13e PIV Jaarconferentie: een verslag – Van strijdbijl naar vredespijp – geschillen voorkomen en oplossen

Samenvatting:

[…]

13e PIV Jaarconferentie: een verslag – Van strijdbijl naar vredespijp – geschillen voorkomen en oplossen – Een echte powwow …


PvS

Voor de PIV Jaarconferentie op vrijdag 22 maart 2013 in Congrescentrum Figi in Zeist was de belangstelling overweldigend. De ruim vijfhonderd beschikbare plaatsen waren – net als vorig jaar overigens – ontoereikend. Voor nog eens tientallen belangstellenden kon helaas niet meer worden gedaan dan hen op een wachtlijst te plaatsen. Het thema van de conferentie en de lijst sprekers gaven dan ook meer dan voldoende aanleiding voor die belangstelling. Doel van de conferentie was de letselschaderegeling verder te verbeteren, opdat uiteindelijk geen strijdbijlen meer nodig zijn, maar partijen op enig moment bereid zijn met elkaar een symbolische vredespijp te roken. Een extra uitgebreid verslag, voor iedereen die er niet bij kon zijn.

Al gedurende een reeks van jaren is radio- en televisiepresentator Tom van ’t Hek dagvoorzitter van de PIV Jaarconferentie. Het was hem nog steeds een groot genoegen, zo zei hij. Hij wees erop dat de onderwerpen van de jaarconferenties min of meer in elkaars verlengde liggen – het bewerkstelligen van harmonie bij de afwikkeling van letselschade – en dat op dat punt onmiskenbaar vooruitgang is geboekt, “zij het nog te weinig”, aldus Van ’t Hek, “om de Jaarconferentie van 2014 nu al af te gelasten.” Gedurende de dag liet Tom van ’t Hek blijken, in zijn vraagstelling aan de sprekers na hun bijdragen, dat hij dankzij zijn veelvuldige deelname aan de PIV Jaarconferentie welhaast een specialist is geworden op het gebied van de personenschaderegeling.

Conflictoplossing

De eerste spreker die Van ’t Hek introduceerde, was prof. mr. Dineke de Groot – raadsheer in de Hoge Raad en bijzonder hoogleraar Rechtspraak en conflictoplossing aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij presenteerde het conflictoplossingscontinuüm voor de letselschaderegeling – met aan de ene kant een rechtstreekse onderhandeling tussen partijen en aan de andere kant de procedure voor de rechter – en gaf aan dat de keuze voor een bepaalde conflictoplossingsaanpak in het algemeen niet systematisch tot stand komt. Haar presentatie was als het ware een pleidooi om die keuze wel beargumenteerd te laten plaatsvinden. Zo’n resultaatgerichte keuze voor een vorm van conflictoplossing moet ervan uitgaan dat in beginsel een volledige schadevergoeding wordt nagestreefd en dat er een eerlijke, voortvarende en betaalbare schadeafwikkeling zal plaatsvinden. Om te beginnen moet worden vastgesteld of er wel sprake is van een conflict. Er is immers een verschil tussen een louter inhoudelijk meningsverschil in een zakelijke verhouding enerzijds en een inhoudelijk meningsverschil met persoonlijke en affectieve aspecten anderzijds. In dit laatste geval is er sprake van een conflict. Er kan dan miscommunicatie optreden, een tekort aan respect worden ervaren en ongeduld en irritatie ontstaan. Een conflict speelt zich altijd binnen een relatie af en heeft effect op het functioneren van de
betrokkenen. In de praktijk wordt dat onderscheid tussen een meningsverschil en een conflict nogal eens uit het oog verloren. Een deelgeschilprocedure bijvoorbeeld is bedoeld om letselschade met minder conflicten en sneller te kunnen afwikkelen. Het gaat erom meningsverschillen op te lossen voordat het conflicten worden. Niet zelden echter wordt de deelgeschilprocedure juist in gang gezet als er al een conflict is ontstaan en treedt de rechter niet alleen als geschilbeslechter op, maar ook als bemiddelaar en conflictoplosser.

7-i-model en Escalatieladder

In de letselschaderegeling doen zich tal van potentiële conflictsituaties voor. Dineke de Groot noemde als bronnen daarvan de duur van de schadeafwikkeling, de looptijd van de gevraagde schadevergoeding, de blijvende beperkingen, het medisch traject, de prestaties van de betrokken professionals, het tekort op de emotionele bankrekening en de buitengerechtelijke kosten. Het gaat hierbij niet altijd in de eerste plaats om inhoudelijke meningsverschillen, maar vooral ook, conform de definitie van conflict, om persoonlijke, affectieve en normatieve conflictelementen. Doen deze zich voor, dan is een conflictanalyse geboden om zo mogelijk escalatie te voorkomen of als het daarvoor te laat is, om beargumenteerd een optimale vorm van conflictoplossing te kiezen. Vaak schiet de klassieke juridische analyse van een geschil, vanuit het perspectief van feiten en rechtsregels, met gebruik van wetgeving, rechtspraak en literatuur en op basis van logische argumenten, daarbij tekort. Nodig is dan een integrale systematische analyse van het conflict, met oog voor de kenmerken van de conflicteigenaren en de relevante omgeving van het conflict. Volgens De Groot is het zogenoemde 7-i-model daar een prima hulpmiddel voor. De zeven i’s zijn: issues (de onderwerpen en belangen in het conflict), individuen (de eigenaren van het conflict), interdependentie (de onderlinge afhankelijkheid van de betrokkenen), interactie (het verloop van de communicatie tot dan toe), implicaties (de gevolgen als het conflict niet wordt opgelost), instituties (overige betrokkenen) en interventies (de acties die al zijn ondernomen om het conflict op te lossen). Zijn deze zeven i’s met betrekking tot een bepaald conflict in kaart gebracht, dan kan vervolgens met behulp van de ‘Escalatieladder van Glasl’ een effectieve vorm van conflict-oplossing worden gekozen. Deze indeling van conflicten kent drie fasen: de relationele fase (waarin conflicten nog relatief gemakkelijk met hulp van vrienden, familie of collega’s kunnen worden opgelost), de emotionele fase (waarin het conflict al als een te winnen strijd wordt gezien; mediation is in die fase een geschikte vorm van conflictoplossing) en de vechtfase (het conflict als totale oorlog, die door iedereen wordt verloren en alleen met een bindende uitspraak via arbitrage of de rechtspraak kan worden beslecht). Dineke de Groot besloot haar presentatie met een oproep aan alle aanwezigen om niet in de vorm van strijdbijlen te denken, maar zo mogelijk de voorkeur aan de vredespijp te geven.

Deelgeschilprocedure

Bij conflicten in de letselschaderegeling kan sinds ongeveer drie jaar voor een soms effectieve vorm van conflictoplossing worden gekozen, namelijk de deelgeschilprocedure. Mr. Diederik Wachter – rechter in Rechtbank Midden-Nederland – besprak tijdens de PIV Jaarconferentie de praktijkervaringen hiermee. De achtergrond van de deelgeschilprocedure was de maatschappelijke en later politieke wens om het buitengerechtelijke traject bij de afhandeling van personenschade te verbeteren. De deelgeschilprocedure biedt een laagdrempelige toegang tot de rechtspraak, zonder ingewikkelde dagvaardingen, en met de expliciete bedoeling dat de partijen in het deelgeschil na de interventie van een rechter buitengerechtelijk met onderhandelen verdergaan en hun zaak afsluiten. De beslissing van de rechter waarmee het deelgeschil wordt beslecht, kan aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst bijdragen. Diederik Wachter begon met op te merken dat nogal wat elementen van de deelgeschilprocedure een hoog caoutchoucgehalte hebben, dus van rubber of elastiek zijn, gelet op de vele uiteenlopende interpretaties die mogelijk zijn van onder meer het doel van de vaststellingsovereenkomst en ook van het begrip ‘deelgeschil’ an sich. Als een partij bijvoorbeeld aanvoert dat nog minstens acht getuigen over de toedracht van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis moeten worden gehoord of dat vier medisch deskundigen hun licht moeten laten schijnen over de vraag of er sprake is van een causaal verband, dan is het maar zeer de vraag of dergelijke praktijken in de deelgeschilprocedure thuishoren. Ook is er volgens Wachter geen grens te stellen aan de aspecten die in een deelgeschilprocedure aan de rechter kunnen worden voorgelegd: de aansprakelijkheidsvraag, vragen naar causaal verband, eigen schuld, losse schadeposten, nadere vragen aan een deskundige, verklaringen voor recht om bepaalde rapportages juist wel of juist niet als uitgangspunt te nemen enzovoort enzovoort. Specifiek voor de deelgeschilprocedure is nog dat partijen, om ervoor te zorgen dat zij daadwerkelijk naar de onderhandelingstafel teruggaan, geen rechtstreeks beroep als mogelijkheid hebben. Weliswaar bestaat er een ingewikkelde route om een deelgeschilbeslissing in de vorm van
hoger beroep aan te kunnen passen, maar daar ging Diederik Wachter verder niet op in.

Praktische invulling

Over de praktische invulling van de deelgeschilprocedure was Diederik Wachter niet onverdeeld positief. Hij besprak verschillende minpunten, waaronder de gebleken terughoudendheid bij verzekeraars bij het initiëren van deelgeschilprocedures, het veelvuldig aangevoerde verweer dat er geen sprake van een deelgeschil is (omdat er nog tal van andere geschillen spelen en de oplossing van één geschil dus geen hout snijdt òf omdat het tegendeel het geval is, namelijk dat er maar één geschil speelt en er dus niet van een deelgeschil kan worden gesproken) en ook de positie die een verweerster in een bepaalde zaak innam, nog voordat de zitting überhaupt had plaatsgevonden, dat zij niet in het oordeel van de rechtbank zou berusten. Wachter laakte ook het gedrag van partijen, volgens hem vooral advocaten, die de deelgeschilprocedure als een normale gerechtelijke procedure benaderen en niet de intentie lijken te hebben om vervolgens de onderhandelingen weer voort te zetten. Volgens Wachter vertoont de mondelinge behandeling van een deelgeschil inderdaad overeenkomsten met een comparitie van partijen in een bodemzaak, maar bij zo’n comparitie komen partijen soms liever naar de schikkingstafel voor overleg dan in een deelgeschilprocedure. Ook zei Wachter het te betreuren dat partijen soms weinig vertellen over de verdere stand van zaken in hun discussie, hetgeen gevolgen kan hebben voor de rol die een deelgeschilrechter kan vervullen. Evenzo hebben rechters doorgaans geen zicht op wat er na de deelgeschilprocedure gebeurt, hetgeen voor een adequate evaluatie van deze vorm van conflictoplossing natuurlijk wel gewenst is. Positief noemde Wachter het feit dat deelgeschillen overzichtelijk zijn, dat deelgeschilprocedures meestal een zeer acceptabele doorlooptijd hebben en dat er, naar zijn idee althans, dankzij de deelgeschilprocedures iets minder bodemprocedures in gang worden gezet. Tot slot is positief, aldus Diederik Wachter, dat deelgeschillen doorgaans relatief jonge zaken betreffen en dat de deelgeschilprocedure een effectief middel kan zijn om die zaken jong te houden, dat wil zeggen tijdig tot een goed einde te brengen.

Mediation

Het eerste blok van het ochtendprogramma werd afgesloten met een film en een vraaggesprek over mediation. De film vertelde het verhaal van een zelfstandige meubelmaker die aan een ongeval hersenletsel overhield en die, volgens hem als gevolg daarvan, ten langen leste zijn zaak failliet zag gaan. De verzekeraar toonde zich echter niet ervan overtuigd dat het faillissement indirect een gevolg van het ongeval was en voerde aan dat nog tal van andere meubelzaken in dezelfde periode ook failliet waren gegaan, maar dan als gevolg van de crisis. De twee partijen troffen elkaar aan tafel bij een mediator. Het slachtoffer zei om te beginnen blij te zijn met het persoonlijke contact en graag te willen uitleggen hoe de vork in de steel zat. De verzekeraar toonde zich bereid met het slachtoffer in gesprek te gaan, maar bleef erbij dat het slachtoffer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn zaak als gevolg van het ongeluk failliet was gegaan. De meubelmaker had immers slechts twee klanten genoemd die hadden aangegeven dat ze klant bij hem waren gebleven als de zaak was blijven voortbestaan. Voor een goed beeld van de situatie zouden dat, volgens de verzekeraar, minstens acht klanten moeten aangeven. De meubelmaker zei daar moeite mee te hebben. Hij schaamde zich voor de situatie waarin hij was beland en wilde de relatie met zijn ex-klanten, maar mogelijk ook toekomstige klanten, niet bezwaren door hun een dergelijke verklaring te vragen. Onder leiding van de mediator kwamen partijen vervolgens uit op een aantal van vijf klanten die zouden moeten aangeven dat zij in de situatie zonder ongeval klant bij de meubelmaker zouden zijn gebleven. Afgesproken werd na vier weken opnieuw bij elkaar te komen, waarna partijen lieten blijken goede hoop te hebben dat ze eruit zouden komen.

Transparante aanpak

Na de film ging dagvoorzitter Tom van ’t Hek in gesprek met mr. Josée van de Laar – advocaat en mediator bij Beer advocaten in Amsterdam. Naar aanleiding van de film werd vastgesteld dat het vaak een kernpunt van mediation is dat het conflict wordt geëxpliciteerd en dat een clou wordt benoemd, in de film het aantal klanten, op basis waarvan een uitweg kan worden gevonden. Josée van de Laar vertelde dat haar mediationpraktijk in de afgelopen jaren zeer sterk is gegroeid, onder meer door ontwikkelingen bij verzekeraars en ook, onder druk van de EU, bij de wetgever. In de laatste maanden is zij in maar liefst zo’n vijftig zaken als mediator opgetreden. Wel moet zij nog te vaak constateren dat mensen vrezen dat er bij mediation iets geheimzinnigs gebeurt, als het ware in achterkamertjes, terwijl het toch vooral in de eerste plaats het doel is de afwikkeling van de personenschade te versnellen. Is de mediation eenmaal op gang gekomen, dan zijn slachtoffers daar doorgaans heel gelukkig mee. Ze ervaren het als een transparante aanpak – ze zijn er immers voortdurend zelf bij – en vaak als de eerste mogelijkheid om hun verhaal te vertellen. In schriftelijke communicatie ontstaat nogal eens een escalatie van gevoelens, terwijl tijdens de mediation allerlei onderwerpen op een andere manier ter sprake
kunnen komen. De vraag van Tom van ’t Hek of mediation, zoals in de vertoonde film, altijd bij een oplossing in het midden uitkomt, beantwoordde Van de Laar negatief. Een evaluatie van haar laatste vijftig zaken laat zien dat soms geheel andere uitkomsten op tafel komen, waar beide partijen begrip voor kunnen opbrengen. De constatering dat mediation in de Escalatieladder van Glasl, die door Dineke de Groot ter sprake was gebracht, een beweegbare plek heeft, dat wil zeggen kan worden toegepast in zowel rechtstreekse onderhandelingen als bijvoorbeeld deelgeschilprocedures, bracht Van ’t Hek op het idee van een nieuwe beroepsgroep, namelijk ‘de rijdende mediator’.

Innovatie in geschilbeslechting

Het tweede blok van het ochtendprogramma betrof niet het oplossen van conflicten, maar het voorkomen ervan. In de personenschaderegeling zijn daar natuurlijk twee gedragscodes specifiek voor bedoeld, de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) en de Gedragscode medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid (GOMA). De eerste spreker hierover was prof. mr. Maurits Barendrecht – hoogleraar Privaatrecht aan de Universiteit van Tilburg, maar van daaruit werkzaam bij Hiil, het ‘justice innovation lab’ in Den Haag. Barendrecht en zijn team faciliteerden bijna tien jaar geleden de totstandkoming van de GBL. In zijn presentatie besprak Barendrecht onder de noemer innovatie enkele andere actuele ontwikkelingen in de geschilbeslechting, met name vijf strategieën die mensen over de hele wereld in staat moeten stellen effectief toegang tot het recht te krijgen. Telkens ging hij erbij na in hoeverre deze strategieën in de Nederlandse letselschaderegeling toepasbaar zijn c.q. toegepast worden. De eerste strategie betreft de beschikbaarheid van informatie, waarmee mensen in staat worden gesteld om problemen op te lossen. Informatie is tegenwoordig natuurlijk in velerlei vormen beschikbaar, waarbij te denken valt aan websites, vragenuurtjes bij advocaten, helpdesks, telefoonlijnen, ‘self help’-groepen, televisieshows et cetera, die uiteindelijk allemaal de betekenis hebben dat ze mensen ‘empowerment’ geven tegenover de tegenpartij – de rechtshulpverlener en de rechter bijvoorbeeld. Volgens Barendrecht is de informatievoorziening in Nederland voor letselschadeslachtoffers zeer behoorlijk geregeld, met onder meer de gedragscodes, het bemiddelingsloket van De Letselschade Raad en tal van websites van bijvoorbeeld rechtshulpverleners. De tweede strategie betreft die van de hybride rechtshulp, die zowel de ‘push and power’ van de advocatuur heeft als de techniek van de mediator om bruggen te slaan. Hybrides zijn oplossingsgericht, beschikken over communicatieve vaardigheden, zijn gespecialiseerd en beschikken over doordachte methoden. In de Nederlandse letselschaderegeling is de hybride rechtshulp wellicht enigszins in opkomst, gelet ook op het verhaal van Josée van de Laar eerder in de ochtend, maar overheerst volgens Barendrecht toch nog de juridische cultuur. Een beloning met een vast bedrag, bijvoorbeeld volgens de PIV-staffel, kan helpen hierin verandering te brengen, aldus Barendrecht. Mogelijk dat een volgende generatie hulpverleners zich meer zal gaan richten op het herstel van slachtoffers, op de herinrichting van hun leven en op verwerking en erkenning.

Investeren noodzakelijk

De derde strategie heeft met protocollen en best practices te maken. Daarin moeten standaarden voor behandeling zijn beschreven, bijvoorbeeld in het geval van huiselijk geweld, echtscheiding en drugscriminaliteit. Dergelijke protocollen en best practices moeten kenbaar en toetsbaar voor klanten zijn en alle belangrijke stappen beschrijven. De belangrijkste protocollen en best practices in de Nederlandse letselschaderegeling zijn natuurlijk de GBL, de GOMA en de normen van De Letselschade Raad. Barendrecht betwijfelde echter de volledigheid hiervan. De GBL schrijft bijvoorbeeld niet voor welke stappen moeten worden doorlopen zodra de behandeling vastloopt. De GOMA biedt volgens hem geen goede oplossing voor het gekunstelde onderscheid tussen een medische fout en een complicatie. En bij de normen van De Letselschade Raad ontbreekt nog een goede norm voor de berekening van arbeidsvermogenschade. De vierde strategie betreft de keuze tussen beslechters. In Europa is die keuze volgens Barendrecht goed georganiseerd, met zo’n 750 consumentengeschilcommissies, rechters die gespecialiseerd zijn in arbeid, huur, familie, buren, sociale zekerheid, schulden enzovoort, gezaghebbende (overheids)adviseurs en ombudslieden op vele terreinen. Toch is er in de letselschaderegeling nog wel het een en ander te doen, aldus Barendrecht. Hij wees erop dat de deelgeschillenrechter in de timing met de GBL in feite te laat was gekomen, dat er nog geen geschilbeslechtingsloket is en evenmin een geschillencommissie. De vijfde strategie tot slot betreft de structurering van een en ander online. In dit verband wees Barendrecht op de online behandelplannen in de Nederlandse letselschaderegeling, waar hij niet meer over kwijt wilde dan dat er grof geld mee wordt verdiend. Hij wees er tot slot op dat innovatie van de geschilbeslechting niet zonder een goed businessmodel mogelijk is. Men moet erin investeren, maar tegelijk ook voor een ‘return on investment’ zorgen.

GBL 2012

Mr. dr. Erik-Jan Wervelman – advocaat bij Verschoof Wagenaar Wervelman Advocaten in Utrecht en tevens raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof Leeuwarden – vertelde over de totstandkoming van de GBL 2012. Hij begon zijn betoog met een illustratieve casus ten aanzien van het begrip erkenning. Zijn kantoorgenoot werd op een dag gebeld door een mevrouw in het ziekenhuis, die de dag ervoor door een vrachtwagen van een Nederlandse winkelketen was aangereden. Nog diezelfde avond was de directeur van dit bedrijf bij haar aan bed geweest, had haar een laptop cadeau gedaan en had ook nog eens vijfduizend euro naar haar rekening overgemaakt. Aldus was dit slachtoffer pas echt centraal gesteld, hetgeen overigens nooit mag betekenen, aldus Wervelman, dat het belang van de tegenpartij uit het oog wordt verloren. Ook in de GBL 2012 staat de benadeelde als vanzelfsprekend centraal, maar in vergelijking tot de eerste versie van de gedragscode meer gefundeerd vanuit de ethiek. Daardoor is als het ware nog logischer gemaakt dat de benadeelde centraal moet staan. Daarnaast is in de vernieuwde GBL het belang van erkenning extra aangezet en een nieuwe term geïntroduceerd, namelijk de bij de letselschade betrokken professional. Deze professional heeft – bij uitstek op de ethiek gebaseerd – drie verantwoordelijkheden, namelijk een toenaderingsverantwoordelijkheid (blijf in gesprek en inventariseer wat er speelt), de handelingsverantwoordelijkheid (doe deugdelijk onderzoek naar alle relevante gevolgen en neem pas dan een beslissing) en een ontwikkelingsverantwoordelijkheid (houd je kennis op peil en leer van de ander). Wervelman wees er in dit verband op dat door de crisis allerlei vreemde eenden in de bijt zijn gekomen, die zich nauwelijks een bij letselschade betrokken professional mogen noemen, maar de beroepsgroep wordt wat dat betreft in het geheel niet beschermd.

Waarden en normen

Tussen de oude en nieuwe GBL is vooral de gebruikte terminologie een belangrijk verschil. In de oude GBL wordt over ‘beginselen’ gesproken, terwijl dat niet alleen beginselen waren, maar bijvoorbeeld ook procedureregels of deugden. In de GBL 2012 is met name ‘waarde’ een centraal begrip en is de menselijke waardigheid een overkoepelende waarde. Belangrijke waarden die daaronder vallen zijn zelfbeschikking, gezondheid en wederkerigheid (het zich verplaatsen in de positie van de ander). Nog andere waarden zijn bijvoorbeeld gelijkwaardigheid, respect voor eigenheid en privacy. In de GBL 2012 wordt daarnaast over normen gesproken. Een norm is bijvoorbeeld dat je inzichtelijk maakt hoe en waarom je tot een bepaalde beslissing komt. Daaruit blijkt dan dat je oprecht bent (je geeft immers open aan waarom je iets vindt), dat je de ander vertrouwt en hem serieus neemt (je motiveert immers je beslissing) en dat je de ander in staat stelt zijn belangen te behartigen (omdat hij zelf kan bepalen of hij het ermee eens is of niet). De GBL 2012 bevat vanuit de beschreven waarden en normen een tiental gedragsregels, die betrekking hebben op de belangenbehartiging, de vaststelling van de aansprakelijkheid, het medisch traject, de vaststelling en de vergoeding van de schade en de oplossing van geschillen. In het algemeen schrijven deze gedragsregels een bepaalde houding of een bepaalde procedure voor.

GOMA

‘Goed op weg met de GOMA’ was de titel van de bijdrage van prof. mr. Johan Legemaate – hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij noemde de GOMA – de Gedragscode medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid – het broertje van de GBL op het gebied van medische aansprakelijkheid. De GOMA, in 2010 tot stand gekomen, had destijds als achtergrond het ongenoegen over het gebrek aan openheid door zorgverleners en zorginstellingen in het geval van incidenten en het ongenoegen over de schadeafwikkeling door zorgaanbieders en aansprakelijkheidsverzekeraars. Legemaate besprak eerst nog eens de kenmerken van de GOMA. Uitgangspunt ervan is het incident als onbedoelde gebeurtenis (complicatie, fout, misser, calamiteit – in ieder geval iets wat niet de bedoeling was). De GOMA beperkt zich niet tot de schadeafwikkeling, maar richt zich ook op de fase waarin het schadeveroorzakende incident ontstaat. Daarbij is het vooral van belang heel snel informatie te geven om misverstanden te voorkomen, de patiënt in de zorg te houden en de-escalatie tot stand te brengen. De GOMA heeft volgens Johan Legemaate onmiskenbaar tot een breuk geleid met het (officieuze) terughoudende beleid van verzekeraar met betrekking tot openheid over fouten. De GOMA heeft daar een principiële draai aan gegeven. Het is nu immers voor een ieder duidelijk dat openheid nog geen erkenning van de aansprakelijkheid hoeft te betekenen. Nog andere resultaten van de GOMA zijn dat zo spoedig mogelijk na (het bekend worden van) het incident adequaat wordt gereageerd en dat de afhandeling van schadeclaims sneller en transparanter verloopt. Legemaate noemde in dit verband de gang van zaken rond de medische fouten van een orthopedisch chirurg in het Waterlandziekenhuis in Purmerend. De voortvarende aanpak van verzekeraar Centramed in deze casus zou vroeger ondenkbaar zijn geweest. Als voorbeeld van transparantie noemde Legemaate de website www.mijnmediclaim.nl van verzekeraar MediRisk.


Vervolgstappen

De vraag of de GOMA voldoende tot stand heeft gebracht, moest Johan Legemaate ontkennend beantwoorden. Hij beargumenteerde dat de impact van een richtlijn of gedragscode per definitie beperkt is of traag tot stand komt. Daar moet immers een aantal stadia voor worden doorlopen, beginnend bij bewustwording en een attitudewijziging tot en met de doorwerking ervan in beleid, de praktijk en de rechtspraak. De werking ervan in de rechtspraak begint nu overigens wel langzaam zichtbaar te worden. Volgens Legemaate kunnen met betrekking tot de GOMA nog verschillende vervolgstappen worden gezet. Als eerste noemde hij een geprotocolleerde omgang met incidenten in de zorgpraktijk en de ondersteuning van de desbetreffende patiënt, niet in juridische zin, maar door bijvoorbeeld een klachtenbemiddelaar of een ‘disclosure officer’. Schadeclaims zouden volgens Legemaate zo veel mogelijk door de zorgaanbieder zelf moeten worden afgehandeld, omdat die per slot van rekening verantwoordelijk voor zijn eigen kwaliteit is. Nog een vervolgstap is het aanbod van een retrospectieve second opinion (patiënten willen immers zo vroeg mogelijk weten of hun eventuele claim houdbaar is) en een laagdrempelige geschillenbeslechting (mogelijk conform de aangekondigde Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, die uit het opknippen van het Wetsvoorstel cliëntenrechten zorg moet voortkomen). Legemaate pleitte verder nog voor de instelling van medische kamers bij rechtbanken en hoven. Het gaat hem dus meer om de optelsom van een aantal kleinere vervolgstappen in plaats van een nieuwe, grote systeemwijziging. ‘Goed op weg met de GOMA’ kreeg van hem nog geen uitroepteken, maar zeker ook geen vraagteken.

PIV Blues Band

Na een discussie onder leiding van dagvoorzitter Tom van ’t Hek tussen Maurits Barendrecht, Erik-Jan Wervelman en Johan Legemaate, ter afronding van het tweede blok van het ochtendprogramma, was het de beurt aan de PIV Blues Band ‘Different Tune’. Deze gelegenheidsformatie had voor het eerst van zich laten horen tijdens de PIV Jaarconferentie in 2012. Opnieuw bracht de band op uitstekende wijze een aantal klassiekers ten gehore van onder meer The Rolling Stones, Herman Brood & His Wild Romance en Peter Koelewijn. De PIV Blues Band ‘Different Tune’ bestaat uit Edward Blom – registerexpert personenschade bij Korevaar Van Dijk Letselschade, gitaar; Marc Punt – directeur To The Point Expertise, gitaar; Henk van Katwijk – advocaat bij Assuraad Advocaten, zang; Gert-Jan van Meenen – personenschade-expert en jurist bij Groeneveld en Partners, basgitaar; Erik Reinders – register geneeskundig adviseur bij Reinders Medisch Adviseurs, keyboard; Annet Schotborg – letselschaderegelaar bij CED Mens, saxofoon; Freek Schultz – CEO bij Pals Groep, drums; en Hans van den Waardenburg – letselschadespecialist bij Pals Groep, saxofoon. De PIV Blues Band luidde de lunchpauze in, waarna twee ronden van in totaal zeven workshops op het programma stonden.

7 Workhops

Begrijpen van gedrag

Hans Kaldenbach – directeur van ACTA-Kaldenbach in Zeist – leidde een workshop over het communiceren met mensen vanuit andere culturen. Door te begrijpen wat een ander bezighoudt, kan over het algemeen in de communicatie met die ander veel meer resultaat worden bereikt. In de workshop werd benadrukt dat ‘begrijpen’ in de letselschaderegeling noodzakelijk is, maar dat dit iets heel anders is dan ergens ‘begrip voor hebben’. Doel van de workshop was bovendien dat de deelnemers zichzelf beter leerden kennen. Zelfkennis gaat immers soms vooraf aan het kunnen begrijpen van anderen. Een geheid succesnummer van Kaldenbach in zijn workshops is de Nederlandse handdruk. Deze moet aan tien voorwaarden voldoen. Wordt er één gemist, dan wordt de handdruk als niet geslaagd beschouwd. De Arabische handdruk daarentegen moet aan vier voorwaarden voldoen, die alle vier niet bij de Nederlandse handdruk horen. Ook gaf Kaldenbach in zijn workshop een aantal praktische tips voor de omgang met mensen uit andere etnische groepen.

Tussen de oren

Prof. dr. Jan Houtveen – psycholoog en psychofysioloog aan de faculteit Sociale Wetenschappen, Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Utrecht – besprak in zijn workshop of de klachten van mensen met een post-whiplashsyndroom, een elektromagnetisch overgevoeligheidssyndroom of sick building disease echt zijn of tussen de oren zitten.  Is het met andere woorden mogelijk daadwerkelijk pijn te voelen zonder schade aan het lichaam? Zijn workshop bestond uit vijf delen. Hij begon met een uiteenzetting over MOK/SOLK: Medisch Onverklaarde Klachten / Somatisch Onbegrepen Lichamelijke Klachten. MOK/SOLK-patiënten zijn over het algemeen moeilijke patiënten, die strijd voeren voor de erkenning van hun klachten. Ze doen aan dokter-shopping en maken vaak hoge kosten. Doorgaans komen ze te laat in het goede behandelkanaal. Dit alles levert veel stress en negatieve emoties (frustraties) op bij zowel de patiënt als de arts of de behandelaar en ook bij overige beroepsgroepen waarmee zij in aanraking komen. In het tweede deel van zijn workshop behandelde  Houtveen de vraag of de klachten bij deze patiënten tussen hun oren zitten. Hij maakte duidelijk dat psychogene pijn uiteindelijk echt is en los staat van schade aan het perifere lichaam. In de overige onderdelen van zijn workshop behandelde Houtveen predisponerende, uitlokkende en in stand houdende mechanismen en het gevoeliger worden van het brein.

Privacy en letselschade

Mr. Carolien van Weering – advocaat bij LegalTree in Leiden – behandelde de betekenis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) voor de letselschaderegeling. De Wbp is de Nederlandse uitwerking van de Europese richtlijn bescherming persoonsgegevens en is sinds 1 september 2001 van kracht. De wet stelt voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens en geeft regels voor de uitwerking van de wet in gedragscodes. De wet schrijft voor dat een geheel of gedeeltelijke automatische verwerking van persoonsgegevens vooraf moet worden gemeld en onderworpen kan zijn aan voorafgaand onderzoek. De wet regelt verder de informatieverstrekking aan betrokkenen, de rechten van betrokkenen, de rechtsbescherming, het toezicht door het College bescherming persoonsgegevens en de sancties bij overtredingen van de wettelijke bepalingen. In haar workshop behandelde Carolien van Weering ook enige jurisprudentie met betrekking tot de Wbp.

Speed-mediation

In de workshop ‘Speed-mediation’ konden de deelnemers een gratis persoonlijk advies in hun letselschadezaken krijgen. Daartoe waren tal van NVMV/LetMe-mediators aanwezig, onder wie mr. Josée van de Laar – advocaat en mediator bij Beer advocaten in Amsterdam; mr. Bart Neervoort – eveneens advocaat en mediator en tevens voorzitter van NVMV/LetMe-mediators (NVMV staat voor Nederlandse Vereniging van Mediators in de Verzekeringsbranche); en mr. Ferda van Benthem – advocaat en mediator bij Asselbergs & Klinkhamer Advocaten en tevens bestuurslid van NVMV/LetMe-mediators. In de persoonlijke advisering werden vragen beantwoord als hoe trek ik mijn vastgelopen zaak los, is mijn zaak geschikt voor mediation en wanneer moet ik mediation aan mijn wederpartij voorstellen.

De omgang met de patiënt

De workshop over de GOMA werd geleid door Gerda de Groot – klachtenfunctionaris bij Isala klinieken in Zwolle en tevens bestuurslid van de Vereniging van Klachtenfunctionarissen in Instellingen voor Gezondheidszorg (VKIG) – en mr. Corinne Jeekel – advocaat bij ACE Letselschade Advocaten in Zwolle en tevens bestuurslid van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP). Zij begonnen hun workshop met de bespreking van een casus, namelijk de terugroepactie in november 2010, waarbij 600 patiënten met een metaal-op-metaal-heupimplantaat zich voor onderzoek bij hun behandelaar moesten melden. Het probleem met deze heupimplantaten is, zo was gebleken, dat kleine metaaldeeltjes (ionen) door wrijving in het omliggende weefsel en bloed terecht kunnen komen, met een scala aan klachten als gevolg daarvan. In een groot aantal gevallen moest het implantaat door een implantaat van keramiek of kunststof worden vervangen. In hun workshop stonden De Groot en Jeekel uitgebreid stil bij de negen aanbevelingen in de GOMA voor  de zorgaanbieder, evenals bij de tien aanbevelingen voor belangenbehartigers en aansprakelijkheidsverzekeraars. Tot slot gingen zij met de deelnemers over twee stellingen in discussie, namelijk dat tijd besteden aan een patiënt in het geval van een afgewezen aansprakelijkheid zinloos en onnodig kostenverhogend is en dat in gesprek blijven met een patiënt en diens belangenbehartiger na een vaststaande medische misser geen toegevoegde waarde heeft.

Whiplash

Mr. Arvin Kolder – advocaat bij PUNT Letselschade Advocaten in Emmen (v/h Houkes c.s.) en docent Privaatrecht/promovendus Aansprakelijkheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen – besprak in zijn workshop de hypothetische situatie zonder ongeval. Sinds de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie in 2007 zijn gewijzigd, zijn in de rechtspraak bepaalde hoofdlijnen ontstaan volgens welke whiplashletsel kan worden beoordeeld. De geschillen draaien voornamelijk over de (feitelijke) situatie mét ongeval. Echter, om de schade vast te stellen, moet – gelet op de vergelijkingshypothese – ook steeds de hypothetische situatie zonder ongeval in kaart worden gebracht. In zijn workshop behandelde Arvin Kolver de problematiek die daarmee specifiek in whiplashzaken samenhangt.

Hoezo strijdbijl?

Drs. Roelien Gerritsen en drs. Sip Koole – beiden directeur van Spijkman training & organisatieadvies – betoogden in hun workshop dat de combinatie van gezamenlijkheid en het hebben van een kritisch oordeel in het regelingsproces van wezenlijk belang is. Doel van hun workshop was aan te geven hoe de onderhandelingen over letselschade beter en sneller kunnen verlopen. Van belang is eerst en vooral onpartijdig te handelen. Het vak van letselschadedeskundige vraagt immers om inhoudelijk kennis én om het kunnen schakelen tussen belangen. Ook vraagt het heldere communicatie tussen de betrokkenen om het proces gezamenlijk tot een goed einde te kunnen brengen. Het is dus zaak om vooral geen strijdbijl te hanteren, maar naar heldere besluitvorming toe te werken. De praktijk is echter weerbarstig en nog steeds blijken regelingen vast te lopen. In veel gevallen heeft dat te maken, aldus Gerritsen en Koole, met de persoonlijke houding en het zelfreflecterend vermogen van de gesprekspartners. In regelingsgesprekken worden nog steeds woorden als ‘posten accorderen’, ‘onze richtlijnen’ en ‘onze verzekerde’ gebruikt en bestempelt men elkaar nog regelmatig als ‘tegenpartij’. De houding in een regelingsgesprek dient daarentegen aspecten van onpartijdigheid aan te nemen, hetgeen zowel zelfkennis als vaardigheden vraagt.

Van Goed naar Goud

Na de workshops kende het middagprogramma van de PIV Jaarconferentie nog twee onderdelen. Om te beginnen was dat de spreekbeurt onder de titel ‘Van Goed naar Goud’ van Marc Lammers, momenteel bondscoach van de Belgische hockeydames, maar daarvoor de coach die de Nederlandse hockeydames in 2008 in Athene naar olympisch zilver en in 2012 in Peking naar olympisch goud leidde. Hij vertelde hoe hij de speelsters zover had gekregen, vanuit een situatie waarin de belangrijkste successen steeds uitbleven en het team telkens weer op een tweede plaats eindigde. Het kwam erop neer dat er geen gezamenlijk doel was, afspraken niet werden nagekomen en de spelers weinig voor elkaar over hadden. De kentering kwam nadat Lammers de speelsters gelegenheid had gegeven zelf hun doelen en afspraken te formuleren. Om te beginnen bracht dat commitment, betrokkenheid, en konden de speelsters elkaar op het nakomen van afspraken gaan aanspreken. Het bracht daarnaast de juiste focus, niet meer op bijkomende zaken als het weer, het veld, het publiek en de scheidsrechter, maar op het spel en de handelingen van iedere speelster apart en van het team in het geheel. Nog meer vooruitgang werd geboekt dankzij de fitheid van alle speelsters: zij hadden het er allemaal voor over volledig afgetraind te zijn. En ‘last but not least’ wilden de hockeydames een bijzondere uitstraling hebben. In hun doen en laten moest tot uitdrukking komen dat dameshockey een sexy sport is, waar de speelster heel goed in zijn geslaagd. Bij een groot deel van de Nederlandse hockeyverenigingen zijn er immers momenteel wachtlijsten voor de toelating tot meisjeselftallen.


Niet opgeven

Om zijn woorden kracht bij te zetten, liet Marc Lammers twee films zien. De eerste ging over de atleet Derek Redmond, die tijdens de Olympische Spelen in 1992 in Barcelona torenhoog favoriet was om de 400 meter te winnen. Tijdens zijn race kreeg hij echter een spierscheuring en spatte zijn droom uit elkaar. Niettemin koos hij ervoor strompelend naar de finish te gaan, waarbij hij voor een groot deel door zijn vader werd ondersteund. Hij kreeg een ovatie van 65.000 mensen op de tribunes. Lammers’ boodschap met deze film was: als je niet opgeeft, kun je niet falen. Met die boodschap had hij negen speelsters van het team dat in Athene tweede was geworden, die eigenlijk hun actieve carrière hadden willen stoppen, overgehaald om door te zetten. Zijn tweede film had als boodschap ‘Together Everyone Achieves More’ (TEAM) en liet zien hoe een sollicitant dankzij zijn vrienden, die zogenaamd allemaal naar dezelfde baan solliciteerden, werd aangenomen. Tot slot vertelde Lammers hoe hij vroeger op de mavo maar moeilijk meekon en thuis altijd te horen kreeg dat hij van een 4 op zijn rapport een 6 moest zien te maken. In zijn coaching van het dameshockeyteam had hij het anders aangepakt. Zijn speelsters moesten zich er juist voor inzetten om van de aspecten in hun spel waarvoor ze een 8 verdienden, een 10 te maken. Het inspireerde Maartje Goderie om desondanks aan haar belabberde backhand te werken en zie: juist zij scoorde met haar backhand de 2-0 tegen China, waardoor Nederland goud won.

PIV Giraffe

Het laatste programmaonderdeel, voor de afsluitende borrel althans, betrof de uitreiking van de PIV Giraffe 2013, de blijk van waardering voor de persoon of instelling die ‘zijn nek heeft uitgestoken’ en aldus een waardevolle ontwikkeling in de letselschadebranche in gang heeft gezet. Het was de vijfde keer dat de PIV Giraffe werd uitgereikt. In voorgaande jaren ging hij naar Henk den Hollander, Arno Akkermans, Mark van Dijk en naar de Rechtbank Den Haag. Na een inleiding door PIV directeur Theo Kremer, kreeg Isabel Davids – raadsheer in het gerechtshof in Den Haag – het woord om de PIV Giraffe uit te reiken aan Josée van de Laar, volgens velen de beste mediator in Nederland. Davids memoreerde dat Josée van de Laar inmiddels zo’n driekwart van haar werkzaamheden aan mediation besteedt en dat naar verluidt zo’n 90 procent van de zaken waarin zij als mediator optreedt, tot een goed einde komt. Dat de PIV Giraffe juist aan haar werd uitgereikt, was een passend slot van een bijzonder geslaagde dag, tijdens welke een nieuwe stap werd gezet van strijdbijl naar vredespijp in de letselschaderegeling.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey