PIV-Bulletin 2012-2, Niet eens met de beschikking in een deelgeschilprocedure: wat te doen?

Samenvatting:

[…]

Niet eens met de beschikking in een deelgeschilprocedure: wat te doen? – Aanvechten en bodemprocedure …

Mevrouw mr. P.J. klein Gunnewiek/mevrouw mr. M.S.E. van Beurden – Van Benthem & Keulen

De Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is op 1 juli 2010 in werking getreden. Sindsdien zijn er diverse beschikkingen gewezen en wordt het voor de praktijk langzaam duidelijk wat er zoal mogelijk is. Een belangrijk onderdeel is echter tot op heden onderbelicht gebleven namelijk de rechtsmiddelen. In dit artikel zal aandacht worden besteed aan de mogelijkheden om een beschikking in deelgeschilprocedure aan te vechten. Voorts zal worden ingegaan op de wijze waarop een bodemprocedure zal moeten worden gevoerd.

In beginsel geen hoger beroep

Uit art. 1019bb Rv volgt dat tegen de beslissing van de rechter in deelgeschilprocedure geen hoger beroep open staat. De reden daarvoor is dat het openstaan van een rechtsmiddel zich bezwaarlijk verdraagt met de ratio van de deelgeschilprocedure, te weten versterking van het buitengerechtelijke traject bij de afhandeling van personenschade en overlijdensschade. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen de onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te handelen.

Bodemprocedure

Het is echter niet zo dat in het geheel geen hoger beroep mogelijk is tegen een beschikking van de deelgeschillenrechter. Indien partijen er ondanks de beslissing in deel-geschilprocedure niet in slagen er samen uit te komen kunnen zij alsnog hun geschillen aan de rechter voorleggen in een bodemprocedure. De wijze van procederen in deze bodemprocedure is afhankelijk van de inhoud van de beschikking van de rechter in de deelgeschilprocedure.

Art. 1019cc Rv geeft daarvoor de handvatten. Allereerst zal moeten worden nagegaan wat de status is van de beslissing in de beschikking. De rechter kan namelijk een beslissing nemen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, maar de rechter kan ook een veroordeling uitspreken.

Materiële rechtsverhouding

In art. 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op één of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden is als wanneer de beslissing zou zijn genomen in een tussenvonnis in die procedure.

De materiële rechtsverhouding heeft betrekking op de rechten en plichten die partijen jegens elkaar hebben. De memorie van toelichting bij dit artikel geeft ons een aantal voorbeelden: een beslissing over de rekenmethode ter vaststelling tot welke leeftijd iemand gewerkt zou hebben, een beslissing over de causaliteit, een beslissing over de rekenrente, dan wel over de ingangsdatum daarvan of een beslissing over het eigen schuldpercentage. Voorts kan gedacht worden aan een beslissing over de aansprakelijkheid, een beslissing over de vraag of iemand gezien kan worden als vorderingsgerechtigde in de zin van art. 6:108 BW en een beslissing over het vaststellen van het aantal uren huishoudelijke hulp dat in relatie staat tot het schadetoebrengende feit.

Een beslissing over de materiële rechtsverhouding wordt gelijk gesteld met een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis. Dit betekent dat conform de leer van de bindende eindbeslissing de rechter in de bodemprocedure daarop in beginsel niet kan terugkomen. Dit is slechts anders als er nadere gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat de beslissing niet juist is geweest. Hiervan zal echter niet snel sprake zijn.

Wanneer één van de partijen zich niet kan vinden in de beslissing van de deelgeschillenrechter, die betrekking heeft op de materiële rechtsverhouding dient een bodemprocedure te worden gestart. De rechter in de bodemprocedure zal, om de reden zoals hiervoor uiteengezet, in beginsel dus niet afwijken van de beslissing van de deelgeschillenrechter. Conform art. 1019cc lid 3 Rv zijn er twee mogelijkheden om in hoger beroep te komen. Dat kan allereerst tegen het eindvonnis in de bodemprocedure (sub b), maar beter is gebruik te maken van de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep (sub a), aangezien het (deel)geschil dan direct opnieuw zal worden beoordeeld.

Dit hoger beroep dient zo spoedig mogelijk te worden ingesteld doch binnen drie maanden na de eerste rol-datum in de bodemprocedure. Indien de beschikking in deelgeschil van latere datum is, omdat er al een bodemprocedure was gestart, geldt een termijn van drie maanden die aanvangt op de dag van de uitspraak van de beschikking.

Aansluiting moet worden gezocht bij art. 337 lid 2 Rv waarin is bepaald dat het mogelijk is tussentijds in hoger beroep te komen tegen een (bindende eindbeslissing in een) tussenvonnis. Voorwaarde voor het instellen van een dergelijk (tussentijds) hoger beroep is dat de bodemrechter daarvoor desverzocht verlof verleent. Het hoger beroep kan al worden ingesteld voordat de rechtbank het verlof heeft verleend, doch zal niet-ontvankelijk zijn als het verlof vervolgens niet alsnog wordt verleend.

Wij merken op dat het bepaalde in art. 1019cc lid 3 Rv dus niet gelijk is aan de meer algemene regeling van art. 339 Rv waarin is opgenomen dat de termijn voor het instellen van hoger beroep drie maanden bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak van het (tussen)vonnis. Conform de tekst van art. 1019cc lid 3 Rv is het dus niet noodzakelijk binnen drie maanden na de beschikking in deelgeschil hoger beroep in een bodemprocedure in te stellen. De termijn van lid 3 ziet slechts op het instellen van hoger beroep nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt.

De partij die het hoger beroep instelt kan rechtstreeks grieven formuleren tegen de beschikking in de deelgeschilprocedure en kan vorderen dat de beschikking in de deelgeschilprocedure wordt vernietigd. Met de vernietiging verliest de beslissing in de deelgeschilprocedure zijn bindende kracht.

Veroordeling

In art. 1019cc lid 2 Rv is opgenomen dat indien de beschikking tevens een veroordeling van één der partijen inhoudt, aan die veroordeling in de procedure ten principale geen verdergaande betekenis toekomt dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding.

Conform de memorie van toelichting gaat het dan om veroordelingen verbonden aan beslissingen over een deel van de hoofdvordering. Daarbij kan worden gedacht aan een veroordeling tot betaling van een bepaald bedrag aan advocaatkosten, dan wel aan een toewijzing van de vergoeding van een gevorderde schadepost. Ook valt te denken aan de beslissing dat een medisch rapport aan de andere partijen ter beschikking moet worden gesteld.

Een beslissing waarin een veroordeling wordt uitgesproken moet gelijk gesteld worden met een voorlopige voorziening in kort geding. Dit betekent dat een dergelijke beslissing geen bindende kracht heeft in een bodemprocedure. De rechter in eerste aanleg in een bodemprocedure zal dan ook het geschil in zijn volle omvang opnieuw moeten toetsen. De partij die het niet eens is met een veroordeling in de deelgeschilprocedure kan derhalve volstaan met het instellen van een bodemprocedure in eerste aanleg. Een hoger beroep zal op dat moment niet hoeven te worden ingesteld.

Nu de veroordeling in de deelgeschilprocedure geen bindende kracht heeft, komt de beslissing in de deelgeschilprocedure in de bodemprocedure niet voor vernietiging in aanmerking.

Praktijk

Van belang is dus dat een partij zich bewust is van het karakter van de beslissing in de deelgeschilprocedure, voordat een afweging kan worden gemaakt of de vervolgstap van hoger beroep direct moet worden gezet na het starten van de bodemprocedure. Het zal niet altijd eenvoudig zijn om de beslissing te typeren, omdat een beslissing zowel een veroordeling als een beoordeling over de materiële rechtsverhouding kan inhouden.

Een beslissing kan namelijk een veroordeling betreffen, waarin tevens een oordeel is gegeven over de materiële rechtsverhouding. Een voorbeeld daarvan is dat een aansprakelijke partij kan worden veroordeeld een voorschot te betalen in verband met de kosten van huishoudelijke hulp (veroordeling) waarbij de rechter het aantal uren hulp vaststelt op tien uur per week (materiële rechtsverhouding). Wanneer de aansprakelijke partij het niet eens is met de vaststelling van het aantal uren huishoudelijke hulp dient in de bodemprocedure (tussentijds) hoger beroep te worden ingesteld. Wanneer de aansprakelijke partij het alleen niet eens is met de hoogte van het voorschot tot betaling waarvan zij is veroordeeld of wanneer zij van mening is dat zij in het geheel geen voorschot hoeft te betalen kan volstaan worden met het starten van een bodemprocedure.

Nog een andere mogelijkheid, die niet is opgenomen in de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade, is het starten van een kort geding. Wij zullen deze mogelijkheid illustreren met een gepubliceerde uitspraak naar aanleiding van de uitkomst van een deelgeschilprocedure.

Hof Arnhem 13 december 2011, LJN BU8395

Het betrof een letselschadezaak waarin een ziekenhuis aansprakelijk was gesteld in verband met medisch onzorgvuldig handelen. Het ziekenhuis had aansprakelijkheid van de hand gewezen, maar had wel (in het kader van een vlotte afwikkeling van de letselschade) een bedrag betaald ter zake van de immateriële schade, evenals een bedrag in het kader van de buitengerechtelijke kosten. De benadeelde heeft vervolgens een deelgeschilprocedure gestart, waarbij zij heeft verzocht om een hogere vergoeding ten aanzien van beide schadeposten. Bij beschikking van 2 december 2010 – LJN BO7282, JA 2011, 30 – heeft de Rechtbank Zutphen geoordeeld dat de bedragen die al waren betaald aan de benadeelde afdoende waren ter dekking van haar schade. De rechtbank is daarnaast overgegaan tot veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van de deelgeschilprocedure ad Ä 2.209,72.

De benadeelde heeft verzocht om voldoening van deze proceskosten, maar het ziekenhuis heeft zich op het standpunt gesteld daartoe niet gehouden te zijn, omdat aansprakelijkheid nimmer is vastgesteld. Het ziekenhuis is een kort geding gestart om de executie tegen te gaan. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zutphen heeft op 3 februari 2011 (119265 / KG ZA 11-16; niet gepubliceerd) een verbod tot executie opgelegd. De benadeelde is vervolgens weer in hoger beroep gekomen van dit vonnis, maar dat mocht haar niet baten. Het Hof Arnhem heeft het vonnis van de Rechtbank Zutphen bekrachtigd. Het Hof Arnhem oordeelde dat de beslissing van de rechter in de deelgeschilprocedure berustte op een juridische misslag, omdat art. 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in een deelgeschilprocedure pas tot een veroordeling van de begrote kosten kan komen, indien en voor zover de aansprakelijkheid vaststaat, wat niet het geval was.

Wij merken op dat aan de mogelijkheid van het starten van een kort geding naar aanleiding van een beschikking in een deelgeschilprocedure slechts beperkte betekenis toekomt. Via deze weg kan immers alleen de executie van een in de deelgeschilprocedure gegeven veroordeling worden voorkomen. Bovendien is het alleen mogelijk een dergelijk verbod door de voorzieningenrechter opgelegd te krijgen, indien deze van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan zal alleen sprake zijn indien de te executeren veroordeling in een beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat wanneer het beoogde doel, te weten het voorkomen van betaling, kan worden bereikt met een kort geding, deze mogelijkheid een geëigend middel kan zijn.

Wanneer één der partijen de veroordeling op zichzelf wenst aan te vechten, zal zij niet kunnen volstaan met het starten van een kort geding procedure, maar zal zij een bodemprocedure aanhangig moeten maken, waarin de inhoudelijke beoordeling van de veroordeling opnieuw (in volle omvang) zal worden getoetst.

Ten slotte

Zoals reeds opgemerkt is de rechtspraak met betrekking tot het hoger beroep in een deelgeschilprocedure uiterst beperkt gebleven. De reden hiervoor is onbekend. Wellicht heeft het vrij ingewikkeld geredigeerde art. 1019cc Rv hiermee te maken. Mogelijk is er zodanig veel vertrouwen in de deelgeschillenrechter dat een tweede toetsing als overbodig wordt beschouwd. Wij zullen de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houden en informeren u graag opnieuw wanneer de rechtspraak zich op dit gebied verder heeft ontwikkeld.

  • 2

  • Mevrouw mr. P.J. klein Gunnewiek/mevrouw mr. M.S.E. van Beurden – Van Benthem & Keulen
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder Deelgeschil, PIV-bulletin

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey