“Het Glazen Huis; manoeuvreren langs de scherpe randen van de privacy?”

Samenvatting:

[…]

Het Glazen Huis; manoeuvreren langs de scherpe randen van de privacy?”

Cunningham Masterclass 2013

De sprekers werden steeds met een op hen toegeschreven rap geïntroduceerd door
Pico Low-Low
die speciaal voor de schadebranche een rap ringtone heeft ontwikkeld
(Downloaden via:
http://www.cunninghamlindsey.com/nl-NL/nl/News/clrington)

Op 11 april 2013 werd door maar liefst 220 genodigden deelgenomen aan de achtste editie van deze interactieve masterclass.

M. de Haan re – directeur Personenschade bij Cunningham Lindsey Nederland – vertelde in zijn openingwoord dat het thema privacy zeer actueel blijft, mede gezien de recente in de media weergegeven gebeurtenissen. Als voorbeelden noemde hij de drones die door Prorail worden ingezet om het spoor te controleren en het incident bij de Mediamarkt in Leeuwarden, waar het personeel met een verborgen camera was gefilmd. Het recht van het individu op privacy kan haaks komen te staan op het maatschappelijk belang van fraudebestrijding. Tijdens de opening van de masterclass werd de heer R. Verweij aan het publiek voorgesteld. Hij is sinds kort werkzaam als manager van de afdeling Fraudebeheersing en Onderzoek van Cunningham Lindsey Nederland.

Dagvoorzitter mr. F.Th. Kremer – directeur Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) – benadrukte dat het recht op privacy geen absoluut recht is. Het kan immers botsen met andere rechten en belangen. Als voorbeelden noemde hij het belang van de verzekeraar om de schade op correcte wijze te kunnen vaststellen en het (al aangestipte) maatschappelijk belang van fraudebestrijding. Deze belangen kunnen het recht op privacy beperken. In letselschadezaken speelt het recht op privacy vooral een rol bij het vaststellen van de beperkingen na ongeval, de medische voorgeschiedenis en het toekomstperspectief zonder ongeval. De verzekeraar staan daarbij verschillende informatiebronnen ter beschikking, zoals publieke bronnen, het slachtoffer zelf, derden (bijvoorbeeld de werkgever of de buurt) en het internet. Daarnaast zou de verzekeraar het slachtoffer kunnen laten filmen of schaduwen. Het is de vraag in hoeverre de verzekeraar van deze verschillende informatiebronnen gebruik mag maken. Deze vraag werd tijdens de masterclass vanuit verschillende invalshoeken benaderd.

Mevrouw mr. A.H.M. van Noort – partner bij Ekelmans & Meijer Advocaten – ging in op het spanningsveld tussen privacy en (actief) onderzoek naar persoonlijke informatie door de verzekeraar. De regelgeving betreffende het onderzoek door de verzekeraar is onder meer neergelegd in de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (GPO). In deze gedragscode wordt een onderscheid gemaakt tussen feitenonderzoek en persoonlijk onderzoek.
In tegenstelling tot het feitenonderzoek, is het persoonlijk onderzoek in de GPO aan strikte regels gebonden. Zo kan het persoonlijk onderzoek pas worden ingesteld indien het feitenonderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft of indien er op basis van het feitenonderzoek een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude is ontstaan[1]
. Verder dient aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit te zijn voldaan[2]. Het vereiste van proportionaliteit houdt in dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene in een redelijke verhouding staat tot de belangen van de verzekeraar die bij het persoonlijk onderzoek zijn gediend. Het vereiste van subsidiariteit houdt in dat er geen andere minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden voorhanden zijn die tot hetzelfde resultaat kunnen leiden.
Dit roept de vraag op wanneer sprake is van een persoonlijk onderzoek dat – zoals hierboven is aangegeven – strikt gereguleerd is. In de GPO wordt het persoonlijk onderzoek kort gezegd omschreven als een onderzoek naar de gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden worden gebruikt, die inbreuk (kunnen) maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Voorbeelden van het persoonlijk onderzoek zijn het interviewen van betrokkene, het inwinnen van informatie bij derden (zoals een buurtonderzoek), het observeren van betrokkene, het gebruik van een anonieme tip en onderzoek bij banken of hypotheekverstrekkers. Het is de vraag of het onderzoek naar gegevens op internet als een persoonlijk onderzoek of als feitenonderzoek moet worden gekwalificeerd. Daarvoor zijn verschillende gezichtspunten aangedragen. Verder is ingegaan op de gevolgen van het instellen van het persoonlijk onderzoek voor het verloop van de schadediscussie.

J.G. Wesselink – directeur Stichting Meld Misdaad Anoniem (M) ging in op taak en werkwijzen van de stichting, die zich ten doel stelt criminaliteit aan te pakken en beheert een meldlijn, waar mensen anoniem misdrijven kunnen melden. M is onderdeel van Crime Stoppers International, de wereldwijde associatie van landen met een dergelijke voorziening. Het initiatief voor M ligt weliswaar in de verzekeringswereld, maar niet alleen verzekeraars ontvangen anonieme tips via M. Ook de politie, het Openbaar Ministerie, de FIOD-ECD, de inspectie SZW en de energiebedrijven zijn partners van M.
Gemiddeld worden wekelijks ongeveer 34 aanhoudingen verricht en 21 zaken opgelost dankzij een anonieme tip van M. De tips voor verzekeraars hebben vooral betrekking op hennep, fraude en gestolen goederen. Het aantal tips dat jaarlijks voor verzekeraars binnenkomt, neemt nog steeds toe.
M heeft diverse voorzieningen getroffen om de anonimiteit van de beller te waarborgen. Zo maakt M geen gebruik van nummerweergave, houdt zij geen archief met meldingen bij en neemt zij de gesprekken niet op. Tijdens het telefoongesprek wordt niet gesproken over gegevens van de beller of de medewerker van M Anderzijds heeft M ook voorzieningen getroffen tegen valse beschuldigingen. Zo zijn medewerkers van M hierop bedacht en hanteren zij zorgvuldige checks ofwel testvragen in het telefoongesprek. Bovendien is M met haar partners overeengekomen dat zij niet eerder kunnen overgaan tot het treffen van maatregelen voordat een tip door nader onderzoek is bevestigd.

Het merendeel van de zaal was het eens met de stelling dat het aantal fraudegevallen bij letselschadeclaims toeneemt.

Social media expert J. Stedehouder ging in zijn lezing in op de vraag of er een reële basis is voor het big brother syndroom. Hij legde uit dat de overheid weliswaar in staat is om continu te onderzoeken waar wij mee bezig zijn, maar dat dit voor een groot deel mogelijk wordt gemaakt door onszelf. Wij maken massaal gebruik van gratis online diensten en apps, zoals Facebook, Twitter, LinkedIn en Google. Vervolgens koppelen wij deze diensten zonder problemen aan onze contactgegevens op onze smartphones en tablets. Verder zetten wij persoonlijke informatie online of doen anderen dit voor ons.
De beste manier om te genezen van het big brother syndroom is dan ook het afschaffen van digibetisme en het bevorderen van de digitale geletterdheid. Digitale geletterdheid is het vermogen digitale informatie en communicatie verstandig te gebruiken en de gevolgen daarvan kritisch te beoordelen.

Na afloop van de lezing was vrijwel iedereen het eens met de stelling dat de Big Brother Award, de prijs voor de grootste privacyschender, naar de burger als burger en gebruiker gaat. Er waren echter weinig voorstanders van de stelling dat het niet langer aanvaardbaar is voor organisaties om digibeten op leidinggevende posities te plaatsen.

B. de Vries – managing director van communicatieadviesbureau Hollander Van der Meij – vertelde dat privacy eigenlijk niet meer bestaat. Mensen willen zichzelf via digitale bronnen presenteren; persoonlijke verhalen worden publiek. Daarnaast hebben zij behoefte om via digitale bronnen in contact te komen met anderen. Hierdoor zijn anderen in staat ons te volgen en wij beseffen niet altijd wat de gevolgen hiervan zijn. Zo bekijkt de politie wat wij op Facebook zetten, bekijkt de belastingdienst wat wij op Marktplaats zetten en kunnen opsporingsdiensten onze gedragingen vanuit de lucht volgen. Toch heeft het recht op privacy ook een keerzijde. Zo maakte het recht op privacy het onmogelijk voor Foppen om rechtstreeks te communiceren met consumenten die de met salmonella besmette zalm van Foppen hadden gegeten.


[1] Zie art. 1.1 GPO.

[2] Zie art. 2 en 3.1 GPO.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey