deskundigen door middel van deze inleiding te voorzien van context. Niet valt in te zien dat de deskundigen zonder een inleidend kader met een casusbeschrijving de aan hen voorgelegde vragen niet naar behoren kunnen beantwoorden.

4.13.

De rechtbank acht ook de bezwaren van Baloise gegrond tegen de vragen van [verzoeker] die afwijken van de IWMD-vraagstelling. De rechtbank zal daarom aan de neuroloog de IWMD-vraagstelling voorleggen, zonder de door [verzoeker] voorgestelde afwijkingen.

In vraag 1l wordt de deskundige gevraagd of hij risico aanwezig acht voor het optreden van posttraumatische epilepsie. Baloise meent dat het sturend is om deze vraag op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet nodig deze vraag op te nemen, in afwijking van de IWMD-vraagstelling. Baloise heeft er terecht op gewezen dat [verzoeker] , als hij deze vraag wil voorleggen, dit kan doen in zijn reactie op het conceptrapport van de neuroloog.

In vraag 1m wordt gevraagd naar een percentage functieverlies. Baloise stelt zich op het standpunt dat deze vraag in strijd is met de richtlijnen van de Vereniging voor Neurologie, volgens welke richtlijnen niet mag worden gevraagd naar beperkingen en percentage functieverlies bij niet-objectiveerbaar letsel. [verzoeker] heeft hierop niet meer gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat vraag 1m achterwege moet blijven.

Huisartsenjournaal

4.14. Baloise vindt dat het noodzakelijk is om een integrale uitdraai van het huisartsjournaal te delen met de deskundigen en de medisch adviseurs van partijen van minimaal twee jaar voor het ongeval. Het bericht van de huisarts van [verzoeker] volstaat volgens Baloise niet. Baloise meent een zwaarwegend belang te hebben bij het delen van die informatie, omdat zonder die informatie een zorgvuldige en volledige beschrijving van en oordeelsvorming over de relevante medische voorgeschiedenis en van de ongevalsgevolgen niet mogelijk is.

4.15.

[verzoeker] kan niet instemmen met het overleggen van een integrale uitdraai van het huisartsjournaal van minimaal twee jaar voor het ongeval. De huisarts is gericht gevraagd naar de aanwezigheid over een periode van twee jaar voorafgaand aan het ongeval van de klachten die [verzoeker] stelt aan het ongeval te hebben overhouden. De informatie van de huisarts die is overgelegd is allerminst summier of algemeen te noemen. Het ongericht vragen om een integrale patiëntenkaart voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als de deskundigen aanleiding zien de huisarts gericht te vragen naar informatie over een periode tot twee jaar voorafgaand aan het ongeval over de COPD waarmee [verzoeker] bekend is, dan heeft hij daar geen bezwaar tegen.

4.16.

Partijen zijn het niet eens over de vraag welke informatie aan de deskundige moet worden verstrekt ten behoeve van diens onderzoek. Voor het antwoord op deze vraag moet een belangenafweging worden gemaakt, waarin het belang van de verzekeraar, te weten het recht op een eerlijk proces, moet worden afgewogen tegen het privacybelang van de benadeelde.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat een integrale uitdraai van het huisartsjournaal van een periode van twee jaar voor het ongeval moet worden gedeeld, zoals gevraagd door Baloise. Aangezien [verzoeker] aanspraak wil maken op schadevergoeding, mag van hem worden verwacht dat hij Baloise voldoende in de gelegenheid stelt de gegrondheid daarvan te onderzoeken. Gelet op de aard van de klachten is de wens van Baloise gerechtvaardigd dat de deskundigen een volledig beeld hebben van de medische voorgeschiedenis van [verzoeker] in de periode van twee jaar voorafgaand aan het ongeval. Dit wordt onvoldoende ondervangen door de huisarts te vragen naar specifieke klachten, vanwege het diffuse beeld van de klachten van [verzoeker] . Dit maakt dat niet kan worden volstaan met het vragen van de huisarts naar een aantal specifieke klachten. Aan de huisarts is een gesloten vraag gesteld, maar niet is uit te sluiten dat [verzoeker] andere klachten had voor het ongeval, die hebben geleid tot zijn huidige klachten. In die zin is niet uit te sluiten dat sprake is van pre-existentie. De informatie uit het huisartsjournaal van [verzoeker] is dan ook mogelijk relevant voor de deskundigen bij de beantwoording van de hen voorgelegde vragen. In dit geval weegt naar het oordeel van de rechtbank dan ook het belang van Baloise zwaarder dan het belang van [verzoeker] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inbreuk op de privacy van [verzoeker] relatief gering is, aangezien de uitdraai van het huisartsjournaal is beperkt tot een periode van twee jaar voorafgaand aan het onderzoek en alleen hoeft te worden gedeeld met de deskundigen en de medisch adviseurs van partijen.

Procesdossier

4.18.

[verzoeker] is het er niet mee eens dat een kopie van het procesdossier aan de deskundigen moet worden verstrekt, zoals gesteld door Baloise. Ter zitting heeft Baloise gesteld dat zij ermee akkoord kan gaan dat de deskundigen niet het hele procesdossier ontvangen, als zij maar wel het medisch advies van de medisch adviseurs toegestuurd kan worden. [verzoeker] heeft daarop bezwaar gemaakt tegen het toesturen van medische adviezen van de medisch adviseurs van partijen. Baloise heeft vervolgens verklaard dit niet op voorhand te zullen doen, maar eventueel in reactie op een conceptrapport. Baloise heeft ermee ingestemd dat de deskundigen niet het volledige procesdossier krijgen, maar alleen de beschikking en het medisch dossier van [verzoeker] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat (de advocaat van) [verzoeker] de beschikking en de in het verzoekschrift vermelde stukken (randnummer 23 verzoekschrift) aan de deskundigen moet toesturen.

Voorschot

4.19.

[verzoeker] heeft verzocht te bepalen dat (het voorschot op) de kosten van de deskundigenonderzoeken door Baloise worden betaald. Baloise heeft zich hiertegen niet verzet. Aangezien Baloise aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, bepaalt de rechtbank dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door Baloise moet worden gedeponeerd. De rechtbank zal het voorschot bepalen op de door de deskundigen opgegeven kosten.

De volgorde van de deskundigenonderzoeken

4.20.

Het is van belang dat de neuroloog en neuropsycholoog kennis kunnen nemen van elkaars bevindingen en deze bevindingen in hun rapportage verwerken. Daarin ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de neuroloog eerst dient te rapporteren aan de rechtbank, waarbij hij [verzoeker] in de gelegenheid stelt van zijn blokkeringsrecht gebruik te maken en waarbij partijen een periode van vier weken wordt geboden om te reageren op het concept-rapport (concept-fase). Vervolgens zal de neuropsycholoog rapport uitbrengen, waarbij ook zij [verzoeker] in de gelegenheid stelt van zijn blokkeringsrecht gebruik te maken en waarbij partijen eveneens een periode van vier weken wordt geboden om te reageren op het concept-rapport (concept-fase). Naar aanleiding van de rapportage van de neuropsycholoog, zal de neuroloog aanvullend rapporteren waarbij dan wederom de mogelijkheid tot het inroepen van het blokkeringsrecht wordt geboden en een concept-fase van vier weken wordt ingelast.

Slotopmerkingen

4.21.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.22.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, moet zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door de volgende deskundigen:

1) als neuroloog

de heer dr. A. Verrips

[locatie]

Telefoon: [telefoonnummer 1]

Email: [e-mailadres 1] ,

2) als neuropsycholoog

mevrouw drs. E. van der Scheer

Neuropsychologisch Adviesbureau Van Der Scheer

[adres]

[telefoonnummer 2]

[e-mailadres 2]

5.2.

bepaalt dat aan de neuroloog de volgende vraagstelling ter beantwoording wordt voorgelegd:

ALGEMENE TOELICHTING OP DE VRAAGSTELLING

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

  1. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld?

Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

  1. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

– de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

– de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)

  1. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

  1. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
  1. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)

  1. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)

  1. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)

  1. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
  2. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
  3. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
  4. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

  1. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
  1. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

  1. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
  1. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
  1. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
  1. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?
  1. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
  1. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
  1. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3OVERIG(aanbeveling2.2.11RMSR)

  1. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
  1. Acht u onderzoek op een ander vakgebied aangewezen?

5.3.

bepaalt dat aan de neuropsycholoog de volgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd:

Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag?

Kunnen de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden als gevolg van het ongeval?

Zijn er wellicht andere factoren dan het ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan het ongeval, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

het voorschot

5.4.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de neuroloog (dr. Verrips) vast op het door hem begrote bedrag van € 5.904,80 inclusief btw;

5.5.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de neuropsycholoog (drs. Van der Scheer) vast op het door haar begrote bedrag van € 6.655,- inclusief btw;

5.6.

bepaalt met het oog op de vaststelling van de voorschotten op de kosten van de deskundigen het volgende:

partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de door de deskundigen opgegeven begroting,

indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag,

indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zullen de voorschotten worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.7.

bepaalt dat Baloise de voorschotten dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

5.8.

draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

de onderzoeken

5.9.

bepaalt dat (de advocaat van) [verzoeker] deze beschikking en de in het verzoekschrift vermelde stukken (randnummer 23 verzoekschrift) binnen twee weken na de datum van deze beschikking in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,

5.10.

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.11.

bepaalt dat eerst de neuroloog zal rapporteren, dat vervolgens de neuropsycholoog zal rapporteren met inachtneming van het rapport van de neuroloog en dat tot slot de neuroloog aanvullend zal rapporteren met inachtneming van het rapport van de neuropsycholoog;

5.12.

bepaalt dat [verzoeker] bij ieder rapport in de gelegenheid wordt gesteld zijn blokkeringsrecht in te roepen (zoals nader omschreven onder 5.18) en dat bij ieder rapport een concept-fase wordt ingelast (zoals nader omschreven onder 5.18 en 5.19);

5.13.

wijst de deskundigen erop dat:

de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,

de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

de deskundigen partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundigen dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundigen hierop hebben gereageerd,

5.14.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien zij daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.15.

draagt de neuroloog op om uiterlijk drie maanden na bericht van de griffier over betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.16.

draagt de neuropsycholoog op om uiterlijk drie maanden na ontvangst van het (door de rechtbank doorgezonden) deskundigenbericht van de neuroloog een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van deze rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

5.17.

draagt de neuroloog op om uiterlijk drie maanden na ontvangst van het (door de rechtbank doorgezonden) deskundigenbericht van de neuropsycholoog een schriftelijk en ondertekend bericht (aanvullende rapportage) in drievoud ter griffie van deze rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

5.18.

wijst de deskundigen erop dat:

uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

dat de deskundigen [verzoeker] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [verzoeker] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoeker] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moeten toesturen en [verzoeker] daarbij een termijn van twee weken moeten bieden om aan te geven of [verzoeker] gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [verzoeker] zich van commentaar op het concept moet onthouden),

dat, indien [verzoeker] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundigen de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moeten mededelen,

dat, indien [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn inzage- of blokkeringsrecht, de deskundigen het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden,

5.19.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

5.20.

verklaart de beslissing over het voorschot (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad,

5.21.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, en uitgesproken door mr. M.R. Jöbsis, bijgestaan door mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2023.

1zie HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610 rov. 3.4 en HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:482, rov. 3.3.2.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey