Rechtbank: Verhaalsrecht WAM-verzekeraar na treffen van een minnelijke regeling met de benadeelde

Samenvatting:

Dit geschil gaat over een WAM-verzekeraar die na het treffen van een buitengerechtelijke regeling met benadeelde regres neemt op de verzekerde bestuurder, omdat er sprake was van roekeloos rijgedrag. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank de verzekeraar de opdracht gegeven om de schade nader te onderbouwen en om inzicht te geven in de invloed van de eigen schuld van de benadeelde op de betaalde schadevergoeding. In dit vonnis beoordeelt de rechtbank hetgeen de verzekeraar hierover heeft aangevoerd (waaronder de eigen schuld-verhouding), om vervolgens tot het oordeel te komen dat de WAM-verzekeraar de redelijkheid van de door haar betaalde bedragen voldoende heeft aangetoond. De bgk wordt gedeeltelijk vergoed.

ECLI:NL:RBROT:2023:11415

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-12-2023
Datum publicatie 29-12-2023
Zaaknummer C/10/642218 / HA ZA 22-597
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Eerste aanleg – enkelvoudig

Ongeval door roekeloos rijgedrag van verzekerde.

Verhaalsrecht WAM-verzekeraar na treffen van een minnelijke regeling met de benadeelde. Vervolg op

ECLI:NL:RBROT:2023:2852

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2024-0012

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/642218 / HA ZA 22-597 Vonnis van 6 december 2023

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht ALLIANZ BENELUX N.V.,

tevens handelend onder de naam ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING te Brussel (België), kantoorhoudende te Rotterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Allianz,

advocaat: mr. R.J. Schellevis te Utrecht,

tegen

1 de vennootschap onder firma [v.o.f.01] ,

te [vestigingsplaats01] , 2.[persoon01],

vennoot van gedaagde sub 1 tevens handelend namens zichzelf, te [woonplaats01] , 3.[persoon02],

vennoot van gedaagde sub 1 te [vestigingsplaats01] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [v.o.f.01] c.s.,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1 hierna te noemen: [v.o.f.01] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2 hierna te noemen: [persoon01] , advocaat: mr. P.F. Wolbers te Hengelo.

  • De procedure
    • Het verloop van de procedure blijkt uit:
      • het tussenvonnis van 5 april 2023,
      • de akte van Allianz met producties,
      • de akte met aanvullende producties van Allianz,- de akte van [v.o.f.01] c.s. met productie.
    • Ten slotte is vonnis bepaald.
  • De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

1.          De zaak in het kort

2.1. Dit geschil gaat over de uitoefening door Allianz van een door haar als WAM-verzekeraar bedongen verhaalsrecht ter zake van de schade die het gevolg is van een verkeersongeval, waarbij onder andere de bedrijfsauto van [v.o.f.01] betrokken was. Deze bedrijfsauto werd bestuurd door [persoon01] . Hij reed achterop een personenauto, die werd bestuurd door [naam01] (verder: [naam01] ), die zonder verlichting vanaf een tankstation de rijbaan, waarop [persoon01] reed, opreed. Allianz is als WAM verzekeraar van de bedrijfsauto van [v.o.f.01] door [naam01] aangesproken tot vergoeding van diens schade. Allianz en [naam01] hebben buitengerechtelijk een regeling getroffen op grond waarvan Allianz 11.500,00 aan [naam01] heeft uitgekeerd en 3.409,80 aan zijn belangenbehartiger.

2.2. Allianz vordert van [v.o.f.01] c.s. vergoeding van die schaduitkeringen en diverse kosten, tezamen in totaal 34.205,34. Zij baseert die vordering op een verhaalsbeding in de op de verzekering van toepassing zijnde voorwaarden. Allianz stelt dat zij op grond van dat beding gerechtigd is om de aan [naam01] uitgekeerde bedragen en kosten op [v.o.f.01] c.s. te verhalen omdat het verkeersongeval is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag van [persoon01] en dekking onder de verzekering daarom is uitgesloten.

2.3. [v.o.f.01] c.s. betwist het gestelde verhaalsrecht van Allianz. Voor zover zij enig bedrag aan Allianz is verschuldigd betwist zij de hoogte daarvan.

2.4. In reconventie vordert [v.o.f.01] c.s. in de kern dat de rechtbank zal vaststellen dat a) Allianz op onjuiste gronden de verzekering heeft opgezegd en dat de verzekering herleeft en b) dat de door [naam01] en door [v.o.f.01] c.s. door het ongeval geleden schade onder de verzekering valt. Allianz betwist dat.

2.5. De rechtbank wijst thans (na op 5 april 2023 een tussenvonnis te hebben gewezen) eindvonnis. De rechtbank wijst de vordering van Allianz toe tot een bedrag van 15.849,05, met bepaling dat partijen in conventie ieder de eigen proceskosten dienen te dragen. De rechtbank wijst de vorderingen van [v.o.f.01] in reconventie af.

2.          Het tussenvonnis

2.6. Bij het tussenvonnis van 5 april 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat:

[persoon01] voorafgaande aan het ongeval met een snelheid reed van 100 à 120 kilometer per uur, waar een maximum snelheid van 50 kilometer per uur geldt en dat dat rijgedrag als roekeloos kan worden bestempeld (r.o. 4.11),

het ongeval is veroorzaakt door dat roekeloos rijgedrag van [persoon01] (r.o. 4.13 4.17),

Allianz op grond daarvan dekking onder de verzekering mocht uitsluiten (r.o. 4.18),

Allianz op grond van een beding in de op de verzekering van toepassing zijnde voorwaarden het recht heeft om hetdoor haar verschuldigde, met inbegrip van kostenop [v.o.f.01] c.s. te verhalen (r.o. 4.20),

Allianz de redelijkheid van de door haar aan [naam01] uitgekeerde schade dient aan te tonen (r.o.

  1. 23),

vast staat dat de buitengerechtelijke kosten van [naam01] 3.409,80 bedroegen (r.o. 4.26), de gevorderde kosten van OAN ten bedrage van 788,92 en de kosten van schade expertise van Dekra Automotive ten bedrage van 78,53 onder dit verhaalsrecht vallen (r.o. 4.30),

de gevorderde buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten van Allianz ten bedrage van 3.491,00 en 14.937,00 niet onder het verhaalsrecht vallen en dat daarvoor de wettelijke bepalingen gelden (r.o.

4.33 4.35), de vorderingen in reconventie bij het eindvonnis zullen worden afgewezen (r.o. 4.40).

2.7. De rechtbank heeft bij dat tussenvonnis de zaak naar de rol verwezen teneinde Allianz in de gelegenheid te stellen om de gestelde schade van [naam01] nader te onderbouwen en inzicht te geven in de invloed van de eigen schuld van [naam01] op de door Allianz aan hem betaalde schadevergoeding.

3.          De eigen schuld van [naam01]

2.8. De stelling van Allianz dat zij bij de schaderegeling een eigen schuld percentage van 25% met

[naam01] is overeengekomen vindt voldoende steun in de door haar overgelegde schadestaat van [naam01] van 1 juli 2021. Daarin maakt [naam01] namelijk aanspraak op betaling van slechts 75% van de door hem opgesomde schade. [v.o.f.01] c.s. heeft dit ook niet betwist.

2.9. De rechtbank oordeelt dat Allianz de eigen schuld van [naam01] in redelijkheid op het percentage van 25% kon stellen en baseert dat op het volgende.

2.10. Bepalend voor het percentage van de eigen schuld van [naam01] is de mate waarin de aan hem toe te rekenen omstandigheden in verhouding tot de aan [persoon01] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (artikel 6:101 BW).

2.11. Vast staat dat het ongeval is veroorzaakt doordat [persoon01] voorafgaande aan het ongeval met een snelheid reed van 100 à 120 kilometer per uur, waar een maximum snelheid van 50 kilometer per uur geldt. Dat [persoon01] zich in dat rijgedrag niet herkent, rechtvaardigt niet dat de rechtbank van die vaststelling terugkomt.

2.12. Vast staat ook dat [naam01] zonder verlichting vanaf een tankstation de rijbaan opreed terwijl het donker was.

2.13. Er is onvoldoende grond om ervan te kunnen uitgaan dat [naam01] bij het oprijden van de rijbaan een verkeersfout heeft begaan door geen voorrang te verlenen aan [persoon01] . Als door Allianz gesteld en niet door [v.o.f.01] c.s. weersproken staat namelijk vast dat:

uit de gegevens van de Event Data Recorder (EDR) van de door [persoon01] bestuurde auto kan worden opgemaakt dat deze auto gedurende de 2,5 seconden tussen het inzetten van de noodremming – het moment waarop [persoon01] de door [naam01] bestuurde auto zag – en de botsing minimaal 70 meter heeft afgelegd;

indien [persoon01] zich aan de maximumsnelheid zou hebben gehouden hij slechts 13,8 meter per seconde zou hebben afgelegd,

[naam01] in dat geval makkelijk de rijbaan had kunnen oprijden zonder dat een aanrijding zou zijn ontstaan,

[naam01] geen rekening hoefde te houden met de snelheid waarmee [persoon01] reed.

Dat [naam01] geen voorrang aan [persoon01] heeft verleend kan in deze omstandigheden niet als een verkeersfout of een aan [naam01] toe te rekenen omstandigheid worden aangemerkt.

2.14. Er is ook onvoldoende grond om er vanuit te kunnen gaan dat [naam01] onder invloed van drugs (cannabis) reed. [naam01] is namelijk op 4 november 2022 van dat hem tenlastegelegde feit vrijgesproken. Dit blijkt uit door Allianz overgelegde bescheiden, bestaande uit een Aantekening mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Overijssel van 4 november 2022 en een brief van de officier van justitie van 23 november 2022. Op zichzelf voert [v.o.f.01] c.s. terecht aan dat daarmee niet is aangetoond dat [naam01] in het geheel geen cannabis had gebruikt. Dit kan haar echter niet baten. Op degene die een beroep doet op eigen schuld van de benadeelde rust namelijk de stelplicht en bewijslast daarvan (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat Allianz zou hebben moeten stellen dat [naam01] zodanig cannabis had gebruikt dat zijn rijgedrag daardoor werd beïnvloed en dat zij bij betwisting die feiten zou hebben moeten bewijzen. [v.o.f.01] c.s.

voert geen feiten aan waaruit kan worden afgeleid dat Allianz aan die stelplicht en bewijslast had kunnen voldoen. Bij gebrek daaraan kan het eventuele cannabisgebruik van [naam01] niet worden opgevat als een hem toe te rekenen omstandigheid die bijdroeg aan het ontstaan van het ongeval.

2.15. Dit alles betekent dat het slechts aan [naam01] valt toe te rekenen dat hij zonder verlichting reed. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de rechtbank bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Op grond van algemene ervaringsregels is namelijk aannemelijk dat [persoon01] de auto van [naam01] eerder zou hebben opgemerkt indien auto met verlichting zou hebben gereden. Aannemelijk is ook dat [persoon01] in dat geval eerder zou hebben geremd of in ieder geval zijn snelheid zou hebben verminderd.

2.16. De bijdrage van deze aan [naam01] toe te rekenen omstandigheid aan het ontstaan van het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank niet zo groot dat het percentage eigen schuld van [naam01] op

meer dan 25% had moeten worden gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op de plaats waar autos die vanaf het tankstation komen de rijbaan kunnen oprijden, een lantaarnpaal stond. De door [naam01] bestuurde auto was daarom voor [persoon01] zichtbaar. Op grond daarvan acht de rechtbank de invloed van het niet voeren van verlichting door [naam01] van zijn auto beperkt.

2.17. Allianz heeft aan [naam01] 11.500,00 uitgekeerd. Zij stelt dat dit redelijk is omdat:

[persoon01] met een snelheid van 76 kilometer per uur tegen [naam01] is aangereden en aannemelijk is dat [naam01] daardoor (tijdelijk) hoofd-, nek- en rugklachten heeft opgelopen,

in de door [naam01] bij haar ingediende voorlopige schadestaat per 1 juli 2021, waarvan Allianz een afschrift heeft overgelegd, een materiële schade wordt gesteld van 6.384,69, die schade onder de voormelde omstandigheden redelijk voorkomt,

de schade, bestaande uit medische kosten, huishoudelijke hulp en verlies aan verdienvermogen na 1 juli 2021 nog doorliep,

er voorbeelden zijn van door een rechter toegewezen immateriële schade van

6.000,00 en 7.000,00 bij vergelijkbare klachten,

het daarom aannemelijk is dat de schade van [naam01] ten minste 15.333,33 ( 11.500,00 x 100/75) bedroeg,

voor het exact bepalen van de schade van [naam01] medische expertises nodig zouden zijn geweest waarvan de kosten 4.000,00 tot 7.500,00 zouden bedragen, welke kosten voor rekening van Allianz zouden komen.

2.18. [v.o.f.01] c.s. betwist dat Allianz daarmee de redelijkheid van het door haar gekeerde bedrag heeft aangetoond. Zij verwijst hierbij naar de door Allianz bij haar e-mail van 10 december 2021 gegeven specificatie van het bedrag van 11.500,00. [v.o.f.01] c.s. voert aan dat de daarin vermelde bedragen niet overeenkomen met wat Allianz in deze procedure stelt en dat door onvoldoende onderbouwing voor haar niet te controleren valt of de getroffen schaderegeling billijk is.

2.19. De rechtbank oordeelt dat, hoewel op de uitgangspunten voor de begroting van de schadeposten mogelijk wel wat valt af te dingen, Allianz de redelijkheid van het door haar uitgekeerde bedrag voldoende heeft aangetoond. Dit licht de rechtbank toe als volgt.

2.20. Vooropgesteld dient te worden dat Allianz door het rijgedrag van [persoon01] en het daardoor veroorzaakte ongeval in de positie is gebracht dat zij de schade van [naam01] diende af te wikkelen. De keuze van Allianz om dit buitengerechtelijk te doen moet worden gerespecteerd. Bij een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade gaat het in het algemeen om een bedrag ineens en is sprake van een afweging van goede en kwade kansen. Een en ander brengt mee dat geen al te gedetailleerde specificatie van het uiteindelijk overeengekomen bedrag van Allianz kan worden verlangd.

2.21. De aard van het ongeval (achterop aanrijding) en het snelheidsverschil tussen de bij het ongeval betrokken autos maken aannemelijk dat [naam01] door het ongeval (tijdelijke) hoofd-, nek- en rugklachten (whiplash klachten) opliep. Dit is door [v.o.f.01] c.s. ook niet weersproken.

2.22. De voorlopige schadestaat van [naam01] van 1 juli 2021 bevat de volgende schadeposten:

  • medische kosten 812,48
  • reiskosten t/m 26 april 2021 127,46
  • huishoudelijke hulp 1.294,75 + PM voor periode na 4 juli 2021
  • zelfwerkzaamheid PM
  • zelfredzaamheid 150,00
  • verlies verdiencapaciteit 4.000,00
  • economische kwetsbaarheid PM
  • totaal 6.384,69 + PM

[v.o.f.01] c.s. betwist niet dat de schadeposten waarbij een geldbedrag is vermeld voor een persoon met whiplashklachten aannemelijk en op zich redelijk zijn.

2.23. Bij haar e-mail aan de advocaat van [v.o.f.01] c.s. van 10 december 2021 specificeerde Allianz, zakelijk weergegeven, het aan [naam01] uitgekeerde bedrag van

11.500,00 als volgt:

  • 000,00 smartengeld,
  • 000,00 pragmatisch voor huishoudelijke hulp,
  • 000,00 voor verlies aan verdienvermogen,
  • 500,00 overige kosten van [naam01] ten aanzien van de schade zoals bijvoorbeeld kosten voor medische behandelingen.

Er mag van worden uitgegaan dat die specificatie een waarheidsgetrouw beeld geeft van de visie van Allianz bij het sluiten van de buitengerechtelijke regeling met [naam01] .

  • Bij vergelijking van die specificatie met de in de voorlopige schadestaat vermelde bedragen moet in aanmerking worden genomen dat laatstbedoelde bedragen zonder aftrek van 25% op grond van eigen schuld van [naam01] zijn. Die aftrek is al wel toegepast op de in de specificatie vermelde bedragen.
  • Daarmee rekening houdend komt het in de voorlopige schadestaat vermelde bedrag voor verlies aan verdienvermogen van 4.000,00 overeen met het daarvoor in de specificatie opgenomen bedrag van 3.000,00. Op grond hiervan is niet aannemelijk dat Allianz bij het sluiten van de regeling rekening hield met een verder oplopend verlies aan verdienvermogen. Daarvoor is te minder plaats omdat in de voorlopige schadestaat geen PM post voor verlies aan verdienvermogen is opgenomen.
  • Voor huishoudelijke hulp is in de voorlopige schadestaat 1.294,75 + PM vanaf 4 juli opgenomen. Na aftrek van 25% op grond van de eigen schuld van [naam01] bedraagt dat schadebedrag 971,06 tot 4 juli 2021. Uit de toelichting blijkt dat de gevraagde vergoeding voor huishoudelijke hulp op die datum (2,5 uur x 9,50 =) 23,75 per week bedroeg, dat is na aftrek van 25% 17,81 per week. De specificatie in de e-mail vermeldt een (pragmatisch) bedrag voor huishoudelijke hulp van 3.000,00. Uitgaande van de in de voorlopige schadestaat vermelde bedragen komt dit erop neer dat vanaf 4 juli 2021 nog ruim twee jaar een vergoeding voor huishoudelijke hulp zou worden betaald. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding voor meer dan (ruim) één jaar vanaf 4 juli 2021 als bovenmatig moet worden beoordeeld. Voor deze schadepost zou Allianz in redelijkheid slechts (afgerond) 2.000,00 hebben moeten willen betalen.
  • De specificatie in de e-mail bevat een post van 2.500,00 voor overige kosten. Hieronder vallen de in de voorlopige schadestaat vermelde posten aan medische kosten, reiskosten en zelfredzaamheid van in totaal ( 812,48 + 127,46 + 150,00 =)

1.098,94, zijnde 824,21 na aftrek van 25% op grond van eigen schuld van [naam01] . Dit komt neer op een bedrag van 1.675,79 voor toekomstige kosten en dat komt de rechtbank onredelijk hoog voor, te meer omdat het in de voorlopige schadestaat vermelde bedrag aan medische kosten inclusief 300,00 voor komende behandelingen van de fysiotherapeut is. Dit overziende is de rechtbank van oordeel dat Allianz slechts (afgerond) 1.500,00 voor de overige kosten, inclusief toekomstige (medische) kosten als aan [naam01] uit te keren schadebedrag in aanmerking hebben moeten nemen.

  • In de voorlopige schadestaat is geen bedrag opgenomen voor immateriële schade (smartengeld). In de specificatie in haar e-mail heeft Allianz daarvoor een bedrag van 3.000,00 vermeld. Allianz betoogt nu weliswaar dat er voorbeelden zijn waarin de rechter voor vergelijkbare klachten een smartengeld tussen de 6.000,00 en 7.000,00 toewees, maar daaraan gaat de rechtbank bij gebrek aan belang

voorbij. Allianz stelt namelijk niet dat [naam01] aanspraak maakte op een dergelijk smartengeld en licht evenmin toe waarom die uitspraken in dit geval relevant zijn. Die toelichting mocht in het licht van voormelde specificatie wel van Allianz worden verwacht.

  • Uit het vorenstaande volgt dat er tot het bedrag van 9.500,00 ( 3.000,00 + 2.000,00 + 1.500,00 + 3.000,00) een redelijke verklaring bestaat voor de met [naam01] getroffen buitengerechtelijke regeling. Het verschil tussen dit bedrag en het aan [naam01] uitgekeerde bedrag bedraagt 2.000,00. Allianz diende echter ook de goede en kwade kansen af te wegen van het voeren van een procedure of het exact laten vaststellen van de schade in plaats van het direct treffen van een schaderegeling met [naam01] . De rechtbank is van oordeel dat de goede en kwade kansen die Allianz diende af te wegen een redelijke verklaring biedt voor het verschil van het hiervoor genoemde verschil van 2.000,00. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [v.o.f.01] c.s. niet weerspreekt dat in het geval dat Allianz de schade van [naam01] exact zou moeten laten begroten er deskundigenonderzoeken nodig zouden zijn waarvan de kosten tussen de 4.000,00 en 7.500,00 per onderzoek zouden kunnen liggen. Dat zijn

kosten ter vaststelling van de schade die voor rekening van Allianz zouden komen (art. 6:96 lid 2 sub b BW).

  • Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat Allianz, rekening houdend met de goede en kwade kansen, in redelijkheid een buitengerechtelijke regeling met [naam01] kon sluiten voor het bedrag van

11.500,00.

  • Vast staat dat Allianz ter zake van buitengerechtelijke kosten 3.409,80 aan de belangenbehartiger heeft voldaan.
  • Naar het oordeel van de rechtbank was Allianz in redelijkheid slechts 75% daarvan ( 2.557,35) verschuldigd. [v.o.f.01] c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [naam01] 3.409,80 aan buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Zoals bij het tussenvonnis is vastgesteld heeft de belangenbehartiger van [naam01] in totaal dat bedrag voor zijn werkzaamheden aan [naam01] in rekening gebracht. Bij haar akte na het tussenvonnis heeft [v.o.f.01] c.s. opgemerkt dat niet te controleren valt dat de betreffende facturen daadwerkelijk door [naam01] zijn voldaan. Daar staat echter tegenover dat Allianz onweersproken heeft gesteld zij deze kosten aan de belangenbehartiger heeft voldaan. Dit is een gangbare praktijk bij de afwikkeling van letselschade. Het bedrag van 3.409,80 wordt daarom als door [naam01] gemaakte buitengerechtelijke kosten aangemerkt. Het percentage eigen schuld van [naam01] is in beginsel ook van toepassing op de verplichting tot vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten (zie HR 21-09-2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624). Allianz heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat in het geval van [naam01] een uitzondering op dit beginsel gerechtvaardigd was. Zij was daarom ter zake van buitengerechtelijke kosten slechts ( 3.409,80 x 75% =) 2.557,35 aan [naam01] verschuldigd.
  • Allianz vordert 3.491,00 voor door buitengerechtelijke kosten die zij heeft gemaakt omdat [v.o.f.01]

c.s. niet vrijwillig tot betaling aan Allianz overging. Over deze kosten heeft de rechtbank bij het tussenvonnis geoordeeld dat deze niet onder het verhaalsbeding vallen en dat voor die buitengerechtelijke kosten de wettelijke bepalingen gelden.

  • Naar aanleiding daarvan stelt Allianz dat zij op grond van artikel 6:96 lid 2 BW recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten overeenkomstig de staffel buitengerechtelijke incassokosten en daarnaast recht heeft op vergoeding van door haar gemaakte interne kosten, welke zij begroot op 1.500,00. Die interne kosten betreffen loonkosten van schadebehandelaren van Allianz die zich in hun reguliere werktijd met de schaderegeling van [naam01] bezig hebben moeten houden, waardoor Allianz het resultaat van de reguliere werkzaamheden van haar werknemers tegenover de door haar betaalde loonkosten moet missen. Allianz verwijst hierbij naar de arresten van de Hoge Raad van 17 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:874) en 24 juni 2016 (ECLI:NL:HR: 2016:1278).
  • De rechtbank zal een bedrag van 924,25 aan buitengerechtelijke kosten van Allianz toewijzen.

Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

  • De gestelde interne kosten van Allianz komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 6:96 lid 2 BW biedt daar geen basis voor omdat Allianz die kosten maakte voordat haar vordering uit hoofde van het contractuele verhaalsrecht op [v.o.f.01] c.s. ontstond. Die kosten kunnen daarom niet worden aangemerkt als schade die Allianz lijdt doordat [v.o.f.01] c.s. haar betalingsverplichting jegens Allianz niet nakwam. Van een vergelijkbare situatie als die zich voordeed in de door Allianz aangehaalde arresten is dan ook geen sprake.
  • Niet ter discussie staat dat Allianz daadwerkelijk buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is daarom toewijsbaar tot het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten bepaalde tarief. Berekend over de toe te wijzen hoofdsom van ( 11.500,00 + 2.557,35 + 788,92 + 78,53 =) 14.924,80 bedraagt dat tarief 924,25.
  • Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie in totaal tot het volgende bedrag wordt toegewezen:
– hoofdsom 14.924,80  
– buitengerechtelijke incassokosten 924,25 +
Totaal 15.849,05  

De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 10 januari 2022 in plaats van 10 december 2021. Voor verschuldigdheid van wettelijke rente is namelijk vereist dat de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de hoofdsom (art. 6:119 lid 1 BW). De gestelde verzending van een sommatie op 10 december 2021 is niet voldoende voor het intreden van dat verzuim. Daarvan is eerst sprake indien het bij de sommatie gestelde redelijke termijn voor voldoening is verstreken (art. 6:82 lid 1 BW). Die termijn was in dit geval één maand.

  • Omdat partijen in conventie ieder deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
  • Overeenkomstig de aankondiging in het tussenvonnis zullen de vorderingen in reconventie bij dit vonnis worden afgewezen. [v.o.f.01] c.s. zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskoten in reconventie. Tot op heden worden die kosten aan de zijde van Allianz bepaald op nihil aan verschotten en op

766,00 (2 punten x factor 0,5 x tarief II ad 766,00 per punt) aan salaris advocaat.

  • Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.

De rechtbank

  • veroordeelt [v.o.f.01] c.s. hoofdelijk, in die zin dat bij betaling door de één de ander tot het betaalde bedrag is bevrijd, om aan Allianz te betalen een bedrag van 15.849,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag, met ingang van 10 januari 2022, tot de dag van volledige betaling,
  • bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,
  • wijst de vorderingen af,
  • veroordeelt [v.o.f.01] c.s. in de proceskosten aan de zijde van Allianz tot op heden bepaald op 766,00, te vermeerderen met wettelijk rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van de uitspraak tot de dag van volledige betaling,
  • verklaart dit vonnis ten aanzien van de onder 3.1 en 3.4 vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
  • wijst het in conventie meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023 2515/3152

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey