Column van … Coen Tijbout smartengeld … een bespiegeling

Samenvatting:

[…]

Column van … Coen Tijbout

Smartengeld … een bespiegeling

Op 14 november 2012 woonde ik de Expertmeeting Smartengeld bij. Een bewonderenswaardig initiatief van de ASP, De Letselschade Raad en het PIV. Het gemêleerde gezelschap debatteerde over de herwaardering van het smartengeld. De sleutelbegrippen waren “Hoe gaan we het doen (normering)?” En “Moet het niet eens wat hoger?” Graag wil ik het onderstaande aan de discussie toevoegen.


Ik heb sprekers horen bepleiten bij het bepalen van het smartengeld vooral te kijken naar het leed dat het letsel voor het individu heeft betekend, los van de ernst van het letsel. “B.I. (blijvende invaliditeit) zegt me niks”. Als klassieke voorbeelden kwamen voorbij de pianist die een pink breekt (subjectief groot leed) en een fotomodel met een litteken in het gezicht.

Natuurlijk zie ik de meerschade van het letsel in de beide bovengenoemde voorbeelden. Maar die zal separaat worden vergoed. Op dat punt geen centje meer pijn. Het kan toch niet zo zijn dat de gebroken pink van de arbeidsongeschikte pianist, meer smartengeld oplevert, dan bij iemand die zijn beide benen gecompliceerd breekt, maar met behulp van aangepast vervoer en voorzieningen zijn werk, als advocaat bijvoorbeeld, kan blijven doen?

In mijn directe omgeving word ik, ongetwijfeld gevoed door enige subjectiviteit, omringd door enkele aantrekkelijke dames. Zonder twijfel zal een verminking in het gezicht door hen met evenveel afgrijzen en verdriet worden ervaren als door ik noem maar iemand, Doutzen Kroes. Oké, de carrière van DK zal een vervelende wending krijgen maar die wordt op een andere wijze financieel gecompenseerd.

En wat te denken van iemand met een uiterlijk waarvoor de fotocamera angstvallig de lens gesloten houdt? Je zou kunnen beredeneren dat het leed in dat geval nog zwaarder weegt; de druppel in de volle emmer.

Volledig blind worden – dit voorbeeld kwam ook langszij – is naar mijn oordeel voor iedereen even erg, tenzij je ook al doof bent.

Bij het invoeren van subjectieve normen bestaat ook het risico van inflatoir huilgedrag. Immers, wetende dat er meer te halen valt, zal niemand het opgelopen letsel schouderophalend accepteren. Ik meen dat we terughoudend moeten zijn met het binnenslepen van subjectieve criteria. De aard en ernst van het letsel moet het fundament blijven van de smartengeldbeoordeling. Laat individuele omstandigheden als marginale factor meewegen.

Voorts is van belang dat het honoreren van subjectieve belevingen een normering van het smartengeld eerder afstoot dan naderbij brengt.

Jonge mensen moeten de last van het letsel langer dragen, dus mag het smartengeld bij jongeren hoger zijn dan bij ouderen. Klinkt redelijk.

Ik hoorde ook de term ‘golden years’; ben je net gepensioneerd, aan de vooravond van een zorgeloze oude dag, dan komt het letsel op een wel heel ongelukkig moment en mag het smartengeld ook hoger zijn. Deze twee voorbeelden conflicteren.

Uit mijn praktijk weet ik dat jeugdigen met ernstig en blijvend letsel wonderbaarlijk flexibel kunnen zijn in het aanvaarden van en leven met een handicap. Men weet vaak niet beter. In tegenstelling tot het wat oudere slachtoffer, dat terugkijkt op een leven dat plots deels vernietigd lijkt en nauwelijks nog mogelijkheden ziet om de bakens te verzetten. Ik bepleit voor jeugdigen uiteraard geen lager smartengeldbedrag maar vraag wel aandacht voor het leed dat ook bij ouderen een zware last kan zijn. Kortom, het is de vraag of leeftijd een rol van significante betekenis moet spelen bij het waarderen van smartengeld.

Ik beluisterde aan het slot van de middag een voorzichtige aanpak; geen smartengeldrevolutie maar het voeden van de rechtelijke macht met informatie op grond waarvan dan langzaam maar zeker een nieuw beleid kan worden ontdekt.

Dat gaat dus jaren duren. Ik zie rechters niet zo snel afwijken van de normen die al vele jaren worden gehanteerd, al is het maar omdat er ook verweer zal worden gevoerd.

Ik zie veel meer in een voortvarende aanpak van verzekeraars en belangenbehartigers. Worden zij het eens, dan hebben we de rechtelijke macht op dat punt wellicht niet meer nodig, zoals dat ook al het geval is bij bepaalde schadeposten waarvoor De Letselschade Raad goed werkbare aanbevelingen in het leven heeft geroepen.

Tot slot.

Er is niet gesproken over smartengeld voor nabestaanden en/of naaste familieleden van ernstig gewonden, terwijl dit toch al jaren op de agenda staat. Ik pleit voor een passende regeling.

C.B. Tijbout – letselschadespecialist en directeur schaderegelingsbureau Tijbout
te Zaandam – schreef eerder over dit onderwerp in Verkeersrecht 2012 p. 9.

(De column is steeds op persoonlijke titel, bestaat uit maximaal 630 woorden
en de naam van de auteur wordt altijd vermeld. Red.)

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey