Rb, deelgeschil: vaststelling causaliteit psychische klachten na ongeval te complex voor deelgeschilprocedure

Samenvatting:

Benadeelde (31 jarige restauranthoudster) vraagt voor recht te verklaren dat alle beperkingen, zoals omschreven in het psychiatrisch expertiserapport, ongevalsgevolg zijn en zij. De rechtbank is van oordeel dat de psychiatrische rapportage niet tot uitgangspunt kan worden genomen, nu dat rapport zich nog in de conceptfase bevindt en beide partijen nog aanvullende vragen hebben voorgelegd aan de psychiater. Die aanvullende vragen raken de kern van hetgeen partijen verdeeld houdt, namelijk de vraag of de psychische klachten veroorzaakt zijn door het ongeval of dat sprake is van klachten die zonder het ongeval ook zouden zijn ontstaan. De rechtbank oordeelt dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschil. De investering die dat zou vergen in tijd, geld en moeite staat daarin in de weg. 2. Verzoek om aanvullend voorschot van € 60.000,- afgewezen. 3. Verzekeraar wordt veroordeeld tot betaling van € 5000,- aan achterstallige BGK. 4. Kosten deelgeschil ad € 4.232,- toegewezen.

ECLI:NL:RBARN:2012:3827

Instantie

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak

05-10-2012

Datum publicatie

25-02-2014

Zaaknummer

230159

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Nadere instructie of voorlichting in een deelgeschilprocedure in beginsel niet aan de orde. Nader voorschot afgewezen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 230159 / HA RK 12-152

Beschikking van 5 oktober 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster,

advocaat mr. J.I. van der Winden te Muiderberg (gemeente Muiden),

tegen

naamloze vennootschap N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

verweerster,

advocaat mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Bovemij genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoekschrift,

·        

de brief met bijlagen van [verzoekster] van 12 juli 2012,

·        

het verweerschrift,

·        

de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: mevrouw [verzoekster], mr. Van der Winden, [naam](coördinator letselschade afdeling Bovemij), mr. Bindels en mr. N.M. Brouwer (namens Bovemij).

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is op 2 april 2010 een verkeersongeval overkomen. Bovemij, de WAM-verzekeraar van de bestuurder van het voertuig waarmee [verzoekster] is aangereden, heeft volledige aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend.

2.2.

[verzoekster] is in 2005 een eerder ongeval overkomen. Bij de afwikkeling daarvan was Bovemij niet betrokken. [verzoekster] heeft door dit eerdere ongeval klachten ontwikkeld aan haar linkerelleboog. In verband daarmee is in 2005 een medisch expertise rapport geschreven door dr. J.H. Postma.

2.3.

[verzoekster] was ten tijde van het ongeval in 2010 31 jaar oud, gehuwd en moeder van twee kinderen en zij dreef samen met haar echtgenoot sinds mei 1997 een restaurant met de naam “Akropolis” te Huizen. Het restaurant is in maart 2011 verkocht. [verzoekster] heeft sindsdien geen inkomen uit werk. Zij ontvangt evenmin een (bijstands)uitkering. [verzoekster] is thans volledig arbeidsongeschikt en ervaart lichamelijke en psychische klachten.

2.4.

[verzoekster] en Bovemij zijn met elkaar in onderhandeling getreden over de afwikkeling van de schade. Bovemij heeft in de periode mei 2010 tot en met maart 2012 een bedrag betaald van in totaal € 113.000,00 als voorschot op de totale schadevergoeding. Een gedeelte van dit bedrag (€ 60.000,00) is betaald naar aanleiding van een schikking in het kader van een eerder door [verzoekster] aanhangig gemaakte deelgeschilprocedure.

2.5.

In het kader van het vaststellen van de lichamelijke gevolgen van het ongeval heeft prof. dr. Castro orthopedische rapporten opgesteld die dateren van 4 juli 2010 en 10 februari 2011. [verzoekster] is voorts enige tijd behandeld bij het MTC (medisch trainingscentrum). In verband met psychische klachten is [verzoekster] enige tijd behandeld bij Noagg (centrum voor psychologische hulp) en Altregt (centrum voor psychosomatiek).

2.6.

Omdat Bovemij het causaal verband tussen het ongeval en het letsel betwist en stelt dat de klachten van [verzoekster] pre-existent zijn, zijn partijen met elkaar overeengekomen dat door dr. Postma een her-expertise zal worden verricht naar de linker elleboog van [verzoekster].

Ook hebben partijen besloten een psychiatrische expertise te laten verrichten. De concept-rapportage van psychiater dr. Korzec dateert van 10 april 2012. Uit dit rapport wordt het volgende geciteerd:

“(…)

VII. Beschouwing en conclusie.

Reconstructie ziektegeschiedenis

Betrokkene is een 33-jarige vrouw die voor het verkeersongeval d.d. 2 april 2010 een zeer actief leven leidde als onderneemster en moeder. Hierna heeft zij persisterende pijnklachten aan het hoofd, de nek, en de rug, klachten ontwikkeld, alsmede psychische klachten. Betrokkene is verhoogd prikkelbaar, heeft slaapproblemen en vermoeidheidsklachten. Een aantal psychosociale problemen speelt een belangrijke rol in de instandhouding van de klachten. Ten eerste heeft betrokkene geen werk sinds zij haar restaurant heeft moeten verkopen en ten tweede heeft haar man epilepsie. Ze is eerder in 2010 gediagnosticeerd met een aanpassingsstoornis met depressie en angst en met zware overspannenheid (psycholoog Vendrig). De ontwikkeling van haar klachten is het best te verklaren met het beeld van een burnout na jarenlange overbelasting. De klachtenpresentatie is echter sterker dan bij een burnout verwacht kan worden. Behandeling tot nu toe weinig succesvol.

Differentiaaldiagnostische overwegingen

I: Pijnstoornis

Er zijn meerdere redenen waarop betrokkene aan een pijnstoornis lijdt. De pijn aan het hoofd, de nek, en de rug veroorzaakt significant lijden bij betrokkene. Psychosociale factoren, namelijk de stress die wordt veroorzaakt door de slaapproblemen, werkloosheid en de situatie van haar man, worden verondersteld een belangrijke rol te spelen bij de ernst en instandhouding van de pijn.

II: Angststoornis NAO

Betrokkene heeft enkele symptomen passend bij een angststoornis. Betrokkene is hyperalert als zij deelneemt aan het verkeer. Zij durft sinds het ongeval niet meer te autorijden. Daartegenover staat dat betrokkene niet significant in haar reizen wordt beperkt. Tevens piekert betrokkene vaak over haar toekomst en de gezondheid van haar man. Hoewel betrokkene lijdt onder gezondheidssituatie van haar man, lijkt de bezorgdheid adequaat, niet pathologisch en niet groter dan men zou verwachten. Bij elkaar genomen zijn deze klachten onvoldoende om te voldoen aan de criteria van een angststoornis.

III: Depressieve stoornis NAO

Betrokkene rapporteert enkele depressieve symptomen, waaronder verlies van plezier, piekergedrag, slaapproblemen en vermoeidheid. Ook denkt ze geregeld aan de dood. Zij ontkent echter in het eerste gesprek dat verdriet en somberheid op de voorgrond staan in haar problematiek. In het tweede gesprek vertelt ze wel veel verdriet en somberheid te hebben.

IV: Simulatie

Gezien de duidelijke aggravatie van haar klachten en vage klachtenpresentatie is er ook gedacht aan simulatie. Hiertegen pleit echter dat er sprake is van zichtbare lijdensdruk. Ook worden de klachten bevestigd door haar man en de verslaglegging in de meegezonden stukken.

DSM-IV Classificatie

As I: 1) Pijnstoornis gebonden aan zowel psychische factoren als een somatische aandoening, chronisch (…)

2) Depressieve stoornis NAO (…)

As II: Geen diagnose op As II (…)

As III: Multipele pijnklachten, duizeligheid

As IV: Werkproblemen, ziekte echtgenoot

As V: GAF 41-50

VIII. Beantwoording van de vragen.

1. De situatie met ongeval

(…)

Medische eindsituatie

i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

(…)

Beantwoording i:

Ik acht de huidige toestand niet zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is. Het is mogelijk dat er in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering plaatsvindt.

2. De situatie zonder ongeval

(…)

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

(…)

Beantwoording d:

De mate van waarschijnlijkheid dat zij dezelfde klachten zou hebben ontwikkeld, schat ik arbitrair op 25%. De termijn waarbinnen dergelijke klachten zich hadden ontwikkeld, is niet in te schatten.

(…).”

2.7. (

De medisch adviseur van) Bovemij heeft op 1 mei 2012 gereageerd op het conceptrapport en nadere aanvullende vragen aan de deskundige voorgesteld. [verzoekster], althans haar medisch adviseur, heeft op 8 juni 2012 haar reactie op het concept rapport gegeven alsmede aanvullende vragen gesteld. Het definitieve eindrapport dient nog aan de hand van deze reacties te worden opgesteld.

2.8.

[verzoekster] heeft haar verzoekschrift ingediend op 25 mei 2012.

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank:

I. te bepalen dat alle beperkingen zoals omschreven in het rapport van psychiater Korzec als ongevalsgevolg moeten worden toegerekend en dat de daarmee verband houdende schade door Bovemij moet worden vergoed;

II. te bepalen dat Bovemij gehouden is tot betaling van een voorschot van € 60.000,00 aan [verzoekster];

III. te bepalen dat Bovemij gehouden is tot betaling van een bedrag van € 9.576,44 wegens achterstallige buitengerechtelijke kosten;

IV. Bovemij te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure ex artikel 1019aa Rv.

3.2.

De grondslag van het verzoek is het volgende. Bovemij heeft volledige aansprakelijkheid voor het ongeval van 2010 erkend. Zij heeft [verzoekster] in de periode van mei 2010 tot en met maart 2012 bevoorschot. Daarmee heeft zij bij [verzoekster] gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij daarmee zou doorgaan. Zij kan het patroon van bevoorschotting niet zomaar doorbreken. [verzoekster] verkeert in hoge financiële nood. Uit het rapport van Korzec blijkt voorts volgens [verzoekster] dat zij psychische klachten ondervindt als gevolg van het ongeval.

3.3.

Bovemij heeft verweer gevoerd. Primair heeft Bovemij zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen, dan wel [verzoekster] in haar verzoeken niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het onderhavige geschil geen deelgeschil is. Kort samengevat heeft Bovemij daartoe gesteld dat partijen het nog nergens over eens zijn zodat een beslissing in dit deelgeschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ook is om te komen tot een beslissing nadere instructie nodig, hetgeen niet past binnen het kader van een deelgeschil, aldus Bovemij. Subsidiair heeft Bovemij verweer gevoerd tegen de vier afzonderlijke verzoeken. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

Voorts geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschilprocedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008-2009, 31518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).

Causaal verband beperkingen – ongeval

4.2.

Aan haar verzoek tot vaststelling van causaal verband tussen haar psychische beperkingen en het ongeval heeft [verzoekster] de rapportage van dr. Korzec ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat die rapportage niet tot uitgangspunt kan worden genomen bij een beslissing op dat verzoek, nu dat rapport zich nog in de conceptfase bevindt en beide partijen nog aanvullende vragen hebben voorgelegd aan dr. Korzec waarop, voorzover in deze deelgeschilprocedure bekend, nog geen antwoord is gegeven. Die aanvullende vragen raken de kern van hetgeen partijen verdeeld houdt, namelijk de vraag of de psychische klachten van [verzoekster] veroorzaakt zijn door het ongeval of dat sprake is van klachten die zonder het ongeval ook zouden zijn ontstaan. Er is dus nog onvoldoende deskundige voorlichting beschikbaar om op het verzoek te beslissen. Dat betekent dat het verzoek zonder nadere instructie, die zich in deze complexe zaak tot de gehele causaliteit zou moeten uitstrekken, niet toewijsbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van dit deelgeschil, dat zich in beginsel niet leent voor instructie, die instructie aan zich te trekken. Daarmee zou de procedure dreigen te verworden tot een bodemprocedure in de vorm van een deelgeschil. De investering die dat zou vergen in tijd, geld en moeite staat daarin in de weg. Daarom stuit dit verzoek af op artikel 1019z Rv.

Voorschot

4.3.

Ten aanzien van het verzochte voorschot blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat een dergelijk verzoek in een deelgeschil kan worden voorgelegd (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3 Memorie van Toelichting, p. 14 en 16). [verzoekster] heeft in dat kader gewezen op het patroon van bevoorschotting door Bovemij. Daarmee verschilt deze zaak ook van de zaak waarin de rechtbank Alkmaar vonnis heeft gewezen op 30 maart 2012 met kenmerk LJN BW0460. Daar komt bij dat voldoende aannemelijk is dat een nader voorschot [verzoekster] beter in staat zal stellen de onderhandelingen voort te zetten en dat dat in zoverre bij zal dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Op grond van het voorgaande kan niet gezegd worden dat dit verzoek van [verzoekster] zich niet leent voor een behandeling in een deelgeschil.

4.4.

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verzoek gewezen op het patroon van bevoorschotting van Bovemij. Bovemij mag dit patroon niet doorbreken, nu zij anders zal zijn verstoken van elke bron van inkomsten, aldus [verzoekster]. Beantwoording van de vraag of Bovemij is gehouden een nader voorschot van € 60.000,00 op de schadevergoeding aan [verzoekster] te verstrekken is afhankelijk van de vraag of het voldoende aannemelijk is dat tenminste het bedrag van het door [verzoekster] gevorderde voorschot op de schadevergoeding, boven het voorschot dat Bovemij reeds heeft betaald, bij wijze van schadevergoeding in een eventuele bodemprocedure aan haar zal worden toegewezen. In dat kader wordt voorop gesteld dat Bovemij reeds tot een bedrag van € 113.000,00 heeft bevoorschot en dat de totale schade volgens [verzoekster] op maximaal € 300.000,00 kan worden geschat. Gelet op de stellingen daaromtrent ziet deze schade met name op het verlies aan arbeidsvermogen. [verzoekster] heeft immers gesteld dat zij het restaurant heeft moeten verkopen en dat zij, nu zij door het ongeval volledig arbeidsongeschikt is geraakt, niet in staat is inkomen uit arbeid te verwerven. Ten aanzien van dit punt heeft Bovemij op diverse punten verweer gevoerd. Zo is betwist dat de psychische beperkingen van [verzoekster] het gevolg zijn van het ongeval. In dat kader dient nog een definitieve rapportage te worden opgesteld. Ook is naar voren gebracht dat [verzoekster] en haar echtgenoot al – afgezien van het ongeval van 2010 – van plan waren het restaurant te verkopen. Die verkoop is dus volgens Bovemij niet het gevolg van het ongeval. Voorts is uitgebreid verweer gevoerd tegen de stellingen die zijn ingenomen omtrent hetgeen aan inkomen (al dan niet zwart) zou zijn verworven via het restaurant. Daartoe heeft Bovemij verwezen naar de grote discrepantie tussen de jaarcijfers van het restaurant, die een beperkte opbrengst laten zien, en het door [verzoekster] opgestelde overzicht van het uitgavenpatroon van haar en haar echtgenoot. Ook is tussen partijen de looptijd van de schade in geschil. In dat kader heeft Bovemij gesteld dat sprake is van pre-existente klachten en heeft Bovemij bovendien verwezen naar de opvatting van dr. Korzec dat behandeling van de klachten van [verzoekster] mogelijk is. Op grond van het voorgaande kan binnen het kader van deze deelgeschilprocedure, waarbinnen in beginsel geen plaats is voor nadere instructie, niet met voldoende mate van zekerheid geconcludeerd worden dat de schadevergoeding waarop [verzoekster] aanspraak kan maken hoger is dan het bedrag dat zij tot op heden van Bovemij bevoorschot heeft gekregen.

Aan het feit dat Bovemij tot op heden ruim heeft bevoorschot kon [verzoekster] voorts, behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn gebleken, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat Bovemij daarmee doorgaat, ook waar zij van mening is dat er onvoldoende feitelijke basis is voor verdere bevoorschotting. Een andersluidend oordeel zou tot het ongewenste resultaat kunnen leiden dat verzekeraars zich terughoudend opstellen wat betreft bevoorschotting. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] tot het betalen van een nader voorschot wordt afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.5.

Ter onderbouwing van dit verzoek heeft [verzoekster] gesteld dat Bovemij in het verleden de advocaatkosten en buitengerechtelijke kosten volledig heeft voldaan, maar dat zij daar nadien een achterstand in heeft laten ontstaan. Bovemij is op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW gehouden om deze achterstand te betalen, aldus [verzoekster]. Bovemij heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd.

Ten aanzien van de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte is vereist dat, in de gegeven omstandigheden, de kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Bovemij heeft zelf de complexiteit van deze zaak benadrukt. Die complexiteit zal dan ook zijn uitwerking hebben op de door de advocaat van de benadeelde te verrichten werkzaamheden en daarmee op de buitengerechtelijke kosten. Bovemij heeft als verweer aangevoerd dat een integrale beoordeling van de buitengerechtelijke kosten in verhouding tot de uiteindelijk te vergoeden schade nog niet mogelijk is. Dat moge zo zijn, vast staat wel dat al een aanzienlijk bedrag aan schade is betaald, terwijl de partijen zich nog midden in het schaderegelingstraject bevinden en het dus reëel is dat daarvoor nog buitengerechtelijke kosten worden gemaakt. Onder deze omstandigheden is er voldoende grond voor toewijzing, als voorschot, van (een deel van) de achterstallige buitengerechtelijke kosten, in redelijkheid bepaald op

€ 5.000,00. Aan de algemene betwisting, door Bovemij, van de relevantie van de werkzaamheden gaat de rechtbank voorbij. De declaraties zijn deugdelijk gespecificeerd.

Kostenbegroting

4.6.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.7.

[verzoekster] heeft in dat kader verzocht terzake van het honorarium van de advocaat deze kosten aan haar zijde te begroten op € 3.965,00 nog te vermeerderen met de griffierechten ad € 267,00. Bovemij heeft verweer gevoerd. Volgens haar betreft de zaak geen deelgeschil en de zaak is aldus onterecht ingesteld. Op haar beurt verzoekt zij [verzoekster] te veroordelen in de kosten van het geding.

4.8.

Aan het verweer van Bovemij zal voorbij worden gegaan nu vastgesteld is dat de verzoeken van [verzoekster] zich leenden voor behandeling in deelgeschil. Dat de verzoeken niet zijn toegewezen, doet daaraan niet af. Nu voor het overige geen verweren zijn gevoerd tegen de verzochte kostenbegroting en deze kostenbegroting de rechtbank ook niet bovenmatig voorkomt zullen de kosten conform het verzoek van [verzoekster] worden begroot op in totaal € 4.232,00. [verzoekster] heeft tevens verzocht Bovemij in de aldus begrote kosten te veroordelen. Dat verzoek is eveneens toewijsbaar, aangezien het Bovemij aansprakelijkheid voor de schade – waarvan deze kosten deel uitmaken – heeft erkend.

4.9.

Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

wijst de verzoeken onder I en II af,

5.2.

veroordeelt Bovemij tot vergoeding aan [verzoekster] van € 5.000,00 wegens achterstallige buitengerechtelijke kosten,

5.3.

wijst het verzoek onder III voor het overige af,

5.4.

veroordeelt Bovemij in de kosten van dit geschil, aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 4.232,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2012.

Coll.: AB

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey