Rb, deelgeschil: verzekeringsgeneeskundig onderzoek toegewezen, verzoek om arbeidsdeskundige begeleiding te voorbarig en afgewezen

Samenvatting:

1. Bezwaar tegen persoon van verzekeringsgeneeskundig is niet onderbouwd door verzekeraar. Het verzoek tot meewerken door verzekeraar aan verzekeringsgeneeskundig toegewezen. 2. De rechtbank acht het verzoek van verzoeker om een arbeidsdeskundige in te schakelen voor begeleiding bij zijn re-integratie en het vinden van passend werk te voorbarig; verzoek afgewezen. In De rechtbank heeft in het eerdere deelgeschil zes uur aan re-integratiebegeleiding door een arbeidsdeskundige toegewezen. Verzoeker verliest uit het oog dat vergoeding heeft plaatsgevonden, terwijl nog geen medisch onderzoek is verricht door een verzekeringsgeneeskundige. Een gerichte arbeidskundige begeleiding voor meer uren is pas zinvol als een medisch deskundige heeft beoordeeld in hoeverre verzoeker als gevolg van het ongeval beperkt is om zijn werk (volledig) te doen. De arbeidsdeskundige moet zich in dat geval dus baseren op de door verzoeker geuite beperkingen zonder dat deze objectief medisch zijn vastgesteld. 3. Aanvullend voorschot van € 35.000,- toegewezen.

 

ECLI:NL:RBNHO:2021:8976, Rechtbank Noord-Holland, C/15/318904 / HA RK 21-153 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:RBNHO:2021:8976

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

15-10-2021

Datum publicatie

22-10-2021

Zaaknummer

C/15/318904 / HA RK 21-153

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Toewijzing verzoek tot meewerken verzekeraar aan verzekeringsgeneeskundig onderzoek en tot aanvullende bevoorschotting. Geen verplichting tot meewerken aan inschakeling van arbeidsdeskundige voor aanvullende begeleiding bij re-integratie en het vinden van passend werk. Opgevoerde kosten deelgeschil acht de rechtbank bovenmatig. Matiging.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

 

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rekestnummer: C/15/318904 / HA RK 21-153

 

Beschikking van 15 oktober 2021 (bij vervroeging)

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. J.R. Wildeboer te Hoofddorp,

 

en

 

de vennootschap naar buitenlands recht

 

AIG EUROPE S.A.,

mede handelend onder de naam AIG EUROPE S.A. (Netherlands Branch),

kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

 

verweerster,

 

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

 

Partijen worden hierna [verzoeker] en AIG genoemd.

 

 

De zaak in het kort

 

In dit deelgeschil worden diverse verzoeken gedaan door een slachtoffer van een verkeersongeval, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer wil dat de verzekeraar van (de bestuurder van) de auto die het ongeval heeft veroorzaakt, meewerkt aan een deskundigenonderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een aanvullend voorschot verstrekt op een vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank wijst deze verzoeken toe. De verzekeraar zal niet worden verplicht (opnieuw) mee te werken aan de inschakeling van een arbeidsdeskundige. Dat verzoek van het slachtoffer wijst de rechtbank af. Het aantal opgevoerde uren dat de advocaat van het slachtoffer aan de zaak stelt te hebben besteed, vindt de rechtbank bovenmatig. De kosten van het deelgeschil worden daarom gematigd.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift met producties 1-31;

 

– het verweerschrift met producties 1-11;

 

– een akte houdende overlegging producties met producties 32-36 van [verzoeker] ;

 

– een akte houdende overlegging nadere producties met producties 12-13 van AIG;

– de mondelinge behandeling op 30 september 2021, waar zijn verschenen [verzoeker] , vergezeld door mr. Wildeboer, en namens AIG mr. Van Wanrooij, schadebehandelaar, vergezeld door mr. Kragt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Wildeboer en Kragt hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken.

 

2De feiten

2.1.

Op 27 mei 2018 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een verkeersongeval doordat een bij AIG verzekerde automobilist zijn voertuig niet tijdig tot stilstand bracht. Daardoor is de automobilist van achteren op de stilstaande driewielige motor (trike) van [verzoeker] gebotst.

 

2.2.

AIG heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend.

 

2.3.

Voorafgaand aan het ongeval was [verzoeker] werkzaam als personal (kickboks)trainer. Hij voerde deze werkzaamheden uit als zelfstandig ondernemer en had geen arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Daarnaast stond [verzoeker] bekend als professioneel wedstrijdvechter/kickbokser en heeft hij tot oktober 2013 meerdere wedstrijden gevochten.

 

2.4.

Tussen partijen heeft een kort geding procedure plaatsgevonden. Bij vonnis van 16 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:284, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank AIG geboden het in haar opdracht ingestelde persoonlijk onderzoek met onmiddellijke ingang te staken. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter AIG veroordeeld bij wege van een voorschot op een vast te stellen schadevergoeding met ingang van 1 november 2019 tot en met 1 juni 2020 maandelijks aan [verzoeker] een bedrag van € 3.235,00 te voldoen.

 

2.5.

Bij beschikking van 21 januari 2020 heeft deze rechtbank op verzoek van [verzoeker] een deskundigenonderzoek door neuroloog J.J.A. Hagemans (hierna: Hagemans) bevolen. Hagemans heeft zijn rapport uitgebracht op 16 september 2020.

 

2.6.

Bij beschikking van 11 maart 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:2270, heeft deze rechtbank in een deelgeschil bepaald dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker] , voor zover die betrekking hebben op de rug, de heup/bil rechts meer dan links en het rechterbeen meer dan in het linkerbeen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat AIG moet meewerken aan de inschakeling van arbeidsdeskundige Eshuis (Heling & Partners) ter begeleiding van [verzoeker] bij zijn re-integratie voor de duur van maximaal zes uur. Verder heeft de rechtbank bepaald dat AIG aan [verzoeker] een aanvullend voorschot van € 28.320,00 op een vast te stellen schadevergoeding moet betalen. De rechtbank heeft partijen tot slot in overweging gegeven serieus met elkaar te gaan onderhandelen over de schade van [verzoeker] .

 

2.7.

Partijen hebben na het deelgeschil geen minnelijke regeling kunnen bereiken.

 

2.8.

AIG heeft tot nu toe een bedrag van € 119.610,00 aan voorschotten betaald aan [verzoeker] .

 

3Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank, samengevat, om bij beschikking:

 

  1. te bepalen dat AIG in het minnelijk traject medewerking moet verlenen aan een deskundigenonderzoek door verzekeringsgeneeskundige dr. L.J.R.M. Buisman (hierna: Buisman) conform de als productie 27 overgelegde aanbiedingsbrief;

 

  1. te bepalen dat AIG in het minnelijk traject (opnieuw) medewerking moet verlenen aan de inschakeling van arbeidsdeskundige Vruggink (Heling & Partners) ter verdere begeleiding van [verzoeker] bij zijn re-integratie en het vinden van passend werk;

 

III. te bepalen dat AIG aan [verzoeker] , bij wege van een voorschot op een vast te stellen schadevergoeding, per juli 2021 voor de verdere duur van de schaderegeling maandelijks een bedrag van € 3.235,00 moet voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag ineens, dan wel een periodiek bedrag over een door de rechtbank te bepalen periode;

 

  1. de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van € 8.004,15 en om AIG te veroordelen om dit bedrag, vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht, aan [verzoeker] te voldoen.

 

3.2.

AIG voert verweer.

 

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4De beoordeling

Verzoek meewerken aan verzekeringsgeneeskundig onderzoek

4.1. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat een verzekeringsgeneeskundige expertise nodig is om duidelijkheid te krijgen over de belastbaarheid en de (ernst van de) beperkingen die hij door het ongeval ondervindt. [verzoeker] heeft voorgesteld het deskundigenonderzoek te laten verrichten door Buisman. Volgens [verzoeker] moet, kort samengevat, aan Buisman worden gevraagd om i) de beperkingen in kaart te brengen, waaronder ook de plausibele subjectieve klachten, ii) een Functionele Mogelijkheden Lijst op te stellen en iii) het – zo nodig – uit (laten) voeren van een duurbelastbaarheidsonderzoek, één en ander op basis van de in punt 5.14. in het verzoekschrift genoemde informatie. [verzoeker] verwijst voor de vraagstelling naar de als productie 27 bij het verzoekschrift overgelegde concept-aanbiedingsbrief.

 

4.2.

AIG verzet zich niet tegen inwilliging van het verzoek, maar kan niet instemmen met door [verzoeker] voorgestelde verzekeringsgeneeskundige Buisman en ook niet met de door [verzoeker] voorgestelde vraagstelling.

 

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak voortkomend uit deelgeschillen de conclusie kan worden getrokken dat enkel het bevel tot medewerking aan een deskundigenonderzoek in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. Indien het de bedoeling is dat een deskundige wordt benoemd, moet de procedure op grond van artikel 202 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in gang worden gezet.

 

4.4.

De minnelijke regeling van de schade is in deze zaak (onder meer) stuk gelopen op de persoon van de verzekeringsgeneeskundige en de vraagstelling. [verzoeker] verzoekt niet om de benoeming van een deskundige, maar zijn verzoek is erop gericht AIG te laten meewerken aan een expertise door Buisman en aan hem de voorgestelde vraagstelling voor te leggen. De rechtbank is van oordeel dat een beslissing op dit verzoek een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarmee valt het verzoek van [verzoeker] onder het bereik van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade van artikel 1019w Rv.

 

Persoon van de deskundige

4.5. Het verzoek tot het verlenen van medewerking van AIG aan een verzekeringsgeneeskundig onderzoek kan als onweersproken worden toegewezen. AIG voert als bezwaar aan tegen de door [verzoeker] voorgestelde deskundige Buisman dat deze deskundige dusdanig onduidelijk rapporteert dat in de praktijk problemen ontstaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. AIG heeft zijn bezwaar tegen Buisman als deskundige namelijk niet onderbouwd. Bovendien heeft haar eigen medisch adviseur in zijn advies van 28 september 2021 aangegeven akkoord te zijn met inschakeling van Buisman als verzekeringsgeneeskundige. Het verzoek van [verzoeker] is daarom ook op het punt van de persoon van de deskundige toewijsbaar.

 

Vraagstelling

4.6.

De rechtbank is wel met AIG van oordeel dat de door [verzoeker] voorgestelde vraagstelling niet kan worden gevolgd. De rechtbank acht die vraagstelling te breed en te sturend. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangesloten bij de alternatieve vraagstelling die AIG als productie 13 bij de akte houdende overlegging nadere producties heeft ingediend. Productie 13 betreft een concept-brief van de medisch adviseur van AIG aan een verzekeringsgeneeskundige waarin onder meer, voor zover hier van belang, het volgende wordt voorgelegd.

 

“Om de mogelijke blijvende gevolgen vanuit het ongeval vast te stellen, verzoek ik u een onafhankelijk onderzoek te verrichten en belanghebbende daartoe op te roepen.

Ik verzoek u hierbij ook te kijken naar de beperkingen, zoals die zijn vastgesteld tijdens de expertise door drs. J.J.M. Hagemans, neuroloog d.d. 16 september 2020.

(…)

Wilt u de volgende vragen beantwoorden:

  1. Wat zijn uw bevindingen bij anamnese en onderzoek?
  2. Wat is uw diagnose?
  3. Welke beperkingen acht u aanwezig als gevolg van het ongeval? Wilt u deze beperkingen aangeven in bijgevoegd FML? Wilt u deze inhoudelijk onderbouwen en toelichten?
  4. Zouden er zonder het ongeval ook beperkingen zijn geweest? Zo ja, kunt u aangeven welke beperkingen dit zijn in een tweede FML?

(…)”

4.7. Deze vraagstelling met bijbehorende aanwijzing is neutraal geformuleerd, zodat de verzekeringsgeneeskundige alle ruimte krijgt om zijn eigen antwoord te geven over de belastbaarheid en beperkingen van [verzoeker] . Het oordeel van de rechtbank in het eerdere deelgeschil over het juridisch causaal verband staat aan deze algemene vraagstelling niet in de weg. De rechtbank zal daarom bepalen dat AIG moet meewerken aan een deskundigenonderzoek door verzekeringsgeneeskundige Buisman conform de hierboven en als productie 13 bij de akte houdende overlegging nadere producties overgelegde vraagstelling.

 

De voor te leggen informatie

4.8.

[verzoeker] stelt dat aan Buisman moet worden voorgelegd het medisch dossier, het rapport van Hagemans, de deelgeschilbeschikking van 11 maart 2021, de getuigenverklaringen van familieleden, vrienden en oud-collega’s/klanten over hun ervaringen met de klachten van [verzoeker] en de uit deze deelgeschilprocedure voortvloeiende beschikking. AIG heeft tegen het verstrekken van deze informatie geen concreet bezwaar gemaakt. AIG wil wel dat het volledige procesdossier van deze deelgeschilprocedure en het volledige (door [verzoeker] tot op heden bijgewerkte) medisch dossier aan de deskundige wordt voorgelegd. [verzoeker] heeft daartegen geen bezwaar, zo blijkt uit de spreekaantekeningen van zijn advocaat. De rechtbank zal daarom bepalen dat het deskundigenonderzoek van Buisman op basis van deze informatie moet plaatsvinden, gecombineerd met de anamnese en eigen lichamelijk onderzoek.

 

Verzoek meewerken aan inschakeling arbeidsdeskundige

 

4.9.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om AIG te verplichten mee te werken aan de inschakeling van arbeidsdeskundige Vruggink ter verdere begeleiding van [verzoeker] bij zijn re-integratie en het vinden van passend werk. Volgens [verzoeker] is het eerder toegekende urenbudget te gering gebleken om hem succesvol te re-integreren. [verzoeker] stelt dat hij recht heeft op aanvullende arbeidskundige begeleiding. Op AIG rust namelijk de verplichting tot (faciliteren van) herstel, die in deze zaak ziet op de aanvullende begeleiding door een arbeidsdeskundige, met als doel volledige benutting van zijn huidige restverdiencapaciteit.

 

4.10.

De rechtbank heeft in het eerdere deelgeschil zes uur aan re-integratiebegeleiding door een arbeidsdeskundige toegewezen. Meer uren heeft de rechtbank niet nodig geacht, omdat [verzoeker] zich deels ook zelfstandig zal kunnen oriënteren op werkzaamheden die hij zou kunnen verrichten. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] in dit deelgeschil geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waarom de rechtbank alsnog tot een urenuitbreiding voor arbeidskundige begeleiding zou moeten overgaan. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

 

4.10.1.

AIG heeft weliswaar door de vergoeding van de re-integratiebegeleiding gehandeld in overeenstemming met het uitgangspunt dat herstel voorrang heeft boven financiële compensatie, maar dat betekent nog niet dat AIG tevens verplicht is [verzoeker] (verder) te faciliteren om een passende werkplek te kunnen vinden. [verzoeker] verliest bij zijn betoog uit het oog dat vergoeding heeft plaatsgevonden, terwijl nog geen medisch onderzoek is verricht door een verzekeringsgeneeskundige. Een gerichte arbeidskundige begeleiding voor meer uren dan de rechtbank in het eerdere deelgeschil heeft toegestaan, is pas zinvol als een medisch deskundige heeft beoordeeld in hoeverre [verzoeker] als gevolg van het ongeval beperkt is om zijn werk (volledig) te doen. Op dit moment zijn er echter onvoldoende gegevens voorhanden om inzicht te krijgen wat de gevolgen zijn voor zijn (resterende) arbeidsmogelijkheden. De arbeidsdeskundige moet zich in dat geval dus baseren op de door [verzoeker] geuite beperkingen zonder dat deze objectief medisch zijn vastgesteld.

 

4.10.2.

In de gegeven omstandigheden heeft AIG zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat – alvorens haar de verplichting kan worden opgelegd om de begeleiding en de re-integratie van [verzoeker] verder te bekostigen – er meer duidelijkheid moet zijn over het belastbaarheids- en beperkingenprofiel en de vraag of het door [verzoeker] gestelde verlies aan verdienvermogen kan worden toegerekend aan het hem overkomen ongeval. De uitkomst daarvan zal [verzoeker] moeten afwachten.

 

4.10.3.

Dat [verzoeker] in de tussentijd zijn re-integratie niet deels zelfstandig ter hand kan nemen, is onvoldoende gebleken. [verzoeker] heeft niet aangevoerd dat hij hiertoe vanwege cognitieve beperkingen niet in staat is. [verzoeker] bleek de afgelopen tijd overigens via zijn eigen netwerk werk te hebben gevonden in een wasserette en later in de bezorging van orders. Ook helpt hij mee in de fysiotherapiepraktijk van zijn broer en geeft hij inmiddels (laagdrempelig) personal trainingen aan twee oud-klanten met medische problemen.

 

4.10.4.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het verzoek van [verzoeker] om een arbeidsdeskundige in te schakelen voor begeleiding bij zijn re-integratie en het vinden van passend werk te voorbarig, zolang er geen duidelijkheid is over de belastbaarheid van [verzoeker] en zijn beperkingen en verlies van verdienvermogen niet in kaart zijn gebracht. Het verzoek van [verzoeker] is bovendien te onbepaald om te kunnen worden toegewezen.

 

Aanvullend voorschot

4.11.

In het eerdere deelgeschil heeft de rechtbank een aanvullend voorschot van € 3.235,00 per maand toegewezen over de periode juli 2020 tot en met juni 2021. Daarbij is aansluiting gezocht bij het bedrag dat eerder in kort geding is toegewezen.

 

4.12.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank in dit deelgeschil wederom om een aanvullend voorschot op de door hem gestelde schade. [verzoeker] verzoekt de rechtbank te bepalen dat AIG aan hem per juli 2021 voor de verdere duur van de schaderegeling maandelijks een bedrag van € 3.235,00 moet voldoen.

 

4.13.

AIG stelt dat dit verzoek moet worden afgewezen. Het is een verzoek met een ongeclausuleerde looptijd. Het toewijzen van een dergelijk verzoek doet niet alleen afbreuk aan het voorschotkarakter, maar is ook te vaag. Bovendien kan, aldus AIG, op basis van de voorhanden zijnde informatie over de gestelde (schade)omvang niet worden vastgesteld dat [verzoeker] een vorderingsrecht heeft dat de reeds verstrekte voorschotten van in totaal € 119.610,00 overstijgt, zodat ook om die reden het verzoek tot aanvullende bevoorschotting moet worden afgewezen.

 

4.14.

De rechtbank ziet zich nog steeds gesteld voor het dilemma zoals vermeld in punt 4.14 van de beschikking in het eerdere deelgeschil. In het kader van dit deelgeschil kan niet worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre de financiële onderbouwing van de door [verzoeker] gestelde (schade)omvang toereikend is. Dat vergt meer onderzoek waarvoor een deelgeschil zich niet leent. Aan de andere kant staat vast dat een causaal verband bestaat tussen onder meer de rugklachten van [verzoeker] en het ongeval.

 

4.15.

De rechtbank acht, mede gelet op het rapport van Hagemans, aannemelijk dat [verzoeker] door zijn rugklachten in ieder geval in enige mate beperkt is in zijn mogelijkheden te werken en daardoor over enige looptijd inkomensverlies heeft geleden. Of de zwarte verdiensten als personal trainer en de inkomsten als professioneel kickbokser, die [verzoeker] stelt te hebben misgelopen, grond kunnen vormen voor toewijzing van een nader voorschot, is – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door AIG – twijfelachtig. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat de voorzieningenrechter hierover in kort geding heeft geoordeeld.1 Echter, ook al zouden deze gestelde schadeposten worden weggelaten bij de schadeberekening, voldoende is gebleken, mede op basis van wat er ter zitting is besproken, dat [verzoeker] meer schade heeft geleden dan tot op heden door AIG is bevoorschot. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat uit de stukken niet valt af te leiden dat de door AIG betaalde voorschotten op schadevergoeding (mede) zien op immateriële schade, terwijl AIG wel erkent dat toewijzing van een bedrag aan smartengeld in de rede ligt.

 

4.16.

Alles overziend acht de rechtbank toekenning van een nader voorschot van € 35.000,00 billijk. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat deze aanvullende bevoorschotting zou leiden tot overschrijding van het bedrag dat [verzoeker] mogelijk aan schade heeft geleden. De rechtbank zal daarom bepalen dat AIG € 35.000,00 aan [verzoeker] moet betalen.

De rechtbank hoopt dat met toekenning van dit bedrag ineens de (financiële) onrust en instabiliteit voor [verzoeker] en zijn gezin minder zal worden, zodat [verzoeker] zich kan focussen op zijn (fysio)therapie en terugkeer op de arbeidsmarkt.

 

Begroting kosten

4.17. [verzoeker] verzoekt de kosten van dit deelgeschil te begroten op een totaalbedrag van € 8.004,15, vermeerderd met het door hem betaalde griffierecht. Daarbij is hij uitgegaan van een tijdsbesteding van 27 uur tegen een uurtarief van € 245,00 vermeerderd met 21% btw.

 

4.18.

AIG maakt bezwaar tegen het aantal opgevoerde uren. Zij acht het redelijk het aantal uren te matigen tot 15 uur in totaal, omdat van een in letselschade gespecialiseerde advocaat zoals mr. Wildeboer mag worden verwacht dat hij aan dit aantal uren voldoende heeft voor de behandeling van dit deelgeschil. Dit te meer nu het grotendeels gaat om een herhaling van zetten ten opzichte van het eerdere deelgeschil.

 

4.19.

De rechtbank acht het aantal door [verzoeker] opgevoerde uren bovenmatig. Het verzoekschrift is zeer omvangrijk (52 pagina’s), maar bevat voor meer dan de helft een letterlijke herhaling van het verzoekschrift van het eerdere deelgeschil. In dat deelgeschil is al een totaalbedrag van € 7.707,70 begroot en toegewezen. Verder bevat het verzoekschrift omvangrijke citaten uit rapportages, literatuur en rechtspraak. Het verzoekschrift borduurt ook qua inhoud voort op het eerdere deelgeschil. Er zijn sindsdien geen noemenswaardige ontwikkelingen meer geweest, zodat van mr. Wildeboer als gespecialiseerd letselschadeadvocaat verwacht mag worden dat hij met veel minder tijd dan nu opgevoerd uit de voeten kan. De rechtbank acht het redelijk om de tijd voor dit deelgeschil te begroten op 15 uur in totaal. AIG heeft het in rekening gebrachte uurtarief van € 245,00 niet betwist. De rechtbank zal de kosten van dit deelgeschil dan ook begroten op een totaalbedrag van € 4.446,75 (= 15 uur x € 245,00 x 21%). Dit bedrag moet worden vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 309,00, zodat de kosten van dit deelgeschil in totaal € 4.755,75 bedragen. AIG zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] .

 

Hoe nu verder?

 

4.20.

De rechtbank heeft zich wel afgevraagd of het verzoek tot aanvullende bevoorschotting een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het standpunt van AIG is immers dat alle uit het ongeval voortvloeiende schade is vergoed. Daarbij is ook gebleken dat het indringende advies in het eerdere deelgeschil om serieus met elkaar te onderhandelen, niet tot enig resultaat heeft geleid.

 

4.21.

Als er na het rapport van Buisman (en een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige die het verdienvermogen in kaart brengt) geen regeling tot stand komt, is de rechtbank van oordeel dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een bodemprocedure de aangewezen weg is om het geschil tussen partijen te beslechten.

 

5De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

bepaalt dat AIG medewerking moet verlenen aan een deskundigenonderzoek door verzekeringsgeneeskundige dr. L.J.R.M. Buisman waarbij de vragen zoals weergegeven onder punt 4.6 (conform de als productie 13 bij de akte houdende overlegging nadere producties overgelegde vraagstelling), door de deskundige moeten worden beantwoord op basis van de onder punt 4.8 genoemde informatie,

 

5.2.

bepaalt dat AIG aan [verzoeker] , bij wege van een voorschot op een vast te stellen schadevergoeding, een bedrag van € 35.000,00 moet voldoen,

 

5.3.

begroot de kosten van deze deelgeschilprocedure op een bedrag van € 4.755,75 en veroordeelt AIG om dit bedrag te voldoen aan [verzoeker] ,

 

5.4.

wijst het anders of meer verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Blokland en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.2

 

1punten 4.9.3 tot en met 4.9.6 van het vonnis van 16 januari 2020

 

2type: ST coll: JB

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey