PIV-Bulletin 2012-4, Is uitbreiding van art. 7:661 BW wenselijk?

Samenvatting:

[…]

Is uitbreiding van art. 7:661 BW wenselijk?

Hof Arnhem 31 januari 2012

Mevrouw mr. M. Hulstein en mevrouw mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek

Holla Advocaten

[Foto’s Hulstein en Van der Kolk]

Art. 7:661 BW bepaalt dat de werknemer – die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden – niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid. Dit artikel beperkt zich tot die situaties waarin sprake is van een arbeidsovereenkomst. Mede gezien de recente ontwikkelingen in het kader van art. 7:658 lid 4 BW – waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat de zorgplicht van de werkgever ook kan gelden voor zzp’ers en andere zelfstandigen[1] – is thans wellicht een taak weggelegd voor de wetgever om aan art. 7:661 BW een lid toe te voegen, inhoudende dat ook personen die werkzaamheden verrichten in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een ander en geen arbeidsovereenkomst hebben, bescherming dient toe te komen op grond van art. 7:661 BW. Een dergelijke uitbreiding ligt in lijn met de toelichting die de wetgever destijds heeft gegeven in het kader van art. 7:658 lid 4 BW, te weten dat aansprakelijkheid van de inlener wenselijk werd geacht omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door eigen werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degenen die het werk verrichten. Tegen deze achtergrond ligt uitbreiding van art. 7:661 BW zoals voornoemd voor de hand.

Het Gerechtshof Arnhem (nevenzittingsplaats Leeuwarden) heeft zich recentelijk[2] uitgelaten over de vraag of art. 7:661 BW analoog kan worden toegepast op de rechtsverhouding tussen een stagebedrijf en een stagiair, in die zin dat de stagiair slechts aansprakelijk is voor de door hem met opzet of bewuste roekeloosheid veroorzaakte schade aan het stagebedrijf, en heeft hierop bevestigend geantwoord. Het hof Arnhem heeft hiermee de lijn van de Voorzieningenrechter te Groningen voortgezet.

In 2003 heeft de Voorzieningenrechter te Groningen[3] zich al uitgelaten over voornoemde rechtsvraag. In die zaak ging het om een stagiaire die in het kader van een stage werkzaam was bij een kapsalon. Zij had tijdens haar werkzaamheden een sigaret in de prullenbak gegooid, waarna er een brand ontstond. De Voorzieningenrechter oordeelde dat het in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid en de verplichtingen voortvloeiend uit goed werkgeverschap voorshands genoegzaam aannemelijk is geworden dat een stageovereenkomst gelijk dient te worden gesteld met een arbeidsovereenkomst en dat een stagiaire wat betreft schade toegebracht aan het stagebedrijf niet anders dient te worden behandeld dan een reguliere werknemer met betrekking tot de aansprakelijkheidskwestie.

[Kopje]Oordeel Hof Arnhem

In de zaak waarover het Hof Arnhem zich heeft gebogen, was sprake van een stagiair die een opleiding bedrijfsleider/manager veehouderij volgde. In het kader van deze opleiding heeft hij stage gelopen bij een konijnenhouderij. Tijdens de stageperiode is een nieuwe stal op het bedrijf gereed gekomen en in opdracht van het bedrijf zette de stagiair ongeveer tweehonderd voedsters[4] van de oude naar de nieuwe stal. Enige tijd daarna heeft de stagiair met een handveger het ontsmettingsmiddel “Tegodor NL” in de stal met voedsters gesprenkeld. Vervolgens zijn binnen een week honderd  voedsters en een veelvoud aan jonge konijnen gestorven. Ook is er een terugval in het aantal jongen per worp van de overgebleven voedsters vastgesteld. Ten gevolge hiervan lijdt het stagebedrijf schade waarvoor het zowel de school als de stagiaire aansprakelijk stelt. De school op grond van art. 6:170 lid 1 BW en art. 6:162 BW en de stagiair op grond van art. 6:164 BW.

Bij het antwoord op de vraag of art. 7:661 BW analoog kan worden toegepast bespreekt het hof allereerst de verhouding die bestond tussen de stagiair en het stagebedrijf. Het hof stelt dat sprake was van een praktijkovereenkomst, wat inhield dat de stagiair bij het verrichten van zijn werkzaamheden zich diende te houden aan de binnen het bedrijf geldende regels en dat hij bij die werkzaamheden werd begeleid door een praktijkbegeleider. Voorts overweegt het hof dat wanneer de stagiair, bij zijn in het kader van de stage verrichte werkzaamheden voor het stagebedrijf, door een fout schade zou hebben toegebracht aan een derde, het stagebedrijf naar het oordeel van het hof aansprakelijk zou zijn jegens die derde op grond van art. 6:170 lid 1 BW. Omdat het stagebedrijf een instructiebevoegdheid heeft ten aanzien van de door de stagiair te verrichten werkzaamheden, is de stagiair te beschouwen als de ondergeschikte in dienst van het stagebedrijf, aldus het hof. In dat geval zou de stagiair in beginsel niet hoeven bij te dragen aan de schade, tenzij de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

Het stagebedrijf heeft betoogd dat het regime van art. 6:170 lid 3 BW strenger is dan dat van art. 7:661 BW – omdat in het geval van art. 6:170 BW de bescherming van een derde aan de orde is – en dat aldus het feit dat de stagiair in beginsel niet zou hoeven bijdragen aan de schade die hij heeft toegebracht aan een derde, niet meebrengt dat de stagiair bescherming zou moeten genieten uit hoofde van art. 7:661 BW. Het hof oordeelt dat dit betoog niet opgaat, omdat art. 6:170 lid 3 BW geen ruimere aansprakelijkheid jegens derden creëert, maar juist ziet op de interne verhouding tussen principaal en ondergeschikte. Het hof overweegt dat uit de wetgeschiedenis van art. 7:661 BW volgt dat de wetgever voor wat betreft de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever één regime van toepassing wilde doen zijn, waarbij geen onderscheid zou worden gemaakt naar gelang het schadegeval binnen of buiten het bereik van art. 6:170 lid 3 BW valt[5].

Het enkele feit dat de (pseudo)werknemer verzekerd is voor de schade vormt naar het oordeel van het hof evenmin voldoende rechtvaardiging voor het aannemen van een ruimere aansprakelijkheidsnorm in het kader van art. 6:170 lid 3 BW. Ook de aard van de betreffende stageovereenkomst, al dan niet in combinatie met de verzekering, rechtvaardigt een dergelijke verschuiving niet. Het moge zo zijn dat een stagiair doorgaans minder productief zal zijn dan een (ervaren) werknemer, maar een stagiair ontvangt voor zijn inspanningen (in tegenstelling tot een werknemer) geen loon. Anders dan het stagebedrijf betoogt, kan er dan ook niet van worden uitgegaan dat het vooral de stagiair is die belang heeft bij de stage. Bovendien geldt voor een stagiair, net als voor een werknemer, dat hij door in het (stage)bedrijf te werken wordt blootgesteld aan het risico dat hij bij die werkzaamheden schade toebrengt of oploopt. De hoofdregel van art. 7:661 lid 1 BW beoogt de werknemer nu juist tegen dat risico te beschermen. Temeer nu bij een stage per definitie geen sprake is van een situatie waarbij de (pseudo)werknemer een grote mate van zeggenschap heeft over de onderneming waarin de werkzaamheden worden verricht en over de aard en de omstandigheden van die werkzaamheden, noch van een situatie waarin werkgever en werknemer min of meer gelijkwaardig zijn. In die laatste situatie, die zich zou kunnen voordoen wanneer de werknemer een leidinggevende functie vervult, is er minder reden de werknemer te beschermen dan in de situatie waarin iemand als stagiair werkzaamheden verricht, aldus het hof.

Vervolgens trekt het hof een vergelijking met art. 7:658 lid 4 BW. In dat verband overweegt het hof dat art. 7:658 lid 4 BW bepaalt dat art. 7:658 BW ook van toepassing is op de situatie dat iemand in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een ander – waarmee hij geen arbeidsovereenkomst heeft – arbeid laat verrichten en die ander schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van het hof valt ook een stagiair – die schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor een ander en gehouden is diens instructies op te volgen – onder het bereik van art. 7:658 lid 4 BW[6]. In het verlengde hiervan acht het hof het voor de hand te liggen dat de bijzondere regel van aansprakelijkheid waar art. 7:661 BW op ziet, ook van toepassing is op de situatie waarin de stagiair schade toebrengt aan het stagebedrijf.

Het hof heeft hiermee bevestigend geantwoord op de vraag of art. 7:661 BW analoog kan worden toegepast op de verhouding stagiair en stagebedrijf, en acht het verantwoord om de regel van art. 7:661 lid 1 BW ook van toepassing te achten op een stagiair, ondanks het feit dat in art. 7:661 BW een met art. 7:658 lid 4 BW vergelijkbare bepaling ontbreekt.

De slotsom is dat het hof de stagiair volgt in zijn stelling dat hij slechts aansprakelijk is voor de bij het stagebedrijf ontstane schade, wanneer deze schade het gevolg is van zijn opzettelijk of bewust roekeloos handelen. In dit kader oordeelt het hof dat de stagiair – zoals het stagebedrijf stelt, maar door de stagiair gemotiveerd is betwist – niet opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld toen hij, zonder een daartoe strekkende opdracht van het stagebedrijf, de stal heeft besprenkeld met “Tegodor NL”. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de stagiair in opdracht van het stagebedrijf een reinigingsmiddel is gaan zoeken met het oog op de ontsmetting van (een deel van) de stal. Gesteld noch gebleken is dat het stagebedrijf de stagiair toen heeft gewaarschuwd voor het gebruik van het middel. De stagiair hoefde zich er dan ook, ondanks de gebruiksaanwijzing op de verpakking van “Tegodor NL”, niet van bewust te zijn dat het gebruik van het middel in een stal met levende dieren onder alle omstandigheden gevaarlijk was en tot schade zou kunnen leiden. Het stagebedrijf had hem immers het middel – met het oog op het reinigen van de stal – laten halen. Het hof heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat op de verpakking van “Tegodor NL” het gebruik van het middel in een stal met levende dieren niet wordt verboden maar wordt afgeraden, zodat de stagiair door het middel in een stal met levende dieren te gebruiken nog niet in strijd met de gebruiksvoorschriften heeft gehandeld. Kortom, de vorderingen van het stagebedrijf worden afgewezen.

[Kopje]Conclusie

Personen die werkzaamheden verrichten in de uitoefening van een beroep of bedrijf van een ander en daarmee geen arbeidsovereenkomst hebben, kunnen op grond van het arrest van het Hof Arnhem – in geval van schade aan de pseudowerkgever of aan een derde jegens wie de pseudowerkgever tot vergoeding van die schade is gehouden – bescherming ontlenen aan art. 7:661 BW. Een interessante ontwikkeling en mogelijk aanleiding voor een wetswijziging, in de zin van uitbreiding van art. 7:661 BW.


[1] Vgl. HR 23 maart 2012, LJN BV0616 (X/Allspan Barneveld).

[2] Hof Arnhem 31 januari 2012, LJN BV2352.

[3] Vzr. Groningen, 27 juni 2003, LJN AH9008.

[4] Vrouwelijke konijnen.

[5] Kamerstukken II 1985/86, 17896, nr. 8, p. 27.

[6] Hof Arnhem 7 mei 1996, JAR 1996, 127.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey