PIV-Bulletin 2012-6, De stand van zaken – De deelgeschillenrechter twee jaar in actie (IV)

Samenvatting:

[…]

De stand van zaken – De deelgeschillenrechter twee jaar in actie (IV)

Mevrouw mr. P. Oskam – Kennedy Van der Laan

Iets later dan in PIV-Bulletin 2012, 1 aangekondigd bespreek ik in dit vierde artikel sinds de inwerkingtreding van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade een aantal ontwikkelingen uit de meest recente rechtspraak1. Sinds de verschijning van mijn laatste artikel zijn er meer dan zestig beschikkingen bijgekomen, zodat de teller inmiddels de tweehonderd is gepasseerd. Ruim twee jaar na inwerkingtreding van de wet wordt dan ook keer op keer bevestigd dat de wet kennelijk een gat in de markt is geweest. Voor benadeelden, moet ik daaraan toevoegen, want verzekeraars maken van dit instrument nog altijd zeer weinig gebruik, terwijl ook gezamenlijke verzoeken in de rechtspraak op één hand zijn te tellen.

In mijn laatste artikel ben ik ingegaan op de reikwijdte van de deelgeschilprocedure en de daarmee gemoeide kosten. Met een zo groot aantal beschikkingen is er ook in dit artikel veel te zeggen over de deelgeschilprocedure. Ik beperk mij in dit artikel tot de (on)mogelijkheid van hoger beroep in de deelgeschilprocedure en de daarover gewezen rechtspraak tot op heden en op een onderwerp dat in veel procedures aan bod komt, namelijk het deskundigenrapport. Ik zal dit artikel afsluiten met enkele opmerkingen over de reikwijdte van de deelgeschilprocedure.

De (on)mogelijkheid van hoger beroep

De wetgever heeft de mogelijkheid van hoger beroep tegen deelgeschilbeschikkingen sterk beperkt. Achterliggende gedachte daarbij is dat de stimulans die de deelgeschilprocedure partijen biedt om de buitengerechtelijke onderhandelingen af te ronden met reguliere hoger beroepmogelijkheden zou worden tenietgedaan.

Is hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking geheel uitgesloten? Het antwoord is nee; zo ver wilde de wetgever niet gaan. Het resultaat is een vrij ingewikkelde wettelijke regeling. In die wettelijke regeling wordt onderscheid gemaakt tussen beslissingen betreffende de materiële rechtsverhouding van partijen en veroordelingen. Een beslissing over de materiële rechtsverhouding van partijen is bijvoorbeeld een beslissing over de aansprakelijkheid. Bij een veroordeling moeten wij denken aan beslissingen als het toekennen van een voorschot. Art. 1019cc lid 1 Rv bepaalt: “Voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op 1 of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, is de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure.”

De bodemrechter is, aldus dit artikel, aan beslissingen over de materiële rechtsverhouding gebonden, tenzij naderhand blijkt dat de eerder gegeven beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Daarvan zal in de praktijk niet snel sprake zijn.

Art. 1019cc lid 2 Rv bepaalt dat indien de beschikking tevens een veroordeling van een der partijen inhoudt, aan die veroordeling in de bodemprocedure geen verdergaande betekenis toekomt dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een kort gedingvonnis. Op het eerste gezicht lijkt het onderscheid tussen de leden 1 en 2 van art. 1019cc Rv wellicht duidelijk, maar in de praktijk kan dit toch tot de nodige onduidelijkheden leiden. Regelmatig zal het zo zijn dat een benadeelde uitsluitend betaling van een geldsom vraagt, maar dat aan het toewijzen van dat verzoek ook een beoordeling van de materiële rechtsverhouding tussen partijen vooraf zal gaan. Bijvoorbeeld: benadeelde verzoekt om betaling van smartengeld. Verzekeraar maakt in het verweerschrift niet alleen bezwaar tegen de omvang van het smartengeld, maar stelt ook aan de orde dat benadeelde 50% eigen schuld heeft aan het ontstaan van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. De deelgeschillenrechter wijst vervolgens, het verweer van verzekeraar op dit laatste punt honorerend, de helft van het smartengeld toe. Deze beslissing behelst zowel een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen als een veroordeling. In deze situatie kan uitsluitend het geldbedrag in de bodemprocedure nog aan de orde worden gesteld (tenzij het honoreren van het eigen schuldverweer op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust); de schulddeling is immers een beslissing over de materiële rechtsverhouding tussen partijen.

De enige appelmogelijkheid vinden we in art. 1019cc lid 3 Rv, dat bepaalt: “In de procedure ten principale kan de beschikking, voor zover zij beslissingen als bedoeld in het eerste lid bevat, bij het gerechtshof hoger beroep worden ingesteld als van een tussenvonnis:

a.     binnen drie maanden te rekenen vanaf de eerste rol datum, dan wel, indien de beschikking nadien is gegeven, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van de beschikking, met dien verstande dat de appellant, binnen de grenzen van art. 332, in het hoger beroep slechts ontvankelijk zou zijn, indien de rechter in eerste aanleg deze mogelijkheid heeft geopend op een daartoe binnen dezelfde termijn door één der partijen gedaan verzoek, waarover de wederpartij is gehoord;

b.    tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis.”

De partij die het met de deelgeschilbeschikking niet eens is, kan, zo bepaalt dit artikel met andere woorden, een bodemprocedure starten en in die bodemprocedure een verzoek indienen tot het toestaan van hoger beroep tegen de deelgeschilbeslissingen. In de deelgeschillenrechtspraak is (het instellen van) hoger beroep, voor zover mij bekend, tot op heden vier keer aan de orde geweest. Ik zal hierna op drie van deze gevallen ingaan2.

De eerste uitspraak is een vonnis van de Rechtbank Utrecht van 29 februari 20123. Deze zaak betreft een medische aansprakelijkheidszaak. In een deelgeschilprocedure, die is geëindigd met een beschikking van de Rechtbank Utrecht van 9 februari 20114, hadden twee dochters en hun bejaarde moeder vergoeding verzocht van diverse schadeposten, waaronder kosten van particuliere verzorging en verpleging in de thuissituatie, verbouwingskosten en immateriële schade. In deze heeft de Rechtbank Utrecht een groot deel van de verzoeken toegewezen, waaronder een – mijns inziens overigens opvallend hoog – bedrag van € 100.000 aan smartengeld. Het aansprakelijke ziekenhuis kon zich in de deelgeschilbeschikking niet vinden en startte een bodemprocedure. Bij dagvaarding verzocht het ziekenhuis de rechtbank ook om verlof voor het tussentijds instellen van hoger beroep tegen de beschikking. In het vonnis van 29 februari 2012 stelt de rechtbank vast dat het ziekenhuis dit verzoek voor het mogen instellen van tussentijds appel binnen de wettelijke beroepstermijn (van drie maanden) heeft gedaan. Nu gedaagden in de bodemprocedure in hun conclusie van antwoord hadden aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep, leek er aan toewijzing van dit verzoek niets in de weg te staan. De rechtbank oordeelt echter dat het verzoek niet kan worden toegewezen, omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal zijn. Het ziekenhuis heeft namelijk nagelaten om binnen de in art. 1019cc lid 3 Rv genoemde termijn van hoger beroep een appeldagvaarding te laten betekenen. De vordering tot het mogen instellen van tussentijds hoger beroep wordt dan ook afgewezen. Deze uitspraak maakt duidelijk dat het van belang is de drie maanden goed in de gaten te houden: niet alleen moet het verzoek om hoger beroep te mogen instellen tijdig te worden gedaan, ook de appeldagvaarding moet tijdig worden betekend. In de praktijk betekent dit dat de appeldagvaarding eveneens binnen de in art. 1019cc lid 3 Rv genoemde termijnen moet zijn betekend – óók als er nog geen beslissing op het verzoek om tussentijds appel is. De Rechtbank Utrecht heeft hiermee (kennelijk) aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 20045. Daarin komt aan de orde dat de rechter op verzoek van een van de partijen kan toestaan dat hoger beroep tegen een tussenvonnis kan worden ingesteld, mits dit verzoek binnen de appeltermijn wordt gedaan. Het instellen van hoger beroep dient dan wel binnen de wettelijke termijn (dat wil zeggen binnen drie maanden na het wijzen van het tussenvonnis) te zijn ingesteld.

Het vonnis van de Rechtbank Utrecht bevat behalve deze afwijzing ook nog andere interessante overwegingen over de beperkte mogelijkheden van partijen om een deelgeschilbeschikking aan te vechten. De vorderingen van het ziekenhuis in de bodemprocedure komen er – kort gezegd – op neer dat het ziekenhuis de rechtbank verzoekt voor recht te verklaren dat de dochters en hun moeder minder toekomt, dan hen bij de deelgeschilbeschikking is toegewezen. De rechtbank benoemt de hiervoor al besproken mogelijkheden die art. 1019cc leden 1 en 2 Rv bieden, en overweegt dat het de rechtbank ‘in beginsel’ (die woorden had de rechtbank mijns inziens ook kunnen weglaten) vrijstaat om een veroordeling in deelgeschil in de bodemprocedure te heroverwegen. De rechtbank wijst er vervolgens op, dat dit onverlet laat dat de aan een veroordeling ten grondslag liggende juridische vaststelling wél bindend is. Ik merkte hiervoor al op dat het onderscheid tussen een beslissing over de materiële rechtsverhouding en een veroordeling lastig kan zijn. De Rechtbank Utrecht verwoordt het als volgt: “De beoordeling van de mate waarin de bodemrechter volgens art. 1019cc Rv gebonden is aan een in een deelgeschilprocedure genomen beslissing dient te geschieden aan de hand van een criterium dat naar het oordeel van de rechtbank in menig letselschadezaak weinig onderscheidend vermogen heeft. Zeker indien het verzoek in de deelgeschilprocedure (wat vaak het geval zal zijn) de vaststelling van de aansprakelijkheid en de vaststelling of betaling van schadevergoeding tot inzet heeft, behelst de veroordeling een beslissing over het bestaan en de omvang van die aansprakelijkheid. Beide, zowel het bestaan als de omvang van de aansprakelijkheid, zijn geschilpunten betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen. In dit licht bezien kan naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat in de deelgeschilbeschikking een veroordeling is opgenomen niet, althans vaak niet, los worden gezien van een beslissing over de materiële rechtsverhouding. Bij uitstek een veroordeling zal immers vaak gebaseerd zijn op een beslissing over het bestaan en de omvang van de aansprakelijkheid. Dit betekent dat voor de beoordeling van de mate waarin de bodemrechter gebonden is aan een deelgeschilbeslissing in grote mate betekenis toekomt aan de inhoud en de strekking van het verzoek, de inhoud van de beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Bij de uitleg van de deelgeschilbeslissing speelt tevens een rol dat de wetgever met de deelgeschilprocedure heeft beoogd om partijen een betrouwbaar houvast te geven in een geschil dat de buitengerechtelijke afdoening van hun conflict in de weg staat, en dat dat oogmerk verloren zou gaan indien de beslissing in het deelgeschil als een kort gedinguitspraak door de bodemrechter terzijde geschoven zou kunnen worden. Juist omdat het deelgeschil de buitengerechtelijke afdoening van het geschil partijen in de weg staat en de beslissing dus niet zelden richtinggevend zal zijn voor de buitengerechtelijke afdoening van het geschil, dient de beslissing zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de feitelijke en juridische werkelijkheid en zo min mogelijk een voorlopig karakter te dragen.”

Met dit citaat maakt de Rechtbank Utrecht, voor zover dit al niet uit de wettekst bleek, duidelijk dat de mogelijk-heden om een deelgeschilbeslissing aan te vechten (uiterst) beperkt zijn. De rechtbank komt vervolgens aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van het -ziekenhuis toe. Uit het vonnis volgt dat de rechtbank zich daarbij in grote mate gebonden acht aan de eerder gegeven deelgeschilbeslissing, en slechts op een enkel punt daarop terugkomt.

De tweede uitspraak waarin het instellen van hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking aan de orde komt, is een vonnis van de Rechtbank Den Bosch van
25 juli 20126. In die zaak ging het om een deelgeschilbeschikking van 21 maart 2012, waarin het verzoek van benadeelde was toegewezen. De verzekeraar had in het deelgeschil geen verweer gevoerd. De oproep voor de mondelinge behandeling was volgens verzekeraar op een verkeerde afdeling terecht gekomen. Bij dagvaarding van 25 mei 2012 had verzekeraar benadeelde in een bodemprocedure betrokken, (kennelijk) om de deelgeschilbeslissing aan de orde te stellen. Bij brief van 22 juni 2012 werd de rechtbank door de advocaat van verzekeraar bovendien verzocht om hoger beroep toe te staan van de beschikking van 21 maart 2012. De rechtbank overweegt: “Zoals hiervoor is overwogen, wordt de beschikking in het deelgeschil voor wat betreft de bindende kracht van de in die beschikking opgenomen beslissingen over geschilpunten die de materiële rechtsverhouding betreffen, gelijk gesteld met ((eind)beslissingen in) een tussenvonnis (art. 1019cc lid 1 Rv). Deze gelijkstelling betekent dat de rechtbank (om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan, zoals dat onder meer kenbaar is uit het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010, NJ 2010/634) tot heroverweging van een dergelijke beslissing in het deelgeschil mag overgaan indien gebleken is dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten. Het argument dat verzekeraar aanvoert ter onderbouwing van haar verzoek, de aanwezigheid van pre-existente klachten bij benadeelde , komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat verzekeraar stelt dat de beslissing in het deelgeschil omtrent de inschaling op een onjuiste feitelijke grondslag – want het bestaan van pre-existente klachten is niet onderkend – en onjuiste juridische grondslag – want het causaal verband is door die klachten verbroken – berust. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het openstellen van tussentijds appel tegen de beslissing in het deelgeschil, omdat verzekeraar in de bodemprocedure alle gelegenheid heeft om de bodemrechter ervan te overtuigen dat op dit punt aanleiding is om af te wijken van wat de rechtbank in de deelgeschil – zonder debat tussen partijen – heeft beslist.”

De rechtbank maakt hiermee duidelijk dat het instellen van hoger beroep tegen een deelgeschilbeslissing, waarin een van partijen in het geheel geen verweer heeft gevoerd, niet noodzakelijk is. In dat geval is immers sprake van een situatie, waarin in de bodemprocedure de ‘volle’ gelegenheid bestaat om de deelgeschilbeslissing als zijnde feitelijk of juridisch onjuist aan te vechten.

Met art. 1019cc lid 1 Rv heeft de wetgever duidelijk bedoeld de mogelijkheden van hoger beroep te beperken, net zoals de mogelijkheden om de rechter te doen terug-komen op een in een tussenvonnis genomen beslissing beperkt zijn. In deze zaak is het mijns inziens vrij duidelijk dat verzekeraar nog alle mogelijkheid heeft om in een bodemprocedure te betogen dat de in de deelgeschilprocedure gegeven beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust; het verweer van verzekeraar is in die deelgeschilprocedure immers überhaupt niet aan de orde gekomen. Is het echter niet zo, dat de partij die in hoger beroep gaat, of die een bodemprocedure start na afloop van een deelgeschilprocedure, altijd van oordeel is dat de beslissing van de rechter op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust? Zo zal de wetgever het niet hebben bedoeld, maar ik denk dat zo bezien het onderscheid tussen beslissingen die nog ‘ten volle’ aan de orde kunnen komen in de bodemprocedure, en beslissingen waarvoor dat niet geldt, best lastig is.

Tot slot is in het kader van hoger beroep een beschikking van het Hof Den Haag van 17 april 20127 te noemen, hoewel het in die zaak niet gaat om het instellen van hoger beroep tegen een deelgeschilbeslissing. Het ging in die zaak om het volgende. Benadeelde had drie partijen en twee aansprakelijkheidsverzekeraars in januari 2009 gedagvaard voor de kantonrechter in Rotterdam in verband met een hem overkomen arbeidsongeval. Bij eindvonnis van 17 juli 2011 had de kantonrechter aansprakelijkheid van twee partijen aangenomen en voorts geoordeeld dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van een van hen gehouden was de schade rechtstreeks aan benadeelde te vergoeden. Een van de aansprakelijk gehouden partijen en diens aansprakelijkheidsverzekeraar kwamen van dit vonnis in hoger beroep. Ook benadeelde stelde hoger beroep in. Daarnaast verzocht benadeelde het gerechtshof in deelgeschil om een beslissing te nemen met betrekking tot de schuldvraag en de drie partijen hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor de gevolgen van het arbeidsongeval. Voorts werd verzocht om te beslissen dat de twee aansprakelijkheidsverzekeraars gehouden zijn om op grond van de directe actie de schade rechtstreeks te vergoeden. Tot slot werd aanspraak ge–maakt op de juridische kosten ten bedrage van € 8.220,56 in verband met het voeren van de deelgeschilprocedure. Benadeelde voerde aan dat het deelgeschil in dit geval een adequate oplossing zou zijn om de discussie tussen partijen vlot te trekken. Zodra over de aansprakelijkheid van alle drie de partijen een oordeel zou zijn geveld, zou, aldus benadeelde, op zinvolle wijze verder gesproken kunnen worden over de schaderegeling.

Nadat het hof had geoordeeld dat het op grond van art. 1019x lid 2 Rv bevoegd was om van het geschil kennis te nemen en dat benadeelde ontvankelijk was in zijn verzoek, overweegt het dat het verzoek in essentie ziet op dezelfde vraag als aan de orde gesteld in de bodemprocedure. Het deelgeschil doorkruist daarmee het hoger beroep in de bodemprocedure: “Indien het hof in het deelgeschil een oordeel zou geven over de vorenbedoelde vraag, is dat een bindende eindbeslissing in laatste feitelijke instantie. Daaraan zou het hof derhalve in de bodemprocedures in beginsel gebonden zijn. Hierdoor zou partijen in feite de mogelijkheid worden ontnomen door middel van het indienen van principale dan wel incidentele grieven hun standpunten uiteen te zetten en hun stellingen (deugdelijk) te onderbouwen, alvorens het hof – na het indienen van de memories van antwoord – daarover een oordeel zal geven. Aldus zou het voeren van een evenwichtig ontwikkeld debat in de bodemprocedure in hoger beroep belemmerd worden, zonder dat daarvoor (in dit stadium van het geschil) een voldoende rechtens te respecteren belang aan de zijde van benadeelde bestaat.”

Waarom zou een van de partijen een deelgeschilprocedure starten als al een bodemprocedure aanhangig is? Uit het arrest volgt dat de raadsman van benadeelde ter zitting had aangegeven dat op die manier op korte termijn een mondelinge behandeling zou kunnen worden verkregen. Het hof vindt dit, naar mijn mening terecht, onvoldoende reden, temeer omdat partijen het hof om een comparitie kunnen verzoeken en “dit hof een dergelijk verzoek in -letselschadezaken in beginsel pleegt in te willigen.”

Nu het ingediende verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde, ziet het hof geen aanleiding om de kosten van benadeelde te begroten. Met dit arrest wordt duidelijk dat het weinig zinvol is om een deelgeschilprocedure te starten hangende een bodemprocedure over hetzelfde onderwerp: het deelgeschil zal vaak de bodemprocedure doorkruisen.

Het deskundigenrapport

Een belangrijke bron van deelgeschillen is het deskundigenrapport. Of het nu gaat om de benoeming van een deskundige, de medewerking van een van partijen aan een deskundigenbericht, het stellen van aanvullende vragen aan de deskundige of de gebondenheid aan een deskundigenrapport: het zijn allemaal onderwerpen die zeer regelmatig in deelgeschilprocedures voorbijkomen. In dit artikel licht ik daar één onderwerp uit: de verhouding tussen de deelgeschilprocedure en het voorlopig deskundigenbericht. Over dit onderwerp is in de afgelopen tijd een enigszins vaste lijn te ontwaren.

Verhouding deelgeschilprocedure en voorlopig deskundigenbericht

In een beschikking van de Rechtbank Middelburg 11 januari 20128 komt de verhouding tussen de deelgeschilprocedure en het voorlopig deskundigenbericht aan de orde. In een medische aansprakelijkheidszaak verzoekt benadeelde rechtbank in een deelgeschilprocedure om benoeming van een deskundige. De rechtbank gaat vrij uitvoerig in op de vraag of dit verzoek in het kader van een deelgeschilprocedure voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank wijst daarbij op de wetsgeschiedenis, die op dit punt niet uitblinkt in duidelijkheid. Zoals Chris van Dijk en ik in PIV-Bulletin 2011, 5 al opmerkten, wordt in de wetsgeschiedenis aangegeven dat het raadplegen van “vele getuigen en deskundigen” zich in het algemeen niet goed zal verdragen met de aard van de procedure, maar dat “niet uit te sluiten valt dat zoiets in bijzondere gevallen toch zinvol kan zijn”. De Rechtbank Middelburg interpreteert dit zo, dat hier gedoeld wordt op het raadplegen van getuigen en deskundigen in het kader van bewijslevering. Voorts memoreert de rechtbank dat de wetgever met de deelgeschilprocedure een aanvulling op – en geen vervanging van – reeds bestaande instrumenten, zoals het voorlopig deskundigenbericht, heeft willen bieden. De rechtbank komt tot de volgende conclusie: “De rechtbank is gelet op het karakter van de deelgeschilprocedure en mede gelet op voornoemde wetsgeschiedenis van oordeel dat het verzoek (…) buiten het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure valt.”

De rechtbank laat kostenbegroting achterwege, omdat het “niet verantwoord” was om de werkzaamheden, gemoeid met de procedure te verrichten; benadeelde had kunnen weten dat het verzoek zou worden afgewezen.

Ook de Rechtbank Den Haag9 is van oordeel dat een deskundigenonderzoek niet binnen een deelgeschilprocedure past, zij het met minder expliciete overwegingen dan die van de Rechtbank Middelburg. De Rechtbank Rotterdam10 is duidelijker: “Naar het oordeel van de rechtbank is het tegenverzoek van verzekeraar tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige geen verzoek dat voor toewijzing in het kader van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in aanmerking komt. Er bestaat voor de behandeling van een dergelijk verzoek een passend procesrechtelijk instrument in de vorm van het voorlopig deskundigenbericht (…).”

Dat het er ook maar net van kan afhangen welke rechter je treft, blijkt uit een beschikking van diezelfde rechtbank11, maar van een andere rechter. In die zaak wordt het verzoek van benadeelde om medewerking van verzekeraar te gelasten aan een verzekeringsgeneeskundig onderzoek toegewezen. De verplichting om medewerking te verlenen aan een onderzoek is wel iets anders dan het gelasten van een deskundigenonderzoek; wellicht heeft deze rechter hiermee niet beoogd af te stappen van de door zijn collega gevolgde lijn. Zo een verzoek om te bepalen dat de wederpartij medewerking dient te verlenen aan een deskundigenonderzoek wordt door de Rechtbank Amsterdam in een beschikking van 28 december 201112 overigens te weinig concreet bevonden om te worden toegewezen: naar het oordeel van de rechtbank blijft “immers onbepaald waaruit die medewerking dient te bestaan” en “wordt voorts niet voorzien in de situatie dat die medewerking alsnog uitblijft.” Hieruit blijkt dat het zinvol is om het gedane verzoek zo duidelijk mogelijk te maken.

De Rechtbank Utrecht13 overweegt over de verhouding tussen de deelgeschilprocedure en de procedure betreffende het voorlopig deskundigenbericht: “Hoewel de wetsgeschiedenis bij de artikelen 1019w Rv e.v. niet expliciet vermeldt of een verzoek tot het benoemen van deskundigen tevens in een deelgeschilprocedure kan worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat dit in beginsel buiten het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure valt. Dit kan (alleen) anders zijn indien de rechter het ten behoeve van het hem voorgelegde deelgeschil wenselijk acht (getuigen en/of) deskundigen te raadplegen teneinde dat verzoek te kunnen beoordelen, al zal de rechter dit in een voorkomend geval ook steeds moeten afwegen tegen de daarmee gepaard gaande tijd, moeite en kosten.”

Nu de procedure van het voorlopig deskundigenbericht specifiek bedoeld is voor het benoemen van deskundigen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot benoeming van een deskundige buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Daarbij wordt nog als argument genoemd, dat de verzoekschriftprocedure een eigen, van de deelgeschilprocedure afwijkende, regeling van de kosten heeft. Een duidelijke uitspraak, hoewel het naar mijn mening niet nodig was geweest om deze toch in te kleden met de woorden ‘in beginsel’.

Is de knoop nu doorgehakt en is de verhouding tussen deelgeschilprocedure en voorlopig deskundigenbericht met deze rechtspraak geheel duidelijk? Het begint er steeds meer op te lijken dat de deelgeschilprocedure niet bedoeld is om te gebruiken voor een verzoek tot benoeming van een deskundige. Voornoemde rechtspraak biedt in elk geval de nodige argumenten om verweer te voeren tegen een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht, ‘verpakt’ in een deelgeschilprocedure. Voor verzekeraars zal daarbij met name de vergoeding van de kosten, gemoeid met de procedure, een rol spelen.

Een vreemde eend in de bijt in dit rijtje van beschikkingen is een uitspraak van de Kantonrechter Arnhem14, die overweegt: “De kantonrechter is van oordeel dat op zichzelf het verzoek tot het houden van een deskundigenbericht kan worden beoordeeld in een deelgeschilprocedure. Het kan voor partijen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen dienstig zijn dat gelijktijdig met het verzoek tot het gelasten van een deskundigenbericht over een ander verzoek wordt geoordeeld, zoals in het onderhavige geval het verzoek tot het toewijzen van een nader voorschot… De kantonrechter acht het dan ook te formeel om een voldoende concreet en derhalve “beoordelingsgereed” verzoek tot het gelasten van een deskundigenbericht af te wijzen louter omdat het verzoek ook in een procedure kan worden beoordeeld.” Volgens deze kantonrechter kan een (voorlopig) deskundigenbericht dus wel in een deelgeschilprocedure worden gelast. Nu de kantonrechter bij dit oordeel meeweegt dat er ook een ander verzoek voorligt, is het onduidelijk of het verzoek tot het houden van een deskundigenbericht ook zou zijn toegewezen, indien de benadeelde uitsluitend daarom zou hebben verzocht.

Tot slot noem ik twee beschikkingen van de Rechtbank Arnhem van 25 november 201115, waarin de verhouding tussen de deelgeschilprocedure en de procedure betreffende het voorlopig deskundigenbericht in een iets ander verband aan bod komt. In een deelgeschilprocedure had benadeelde de rechtbank verzocht om te verklaren dat het in onderling overleg tot stand gekomen deskundigenrapport bindend was tussen partijen, alsmede dat een aanvullende expertise zou worden verricht door een andere arts (dr. X). De rechtbank wijst beide verzoeken toe. De rechtbank komt daarbij niet tot daadwerkelijke benoeming van de deskundige, nu partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij, in geval van toewijzing van het verzoek, de expertise verder buiten rechte zouden regelen. De verzekeraar had, naar ik aanneem gelijktijdig of kort na het indienen van het deelgeschilverzoek door benadeelde, bij dezelfde rechtbank een verzoek gedaan tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht. De verzekeraar verzocht om benoeming van dokter Y (in afwijking van de door benadeelde in de deelgeschilprocedure voorgestelde dr. X). De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de hiervoor besproken beschikking: “Dit verzoek doorkruist hetgeen in de beschikking van 25 november 2011 door de rechtbank in de deelgeschilprocedure is beslist. Tegen die achtergrond bestaat tegen het verzoek van verzekerde een zwaarwichtig bezwaar, zodat het dient te worden afgewezen.”

Met deze beschikking wordt (eens te meer, ik verwijs ook naar de hiervoor besproken beschikking van het Gerechtshof Den Haag) duidelijk dat het niet vaak zinvol is om hangende de ene procedure een andere aanhangig te maken16.

Reikwijdte deelgeschilprocedure en vergoeding kosten

In de vorige afleveringen van deze ‘deelgeschillenfeuilleton’ van Chris van Dijk en mij viel op dat een relatief groot aantal verzoeken afketst op art. 1019z Rv: “De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst” en/of op het rechterlijk oordeel dat geen sprake is van een deelgeschil (art. 1019w Rv). Nog altijd is het aantal verzoeken dat afstuit op een van de hiervoor genoemde artikelen vrij groot. Dit terwijl de zeer grote hoeveelheid beschikkingen over de reikwijdte van de deelgeschilprocedure naar mijn mening inmiddels wel voldoende duidelijkheid biedt – en het daarom logisch zou lijken als steeds minder verzoeken op de hiervoor genoemde artikelen afstuiten.

De dragende overweging van een beschikking van de Rechtbank Arnhem17 maakt direct duidelijk waarom de verzoeken worden afgewezen: “De rechtbank is van oordeel dat in deze aansprakelijkheidszaak, waarbij aan het ziekenhuis drie verschillende vormen van medisch verwijtbaar handelen wordt verweten, twee causaliteitsvraagstukken spelen, waarbij de waardering en duiding van een deskundigenbericht in het geding is, waarbij ten aanzien van het derde verwijt in het geheel nog geen deskundigenrapportage is opgesteld en waarbij tussen partijen in geschil is of ten aanzien van het tweede verwijt nog een nader deskundigenonderzoek is vereist, zich niet leent voor een deelgeschilprocedure.” Afwijzing volgt, maar de rechter gaat wél over tot begroting van de kosten, omdat “de mogelijkheid deelgeschillen aan de rechter voor te leggen pas (relatief) kort bestaat” en omdat “op het moment van het indienen van het verzoek nog onvoldoende in de rechtspraak was uitgekristalliseerd onder welke omstandigheden en in welke gevallen met (voldoende) kans van slagen een deelgeschil kan worden ingesteld.”

In PIV-Bulletin 2012, 1 gaf ik al aan dat de rechter naar mijn mening best wat kritischer mag zijn op dit punt. Als gezegd is het inmiddels aan de hand van het grote aantal beschikkingen over de reikwijdte van de deelgeschilprocedure behoorlijk duidelijk welke verzoeken wel, en welke verzoeken niet als deelgeschil kunnen worden ingediend. Juist om te stimuleren dat het instrument van de deelgeschilprocedure niet nodeloos wordt aangewend, zou de rechter terughoudender moeten zijn bij de kostenbegroting. De weg die de rechter in een beschikking als deze zou moeten volgen is wat mij betreft: niet-ontvankelijkheid, omdat er geen sprake is van een deelgeschil, en daarom geen begroting van de kosten. Een andere weg die gevolgd kan worden, is het oordeel dat de procedure volstrekt onnodig of volstrekt ten onrechte aanhangig is gemaakt, en dat er daarom geen plaats is voor kostenbegroting ex art. 1019aa Rv. Bijvoorbeeld de Rechtbank Den Haag18 en de Rechtbank Alkmaar19 passen dit in hun beschikkingen van 22 en 29 maart 2012 toe. Zie ook de beschikking van de Rechtbank Den Bosch van 11 juli 2012,20 waarin begroting van de kosten achterwege blijft omdat het verzoek ‘zodanig onvoldragen is’, dat het ‘in deze vorm onterecht is ingesteld’.

Dat het ook op een andere manier mis kan gaan met de kosten, bewijst een beschikking van de Kantonrechter Amsterdam21. Het verzoek van benadeelde om te bepalen dat haar werkgever aansprakelijk is voor door haar als gevolg van een verkeersongeval geleden schade, wordt afgewezen op inhoudelijke gronden. Het zou logisch zijn om dan op het punt van de kosten te volstaan met de overweging dat voor begroting daarvan geen aanleiding is, nu aansprakelijkheid ontbreekt. De kantonrechter veroordeelt benadeelde echter tot vergoeding van de proceskosten van de werkgever. Ik hoef denk ik niet uit te leggen waarom dit evident verkeerd is.

Afronding

In de inleiding van dit artikel gaf ik het al aan: de Wet Deelgeschilprocedure is, blijkens het aantal gepubliceerde beschikkingen, een gat in de markt gebleken. Daarbij maak ik wel, zoals in elk artikel van mijn hand over dit onderwerp, de expliciete kanttekening dat verzekeraars dit instrument nog steeds zeer weinig gebruiken. Dat is, zo herhaal ik nog maar eens, jammer: ook verzekeraars kunnen de deelgeschilprocedure immers aangrijpen om langdurige schaderegelingtrajecten vlot te trekken en dossier definitief af te ronden.. De terughoudendheid van verzekeraars is wellicht terug te voeren op de gedachte, dat procederen voor de benadeelde een (extra) belasting betekent. Het starten van een deelgeschilprocedure door verzekeraars zal door de benadeelde – die er kennelijk zelf voor kiest geen procedure te beginnen – wellicht niet in dank worden afgenomen. Mogelijk ook de kostenregeling van art. 1019aa Rv een rol. Ook langdurige buitengerechtelijke trajecten kosten echter geld, zo zou ik daar tegenover willen stellen.

Uit de in dit artikel besproken beschikkingen volgt, dat de afbakening tussen de deelgeschilprocedure en het voorlopig deskundigenbericht duidelijker is geworden; een deelgeschilprocedure leent zich (althans, haast ik mij in navolging van de voorzichtig formulerende rechters te zeggen, ‘in beginsel’) niet voor het benoemen van een deskundige. Daarvoor is de procedure betreffende het voorlopig deskundigenbericht bedoeld. Verder blijkt uit de (beperkte) rechtspraak over hoger beroep en de gebondenheid aan de deelgeschilbeschikking, dat partijen het, wederom ‘in beginsel’, hebben te doen met de uitspraak van de deelgeschillenrechter; veel mogelijkheden om deze aan te vechten zijn er niet. Tot slot valt op dat de reikwijdte van de deelgeschilprocedure nog steeds niet bij alle gebruikers van dit instrument helder is. Reden voor de rechter, meen ik, om kritisch te zijn op dit punt en terughoudendheid te betrachten als het gaat om de kostenbegroting.

Biedt dit artikel een uitputtend overzicht van de deelgeschillenrechtspraak in de afgelopen periode? Dat is zeker niet het geval. Nu de teller inmiddels de 200 nadert, wordt dat bijna onmogelijk. In het volgende artikel over de deelgeschilbeschikkingen zullen Chris van Dijk en ik – naar verwachting begin 2013 – weer een aantal onderwerpen uitlichten. Wordt wederom vervolgd, dus!

1 De tot en met 12 september 2012 gepubliceerde rechtspraak op www.rechtspraak.nl en www.stichtingpiv.nl.

2 De vierde is Hof Den Bosch 10 mei 2012, LJN BW5744, die ik -verder niet inhoudelijk bespreek.

3 Rb. Utrecht 29 februari 2012, LJN BV7503.

4 LJN BQ1537.

5 HR 23 januari 2004, RvdW 2004, 20.

6 Rb. Den Bosch 25 juli 2012, LJN BX3734.

7 Hof Den Haag 17 april 2012, LJN BW4607.

8 LJN BW6490.

9 Rb. Den Haag 20 januari 2012, LJN BV6894.

10 Rb. Rotterdam 1 februari 2012, LJN BV2505.

11 Rb. Rotterdam 7 februari 2012, LJN BV3066.

12 Rb. Amsterdam 28 december 2011, LJN BV6198.

13 Rb. Utrecht 28 maart 2012, LJN BX5660.

14 Rb. Arnhem, sector kanton 14 juni 2012, www.stichitngpiv.nl.

15 LJN BV 0279 en BV0282.

16 Zie bijv. ook Rb. Arnhem 26 juni 2009, LJN BB4425.

17 Rb. Arnhem 25 november 2011, LJN BV0285.

18 Rb. Den Haag 22 maart 2012, LJN BW0695.

19 Rb. Alkmaar 29 maart 2012, LJN BW0460.

20 Rb. Den Bosch 11 juli 2012, LJN BX7216.

21 Rb. Amsterdam, sector kanton 30 maart 2012, LJN BW3642.


Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey