PIV-Bulletin 2012-1, De deelgeschillenrechter anderhalf jaar in actie (III)

Samenvatting:

[…]

De deelgeschillenrechter anderhalf jaar in actie (III) – De stand van zaken (Ook verzekeraars hebben er baat bij …)

Mevrouw mr. P. Oskam – Kennedy Van der Laan Advocaten

In dit derde artikel sinds de inwerkingtreding van de Wet Deelgeschilprocedure op 1 juli 2010 bespreek ik de tot op heden1 gewezen rechtspraak. In PIV-Bulletin 2011, 1 bespraken Chris van Dijk en ik de eerste achttien gepubliceerde beschikkingen en in PIV-Bulletin 2011, 5 behandelden wij de bijna veertig beschikkingen die tot op dat moment waren gewezen. Sindsdien zijn daar een kleine zestig beschikkingen bijgekomen. Een en ander duidt er op dat het instrument van de deelgeschilprocedure sinds de inwerkingtreding van de wet steeds vaker wordt ingezet. Akkermans en Van2 betogen dat het effect van de deelgeschilprocedure veel groter is dan uit enkel het aantal uitspraken blijkt en concluderen dat de deelgeschilprocedure in korte tijd een belangrijke plaats heeft ingenomen binnen de letselschadepraktijk. Van de verzekeraars waarvoor ik op regelmatige basis optreed begrijp ik dat benadeelden – althans hun belangenbehartigers – regelmatig dreigen met een deelgeschilprocedure, terwijl uiteindelijk geen verzoekschrift wordt ingediend, juist óók indien de verzekeraar volhardt in het door haar ingenomen standpunt. Verder gebeurt het, zo begrijp ik van diezelfde verzekeraars, geregeld dat partijen ter mondelinge behandeling alsnog ‘op de gang’ tot een schikking komen, die dichterbij het buiten rechte door de verzekeraar ingenomen standpunt ligt, dan bij het standpunt van benadeelde. Voor beide situaties, waarnaar voor zover mij bekend geen onderzoek is gedaan, geldt dat de wederkerige situatie zich ongetwijfeld ook zal voordoen. Hoe dit ook zij: deze informatie lijkt te onderschrijven dat het effect van de deelgeschilprocedure inderdaad groter is dan wij sec uit het aantal gepubliceerde beschikkingen kunnen afleiden.

Er is veel te zeggen over de deelgeschilprocedure. In dit derde artikel zal ik aan de hand van de beschikkingen tot nu toe twee onderwerpen bespreken:

(i) de reikwijdte van de deelgeschilprocedure; en

(ii) de kosten van de deelgeschilprocedure.

Reikwijdte deelgeschilprocedure

De reikwijdte van de deelgeschilprocedure is een onderwerp dat in vrijwel iedere beschikking terugkomt, en daarmee een onderwerp dat ook in dit derde artikel om aandacht vraagt. Art. 1019z Rv bepaalt dat de beslissing in een deelgeschilprocedure dient te kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek om te beslissen over een tussen partijen bestaand geschil dient te worden afgewezen, indien de rechter van oordeel is dat een beslissing omtrent het deelgeschil een onvoldoende bijdrage zal leveren aan de voortgang van het buitengerechtelijke traject. De rechter dient af te wegen of de investering in tijd, geld en moeite in een redelijke verhouding staat tot het belang van de vordering en de bijdrage die de beslissing zou kunnen leveren aan een minnelijke regeling.

In ons eerste artikel na inwerkingtreding van de Wet Deelgeschillen concludeerden wij dat de rechter het begrip deelgeschil – “een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst”, aldus art. 1019w Rv – ruim uitlegt. In ons artikel in PIV-Bulletin 2011, 5 stelden wij dit beeld enigszins bij, omdat uit de tot op dat moment gepubliceerde beschikkingen bleek dat de rechter regelmatig aannam dat geen sprake was van een deelgeschil. Deze trend heeft zich in het afgelopen halfjaar voortgezet; bij bestudering van alle gepubliceerde beschikkingen tot op dit moment valt op dat de rechter relatief vaak tot de conclusie komt dat het verzoek niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en het afwijst, of verzoeker niet-ontvankelijk verklaart. De argumentatie die hiervoor wordt gehanteerd valt grofweg in te delen in een aantal categorieën, die ik hierna bespreek.

Nadere bewijslevering vereist

In een beschikking van 4 mei 20113 komt de Kantonrechter Den Haag tot het oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing – een oordeel over werkgeversaansprakelijkheid – niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, nu tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de feiten die voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van belang zijn. Er dient dan ook nader onderzoek te worden gedaan, al dan niet in de vorm van bewijslevering. De bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst weegt daarom, aldus de kantonrechter, niet op tegen de kosten en het tijdsverloop van de deelgeschilprocedure.

Het oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de te investeren tijd, kosten en moeite, omdat nadere bewijslevering is vereist, zie ik in diverse beschikkingen terugkomen. Zo wijst de Rechtbank Breda4 in een beschikking van 4 juli 2011 een verzoek om verlies verdienvermogen vast te stellen af omdat deskundige voorlichting noodzakelijk is5. De Rechtbank Den Bosch6 wijst een verzoek om een oordeel te geven over de aansprakelijkheidsvraag met betrekking tot een dodelijk ongeval met een off the road motor, af, omdat de toedracht niet vaststaat en daarom nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek nodig is. Uit een andere zaak die werd voorgelegd aan de Rechtbank Den Bosch7 blijkt een vergelijkbaar oordeel.

De Rechtbank Den Haag8 wijst een verzoek om in een aansprakelijkheidsprocedure tegen verzekeringnemer en verzekeraar, te oordelen over de verzekeringsdekking af. De verzekeraar stelt dat verzekerde en benadeelde bewust een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot het ongeval; het ongeval zou in het geheel niet hebben plaatsgevonden, maar zijn door verzekerde en benadeelde verzonnen om de verzekeraar pootje te lichten. De rechtbank oordeelt dat verzekerde drie geheel verschillende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, waarvan er ten minste één leugenachtig moet zijn. Het bewijs van de stelling dat het ongeval heeft plaatsgevonden is daarom, in de woorden van de rechtbank, ‘nog’ niet geleverd. Omdat nadere bewijslevering is vereist, worden de verzoeken – voor zover gericht tegen verzekeraar – op grond van art. 1019z Rv afgewezen. Nu verzekerde zelf voorbehoudloos heeft erkend dat het ongeval heeft plaatsgevonden, wordt hij daarvoor wel zonder nadere bewijslevering aansprakelijk geacht. Ook in twee andere zaken wijst de Rechtbank Den Haag de verzochte beslissing af wegens de noodzakelijkheid van nadere bewijslevering9.

Komt bewijslevering dan nooit aan de orde in een deelgeschilprocedure? Dat is niet het geval. Naar mijn oordeel staat de aard van de deelgeschilprocedure ook niet aan het toelaten van bewijslevering in de weg; het criterium is immers of de investering in tijd, geld en moeite in een redelijke verhouding staat tot het belang van de vordering en de bijdrage die de beslissing zou kunnen leveren aan een minnelijke regeling. Hoe overzichtelijker het te leveren bewijs, hoe kleiner de investering in tijd, geld en moeite en hoe meer het toelaten van bewijslevering in de deelgeschilprocedure naar onze mening voor de hand ligt.

In een werkgeversaansprakelijkheidszaak overweegt de Kantonrechter Den Bosch10 dat partijen het (grotendeels) eens zijn over de toedracht, zodat het niet waarschijnlijk is dat een langdurige procedure met uitvoerige bewijslevering en deskundigenberichten noodzakelijk is. Het verweer van de werkgever, dat het geschil zich niet leent voor een deelgeschilprocedure slaagt daarom niet. De kantonrechter kan echter niet zonder nadere bewijslevering oordelen over de vraag of de werkgever haar zorgplicht is nagekomen; op dat punt wordt een bewijsopdracht gegeven. Enigszins opmerkelijk is, dat de kantonrechter zich niet, althans niet expliciet, buigt over de vraag hoeveel tijd, geld en moeite die bewijslevering zal kosten, en of die bewijslevering wel past binnen de kaders van de deelgeschilprocedure.

De Rechtbank Maastricht11 buigt zich in een verkeersaansprakelijkheidszaak wel expliciet over die vraag: alvorens een bewijsopdracht te geven overweegt zij dat niet is te verwachten dat de gevraagde bewijslevering complex, tijdrovend of kostbaar zal zijn. Zie ook een beschikking van de Rechtbank Breda12, eveneens in een verkeersaansprakelijkheidszaak: “Een te verstrekken bewijsopdracht is voorts betrekkelijk overzichtelijk, terwijl te verwachten is dat met de bewijslevering niet heel veel tijd zal zijn gemoeid.13” In laatstgenoemde zaak stelt de rechtbank een schulddeling van 90/10 in het nadeel van verzekeraar vast, mits zij slaagt in het bewijs van haar stelling dat benadeelden geen gordel hebben gedragen; de vraag komt op hoe proceseconomisch het voor verzekeraar nog is om aan de gegeven bewijsopdracht uitvoering te geven.

Uit bovenstaand overzicht leid ik af dat het niet snel raadzaam is om een deelgeschilprocedure te starten in een kwestie waarin bijvoorbeeld de toedracht van een ongeval niet in confesso is, of waarin het reeds op voorhand duidelijk is dat de rechter niet tot een beslissing kan komen zonder deskundige voorlichting. De kans dat de deelgeschillenrechter in een dergelijk geval oordeelt dat niet aan de in art. 1019z Rv vervatte proportionaliteitstoets is voldaan is dan groot. Slechts indien de benodigde bewijslevering naar verwachting niet al te complex is, is het zinvol de deelgeschillenrechter in te schakelen.

Geen onderhandelingen

Een andere reden om de verzochte beslissing niet te geven, is in een relatief groot aantal beschikkingen het feit dat er tussen partijen geen onderhandelingen zijn geweest. Art. 1019x lid 3 Rv, dat bepaalt dat het verzoekschrift ‘een zakelijk overzicht van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de vordering’ dient te bevatten, impliceert ook dat partijen eerst zelf een serieuze poging moeten doen om tot een vergelijk te komen, alvorens de deelgeschillenrechter in te schakelen. Dat het verzoekschrift geen overzicht bevat van de aard en het beloop van de vordering en de gevoerde onderhandelingen, hoeft op zichzelf geen reden te zijn om te oordelen dat geen sprake is van een deelgeschil, zo lijkt te kunnen worden afgeleid uit beschikkingen van de Rechtbank Den Haag14, Kantonrechter Dordrecht15 en Rechtbank Rotterdam16. Voorwaarde is uiteraard wel dat de rechter (niettemin) over voldoende gegevens beschikt om de zaak te kunnen beoordelen.

Een beschikking van de Rechtbank Maastricht17 is om meerdere redenen interessant. Opvallend is dat de rechtbank partijen, nadat de aansprakelijk gestelde partij zich er in het verweerschrift op heeft beroepen dat geen sprake is van een deelgeschil, de gelegenheid heeft gegeven om van re- en dupliek te dienen. Dat terwijl de deelgeschilprocedure, en meer in het algemeen de verzoekschriftprocedure, deze mogelijkheid niet biedt. Voorts geeft de rechtbank een beslissing zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, terwijl art. 279 Rv expliciet bepaalt dat de rechter die mondelinge behandeling nu juist wel dient te bepalen. Vervolgens oordeelt de rechtbank: “In genen dele is er in die correspondentie echter sprake geweest van onderhandelingen tussen partijen over de aansprakelijkheid van [verweerster], dan wel enig ander aspect met betrekking tot de bepaling van de schade van [benadeelde]. Te minder is er – toegespitst op het onderhavige geschil – sprake van een situatie, waarop de deelgeschilprocedure doelt, te weten dat partijen over diverse aspecten van belang voor de begroting van de schade overeenstemming hebben bereikt, doch (alleen) nog niet over de aansprakelijkheid, en dat een oordeel van de rechter daaromtrent dienstig kan zijn om de onderhandelingen, die zijn gestopt ten aanzien van de aansprakelijkheidsvraag, weer op gang te trekken.” Verzoeker is naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Dit soort beschikkingen is naar onze mening niet erg dienstig voor de letselschadepraktijk. De aansprakelijkheidsvraag kan immers juist ook in een deelgeschilprocedure aan de orde worden gesteld, en het ligt voor de hand om ervan uit gaan dat, indien de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure is beantwoord, partijen juist in staat zijn om de verdere schaderegeling buiten rechte op te pakken (althans, indien aansprakelijkheid komt vast te staan).

Een (iets) steekhoudender motivering tref ik aan in een beschikking van de Kantonrechter Dordrecht18. Benadeelde verzoekt de kantonrechter om aansprakelijkheid vast te stellen voor een incident, waarbij hij als verpleegkundige door een psychiatrische patiënt zou zijn geschopt. De kantonrechter oordeelt dat sprake moet zijn van buitengerechtelijke onderhandelingen en dat daarvan moet blijken uit het verzoekschrift, wil het verzoek voor behandeling als deelgeschil in aanmerking komen. Een dergelijk overzicht ontbreekt echter in het verzoekschrift, terwijl uit de correspondentie tussen partijen evenmin, dan wel in onvoldoende mate blijkt van onderhandelingen, die er op gericht waren een serieuze bijdrage te leveren aan een oplossing van de tussen partijen gerezen geschil; de werkgever heeft aansprakelijkheid telkens afgewezen en is niet ingegaan op voorstellen tot het treffen van een minnelijke regeling. Verder had de werkgever ter zitting aangegeven ook na vaststelling van aansprakelijkheid niet te zullen onderhandelen, omdat de gestelde schade en het causaal verband niet zou zijn onderbouwd. De kantonrechter overweegt dat de deelgeschilprocedure “niet tot strekking heeft partijen tot onderhandelingen te forceren19. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van onderhandelingen en verder nadere instructie is vereist, is de kantonrechter van oordeel dat de investering in kosten, tijd en moeite die met de gevraagde beslissing gepaard zouden gaan niet opweegt tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing op het verzoek aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren20.

In andere zin oordeelt de Kantonrechter Den Haag21, in een beschikking in een werkgeversaansprakelijkheid waarin het verweer dat geen sprake is van een deelgeschil niet slaagt. Dat nog geen sprake is van onderhandelingen, wil niet zeggen dat er geen deelgeschil is, aldus de kantonrechter. Ook het verweer dat een beschrijving van aard en beloop van de vordering en het in art. 1019x lid 3 Rv genoemde overzicht van onderhandelingen ontbreken, treft geen doel, omdat de kantonrechter desondanks voldoende informatie heeft. Verder overweegt de kantonrechter dat een beslissing in de deelgeschilprocedure niet hoeft te leiden tot een vaststellingsovereenkomst; dat daaraan een bijdrage wordt geleverd is voldoende. In dezelfde zin de Kantonrechter Dordrecht22, eveneens in een werkgeversaansprakelijkheidszaak: “Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat partijen nooit hebben getracht een oplossing buiten rechte te bereiken, omdat verweersters van meet af aan aansprakelijkheid hebben afgewezen, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor de behandeling in een deelgeschilprocedure. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers een geschil aan het begin van het traject van de minnelijke onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag zou, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, buitengerechtelijke onderhandelingen op gang kunnen brengen.” In dezelfde zin de Kantonrechter Utrecht23: “Juist het feit dat partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kunnen immers kostbaar zijn… Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen juist door verschil van inzicht over de aansprakelijkheid, reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker niet in zijn verzoek kan worden ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk beoogde mogelijkheid om ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de orde te stellen, illusoir worden.”

De laatstgenoemde beschikkingen, waarin de rechter onder ogen ziet dat het doorhakken van een knoop ter zake de aansprakelijkheidsvraag een belangrijke stap is in het buitengerechtelijke traject, komen ons zinvol voor. Nu de deelgeschilprocedure juist als doel heeft partijen zelf in staat te stellen het schaderegelingtraject buiten rechte af te ronden, lijkt het ons wat gekunsteld om de aansprakelijkheidsvraag niet te beantwoorden, omdat er geen onderhandelingen tussen partijen zijn. Indien de aangesproken partij aansprakelijkheid afwijst, is het immers niet vreemd dat partijen (ook) niet over andere geschillen onderhandelen, zoals de schadeomvang. De rechter kan partijen door de aansprakelijkheidsvraag te beantwoorden dan goed op weg helpen.

Dat ‘goed op weg helpen’ betekent overigens niet dat de deelgeschillenrechter als procesbegeleider optreedt, hetgeen geïllustreerd wordt in een beschikking van de Rechtbank Arnhem24.

Onvoldoende onderbouwing

Het is aan degene, die de deelgeschillenrechter om een beslissing verzoekt, om zijn verzoek goed te onderbouwen en af te bakenen.

Een voorbeeld vinden wij in een beschikking van de Rechtbank Den Bosch25. In die zaak heeft verzekeraar een observatieonderzoek laten verrichten. Benadeelde wekt in het verzoekschrift de indruk dat verzekeraar weigert nog verdere schade te vergoeden, zich uitsluitend baserend op de resultaten van het onderzoek en vraagt de rechtbank om een oordeel “over de bewijsrechtelijke waarde van de resultaten van het observatieonderzoek.” Uit het verweer van verzekeraar blijkt echter dat er nog tal van andere argumenten zijn om verdere schadevergoeding te weigeren. Onder andere daarom oordeelt de rechtbank dat zij op basis van de enkele filmbeelden van het onderzoek niet kan oordelen over de waarde daarvan. Benadeelde heeft tevens verzocht causaal verband vast te stellen tussen ongeval en schade, maar dat verzoek is, zo oordeelt de rechtbank, “ook volstrekt onvoldoende onderbouwd.”

Van degene die de deelgeschillenrechter om een beslissing verzoekt, wordt verwacht dat deze toelicht waarom de beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (voor zover dat niet reeds uit de stukken blijkt). Zo oordeelt de Rechtbank Assen26 in een verkeersaansprakelijkheidszaak: “[Verzoekster] verzoekt de rechtbank uiteenlopende beslissingen te nemen waarvan zonder nadere toelichting die [verzoekster] niet geeft, voor de rechtbank niet begrijpelijk is hoe die beslissingen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kunnen bijdragen. Een en ander klemt omdat uit het verweer van [verzekeraar] volgt dat tussen partijen niet wordt onderhandeld en bij [verzekeraar] ook geen bereidheid bestaat om te gaan onderhandelen, omdat de aansprakelijkheid voor de schade die [verzoekster] thans nog goed wil zien, in volle omvang en gemotiveerd wordt bestreden.” De rechtbank oordeelt dat benadeelde hiermee te kort schiet in haar stelplicht en dat zij een verzoek heeft ingediend ‘tegen beter weten in’.

Een vergelijkbaar oordeel geeft de Rechtbank Assen27: “De rechtbank begrijpt zonder nadere toelichting die verzoekster niet geeft, niet waarom de benoeming van de door haar voorgestelde deskundigen – waarvan benoeming niet wordt verzocht om het oorzakelijk verband tussen de gestelde beperkingen en de verlate diagnose vast te stellen – de door verzoekster ervaren ‘patstelling’ zal doorbreken.” Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Deelgeschilprocedure oneigenlijk gebruikt

De vraag naar de omvang van de te vergoeden buitengerechtelijke kosten kan aan de deelgeschillenrechter worden voorgelegd. Voorwaarde is dan wel dat een beslissing daarover kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. In een aan de Rechtbank Zutphen voorgelegde kwestie28 is dat niet het geval. De rechtbank overweegt dat in feite geen onderhandelingstraject inzake de letselschade hoeft te worden vlot getrokken, omdat sprake is van een dossieroverstijgend geschil tussen de verzekeraar en de belangenbehartiger van benadeelde. De verzekeraar heeft in de procedure een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van het opstellen daarvan een bedrag van circa € 360.000 openstond aan door de belangenbehartiger in diverse dossiers in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten. “Daarom is aannemelijk dat gelet op deze werkwijze tussen [advocatenkantoor X] en verzekeraar een dossieroverstijgend geschil bestaat over de door [advocatenkantoor X] gedeclareerde buitengerechtelijke kosten … Door bij die stand van zaken alleen over de buitengerechtelijke kosten een deelgeschil aanhangig te maken, in de wetenschap dat de discussie met verzekeraar over de buitengerechtelijke kosten blijvend en bovendien dossieroverschrijdend is, wordt de deelgeschilprocedure ingezet voor een doel, waarvoor de regeling niet is ontworpen.”

Conclusie

Zoals uit het voorgaande blijkt, wijst de deelgeschillenrechter met vrij grote regelmaat de verzochte beslissing af, althans verklaart hij verzoeker niet-ontvankelijk, omdat er geen sprake is van een deelgeschil. Is dat wel wenselijk en constructief? Analyseren wij de in dit artikel besproken uitspraken, dan blijkt dat de deelgeschillenrechter doorgaans een in mijn optiek goede reden heeft om niet aan het verzoek te voldoen. Is nadere bewijslevering vereist, of is het verzoek onvoldoende onderbouwd en/of niet duidelijk geformuleerd, of wordt feitelijk ‘de gehele zaak’ aan de rechter voorgelegd, dan lijkt het mij duidelijk dat het voeren van een deelgeschilprocedure niet de geëigende weg is. Wanneer de deelgeschillenrechter op basis van de gestelde informatie in beginsel in staat is om een beschikking te wijzen, lijkt het mij echter weinig constructief om de gevraagde beslissing niet te geven “omdat er geen onderhandelingen zijn geweest”; zoals uit dit artikel volgt is dat echter slechts in een handvol beschikkingen reden geweest om het verzoek af te wijzen.

Weinig vertrouwen in de deelgeschillenrechter?

Ik sluit deze paragraaf over de reikwijdte van de deelgeschilprocedure af met het noemen van een verweer dat in meerdere deelgeschilprocedures terugkomt, namelijk het verweer dat verweerster, ongeacht de uitkomst van de deelgeschilprocedure, ‘toch wel een bodemprocedure zal starten’, zodat de beslissing niet zal bijdragen aan totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ik wijs op een drietal beschikkingen van de Rechtbank Arnhem. De eerste is van 29 augustus 201129: “[Verweerster] voert aan dat zij, ook wanneer zou worden geoordeeld dat zij aansprakelijk is jegens [Verzoeker], niet in onderhandeling zal treden met [Verzoeker]. In dat geval wenst [Verweerster] – in een bodemprocedure – de aansprakelijkheidsvraag, onder meer via getuigen, grondiger aan de orde te stellen.” Voorts een beschikking van 30 september 201130, waarin verzekeraar aangeeft met een beslissing in de deelgeschilprocedure ‘geen genoegen te zullen nemen’. Tot slot een beschikking van 14 november 201131: “Anders dan verweerders opwerpen, kan niet reeds op voorhand worden aangenomen dat de partijen op basis van de beslissing op het verzoek niet zullen gaan onderhandelen, maar zonder meer tot het voeren van een bodemprocedure zullen overgaan. De keuze voor het één en ander zal, naar mag worden verwacht, mede afhangen van de inhoud en de motivering van die beslissing.

In een zaak die werd voorgelegd aan de Rechtbank Den Bosch blijkt dat het aansprakelijk gestelde ziekenhuis inmiddels een bodemprocedure is gestart. De rechtbank overweegt echter32: “Gelet op dit alles acht de rechtbank het niet uitgesloten dat partijen toch tot een vergelijk kunnen komen indien de rechtbank een oordeel geeft over de twee schadeposten die haar in het deelgeschil zijn voorgelegd.”

De benadering, dat verwacht mag worden dat partijen beslissingen over eventueel voort procederen mede zullen nemen aan de hand van de motivering door de rechter in zijn beschikking, lijkt mij de meest zinvolle. In het algemeen is immers niemand gebaat bij ‘procederen om het procederen’. Daarbij komt dat de wijze waarop een beslissing in een deelgeschilprocedure tot stand komt in feite niet afwijkt van de wijze waarop dat in een bodemprocedure geschiedt, zodat de stelling dat met een zaak ‘grondiger’ getoetst wenst te zien door de bodemrechter mijns inziens geen hout snijdt.

De kosten van de deelgeschilprocedure

Ten aanzien van de omvang van de kosten bespreken wij twee onderwerpen. Ten eerste de vraag of de kosten van de deelgeschilprocedure voor vergoeding in aanmerking komen indien geen sprake is van een deelgeschil. Ten tweede de omvang van de kosten van de deelgeschilprocedure.

Wat gebeurt er met de kosten indien geen sprake is van een deelgeschil?

De rechter begroot de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt in de beschikking en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96, tweede lid van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking, zo bepaalt art. 1019aa Rv. Indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of volstrekt ten onrechte aanhangig is gemaakt, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis33. In ons vorige artikel signaleerden wij al dat verschillende rechters verschillend omgaan met de vraag wat er met de kosten moet gebeuren, indien de conclusie luidt dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Colsen constateert dit eveneens34. Zij is van oordeel dat, wanneer op goede gronden wordt geoordeeld dat een verzoek geen deelgeschil is, en daarmee dat de verzoeker niet-ontvankelijk is, het kostenregime van art. 1019aa Rv toepassing mist. Is daarentegen sprake van een deelgeschil maar wordt het verzoek afgewezen op inhoudelijke gronden, of op grond van art. 1019z Rv, dan dienen de kosten wel te worden begroot, tenzij sprake is van een volstrekt onnodig of volstrekt ten onrechte ingediend verzoek. Dit lijkt mij een juiste benadering, waarbij ik benadruk dat in de hiervoor besproken beschikkingen verzoeker slechts drie maal niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek; de deelgeschillenrechter zou op dit punt best wat kritischer mogen zijn.

Het beeld dat verschillende rechters verschillend omgaan met de vraag wat er met de kosten moet gebeuren, indien het geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, wordt met de sinds ons laatste artikel gepubliceerde beschikkingen alleen maar bevestigd. Zo vindt de ene deelgeschillenrechter reeds het feit dat het verzoek wordt afgewezen of verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard reden om kostenbegroting achterwege te laten; ik verwijs bijvoorbeeld naar beschikkingen van de Rechtbank Maastricht35 en de Rechtbank Assen36.

De andere rechtbank wijdt hier een motivering aan. Bijvoorbeeld de Rechtbank Den Bosch37: “X had moeten beseffen dat het op deze wijze indienen van verzoeken zinloos is. De rechtbank acht het hierbij in het bijzonder van belang dat X een onjuiste of althans een verre van volledige voorstelling van zaken heeft gegeven door relevante informatie niet in het geding te brengen. Alleen al daarom kon de rechtbank onmogelijk komen tot toewijzing van de verzoeken.” Een ander voorbeeld is een beschikking van de Rechtbank Zutphen38: de rechtbank begroot de kosten op nihil, omdat het niet redelijk is geweest de deelgeschilprocedure te starten. Weer andere deelgeschillenrechters blijven, ook nu de Wet deelgeschilprocedure toch al enige tijd in werking is, overwegen “dat ten tijde van indiening van het verzoek nog onvoldoende in de rechtspraak is uitgekristalliseerd onder welke omstandigheden met (voldoende) kans van slagen een deelgeschil kan worden ingediend39. Ik meen dat de meer dan honderd tot op heden gepubliceerde beschikkingen toch wel enig aanknopingspunt zouden moeten bieden voor beantwoording van de vraag of het zinvol is een deelgeschilprocedure te entameren; de rechter mag ook hier mijns inziens kritischer zijn.

Tot slot stip ik nog twee enigszins opmerkelijke beschikkingen aan waar het gaat om de kosten. De eerste is de hiervoor al besproken beschikking van de Rechtbank Assen40: de rechtbank begroot de kosten van verzekeraar op het door verzekeraar verzochte bedrag van € 5000. De rechtbank motiveert niet waarom benadeelde de kosten van verzekeraar zou moeten voldoen. Ten tweede een beschikking van de Rechtbank Den Bosch41. In deze kwestie wordt om veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten verzocht. De rechtbank wijst dat verzoek af en overweegt dat de belangenbehartiger van benadeelde reeds “zeer ruimhartig is beloond”. Dat dient, aldus de rechtbank, “hard terug te slaan op benadeelde”: zijn vordering wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Een veroordeling van verzoeker zou naar mijn oordeel alleen kunnen indien sprake is van onrechtmatig procederen. Beide rechtbanken wijden echter verder geen motivering aan hun veroordeling van verzoeker in de kosten, zodat beide beschikkingen mij op dit punt onjuist voorkomen. Ook interessant, maar dan om een andere reden is overigens nog een arrest van het Hof Arnhem42 naar aanleiding van een beschikking van de deelgeschillenrechter waarin aansprakelijkheid niet kwam vast te staan, maar verweerster toch – onterecht – in de kosten werd veroordeeld. Een juridische misslag, aldus het hof.

Omvang van de kosten

Al eerder43 betoogden wij dat het zinvol zou zijn om de kosten die zijn gemoeid met het voeren van een deelgeschilprocedure te standaardiseren, omdat verschillende rechters tot verschillende oordelen komen over de redelijkheid van uurtarieven en bestede tijd. Dit betoog blijft wat mij betreft onverminderd actueel, nu ook uit de sinds ons laatste artikel gepubliceerde beschikkingen (soms sterk) van elkaar afwijkende oordelen over de kosten van de deelgeschilprocedure zijn af te leiden. Zo vinden de Rechtbank Amsterdam44 en de Kantonrechter Breda45 tijdsbesteding van respectievelijk 37 en 38,9 uur voor het voeren van een deelgeschilprocedure niet onredelijk, terwijl bijvoorbeeld de Rechtbank Den Bosch46 de gevorderde 22 uren terugbrengt naar 15. Ik realiseer mij dat de ene zaak de andere niet is, en dat de aard en complexiteit van een specifieke zaak (mede)bepalend zijn voor het aantal te besteden uren, maar deze grote verschillen illustreren mijns inziens wel dat een oordeel over de redelijke kosten per definitie enigszins arbitrair is, zodat ik standaardisering wenselijk blijf achten.

Ook ten aanzien van het gehanteerde uurtarief herhaal ik ons pleidooi voor standaardisering, al was het maar om te voorkomen dat advocaten in de deelgeschilprocedure op basis van een hoger uurtarief trachten te declareren dan daarbuiten; zie voor een voorbeeld Rechtbank Arnhem 7 september 201147; buiten rechte is een uurtarief van € 200 gehanteerd, maar in de deelgeschilprocedure wordt vergoeding van de kosten op basis van een uurtarief van € 297 gevorderd. De rechtbank maakt daar, naar mijn oordeel terecht, korte metten mee: “De rechtbank ziet ook niet in waarom thans een ander uurtarief dient te worden gehanteerd dan het kennelijk eerder gehanteerde uurtarief (…).”

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt, dat er nog veel discussie wordt gevoerd over de vraag welke geschillen zich wel, en welke geschillen zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Zoals wij in ons vorige artikel al opmerkten, is het zonde van de tijd, moeite en kosten die partijen aan het voeren van een deelgeschilprocedure besteden indien de rechter aan inhoudelijke behandeling niet toekomt. Ik men dat de reikwijdte van de deelgeschilprocedure inmiddels in de rechtspraak redelijk is uitgekristalliseerd, zodat voor de spelers in het schaderegelingtraject nu voldoende handvatten aanwezig zijn om te kunnen bepalen of hun geschil zich leent voor de deelgeschilprocedure. De rechter mag daarom best wat kritischer zijn bij beantwoording van de vraag of een procedure volstrekt onnodig of volstrekt ten onrechte is ingesteld. Afgaand op het aantal afwijzende beschikkingen, zouden bovendien advocaten zich wat mij betreft best wat kritischer mogen afvragen of het zinvol is om een deelgeschilprocedure te starten. Ik spreek de hoop uit, dat zich steeds meer inhoudelijke jurisprudentie wat betreft deelgeschillen zal ontwikkelen.

Naast de beschikkingen, waarin de rechter tot het oordeel kwam dat het geschil zich niet leende voor een deelgeschilprocedure, zijn er in het afgelopen half jaar (gelukkig) ook enkele tientallen beschikkingen gegeven, waarin de deelgeschillenrechter wel aan inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt. Behalve de in dit artikel al besproken onderwerpen kwamen daarin geschillen over buitengerechtelijke kosten48, aansprakelijkheid en schulddeling49, smartengeld50, de vraag naar gebondenheid aan een deskundigenrapport en causaal verband51, predispositie52, looptijd53 en schadeomvang54 aan bod. Dit zijn wat mij betreft onderwerpen die zich bij uitstek voor een deelgeschilprocedure lenen.

Met de Wet Deelgeschilprocedure beoogde de wetgever partijen in een letsel- of overlijdensschadezaak een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter te bieden, ter oplossing van deelgeschillen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. Nu er in anderhalf jaar tijd ruim honderd beschikkingen zijn gepubliceerd, en er voorts gelet op hetgeen ik in de inleiding stelde nog een onbekend dark number van deelgeschillen moet zijn, kunnen wij concluderen dat het instrument van de deelgeschilprocedure zeer regelmatig wordt ingezet. Dat wil zeggen: door benadeelden; de deelgeschilprocedures waarin een verzekeraar als verzoeker optrad zijn op één hand te tellen. Dat is jammer: ook voor verzekeraars kan de deelgeschilprocedure goede diensten bewijzen en een einde maken aan (vaak lange) discussies over bijvoorbeeld aansprakelijkheid of gebondenheid aan een deskundigenrapport.

Wij zullen u periodiek op de hoogte blijven van de ontwikkelingen. Medio 2012 analyseren wij de beschikkingen die in het eerste halfjaar van 2012 zullen worden gegeven.

1 De tot 7 januari 2011 gepubliceerde rechtspraak op www.rechtspraak.nl en www.stichtingpiv.nl.

2 A.J. Van en A.J. Akkermans, TVP 2011/3, p. 82-86.

3 LJN BQ6069.

4 Rb. Breda 4 juli 2011, LJN BR0309.

5 Zie ook Rb. Arnhem 7 september 2011, LJN BU6743.

6 Rb. Den Bosch 20 oktober 2011, LJN BT8905.

7 Rb. Den Bosch 20 december 2011, LJN BU8766.

8 Rb. Den Haag 28 oktober 2011, LJN BU3883.

9 Rb. Den Haag 6 juli 2011, LJN BU209 en Rb. Den Haag 1 november 2011, LJN BU6717.

10 Ktg. Den Bosch 14 juni 2011, LJN BQ9268.

11 Rb. Maastricht 23 augustus 2011, LJN BT1939.

12 Rb. Breda 11 juli 2011, LJN BR1988.

13 De Ktg. Utrecht (10 augustus 2011, LJN BT8679) hanteert een vergelijkbare redenering in een werkgeversaansprakelijkheidszaak, waarin de werkgever dient te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.

14 Rb. Den Haag 24 oktober 2011, LJN BU3876.

15 Ktg. Dordrecht 6 juli 2011 (niet gepubliceerd) te vinden op www.stichtingpiv.nl.

16 Rb. Rotterdam 9 november 2011, LJN BU3703.

17 Rb. Maastricht 19 april 2011, LJN BQ5644.

18 Ktg. Dordrecht 6 juli 2011 (niet gepubliceerd) te vinden op www.stichtingpiv.nl.

19 Zie ook op Rb. Arnhem 29 augustus 2011, gepubliceerd op www. stichtingpiv.nl; en Rb. Arnhem 30 september 2011, LJN BU6738. Voorts Ktg. Rotterdam 7 december 2011, LJN BU8430: “… terwijl de deelgeschilprocedure ook niet bedoeld is om partijen aan de onderhandelingstafel te dwingen, maar om partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingen te ondersteunen en onderhandelingen op gang te brengen of eventueel vastgelopen onderhandelingen vlot te trekken …”.

20 Vgl. Rb. Maastricht 10 augustus 2011 (niet gepubliceerd) te vinden op www.stichtingpiv.nl.

21 Ktg. Den Haag 9 augustus 2011, LJN BU3478.

22 Ktg. Dordrecht, sector kanton 8 december 2011, LJN BU7610.

23 Ktg. Utrecht 10 augustus 2011, LJN BT8679.

24 Rb. Arnhem 7 september 2011, LJN BU6751.

25 Rb. Den Bosch 9 juni 2011, LJN BQ7692.

26 Rb. Assen 6 juli 2011, LJN BR0730.

27 Rb. Assen 14 september 2011, LJN BT1641.

28 Rb. Zutphen 20 oktober 2011, LJN BU1420.

29 Rb. Arnhem 29 augustus 2011 (niet gepubliceerd) te vinden op www.stichtingpiv.nl.

30 Rb. Arnhem 30 september 2011, LJN BU6738.

31 Rb. Arnhem 14 november 2011, LJN BU6757.

32 Rb. Den Bosch 13 december 2011, LJN BU7841.

33 Kamerstukken II 2009/09, 31 518, nr. 3, p. 16.

34 S. Colsen, Begroting van de kosten van de deelgeschilprocedure, TvP 2011/4, p. 112-117.

35 Rb. Maastricht 19 april 2011, LJN BQ5644.

36 Rb. Assen 14 september 2011, LJN BT1641.

37 Rb. Den Bosch 9 juni 2011, LJN BQ7692.

38 Rb. Zutphen 20 oktober 2011, LJN BU1420.

39 Rb. Arnhem 7 september 2011, LJN BU6743. Zie ook Ktg. Den Haag 4 mei 2011, LJN BQ6069.

40 Rb. Assen 6 juli 2011, LJN BR0730.

41 Rb. Den Bosch, 26 mei 2011, gepubliceerd op www.stichtingpiv.nl.

42 Hof Arnhem 13 december 2011, LJN BU8395.

43 Zie onze art. in PIV-Bulletin 2011, 1 en 2011, 5.

44 Rb. Amsterdam 26 mei 2011, LJN BR2561.

45 Ktg. Breda 22 augustus 2011, LJN BR7054.

46 Rb. Den Bosch 20 december 2011, LJN BU8766.

47 LJN BU6751.

48 Rb. Den Bosch, 26 mei 2011, gepubliceerd op www.stichtingpiv.nl, Rb. Den Haag 26 oktober 2011, LJN BU3870 en Rb. Zutphen 17 november 2011.

49 Rb. Amsterdam 26 mei 2011, LJN BR2561; Rb. Amsterdam 23 juni 2011, LJN BR5467; Rb. Breda 11 juli 2011, LJN BR1988; Rb. Den Haag 20 juli 2011, LJN BU3468; Ktg. Rotterdam 21 juli 2011, LJN BU9562; Rb. Haarlem 18 oktober 2011, LJN BU4763; en Rb. Rotterdam 14 december 2011, LJN BU8302.

50 Rb. Breda, sector kanton 22 augustus 2011, LJN BR7054; en Rb. Rotterdam 21 december 2011, LJN BU8990.

51 Rb. Arnhem 21 september 2011, LJN BU6752; Rb. Arnhem 20 oktober 2011, LJN BU4405; en Ktg. Rotterdam 16 november 2011.

52 Rb. Den Haag 11 juli 2011, LJN BU2097.

53 Rb. Den Bosch 21 september 2011, LJN BT2397.

54 Rb. Maastricht 16 mei 2011, LJN BQ5685.


Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey