PIV-Bulletin 2012-4, De zzp’er en art. 7:658 lid 4 BW: de Hoge Raad oordeelt

Samenvatting:

[…]

De zzp’er en art. 7:658 lid 4 BW: de Hoge Raad oordeelt

HR 23 maart 2012

Mevrouw mr. J. Kruijswijk Jansen
Kennedy Van der Laan Advocaten

[Foto Kruijswijk]

Sinds de invoering van art. 7:658 lid 4 BW bestaat er onduidelijkheid in de rechtspraak en literatuur over de vraag of een zzp’er op grond van art. 7:658 lid 4 BW vergoeding van zijn schade kan vorderen van degene voor wie hij werkzaamheden heeft verricht. Op 23 maart 2012 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen, waarin hij uiteenzet wanneer een zzp’er onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW kan vallen en neemt hij een deel van de in de rechtspraak bestaande onduidelijkheid over de rechtspositie van een zzp’er weg.

In het hierna volgende bespreek ik eerst wat een zzp’er is. Daarna ga ik in op de achtergrond van art. 7:658 lid 4 BW en de in de rechtspraak en literatuur spelende vraag of een zzp’er onder het toepassingsbereik daarvan valt. Tegen deze achtergrond kom ik vervolgens toe aan een bespreking van het arrest van de Hoge Raad en sluit ik af met een beschouwing.

[Kopje]De zzp’er

Met een zzp’er wordt een ‘zelfstandige zonder personeel’ bedoeld. Het gaat hier om een zelfstandig ondernemer die geen personeel in dienst heeft en die doorgaans vanuit een eenmanszaak opereert[1]. De term ‘zzp’er’ is geen juridische. De wet kent het begrip niet.

Een zzp’er verricht in algemene zin werkzaamheden in opdracht van zijn opdrachtgever. De positie van een zzp’er verschilt daarbij van die van een werknemer die werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst verricht. Zo zijn de WW en WIA niet van toepassing, komt een zzp’er geen aanspraken uit hoofde van een cao toe en valt de zzp’er niet onder het ontslagrecht. Voor een opdrachtgever is het inschakelen van een zzp’er hierdoor vaak voordeliger <s>is</s> dan wanneer voor dezelfde werkzaamheden een werknemer zou worden aangesteld. Bovendien biedt het inschakelen van zzp’ers voor een opdrachtgever flexibiliteit.

Ook voor de zzp’er zelf kleven er voordelen aan het zelfstandig ondernemerschap. Hij geniet ondernemersvrijheid en kan zijn bedrijfsvoering inrichten zoals hij wil. Daar komt bij dat zzp’ers, indien zij als ondernemer kunnen worden aangemerkt, profiteren van gunstige fiscale tarieven[2]. Daar staat echter tegenover dat zzp’ers op eigen risico werken. Zoals hiervoor werd genoemd, valt een zzp’er niet onder de WW en WIA. Raakt een zzp’er zijn opdrachten kwijt, dan zal hij uiteindelijk zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Voor ziekte en arbeidsongeschiktheid dient een zzp’er zelf een (particuliere) arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten[3].

Een zzp’er is er in vele soorten en op vele werkterreinen. Zzp’ers zijn onder meer te vinden in de bouw, advies- en dienstverlening, zorg, kinderopvang, post- en administratieve sector.

[Kopje]Achtergrond art. 7:658 lid 4 BW

Het beschermingsbereik van art. 7:658 BW is bij de inwerkingtreding van de Wet flexibiliteit en zekerheid in 1999 uitgebreid door toevoeging van lid 4. Art. 7:658 lid 4 BW bepaalt: “Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.”

In de wetsgeschiedenis en rechtspraak is uitgemaakt dat de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW ziet op werknemers die door hun werkgever bij een derde worden tewerkgesteld, zoals bij uitzendarbeid, uitlening en aanneming van werk[4]. De bescherming van lid 4 ziet daarnaast ook op degene die niet op basis van een arbeidsovereenkomst maar op basis van een andere overeenkomst arbeid verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van een ander. Voor deze laatste situatie hadden de wetgeschiedenis en de rechtspraak vooral oog op stagiairs en vrijwilligers[5]. In de literatuur is in dit verband ook wel opgemerkt dat lid 4 van art. 7:658 BW bedoeld is ter bescherming van ‘werkenden’ met wie de inlener weliswaar zelf geen arbeidsovereenkomst heeft gesloten, maar wel in feitelijke zin een arbeidsrelatie onderhoudt[6].

Gelet op het hiervoor genoemde toepassingsbereik, rees tot voor kort de vraag of een zelfstandige ook binnen de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW valt. Dit ligt niet meteen voor de hand. Zo is een zzp’er geen werknemer en kan er daarom geen sprake zijn van tewerkstelling van een werknemer bij een derde. Hoewel de zzp’er doorgaans op basis van een overeenkomst zijn werkzaamheden voor zijn opdrachtgever verricht, lijkt hij niet zomaar op één lijn gesteld te kunnen worden met een stagiair of een vrijwilliger. Niet alleen staat de zzp’er met de beloning die hij voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden ontvangt in een andere afhankelijkheidsrelatie tot zijn opdrachtgever dan een stagiair of vrijwilliger, die hooguit tegen een onkostenvergoeding werkzaamheden verrichten. Maar het doel om een zzp’er in te schakelen is ook anders dan wanneer het om een stagiair of vrijwilliger gaat. Een zzp’er wordt doorgaans als deskundige of vakman ingeschakeld voor het verrichten van specifieke werkzaamheden. Een zzp’er neemt hiermee vaak een onafhankelijke positie in ten opzichte van zijn opdrachtgever, terwijl een stagiair en vrijwilliger doorgaans juist in een duidelijk ondergeschikte en afhankelijke positie tot hun stagebedrijf of organisatie staan.

De ene zzp’er is echter de andere niet. Hiervoor werd al genoemd dat zzp’ers er in vele soorten en op vele terreinen zijn. Daarbij geldt dat per type zzp’er de voordelen en risico’s anders liggen. Zo zal een zzp’er in de bouw gemakkelijker een arbeidsongeval met ernstige gevolgen overkomen, dan een financieel adviseur. De zelfstandige interim-manager zal een veel hoger uurloon kunnen bedingen dan een zelfstandige kapper of gastouder. Voor elk type zzp’ers geldt dat zij in geval van een arbeidsongeval geen aanspraak kunnen maken op een werknemersverzekering. Zzp’ers dienen zich voor de risico’s van arbeidsongeschiktheid zelf te verzekeren. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering is echter vaak kostbaar, terwijl de dekking zeer specifiek is. Mede gelet op de onderlinge beloningsverschillen tussen de diverse types zzp’er bevreemdt het dan ook niet dat zzp’ers niet altijd – sterker nog, slechts in de helft van de gevallen – over een behoorlijke verzekering tegen de gevolgen van arbeidsongevallen beschikken[7].

Tegen deze achtergrond is de vraag of een zzp’er zich op art. 7:658 lid 4 BW kan beroepen, voor een zzp’er van belang. Art. 7:658 BW brengt namelijk ten opzichte van andere aansprakelijkheidsgrondslagen – zoals art. 6:162 BW – het processuele voordeel mee dat de bewijslast van het schenden van een zorgplicht rust op de aangesproken partij <s>rust</s> en <s>dat</s> met eventuele eigen schuld geen rekening wordt gehouden, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daar staat tegenover het belang van de opdrachtgever, die vaak een zzp’er inschakelt om daar de werkzaamheden volledig aan uit te besteden en niet om (toch) een arbeidsverhouding aan te gaan[8] .In de rechtspraak is diverse malen de vraag opgeworpen of een zzp’er op grond van lid 4 zijn schade kan verhalen op zijn opdrachtgever. De uitkomst van die procedures levert een wisselend beeld op. Hieronder doe ik een korte – niet-uitputtende – greep uit de diverse uitspraken op dit terrein.

Zo oordeelde de Rechtbank Rotterdam in haar vonnis van 4 februari 2009 dat een zelfstandig agrarische loonwerker, die op basis van een (rechtstreekse) overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor zijn opdrachtgever verrichtte, niet onder de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW valt[9]. De Rechtbank Zwolle oordeelde in een ouder vonnis dat voor deze situatie, waarin sprake is van een rechtstreekse opdrachtovereenkomst, art. 7:406 BW een specifieke schadevergoedingsregeling biedt en art. 7:658 lid 4 BW niet hiervoor is geschreven[10].
Hier staat tegenover het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Bosch van 9 juli 2007, waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat een zzp’er een vordering op grond van art. 7:658 lid 4 BW tegen zowel de zzp’er door wie hij is ingehuurd als diens opdrachtgever, de hoofdaannemer van het bouwproject, op grond van art. 7:658 lid 4 kan instellen[11]. Dat de zzp’er geen werknemer is, staat niet aan toepassing van art. 7:658 lid 4 BW in de weg. Het Hof Den Bosch oordeelde in zijn arrest van 2 november 2010 dat ook de situatie dat een zzp’er door zijn opdrachtgever wordt tewerkgesteld bij een derde, de zzp’er de mogelijkheid geeft om op grond van art. 7:658 lid 4 BW deze derde aan te spreken.

In het afgelopen jaar sprongen de arresten van het Hof Amsterdam van 22 februari 2011 in het oog[12]. Deze zien op hetzelfde feitencomplex, waarbij een zzp’er door een andere zzp’er was ingeschakeld om lijmwerkzaamheden te verrichten op een bouwproject van 37 nieuwbouwwoningen. De zzp’er sprak in de procedure naast zijn opdrachtgever (de andere zzp’er) zowel de aannemer als de hoofdaannemer aan op grond van art. 7:658 lid 4 BW. In deze arresten oordeelde het hof: “Geïntimeerde [de zzp’er; JKJ] kan naar de letter van de tekst als “een persoon” als genoemd in de eerste zinsnede van artikel 7:658 lid 4 BW worden beschouwd. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of in dit geval artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing is, is echter vereist a. dat de (door geïntimeerde) verrichte werkzaamheden vallen onder de normale bedrijfsuitoefening van X en b. of sprake was van enige gezagsverhouding tussen X en geïntimeerde in die zin dat X zeggenschap had over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden door geïntimeerde.”[13].

Maar ook met deze arresten bleef in de rechtspraak nog de nodige onduidelijkheid bestaan over het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW. Hiervan getuigt het vonnis van de Rechtbank Den Bosch van 13 juli 2011, waarin de rechtbank oordeelde dat de jurisprudentie van art. 7:658 lid 4 BW niet eenduidig is, vooral nu niet vaststaat of dit artikel zo ruim moet worden uitgelegd dat niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen hieraan aanspraken kunnen ontlenen[14]. Kortom, voor de rechtspraktijk was een oordeel van de Hoge Raad gewenst.

[Kopje]Wat zegt de Hoge Raad

In het arrest van 23 maart 2012 buigt de Hoge Raad zich (eindelijk) over de vraag of een zzp’er de bescherming van lid 4 van art. 7:658 BW kan genieten. In deze zaak is het volgende het geval. X dreef een eenmanszaak waarmee hij in opdracht van derden onder meer staalconstructies en machines vervaardigde en machines repareerde. X heeft eind 2004 tot en met begin 2005 in opdracht van Allspan Barneveld B.V. (hierna Allspan) reparatiewerkzaamheden verricht aan een vezelverwerkingsmachine bij een aan Allspan gelieerde vennootschap, te weten N.V. Royalspan (hierna Royalspan). X verrichtte de reparatiewerkzaamheden als (onder)aannemer van Allspan. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden aan de vezelverwerkingsmachine is X op 8 februari 2005 een ernstig ongeval overkomen. X is met zijn rechterbeen in de draaiende schroef van de machine terechtgekomen. X heeft daarop Allspan op grond van art. 7:658 lid 4 BW aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade.

De rechtbank en het hof wezen de vordering van X af. Het hof overwoog daartoe dat – los van de vraag of X als zelfstandig ondernemer kan worden aangemerkt als een persoon in de zin van art. 7:658 lid 4 BW – de vordering van X niet kon slagen omdat niet was voldaan aan het vereiste dat de door X bij Royalspan verrichte werkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van het bedrijf van Allspan. Volgens het hof bestaat de bedrijfsuitoefening van Allspan uit het verwerken van resthout uit de houtindustrie tot houtkrullen en houtkorrels, waarbij van vezelverwerkingsmachines gebruik wordt gemaakt. Het verrichten van regulier onderhoudswerk aan deze machines kan nog worden aangemerkt als werkzaamheden die worden verricht in de uitoefening van het bedrijf, nu dit onderhoudswerk aan de vezelverwerkingsmachines in het verlengde ligt van de verwerking van resthout. Dat is echter niet het geval met reparatiewerkzaamheden aan deze machines. Deze werkzaamheden kunnen volgens het hof bezwaarlijk worden gerekend tot het verwerken van resthout. Daarop wijst ook de omstandigheid dat Allspan deze reparatiewerkzaamheden niet zelf verricht, maar juist uitbesteedt aan derden zoals X. Bovendien heeft X de reparatiewerkzaamheden niet aan een machine van Allspan zelf verricht, maar aan die van een derde, Royalspan.

In cassatie staan vervolgens twee vragen centraal. Allereerst komt aan de orde of X als zelfstandig ondernemer kan worden aangemerkt als “een persoon” die in de zin van art. 7:658 lid 4 BW arbeid verricht in het bedrijf van zijn opdrachtgever. Daarnaast is aan de orde of de reparatiewerkzaamheden die X aan de vezelverwerkingsmachine van Royalspan verrichtte, zijn aan te merken als werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van Allspan. Voor de beantwoording van deze vragen gaat de Hoge Raad in op de achtergrond van lid 4 van art. 7:658 BW.

[Subkopje]“Een persoon

De Hoge Raad wijst erop dat met lid 4 is beoogd om, zoals hiervoor bij de bespreking van de achtergrond van art. 7:658 lid 4 BW al ter sprake kwam, ook voor de gevallen waarin een werknemer die door zijn werkgever bij een derde wordt tewerkgesteld een grondslag voor aansprakelijkheid te bieden indien die derde tekort schiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen en de werknemer daardoor schade lijdt. De bescherming van lid 4 ziet daarnaast ook op degene die niet op basis van een arbeidsovereenkomst, maar op basis van een andere – bijvoorbeeld stage)overeenkomst – arbeid verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van een ander. De Hoge Raad verwijst naar de wetsgeschiedenis, waaruit blijkt waarom het in al deze situaties wenselijk is dat degene die arbeid laat verrichten in zijn bedrijf aansprakelijk is voor een ongeval als hij verwijtbaar tekort is geschoten in de op hem rustende verplichting om veiligheidsmaatregelen te treffen: “Achtergrond van het nieuwe lid 4 is dat de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. Met andere woorden: een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers en anderen die bij hem werkzaam zijn.[15]

Een soortgelijk citaat werd ook eerder tijdens de parlementaire behandeling van de invoering van art. 7:658 lid 4 BW genoemd, waaraan toen werd toegevoegd: “Daarom dient de aansprakelijkheid van de inlener voor bedrijfsongevallen waarbij (ook) anderen dan eigen werknemers betrokken zijn, een specifieke wettelijke grondslag te krijgen. De hiervoor gestelde bepaling biedt deze grondslag.”[16]

Volgens de Hoge Raad volgt uit deze citaten dat de wetgever heeft bedoeld om met art. 7:658 lid 4 BW: “bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Dit brengt mee dat art. 7:658 lid 4 zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk is voor degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de “werkgever", al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.”[17]

De door het hof niet beantwoorde vraag – of een zelfstandige als “een persoon” in de zin van art. 7:658 lid 4 BW kan worden aangemerkt – kan volgens de Hoge Raad wel worden beantwoord en wel aan de hand van de maatstaven uit het hiervoor aangehaalde citaat. Dit betekent voor de onderhavige zaak dat het enkele feit dat X als zelfstandige werkzaamheden als (onder)aannemer heeft verricht, op zichzelf niet aan een beroep op art. 7:658 lid 4 BW in de weg staat, aldus de Hoge Raad.

[Subkopje]Bedrijfsuitoefening

Ten aanzien van de tweede vraag, te weten of de reparatiewerkzaamheden die X in opdracht van Allspan bij Royalspan verrichtte behoren tot de bedrijfsuitoefening van Allspan, wijst de Hoge Raad op het volgende. De minister merkte tijdens de parlementaire behandeling van lid 4 van art. 7:658 BW op dat het voor werkzaamheden die een opdrachtgever in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf laat verrichten, moet gaan om: “werkzaamheden die de derde [de opdrachtgever; JKJ] in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten.[18]

In de wetsgeschiedenis worden verder geen criteria gegeven aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van werkzaamheden die tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren. De Hoge Raad oordeelt in vervolg hierop: “Aangenomen moet worden dat de reikwijdte van de bepaling niet beperkt is tot werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen. Mede gelet op het beschermingskarakter van art. 7:658 lid 4 kunnen daaronder ook andere werkzaamheden vallen, waarbij bepalend is of de verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren. Dit zal aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat het oordeel van het hof dat de reparatiewerkzaamheden van X in het algemeen niet behoren tot werkzaamheden die in het verlengde liggen van de verwerking van resthout en dat daarom geen sprake is van werkzaamheden die tot de bedrijfsuitoefening van Allspan behoren, onjuist is. De door X verrichte reparatiewerkzaamheden kunnen tot de bedrijfsuitoefening van Allspan gerekend worden indien zij, gelet op de wijze waarop Allspan invulling placht te geven aan haar bedrijf, feitelijk tot haar bedrijfsuitoefening behoren.

Ook het feit dat Allspan de reparatiewerkzaamheden juist had uitbesteed aan een derde zoals X en de werkzaamheden niet bij Allspan maar bij Royalspan werden uitgevoerd, betekent op zichzelf niet dat X deze werkzaamheden niet in de uitoefening van het bedrijf van Allspan heeft verricht. De Hoge Raad hecht in dit verband waarde aan de stellingen van X in hoger beroep dat één van de bedrijfsactiviteiten van Allspan juist bestond uit het voor derden op locatie verrichten van reparatiewerkzaamheden en dat de bestuurder van Allspan de benodigde technische kennis zelf in huis had en ook betrokken was bij de uitvoering van de reparatiewerkzaamheden van X bij Royalspan. Deze stellingen had het hof niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken, maar kunnen volgens de Hoge Raad op zichzelf de conclusie dragen dat de door X bij Royalspan verrichte werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van Allspan.

De slotsom van het arrest is dat de zaak wordt terugverwezen naar het hof, alwaar op basis van de door de Hoge Raad geschetste maatstaven zal dienen te worden beoordeeld of X als zelfstandig ondernemer aanspraak kan maken op de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW.

[Kopje]Beschouwing

De Hoge Raad maakt duidelijk dat een zzp’er onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 kan vallen. De discussie over de vraag of een zzp’er ‘een persoon’ in de zin van lid 4 kan zijn en dus aanspraak kan maken op dit artikel, is hiermee definitief beslecht. Wel blijkt uit het arrest dat een zzp’er niet zonder meer onder de bescherming van lid 4 valt. Het gaat erom of de zzp’er zich in een vergelijkbare positie met een werknemer bevindt. In een situatie, waarin de opdrachtgever de keuze heeft om ofwel een werknemer in dienst te nemen voor het uitvoeren van de werkzaamheden ofwel een zzp’er in te schakelen, dient de zzp’er dezelfde rechtsbescherming te kunnen genieten als een werknemer. Deze keuzevrijheid van de opdrachtgever mag er volgens de beschermingsgedachte namelijk niet toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de zorgplicht van de opdrachtgever voor een veilige werkomgeving.

Voor de beantwoording van de vraag of een zzp’er zich in een vergelijkbare positie met een werknemer bevindt, dient volgens de Hoge Raad per geval te worden beoordeeld of de zzp’er voor zijn veiligheid afhankelijk is van de opdrachtgever voor wie hij zijn werkzaamheden verricht. Dit wordt mede ingevuld door de feitelijke verhouding tussen de zzp’er en zijn opdrachtgever en de aard van de werkzaamheden die de zzp’er voor zijn opdrachtgever verricht. Ook de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden van de zzp’er en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s spelen bij deze beoordeling een rol[19].

Naar mijn oordeel sluit de Hoge Raad hiermee in zekere zin aan bij de arresten van het Hof Amsterdam van 22 februari 2011, waarin één van de twee vereisten om onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW te vallen, betrof het bestaan van enige gezagsverhouding tussen de zzp’er en zijn opdrachtgever in die zin dat de opdrachtgever zeggenschap heeft over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Hoewel de Hoge Raad niet specifiek een gezagsverhouding en zeggenschap noemt, maar volstaat met een in algemene bewoordingen gevat beoordelingskader, meen ik dat dit aspect wel past binnen de geest van dat beoordelingskader. Het gaat er immers om te verifiëren of een zzp’er zich voor wat betreft zijn veiligheid in een afhankelijke positie ten opzichte van zijn opdrachtgever bevindt[20]. Zeggenschap over de wijze waarop een zzp’er zijn werkzaamheden dient te verrichten lijkt een duidelijke indicatie voor een dergelijke afhankelijke positie. In die situatie dient een zzp’er immers de (eventuele) aanwijzingen en instructies van de opdrachtgever over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden moet verrichten, op te volgen en zal hij zich dus moeten scharen achter de door de opdrachtgever bepaalde (onveilige of veilige) werkwijze.

Ook in de situatie dat sprake is van een (meer) onafhankelijk opererende zzp’er, valt mijns inziens niet uit te sluiten dat deze zzp’er onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW zou kunnen vallen. Het door de Hoge Raad geschetste beoordelingskader heeft immers tot doel de vraag te beantwoorden of de zzp’er zich voor wat de betreft de zorgplicht van de opdrachtgever in een vergelijkbare positie met een werknemer bevindt. Dat een zzp’er autonoom is in het uitvoeren van zijn werkzaamheden, betekent niet zonder meer dat de opdrachtgever geen enkele invloed meer zou hebben op de omstandigheden waaronder de zzp’er zijn werkzaamheden uitvoert en daardoor in een andere positie zou verkeren dan de werknemers van de opdrachtgever. Een zzp’er kan immers zijn gehouden zijn werkzaamheden in het kantoorpand van de opdrachtgever uit te voeren of gebruik te maken van gereedschappen of hulpmiddelen van de opdrachtgever. Indien de zzp’er een ongeval overkomt dat (uitsluitend) is veroorzaakt door een onveilig pand, gebrekkige gereedschappen of hulpmiddelen, maakt het niet zo veel uit hoe autonoom de zzp’er was in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het gaat er mijns inziens om of de zzp’er zich gelet op

         de aard van het ongeval;

         de omstandigheden waaronder dat plaatsvond; en

         het soort zorgplichtschending dat in het geding is,

 in een vergelijkbare positie met werknemers bevindt[21].

Wil een zzp’er met succes zijn opdrachtgever kunnen aanspreken voor de in de uitvoering van zijn werkzaamheden opgelopen schade, dan is daarnaast vereist dat de werkzaamheden die de zzp’er heeft verricht tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren. Uit het onderhavige arrest kan worden afgeleid dat het hierbij niet alleen gaat om werkzaamheden die de zogenoemde core business van het bedrijf van de opdrachtgever betreffen. Ook daarbuiten gelegen werkzaamheden kunnen tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren. Het gaat er namelijk niet om of de door de zelfstandige verrichte werkzaamheden in het algemeen tot het bedrijf van de opdrachtgever behoren, maar of die werkzaamheden feitelijk deel uitmaken van de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever. Hoe groot het aandeel van die werkzaamheden in de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever is, lijkt niet (direct) van belang.

De Hoge Raad maakt aldus duidelijk dat de in de literatuur ook wel verdedigde objectieve benadering voor de beantwoording van de vraag of de werkzaamheden tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren, niet opgaat[22]. Volgens die benadering is bepalend of de betreffende werkzaamheden in objectieve zin tot het terrein van de opdrachtgever kunnen worden gerekend. Ook het door het Hof Amsterdam aangenomen vereiste of de werkzaamheden van de zzp’er behoren tot de ‘normale’ bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever, volgt de Hoge Raad niet[23]. De term ‘normale’ bedrijfsuitoefening doet immers verwijzen naar de bedrijfseigen werkzaamheden (core business) van de opdrachtgever. De Hoge Raad wil hier allemaal niet aan: per geval zal aan de hand van de concrete omstandigheden dienen te worden beoordeeld of de werkzaamheden feitelijk tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren, ongeacht wat haar hoofdactiviteit is.

Bij de beoordeling of de werkzaamheden feitelijk tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren, gaat het erom of de opdrachtgever de werkzaamheden die hij aan de zelfstandige heeft uitbesteed, ook door zijn eigen werknemers had kunnen laten verrichten. De Hoge Raad geeft aan dat bij deze toets de wijze waarop de opdrachtgever invulling pleegt te geven aan zijn bedrijf in ogenschouw dient te worden genomen. Mijns inziens vormen deze aspecten elkaars verlengde en zijn zij inwisselbaar. Enerzijds vormt het feit, dat een opdrachtgever bepaalde werkzaamheden ook aan eigen werknemers kan overlaten, een aspect van de wijze waarop de opdrachtgever aan zijn bedrijf invulling pleegt te geven. Anderzijds vormt de wijze, waarop de opdrachtgever aan zijn bedrijf invulling geeft, een indicatie dat de werkzaamheden ook door eigen werknemers kunnen worden verricht. Dit is wellicht precies wat de Hoge Raad bij deze beoordeling voor ogen heeft: linksom en rechtsom kan – in beginsel – worden vastgesteld of sprake is van werkzaamheden die gegeven alle omstandigheden van het geval tot de feitelijke bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren.

De toets of de werkzaamheden ook door eigen werknemers hadden kunnen worden verricht, sluit aan bij de hiervoor genoemde toets of de zzp’er zich in een met een werknemer vergelijkbare positie bevindt, die in het kader van de vraag of een zzp’er “een persoon” is in de zin van art. 7:658 lid 4 BW dient plaats te vinden. Beide toetsen komen <s>zij</s> neer op dezelfde beschermingsgedachte: de bescherming, die de eigen werknemers genieten komt – juist omdat deze hetzelfde soort werk doet onder omstandigheden die ook zouden gelden voor eigen werknemers – ook toe aan een persoon als bedoeld in lid 4,[24]. Ook hier lijkt aldus te gelden dat de keuzevrijheid die de opdrachtgever heeft om niet een werknemer maar een zzp’er in te schakelen, geen afbreuk dient te doen aan de zorgplicht van de opdrachtgever voor een veilige werkomgeving.

Tot slot wil ik erop wijzen dat het algemene oordeel van de Hoge Raad over de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW, waartoe de Hoge Raad op basis van de achtergrond en wetsgeschiedenis van dit artikellid komt, zich niet beperkt tot situaties waarin getoetst dient te worden of een zzp’er onder het toepassingbereik van lid 4 valt. Het oordeel van de Hoge Raad betreft immers een algemeen oordeel over de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW. Dit brengt mee dat het arrest ook buiten de situatie van een zzp’er toepasbaar is. In alle situaties waarin een persoon, anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in het bedrijf van zijn opdrachtgever verricht, dient aldus op basis van de hiervoor geschetste maatstaven van de Hoge Raad te worden beoordeeld of sprake is van “een persoon” in de zin van lid 4 en of die persoon werkzaamheden heeft verricht die tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren.

[Kopje]Conclusie

Met het arrest van de Hoge Raad is er meer duidelijkheid gekomen over de rechtspositie van de zzp’er die in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor zijn opdrachtgever een ongeval overkomt. Een zzp’er kan onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW vallen indien hij zich voor wat betreft de zorgplicht van de opdrachtgever in een vergelijkbare positie met een werknemer bevindt en hij aldus voor zijn veiligheid afhankelijk is van zijn opdrachtgever. In dat geval moet de zzp’er bovendien werkzaamheden voor de opdrachtgever hebben verricht die tot zijn bedrijfsuitoefening behoren. Hiervan is sprake als de werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de opdrachtgever aan zijn bedrijf invulling geeft, feitelijk tot de bedrijfsuitoefening behoren en zij ook door eigen werknemers hadden kunnen worden verricht.

Duidelijk mag echter zijn dat het arrest van de Hoge Raad niet impliceert dat een zzp’er zonder meer de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW geniet. Het hangt van alle concrete omstandigheden van het geval af of een zzp’er op één lijn gesteld kan worden met eigen werknemers en of zijn werkzaamheden deel uitmaken van de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever. Juist nu zzp’ers er in vele soorten en op vele terreinen zijn, blijven er aan hun rechtspositie onduidelijkheden kleven. Het afsluiten van een deugdelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering is mijns inziens voorlopig dan ook nog geen overbodige luxe voor een zzp’er.


[1] Volgens de SER drijft 70% van de zzp’ers een eenmanszaak en 30% opereert vanuit een VOF, maatschap of commanditaire vennootschap of ander formeel samenwerkingsverband. Zie het SER advies: Zzp’ers in beeld, 15 oktober 2010, p. 30.

[2] SER advies: Zzp’ers in beeld, 15 oktober 2010, p. 45.

[3] In de praktijk blijkt dat slechts de helft van de zzp’ers dit doet. Zie SER advies: Zzp’ers in beeld, 15 oktober 2010, p. 107.

[4] Zie voor het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW in de wetsgeschiedenis: Kamerstukken II, 1997/1998, 25 263, nr. 14, p. 6.

[5] Zie bijv. voor stagiairs Hof Arnhem 7 mei 1996, JAR 1997, 127 en voor vrijwilligers Hof Arnhem 11 januari 2005, JAR 2005, 74. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft destijds naar aanleiding van laatstgenoemd arrest aan de Tweede Kamer laten weten zich te kunnen verenigen met de uitspraak van het hof dat de zorg van de werkgever voor de veiligheid van de voor hem werkzame personen zich ook tot vrijwilligers uitstrekt (Aanhangsel van de Handelingen, 2004 – 2005, nr. 1651).

[6] H. Lebbing en A. van der Veen, “Aansprakelijkheid voor (letsel) schade van een zzp’er”, TVP 2011, 3, p. 93.

[7] SER advies: Zzp’ers in beeld, 15 oktober 2010, p. 107.

[8] Zie ook H. Lebbing en A. van der Veen, “Aansprakelijkheid voor (letsel) schade van een zzp’er”, TVP 2011, 3, p. 94/95, waarin zij wijzen op de initiële partijbedoeling van de zzp’er en zijn opdrachtgever die erop lijkt te zijn gericht de bepalingen van het arbeidsrecht te ontwijken.

[9] Rb. Rotterdam 4 februari 2009, LJN BI7365.

[10] Rb. Zwolle 28 november 2001, NJ 2002/253.

[11] Vzr. Rb. Den Bosch 9 juli 2007, LJN BA9363.

[12] Hof Amsterdam 22 februari 2011, LJN BP6637, BP6445 en BP6622.

[13] Dit oordeel is ten aanzien van alle aangesproken partijen gegeven.

[14] Rb. Den Bosch 13 juli 2011, LJN BR1652.

[15] Kamerstukken I, 1998/1999, 26 267, nr. 110b, p. 7.

[16] Kamerstukken II, 1997/1998, 25 263, nr. 14, p. 6.

[17] Slot r.o. 3.6.2 van Hoge Raad 23 maart 2012, LJN BV0616.

[18] Kamerstukken II, 1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15.

[19] Zie rechtsoverweging 3.7 en 3.6.2 van het arrest.

[20] Zie in dit verband ook A-G Hammerstein in r.o. 3.35 en 3.37 van zijn conclusie voor het arrest van Hoge Raad 23 maart 2012, LJN BV0616.

[21] Anders: K. Teuben in de bespreking van het onderhavige arrest op www.cassatieblog.nl. Zij wijst erop dat een interim-manager die zich voor een uurtarief van enkele honderden euro’s per uur laat inhuren door een bedrijf en zijn werkzaamheden daar met een hoge mate van autonomie verricht, niet zonder meer kan worden vergeleken met bijvoorbeeld een verpleegkundige die als zzp’er in een ziekenhuis werkt en zich niet onderscheidt van andere verpleegkundigen die daar in loondienst werken. Mijns inziens zal, zoals gezegd, het vooral van de aard van het ongeval, de omstandigheden waaronder dat plaatsvond en het soort zorgplichtschending dat in het geding is, afhangen of een zzp’er met andere werknemers van de opdrachtgever is te vergelijken en aldus de bescherming van art. 7:658 lid 4 BW geniet.

[22] Zie bijv. T. Hartlief, “Het bereik van de werkgeversaansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen: de betekenis van art. 7:658 lid 4´, WPNR 1999, 6379, p. 852.

[23] Hof Amsterdam 22 februari 2011, LJN BP6637, BP6445 en BP6622.

[24] Zie A-G Hammerstein in r.o. 3.34 van zijn conclusie voor het arrest van Hoge Raad 23 maart 2012, LJN BV0616.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey