CRvB: schadevergoeding voor Dutchbatter

Samenvatting:

De Raad bepaalt – evenals de rechtbank ’s-Gravenhage eerder deed – dat de Minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht. Daarom is de minister ook verantwoordelijk voor door de Dutchbat III-militair (“Dutchbatter”) geleden schade. De Raad vindt dat de minister bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter.

(samenvatting rechtspraak.nl)  

LJN: BZ1164, Centrale Raad van Beroep , 05/6963 MAW-T + 05/7103 MAW-T + 12/953 MAW-T

Datum uitspraak:

25-03-2012

Datum publicatie:

25-03-2013

Rechtsgebied:

Ambtenarenrecht

Soort procedure:

Hoger beroep

Inhoudsindicatie:

Dubbel hoger beroep. Tussenuitspraak. De Raad bepaalt – evenals de rechtbank ’s-Gravenhage eerder deed – dat de Minister van Defensie in deze zaak niet voldeed aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht. Daarom is de minister ook verantwoordelijk voor door de Dutchbat III-militair (“Dutchbatter”) geleden schade. De Raad vindt dat de minister bij beëindiging van de missie in Zagreb en daarna niet genoeg nazorg aanbood. Daardoor kreeg de PTSS bij de militair een blijvend karakter. De minister moet binnen drie maanden een nieuw besluit nemen. De Raad zal nadat de minister dat nieuwe besluit heeft genomen daarover een oordeel geven en einduitspraak doen. De Raad is het niet met de rechtbank, maar wel met de minister eens dat bij de feitelijke uitvoering van de missie Dutchbat III de zorgplicht voldoende was. De Raad wijst er daarbij op dat – de militair voldoende opgeleid en getraind was om een militaire missie uit te voeren; – niet is gebleken dat het materieel in het begin van Dutchbat III niet voldeed aan de noodzakelijke technische eisen; – de minister niet verantwoordelijk is voor de oorlogsomstandigheden ter plaatse. De Raad is ook van oordeel dat de zorgplicht niet mag worden beoordeeld aan de hand van onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen. De aard van het militaire bedrijf verzet zich daartegen (zie ook LJN AN8521).`

 

Vindplaats(en):

Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

05/6963 MAW-T, 05/7103 MAW-T en 12/953 MAW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

 1 november 2005, 04/2983, LJN AU6006, (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

[A.te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 25 maart 2013

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. de Witte-van den Haak en mr. M. Dijkstra, beiden advocaat, en door mr. R.A. van Deele. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. G.G.J. Knoops, advocaat, en mr. P.M. Groenhart.

 

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Bij brief van 6 november 2007 is de minister verzocht een nader onderzoek in te stellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

 

Op 27 januari 2012 heeft de minister een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene heeft daartegen, onder overlegging van nadere stukken, beroepsgronden ingediend. De minister heeft hierop, ook onder inzending van nadere stukken, gereageerd. Dit besluit wordt in dit geding betrokken.

 

Op 24 januari 2013 heeft opnieuw een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. de Witte-van den Haak, mr. M. Schneider, eveneens advocaat, mr. R.A. van Deele, mr. M.H. Beumer en drs. R.P.J. Geenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. G.G.J. Knoops, mr. L. Vosman, eveneens advocaat, en mr. P.M. Groenhart. Op verzoek van betrokkene is ter zitting verschenen J.M.J.F. Offermans, psychiater, die als deskundige is gehoord. Op verzoek van betrokkene is voorts [naam getuige] als getuige gehoord. Op verzoek van de minister is ter zitting verschenen en als deskundige gehoord P.L.T. Brans, medisch adviseur.

 

OVERWEGINGEN

1.1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

 

1.2. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

 

2.1. Betrokkene, thans gewezen militair, is van januari tot en met juli 1995 als lid van Dutchbat III uitgezonden naar het voormalige Joegoslavië. Hij is daar in het kader van de UNPROFOR-vredesoperatie van de Verenigde Naties (VN) als pionier-verkenner gestationeerd in of nabij de moslimenclave Srebrenica. Begin juli 1995 is de (Bosnisch )Servische aanval op deze enclave ingezet. Op 11 juli 1995 is in de onmiddellijke nabijheid van betrokkene, terwijl deze een observatiepost bemande, een mortiergranaat ingeslagen. Na de val van de enclave is betrokkene geconfronteerd met (de gevolgen van) gruweldaden jegens de moslimbevolking, die Dutchbat niet heeft kunnen voorkomen. Bij de terugtrekking uit Srebrenica is hij ongeveer een etmaal onder bedreigende omstandigheden afgesneden geraakt van zijn bataljon. Als gevolg van deze – hier kort samengevatte – ervaringen heeft betrokkene psychische klachten ontwikkeld.

 

2.2. Na een beroepsprocedure heeft de minister het gebeurde erkend als dienstongeval in de zin van artikel 147 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Daarbij is ervan uitgegaan dat de mortierinslag bij betrokkene een acute stressstoornis heeft doen ontstaan, welke zich onder invloed van de verdere schokkende gebeurtenissen heeft ontwikkeld tot een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

 

2.3. Bij brief van 29 juni 2000 heeft betrokkene de minister verzocht om vergoeding van alle door hem ten gevolge van de uitzending geleden schade. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat voorzienbaar was dat de missie op een ramp zou uitlopen, nu sprake was van een ontoereikend mandaat en ontoereikende middelen. Doordat noodzakelijke maatregelen zijn uitgebleven, is bij hem een PTSS ontstaan, die als gevolg van het ontbreken van adequate nazorg een chronisch karakter heeft gekregen.

 

2.4. Bij besluit van 19 maart 2003, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 juni 2004 (besluit 1), heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid voor de geleden schade te erkennen en de gevraagde schadevergoeding afgewezen.

 

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht, nu niet is aangetoond dat hij heeft gedaan wat redelijkerwijs mocht worden verlangd om de veiligheid van de betrokken militairen te waarborgen. Mede op grond van de uitgebrachte onderzoeksrapporten concludeerde de rechtbank dat is nagelaten de benodigde voorzorgsmaatregelen te treffen, dat teveel is afgegaan op de inschatting van de legerleiding dat de uitzending een verantwoord risico was, dat zowel bij de bevoorrading als bij de terugtrekking te zeer is vertrouwd op de beschikbaarheid van luchtsteun en dat de ontstane "hopeloze, gevaarlijke en traumatische situatie" (rapport-Van Kemenade 1998) althans ten dele het gevolg was van het ontbreken van voldoende voorbereiding op een mogelijke aanval. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de toepasselijke aansprakelijkheidsnorm, niet van belang is of de schade ook zou zijn opgetreden indien wèl voorzorgsmaatregelen waren genomen.

 

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de erkenning als dienstongeval, staat vast dat betrokkene aanspraak kan maken op alle voorzieningen die voortvloeien uit zijn rechtspositie als militair ambtenaar, waaronder een invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging. Het gaat in dit geschil om de vergoeding van volgens betrokkene nog resterende schade, die niet door deze rechtspositionele voorzieningen wordt gedekt. Welke schadeposten concreet voor vergoeding in aanmerking komen, is thans nog niet aan de orde. Evenmin de vraag in hoeverre daarbij rekening moet worden gehouden met de inmiddels aan betrokkene toegekende ereschulduitkering ter hoogte van € 125.000,- netto.

 

Het hoger beroep van de minister

4.2.1. De minister bestrijdt de onder 3 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Hij heeft daarbij vooral gewezen op het in hoge mate politiek en volkenrechtelijk bepaalde karakter van de besluitvorming rond de UNPROFOR-missie. De politieke dimensie kan voorrang hebben boven hetgeen vanuit militair gezichtspunt wenselijk is. Met de wetenschap van nu zou de besluitvorming inzake Srebrenica anders zijn verlopen, maar dit betekent nog niet dat jegens het defensiepersoneel onrechtmatig is gehandeld, aldus de minister.

 

4.2.2. Het uitgangspunt van de rechtbank dat de hier aan de orde zijnde weigering moet worden getoetst aan de maatstaf of de minister de volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072) op de overheidswerkgever rustende zorgplicht is nagekomen, is juist. In die rechtspraak is als norm geformuleerd dat de ambtenaar – voor zover zulks niet reeds voortvloeit uit de van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften – recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

 

4.2.3. Bij deze toetsing moet, anders dan de rechtbank overwoog, de aanwijzing van betrokkene voor daadwerkelijke operationele inzet in het kader van UNPROFOR als een gegeven worden beschouwd. Het opdragen van een bepaalde functie of militaire bestemming moet worden onderscheiden van het treffen van de maatregelen en voorzieningen die op grond van de zorgplicht zijn vereist voor het uitoefenen van de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. Betrokkene heeft zich, voor zover bekend, niet tegen zijn uitzending verzet. De rechtmatigheid van de missie en de politiek beleidsmatige vragen of deze verantwoord is, welk mandaat haar wordt verleend en van welke militaire middelen zij zich mag bedienen kunnen daargelaten welke rol zij spelen indien een militair de uitzending als zodanig aanvecht niet pas achteraf ter discussie worden gesteld in het kader van een verzoek om vergoeding van door de uitzending opgelopen schade.

 

4.2.4. Niet in geding is dat betrokkene – als lid van de luchtmobiele brigade – voldoende was opgeleid en getraind om in algemene zin een militaire missie, van welke aard ook, te kunnen uitvoeren. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat het aan Dutchbat ter beschikking gestelde materieel in de aanvang al niet voldeed aan de daaraan te stellen technische eisen. Dat conditie en beschikbaarheid van dit materieel gaandeweg zijn verslechterd, is toe te schrijven aan de oorlogsomstandigheden, en meer in het bijzonder aan het afsnijden van nagenoeg alle bevoorradingsmogelijkheden door de strijdende partijen, en kan niet aan de minister worden toegerekend. Dat geldt ook voor de problemen die betrokkene heeft ondervonden bij de aftocht en die zijn toe te schrijven aan de ondeugdelijke toestand waarin zijn voertuig was komen te verkeren.

 

4.2.5. Zoals eerder is overwogen (CRvB 5 juni 2003, LJN AN8521) verzet de aard van het militaire bedrijf zich ertegen dat onder oorlogsomstandigheden of in daarmee vergelijkbare situaties genomen operationele beslissingen door de rechter aan de zorgplicht worden getoetst. Daarvan uitgaande, kan niet worden geconcludeerd dat door de feitelijke uitvoering van de missie als zodanig een schending van de zorgplicht heeft plaatsgevonden. Ook hier geldt dat wandaden van de strijdende partijen, waaronder de mortieraanval op de observatiepost en de gruwelijkheden jegens de burgerbevolking, niet voor rekening van de minister kunnen worden gebracht.

 

4.2.6. De overweging van de rechtbank dat, gelet op de toepasselijke aansprakelijkheidsnorm, niet van belang is of de schade ook zou zijn opgetreden indien wèl voldoende voorzorgsmaatregelen zouden zijn genomen, wordt door de minister eveneens terecht bestreden. De onder 4.2.2 geformuleerde norm vereist dat een oorzakelijk verband kan worden aangenomen tussen de schending van de zorgplicht en de schade. Indien de rechtbank heeft bedoeld dat die norm een risicoaansprakelijkheid vestigt, getuigt dit ook van een onjuiste rechtsopvatting (CRvB 26 april 2007, LJN BA4539).

 

4.2.7. Het hoger beroep van de minister treft in zoverre doel.

Het hoger beroep van betrokkene

4.3.1. De beroepsgrond van betrokkene dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn stelling dat onvoldoende nazorg is geboden, waardoor de PTSS zich heeft kunnen ontwikkelen en een chronisch karakter heeft kunnen aannemen, slaagt eveneens.

 

4.3.2. Op dit punt berust het bestreden besluit op de overweging dat, waar het de nazorg betreft, jegens betrokkene niet onrechtmatig is gehandeld. Daarmee heeft de minister, gelet op hetgeen hem door betrokkene wordt verweten, een onjuiste maatstaf aangelegd. In een situatie zoals hier aan de orde, waarin zich bij de uitoefening van de werkzaamheden een of meer incidenten hebben voorgedaan met een mogelijk traumatiserend karakter, is het bieden van nazorg één van de maatregelen die van de overheidswerkgever kunnen worden verlangd om te voorkomen dat de ambtenaar ten gevolge van zijn werkzaamheden schade lijdt. Dat nazorg pas aan de orde is nadat de daadwerkelijke uitoefening van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om het bieden ervan – waar dit is vereist – niet te rangschikken onder de op de overheidswerkgever rustende zorgplicht. Uit de door de minister genoemde rechtspraak (CRvB 9 oktober 2003, LJN AM2530) valt niet het tegendeel af te leiden. De gestelde schade tengevolge van onvoldoende nazorg moet worden beoordeeld in het kader van de op de minister als werkgever rustende zorgplicht en niet zoals in het bestreden besluit is gedaan in het kader van het al dan niet plegen van een onrechtmatige daad.

 

4.4. Het vorenstaande is voor de Raad aanleiding geweest na het eerste onderzoek ter zitting de minister te vragen de kwestie van de nazorg opnieuw te beoordelen aan de hand van het juiste criterium en, met het oog op finale geschilbeslechting met betrekking tot de nazorg, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij dit verzoek is aangegeven dat wat betreft de aard en de omvang van de nazorg in beginsel op de minister de last rust om aannemelijk te maken dat die nazorg voldoende is geweest, uitgaande van de omstandigheden van het geval en van de toenmalige stand van de wetenschap. Indien dusdanige tekortkomingen naar voren komen dat deze als een schending van de zorgplicht moeten worden aangemerkt, wordt het causaal verband met de PTSS als een gegeven beschouwd, tenzij de minister aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven.

 

4.4.1. Bij de nadere beslissing op bezwaar van 27 januari 2012 (besluit 2) heeft de minister het standpunt ingenomen dat hij heeft voldaan aan de plicht tot nazorg. Daarbij is uitvoerig ingegaan op het ten tijde van de uitzending(en) naar Srebrenica van toepassing zijnde beleid met betrekking tot nazorgactiviteiten, het aanvullend beleid ten behoeve van Dutchbat III-militairen en de wijze waarop dit beleid op betrokkene is toegepast. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat indien er sprake zou zijn van gebrekkige nazorg, betrokkene zijn PTSS niet aan dit gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven.

 

4.4.2. Betrokkene bestrijdt dit oordeel van de minister. Volgens hem is de door de minister geboden nazorg volstrekt onvoldoende geweest. Dit geldt zowel voor de nazorg in Srebrenica, tijdens de opvang in Zagreb, bij terugkeer in Assen en gedurende de jaren daarna.

 

4.5. Het algemene beleid van de minister ten aanzien van de psychologische ondersteuning bij uitzendingen is beschreven in het handboek Psychologische ondersteuning bij operationeel optreden (1992). In dit handboek wordt de zorg voorafgaand, tijdens en na de uitzending beschreven. De maatregelen hebben als doel het individueel en/of groepsdisfunctioneren ten gevolge van gevechtsstress te voorkomen of te verminderen. Dit beleid was ten tijde van de uitzending naar Srebrenica van Dutchbat III van toepassing. In 1994 is een beleidskader vastgesteld, met daarin de hoofdlijnen van personeelszorg voor, tijdens en na de uitzending en na dienstverlating. Uit de Nazorgbrief van 1996 (Kamerstukken Tweede Kamer, 1996-1997, 25.000 X, nr. 18) blijkt van een op het individu toegesneden adaptatieprogramma, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en praktische – internationaal opgedane – ervaring. Nadien is het veteranenbeleid ontwikkeld, zoals thans neergelegd in de Veteranenwet.

 

4.5.1. In concreto voorzag het algemene nazorgbeleid in de volgende standaard activiteiten:

 a) psychologische einddebriefing. Kort voor het einde van de uitzending vond met de militair (individueel of groepsgewijs) een psychologische einddebriefing plaats onder leiding van een psycholoog van de Afdeling individuele hulpverlening (AIH). Dit gesprek was onder meer bedoeld om de koudwatervrees van militairen om hulp te zoeken bij psychische problemen te verminderen.

 b) aan de militairen werd de brochure “Terugkeer en thuiskomst” verzonden. In deze folder staan diverse telefoonnummers van dienstverleners en wordt aandacht besteed aan spanningsklachten.

 c) acht weken na thuiskomst vond groepsgewijs een re-integratiegesprek plaats onder leiding van de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD). Doel is na te gaan hoe de militair zich heeft aangepast aan de normale thuissituatie. Het gesprek kon leiden tot psychosociale begeleiding van de militair of zijn relaties.

 d) eventuele behandeling of begeleiding door hulpverleners.

e) het houden van reünies en het toekennen van onderscheidingen.

4.5.2. Ten aanzien van Dutchbat III is voorts nog voorzien in aanvullend beleid:

 f) nazorg relaties. In november 1995 is een brief uitgegaan aan de relaties om de nazorgbehoefte te inventariseren. Door middel van een antwoordbrief konden relaties kenbaar maken dat zij een gesprek wensten met een psycholoog of een maatschappelijk werker of dat zij behoefte hadden aan een bijeenkomst met lotgenoten.

 g) in mei 1996 zijn vragenlijsten verzonden aan de militairen. Afhankelijk van de antwoorden is contact opgenomen met de militair en is hij eventueel doorverwezen naar een hulpverlener. Militairen die niet reageerden op de brief zijn voor de tweede maal schriftelijk of telefonisch benaderd.

 h) peletonsterugkomdagen in 1996 en 1997.

i) informatievoorziening bij het uitkomen van het NIOD-rapport “Missie zonder vrede” en tijdens de parlementaire enquête. Psychologen van de AIH waren stand-by.

 j) overige nazorg, herdenking van overleden militairen, het inrichten van een tentoonstelling en het maken van een videoband en het houden van kleinere reünies.

 

4.5.3. De minister betwist niet dat, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden waarin Dutchbat III was komen te verkeren, het niet mogelijk was het hiervoor onder 4.5.1 weergegeven standaard nazorgbeleid volledig uit te voeren. Zo heeft er niet in alle gevallen een psychologische debriefing in het uitzendgebied kunnen plaatsvinden. Ook ten aanzien van betrokkene was dit het geval. Na de mortierinslag op 11 juli 1995 nabij de observatiepost Alpha heeft betrokkene niet met een psycholoog gesproken, want die bevond zich in Potocari. De minister kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de onmogelijkheid om de debriefing in het uitzendgebied te laten plaatsvinden, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van destijds, niet als een voor zijn rekening komende tekortkoming is aan te merken. Veeleer is sprake van overmacht.

 

4.5.4. Die psychologische debriefing heeft echter, naar op grond van de stukken kan worden vastgesteld, evenmin plaatsgevonden in Zagreb, waar de militairen na de val van Srebrenica naartoe zijn gebracht. Volgens de minister is in Zagreb gekozen voor een zogenoemde “low-level”opvang, bestaande uit de aanwezigheid van hulpverleners van zowel de AIH als de MDD. Dit team van hulpverleners was beschikbaar voor wie daar behoefte aan had. Deze manier van nazorg is naar huidige opvattingen, aldus de minister, de meest geëigende. Betrokkene heeft verklaard dat hij geen behoefte had om te feesten, zoals in Zagreb gebeurde, en dat hij in verband met vermoeidheid zijn bed heeft opgezocht. De aanwezigheid van low-levelopvang was hem niet bekend. De gedingstukken, waaronder gedeelten van het NIOD-rapport, laten zien dat in Zagreb met name aandacht bestond voor de zogenoemde operationele debriefing: het feitenonderzoek in verband met de val van de enclave, de achtergelaten wapens en het lot van de moslimmannen. Daartoe werden sleutelfiguren gedebriefd. Voor gewone teruggekeerde militairen als betrokkene bestond geen gelegenheid om te worden gedebriefd, niet psychologisch en ook niet operationeel. Hoe begrijpelijk de aandacht voor de militaire en politieke implicaties van de val van Srebrenica ook is, juist nu geen debriefing in het uitzendgebied had kunnen plaatsvinden, had daarvoor in Zagreb uit een oogpunt van personeelszorg wel degelijk aanleiding moeten zijn. Geconstateerd moet worden dat de “low-level”opvang klaarblijkelijk onvoldoende was en in elk geval voor betrokkene niet kenbaar. Dat is iets anders dan dat hij de aanwezige hulp niet heeft benut, zoals de minister stelt. Na terugkeer in Nederland is, zonder dat enig gesprek met militairen als betrokkene was gevoerd, aan hen acht weken vakantieverlof verleend. Ook dat is geen zorgvuldige nazorg te noemen.

 

4.5.5. De onder 4.5.1, onder c, genoemde debriefing heeft plaatsgevonden in Assen in september 1995 en was, naar betrokkene onweersproken heeft gesteld, operationeel van aard. Dat wordt onderstreept door het feit dat die debriefing werd uitgevoerd door personeel van de Militaire Inlichtingendienst en de Koninklijke Marechaussee. Psychologische opvang is daarbij volgens betrokkene niet, althans niet actief geboden. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stellingen van betrokkene onjuist zijn, zodat daarvan uit wordt gegaan. Dat betrokkene toen ook niet om psychologische opvang heeft gevraagd, maakt dat niet wezenlijk anders. Het gaat er om of de geboden nazorg, en dus het aanbod van de minister, voldoende zorgvuldig is geweest. De nadien gehouden, meer op de persoon toegespitste, re-integratiegesprekken in oktober 1995 heeft betrokkene niet bijgewoond. Naar zijn stelling was hij daarvoor niet uitgenodigd, en overigens was betrokkene destijds wegens een operatie verhinderd om in die periode aanwezig te zijn. Hoewel de minister heeft verklaard er zeker van te zijn dat alle militairen van Dutchbat III voor een zodanig gesprek werden uitgenodigd, is hij er niet in geslaagd deze stelling van betrokkene te weerleggen. Aangezien die stelling wordt onderschreven door tientallen schriftelijke verklaringen van mede Dutchbatters en de getuige [naam getuige] gaat de Raad uit van de juistheid van die stelling. Bovendien zijn de afwezige militairen niet alsnog voor een re-integratiegesprek uitgenodigd. Een en ander brengt mee dat de minister hier wel degelijk is tekortgeschoten.

 

4.5.6. Voorts heeft betrokkene betwist door middel van de folder “Terugkeer en thuiskomst” te zijn geattendeerd op de hulpverleningsmogelijkheden. Ook heeft betrokkene gesteld de door defensie in april/mei 1996 toegezonden vragenlijst niet te hebben ontvangen en evenmin, zoals door de minister gesteld, persoonlijk of schriftelijk te zijn herinnerd aan het verzoek de vragenlijst ingevuld terug te zenden. Betrokkene heeft, zoals hiervoor al is aangegeven, enkele tientallen door mede Dutchbatters ingevulde vragenlijsten overgelegd, waaruit naar voren komt dat de door betrokkene gesignaleerde tekortkomingen in de door de minister geboden nazorg niet alleen hem troffen, maar dat ook andere militairen niet de beweerde nazorg hebben ontvangen. De minister heeft ook deze door betrokkene gesignaleerde tekortkomingen niet dan wel onvoldoende weerlegd. Zo heeft de minister niet kunnen aantonen dat de vragenlijsten aan alle ex-Dutchbat III-militairen zijn verzonden en evenmin dat er een herinnering is uitgegaan. Weliswaar is volgens de minister ongeveer een derde van de verzonden vragenlijsten retour gezonden, hetgeen een niet ongebruikelijk aantal is, maar daarmee is nog niet aangetoond dat de vragenlijst aan betrokkene is gezonden.

 

4.5.7. Samenvattend moet geconstateerd worden dat in het dossier geen enkel bewijs is te vinden waaruit blijkt dat aan betrokkene onmiddellijk na het vertrek uit Srebrenica, dan wel binnen korte tijd daarna, enige actieve nazorg is geboden. Zo is er geen psychologische debriefing verricht, terwijl evenmin gezegd kan worden dat anderszins een adequate psychologische opvang heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft betrokkene enkele bijeenkomsten bijgewoond in die periode, maar uit hetgeen betrokkene daarover heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat daarbij zodanige nazorg is aangeboden. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door de minister aangevoerd, het opdringen van hulp of behandeling niet werkt, indien iemand daar zelf niet aan toe is. De hier aan de orde zijnde nazorg behoefde niet zover te gaan dat van het opdringen van hulp of behandeling sprake was. Op duidelijke wijze ter beschikking stellen, zou voldoende zijn geweest.

 

4.6. Dat betrokkene psychische klachten aan zijn uitzending had overgehouden werd manifest toen hij na een operatie op 21 augustus 1996 een herbeleving kreeg. Betrokkene heeft toen diezelfde dag nog een gesprek gehad met een medewerker van de MDD. Naar aanleiding van een herbeleving in oktober 1996 is betrokkene door een sergeant aangeraden hulp te zoeken, hetgeen betrokkene heeft gedaan. Bij de MDD heeft hij tussen oktober 1996 en juli 1997 een tiental gesprekken gevoerd. Daarnaast is betrokkene van februari tot juni 1997 onder behandeling geweest bij de Sectie Individuele Hulpverlening (SIH). Betrokkene heeft kritiek geuit op de hem aangeboden behandeling, maar dat is onvoldoende om te constateren dat de minister hierbij heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht. Dit kan evenmin worden gezegd van de behandeling die vanaf 1999 heeft plaatsgevonden op de afdeling psychiatrie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH).

 

4.7. Dat de vanaf augustus 1996 geboden nazorg niet is tekortgeschoten, laat onverlet dat de aan betrokkene geboden nazorg in de periode onmiddellijk na de val van de enclave Srebrenica tot aan de tweede helft van 1996, niet heeft voldaan aan de normen die daaraan kunnen worden gesteld, zodat de minister heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht zoals bedoeld in de rechtspraak van de Raad. Herhaaldelijk is medisch vastgesteld dat zich in die periode PTSS heeft ontwikkeld en dat deze een chronisch karakter heeft aangenomen.

 

4.7.1. Nu sprake is van schending van de zorgplicht moet het causaal verband met de PTSS als een gegeven worden beschouwd, tenzij de minister aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven. De minister stelt zich – subsidiair – op het standpunt dat de PTSS te wijten is aan de andere stoornissen die bij betrokkene zijn vastgesteld en/of zijn weigering passende therapieën te ondergaan en/of medicatie te gebruiken.

 

4.7.2. De minister kan hierin niet worden gevolgd. Aan welke andere stoornissen de PTSS in dat geval te wijten zou zijn is in besluit 2 niet nader onderbouwd, terwijl evenmin is aangetoond dat de PTSS zich bij betrokkene, al aannemende dat hij daadwerkelijk zou hebben geweigerd therapieën te ondergaan en/of medicatie te gebruiken, anders of in het geheel niet zou hebben ontwikkeld. Ook hier rust de bewijslast op de minister. Voor zover de minister zich daarbij beroept op de rapportage van de door hem ingeschakelde psychiater

 prof. dr. R.J. van den Bosch, wordt aangetekend dat deze arts niet meer dan enkele vraagtekens heeft gesteld bij de – overigens door de minister erkende – diagnose PTSS. De medische situatie van betrokkene is in het licht van de overige aanwezige medische rapportages voldoende duidelijk, zodat de weigering van betrokkene om zich bij de voorbereiding van besluit 2 opnieuw te laten onderzoeken door een psychiater hem niet euvel valt te duiden.

 

5. De conclusies in rechtsoverweging 4.2.7 en 4.3.1 leiden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Deze zal worden bevestigd met verbetering van gronden, aangezien de rechtbank besluit 1 terecht heeft vernietigd. Het beroep van betrokkene tegen besluit 2 slaagt en dit besluit kan niet in stand blijven. De minister heeft ten onrechte geweigerd aansprakelijkheid voor de door betrokkene gestelde schade te erkennen en de gevraagde schadevergoeding op die grond afgewezen. Anders dan de minister stelt is op voorhand niet onaannemelijk dat er schade resteert.

 

Bestuurlijke lus

6. De minister zal zich alsnog inhoudelijk moeten uitlaten over het verzoek om schadevergoeding met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Er bestaat aanleiding de minister met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen over de hoogte van de schadevergoeding. Daarvoor wordt een termijn van drie maanden voldoende geacht, waarbij de Raad ervan uitgaat dat betrokkene zijn schade binnen één maand onderbouwt.

 

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de minister op om binnen drie maanden nadat deze tussenuitspraak is gedaan de gebreken in het besluit van 27 januari 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

 

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2013.

 

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) S.K. Dekker

HD

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey