Hof: smartengeld bij hoge dwarslaesie € 150.000,-, verschil met hogere smartengelden in strafzaken  

Samenvatting:

Benadeelde loopt hoge dwarslaesie op bij ongeval met racefiets. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank dat een smartengeld van € 150.000,- billijk is. Het hof volgt het standpunt van benadeelde dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op door de strafrechter toegewezen smartengeldbedragen niet. Het hof is van oordeel dat de aard van de aansprakelijkheid en de verwijtbaarheid in het onderhavige geval te zeer verschilt van de aard van aansprakelijkheid en verwijtbaarheid in strafzaken (waaronder een poging tot moord en doodslag). Daar komt bij dat de motivering over het smartengeld in strafzaken veelal beperkt is. De ontwikkelingen t.a.v. de hoogte van in het buitenland toegewezen smartengeldbedragen, leiden evenmin tot een reden om een hoger bedrag toe te kennen.

 

 

 

ECLI:NL:GHARL:2021:735

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

26-01-2021

Datum publicatie

28-01-2021

Zaaknummer

200.252.807/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Begroting smartengeld na ernstig fietsongeval.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.252.807/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6523273)

 

arrest van 26 januari 2021

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

 

in eerste aanleg: verzoekster,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. J.G. Keizer te Amersfoort,

 

tegen

 

Univé Schade N.V.,

 

gevestigd te Zwolle,

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: verweerster,

 

hierna: Univé,

 

advocaat: mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

 

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 maart 2019 hier over.

1.2

 

Het verdere verloop blijkt uit:

 

– het proces-verbaal van de op 16 oktober 2019 gehouden comparitie van partijen;

 

– de memorie van grieven met producties;

 

– de memorie van antwoord met producties;

 

– de akte uitlaten producties van [appellant] .

1.3

 

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 Samenvatting en beslissing in hoger beroep

2.1

 

In deze procedure gaat het over de begroting van smartengeld. [appellant]

 

(geboren [in] 1949) is op 17 mei 2012 een ernstig verkeersongeval overkomen. Zij nam als racefietser in een groep deel aan de Noorderrondrit toen zij moest uitwijken voor een tegemoetkomende tractorcombinatie (tractor met hooischudder). Zij is daarbij ten val gekomen, waarna de tractorcombinatie over haar lichaam is gereden. Als gevolg hiervan heeft [appellant] een hoge dwarslaesie opgelopen. Daarnaast was sprake van diverse andere breuken (van het linkerschouderblad, het borstbeen, het linkersleutelbeen en het linkermiddenhandsbeentje en diverse ribbreuken) en een klaplong. [appellant] is rolstoelafhankelijk en hulp- en zorgbehoevend geworden. Na het ongeval zijn bovendien diverse invaliderende complicaties opgetreden (o.a. spasmen in benen en romp en terugkerende problemen met de urinewegen en de stoelgang). Univé is de WAM-verzekeraar van de bij het ongeval betrokken bestuurder van de tractorcombinatie die na het ongeval was doorgereden. Univé heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2

 

[appellant] heeft de rechtbank in een deelgeschil verzocht voor recht te verklaren dat Univé gehouden is om haar een bedrag van € 200.000,- aan smartengeld te betalen. De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] afgewezen in de deelgeschilbeschikking van 18 januari 2018. Volgens de rechtbank is het door Univé reeds uitgekeerde bedrag van € 150.000,- aan smartengeld (exclusief wettelijke rente) in dit geval passend en redelijk.

2.3

Het hof zal de vordering van [appellant] hierna ook afwijzen. Dat betekent dat Univé geen aanvullende smartengeldbetaling aan [appellant] hoeft te doen, boven op het bedrag van € 150.000,- dat zij reeds heeft uitgekeerd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

 

Ontvankelijkheid

3.1

 

Het gaat hier om een hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking. In het tussenvonnis van 19 december 2018 is door de rechtbank verlof verleend tot het instellen van hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking van 18 januari 2018. Een dergelijk beroep dient bij dagvaarding te worden ingeleid1. De conclusie is dat [appellant] tijdig, op de juiste wijze en met van de rechtbank verkregen verlof tussentijds hoger beroep heeft ingesteld.

 

Omvang van het hoger beroep

3.2

 

Onder aanvoering van vijf (romeins genummerde) grieven is [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gekomen. De grieven komen neer op de klacht dat de rechtbank het aan [appellant] toekomende smartengeld ten onrechte niet heeft begroot op € 200.000,-. Het hof zal hierna eerst ingaan op de maatstaf die geldt voor de begroting van smartengeld. Daarna zal het hof de grieven beoordelen.

 

De hoogte van het smartengeld – maatstaf

3.3

 

Bij de behandeling van de grieven stelt het hof voorop dat terecht geen bezwaar is gericht tegen de maatstaf die de rechtbank in r.o. 5.2 van de deelgeschilbeschikking heeft gehanteerd voor de naar billijkheid vast te stellen omvang van het smartengeld. Deze maatstaf komt er op neer dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van het letsel (met name de aard, de ernst en de duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde), de aard van de aan de gedaagde verweten gedraging (de mate van verwijtbaarheid), de aard van de aansprakelijkheid en de mate waarin het rechtsgevoel van de benadeelde is geschokt. De rechter dient tevens te letten op wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen (met inachtneming van de sinds die uitspraken opgetreden geldontwaarding). Er mag ook gekeken worden naar wat in andere, met Nederland vergelijkbare landen aan smartengeld wordt toegekend, maar de ontwikkelingen in het buitenland zijn niet beslissend voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

 

Begroting van het smartengeld (grief I tot en met V)

3.4

 

[appellant] betoogt dat de rechtbank in de beschikking van 18 januari 2018 ten onrechte niet of in ieder geval onvoldoende acht heeft geslagen op door de strafrechter toegewezen smartengeldbedragen en andere uitspraken waarbij de veroorzaker van het letsel een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, dient bij de begroting van het smartengeld door de rechter een gevalsvergelijking te worden toegepast. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de aard van de aansprakelijkheid en de verwijtbaarheid in het onderhavige geval (verwijtbaar handelen c.q. nalaten in een verkeerssituatie) te zeer verschilt van de aard van aansprakelijkheid en verwijtbaarheid in de door [appellant] aangehaalde zaken (strafzaken, waaronder een poging tot doodslag en diefstal met excessief geweld2, een poging tot doodslag waarbij vijf keer met een revolver is geschoten3 en een poging tot moord door middel van brandstichting4, en een zaak waarin een ernstig verwijtbare medische fout is gemaakt5) om een goede vergelijking mogelijk te maken. Daar komt bij dat de motivering over het smartengeld in de strafzaken waaraan [appellant] refereert veelal beperkt is, in die zin dat niet voldoende blijkt dat en op welke wijze de strafrechter de geldende civielrechtelijke maatstaf voor de begroting van smartengeld heeft toegepast. Ook is sprake van andere verschillen tussen de zaken waarnaar [appellant] verwijst en deze zaak, waaronder met name de aard van het letsel en de leeftijd van het betrokken slachtoffer (en daarmee de veronderstelde duur van het lijden). Anders dan [appellant] meent is van een rangorde in de omstandigheden die bij de gevalsvergelijking betrokken behoren te worden in het algemeen geen sprake. [appellant] kan dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat de mate van verwijtbaarheid van de veroorzaker van het letsel en de leeftijd van het slachtoffer slechts een corrigerende dan wel een minder bepalende rol behoren te spelen en dat de meest bepalende rol is weggelegd voor de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan op het leven van het slachtoffer.

3.5

 

Wat betreft de gevalsvergelijking die de rechtbank in de beschikking van 18 januari 2018 heeft uitgevoerd, beklaagt [appellant] zich erover dat ten onrechte is aangesloten bij een aantal nummers uit de Smartengeldgids 2017 en in het bijzonder de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 20146. Als gezegd dient de rechter de vergoeding voor immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen, rekening houdend met alle omstandigheden van het specifieke geval. De bezwaren van [appellant] komen erop neer dat uitspraken in de Smartengeldgids in het verleden zijn gewezen en betrekking hebben op ongevallen die hebben plaatsgevonden in een ander tijdvak met andere maatschappelijke opvattingen over de hoogte van smartengeld en dat de toegewezen bedragen niet als maximaal toewijsbare bedragen hebben te gelden omdat niet uit te sluiten is dat de rechter een hoger bedrag zou hebben toegewezen indien dit gevorderd was. Deze bezwaren zijn juist maar worden ondervangen doordat de maatstaf voor het begroten van smartengeld voldoende ruimte biedt om naast door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toegewezen bedragen, ook rekening te houden met omstandigheden als geldontwaarding, gewijzigde maatschappelijke opvattingen over de hoogte van het smartengeld en andere specifieke omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat de rechtbank die overige omstandigheden voldoende in het oordeel over de hoogte van het toe te kennen smartengeld heeft betrokken en dat [appellant] ook in hoger beroep geen omstandigheden heeft gesteld die het hof tot een ander oordeel brengen. De uitspraken waarnaar [appellant] heeft verwezen, zijn niet dermate vergelijkbaar met het onderhavige geval dat deze een (nog) hoger bedrag aan smartengeld dan € 150.000,- rechtvaardigen.

3.6

 

De ontwikkelingen ten aanzien van de hoogte van in het buitenland toegewezen smartengeldbedragen, leiden in dit geval evenmin tot een reden om een hoger bedrag toe te kennen. [appellant] heeft in dit verband verwezen naar het (in de loop der jaren gestegen) niveau van smartengeldvergoedingen in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en, aan het slot van de toelichting op grief III, België. Ook heeft zij gewezen op bedragen die in haar geval naar haar eigen inschatting in die landen zouden zijn toegewezen. De enkele stelling dat in die landen hogere bedragen aan smartengeld worden toegekend of toegekend zouden kunnen worden acht het hof echter niet voldoende om een smartengeldvergoeding van € 150.000,- in dit geval niet passend te achten. Hiervoor acht het hof van belang dat Univé gemotiveerd heeft weersproken dat Nederland ten opzichte van andere Europese landen qua toegewezen smartengeldbedragen achterblijft, terwijl ook niet gebleken is van een uitspraak in een ander land, met een vergelijkbaar systeem van smartengeldtoekenning en -begroting als in Nederland, waarin in een soortgelijk geval een veel hoger bedrag aan smartengeld is toegekend. Zoals de rechtbank in de beschikking van 18 januari 2018 terecht voorop heeft gesteld, geldt volgens vaste rechtspraak bovendien dat de rechter bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld ook mag kijken naar bedragen die rechters in het buitenland toekennen, maar dat dit één van de omstandigheden betreft die in aanmerking genomen kunnen worden. De ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen kunnen niet beslissend zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

3.7

 

[appellant] heeft tot slot nog gewezen op de invloed van het letsel op de kwaliteit van het leven van haar echtgenoot, kinderen en kleinkinderen. Het leed van haar naasten heeft een enorme beperking op haar huwelijks- en familieleven. [appellant] trekt zich dit leed zeer aan en meent dat deze omstandigheid eveneens bij de begroting van het haar toekomende smartengeld meegewogen dienen te worden. Het hof heeft onder meer kennisgenomen van de (als productie 1 bij memorie van grieven) uitgebreide schriftelijke verklaring van [appellant] , waarin zij op persoonlijke en zeer indringende wijze verslag heeft gedaan van de impact van het letsel op haar leven. Het hof realiseert zich dat [appellant] de regie over haar leven is kwijtgeraakt en dat haar leven volledig beheerst wordt door en in het teken staat van de dwarslaesie en de daaruit voortvloeiende beperkingen. [appellant] was een zeer vitale, sportieve en sociale vrouw en haar leven en dat van haar naasten is ingrijpend en voorgoed veranderd. Haar verdriet en behoefte aan erkenning is begrijpelijk en volledig invoelbaar, zij het niet anders dan in andere gevallen waarin een verkeersslachtoffer met ernstig letsel te betreuren valt. Dat de rechtbank zich, mede in het licht van artikel 8 EVRM, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de aard en ernst van het letsel, de duur en intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde of het ernstige geschokte rechtsgevoel van [appellant] , heeft het hof niet kunnen vaststellen.

3.8

 

Al met al acht het hof in deze zaak, mede rekening houdend met wat in door partijen naar voren gebrachte vergelijkbare gevallen in Nederland (en het buitenland) is toegekend, met de sinds die rechtelijke uitspraken opgetreden geldontwaarding en de gewijzigde opvattingen in Nederland over de omvang van het smartengeld, een smartengeldvergoeding van € 150.000,- billijk. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden het verzoek van [appellant] om een hoger bedrag toe te kennen afgewezen. Ook in hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvullend heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen.

4 De slotsom

4.1

 

Het hoger beroep faalt en het hof zal de vordering van [appellant] afwijzen.

4.2

 

Het hof zal [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep. Hierbij wordt overwogen dat Univé een te hoog bedrag aan griffierecht heeft voldaan (te weten € 5.382,- in plaats van € 2.020,-). Het hof zal de griffier gelasten het door Univé teveel betaalde bedrag aan griffierecht (een bedrag van

 

€ 3.362,-) aan haar te restitueren.

5 De beslissing

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Univé begroot op € 2.020,- aan griffierecht en op € 3.918,- (2 punten x tarief IV à € 1.959,-) aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

 

gelast de griffier van dit hof om aan Univé een bedrag van € 3.362,- aan teveel betaald griffierecht te restitueren;

 

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, J.H. Kuiper en I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

 

26 januari 2021.

 

1 HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689.

 

2 ECLI:NL:GHDHA:2018:532.

 

3 ECLI:NL:RBNNE:2018:4190.

 

4 ECLI:NL:RBGEL:2015:6968.

 

5 ECLI:NL:RBROT:2017:2139.

 

6 ECLI:NL:RBNHO:2014:9243.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey