Rb, deelgeschil: verwijten tegen ziekenhuis niet onderbouwd, verzoek afgewezen, geen begroting van kosten

Samenvatting:

Verzoekster heeft na geslaagd borstreconstructie bloeding is borst gekregen; zij stelt dat deze is ontstaan doordat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft bij endeldarmoperatie. 1. De rechtbank concludeert dat het ziekenhuis heeft voldaan aan haar verzwaarde motiveringsplicht. Het is aan verzoekster om feiten te stellen die de verwijten die zij het ziekenhuis maakt staven.  2. De rechtbank oordeelt dat de verwijten niet zijn onderbouwd en dat deze deels los staan van het aan de rechtbank voorgelegde verzoek. Verzoek wordt afgewezen. 3. Geen begroting van de kosten. Verzoekster was ten tijde van het instellen van deze procedure bekend met het verweer, waarbij het ziekenhuis meermaals heeft geadviseerd een advies van een medisch adviseur in te winnen. Verzoekster heeft er niettemin voor gekozen een deelgeschil te starten, zonder de gemaakte verwijten te kunnen staven met een concrete medische onderbouwing. De rechtbank acht het verzoek in juridische zin onterecht, want voorbarig en vooral met het oog op de inschatting van proceskansen ingesteld.

 

 

 

ECLI:NL:RBDHA:2021:1165, Rechtbank Den Haag, C/09/588516 / HA RK 20-81 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:RBDHA:2021:1165

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

05-01-2021

Datum publicatie

03-05-2021

Zaaknummer

C/09/588516 / HA RK 20-81

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Heeft ziekenhuis onzorgvuldig gehandeld? Verzwaarde motiveringsplicht. Verwijten zijn niet onderbouwd en staan deels los van het aan de rechtbank voorgelegde verzoek. Verzoek wordt afgewezen. Geen begroting van de kosten.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2021-0388

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

 

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/588516 / HA RK 20-81

 

Beschikking van 5 januari 2021

 

in de zaak van

 

[verzoekster] te [plaats],

 

verzoekster,

 

advocaat: mr. R.Th. Bocxe te Oegstgeest,

 

tegen

 

LEIDS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM te Leiden,

 

verweerster,

 

advocaat: mr. O.L. Nunes te Utrecht.

 

Partijen worden hierna [verzoekster] en het LUMC genoemd.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

het verzoekschrift, ingekomen bij Team kanton van deze rechtbank op 10 januari 2020, met producties 1 tot en met 10;

 

de beschikking van 13 februari 2020 van de kantonrechter van deze rechtbank (zittingsplaats Leiden), waarbij de zaak, in de stand waarin zij zich op dat moment bevond, is verwezen naar Team handel van deze rechtbank;

 

het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 17 april 2020;

 

het verweerschrift, met producties 1 tot en met 12, ingekomen op 14 mei 2020;

 

de brief van 5 oktober 2020 van de zijde van het LUMC, met als bijlage de volledige versie van productie 10 bij het verweerschrift.

 

1.2.

Op 13 oktober 2020 heeft de fysieke mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij deze behandeling zijn verschenen:

 

[verzoekster] in persoon, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door mr. Bocxe voornoemd;

 

namens het LUMC: mevrouw [de gynaecoloog 1] (gynaecoloog), de heer [de plastisch chirurg 1] (plastisch chirurg) en mevrouw mr. [de jurist] (jurist medische zaken bij het LUMC), bijgestaan door mr. Nunes voornoemd.

 

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

 

2De feiten

2.1.

Op 18 mei 2017 heeft [verzoekster] in het [Ziekenhuis A] een operatie ondergaan (hierna ook: de borstreconstructie), waarbij de bij een eerdere borstreconstructie in de rechterborst aangebrachte tissue-expander is gewisseld voor een prothese, na een gehele verwijdering van deze borst in 2016 vanwege borstkanker. Deze operatie is ongecompliceerd en succesvol verlopen.

 

2.2.

Op 18 juli 2017 heeft [verzoekster] in het LUMC onder algehele narcose een laparoscopische rectopexie (een ophanging van de endeldarm via een kijkoperatie) ondergaan (hierna: de endeldarmoperatie). Die operatie is, voor zover het de endeldarm betreft, op zichzelf eveneens ongecompliceerd verlopen.

 

2.3.

Voorafgaand aan de endeldarmoperatie is sprake geweest van diverse telefonische consulten bij gynaecoloog dr. [de gynaecoloog 1] van het LUMC. Aanvankelijk was onduidelijk wanneer [verzoekster] de borstreconstructie bij het [Ziekenhuis A] zou ondergaan. Toen die datum bekend was, heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat zij het liefst eerst de endeldarmoperatie en daarna de borstreconstructie zou ondergaan. Gynaecoloog dr. [de gynaecoloog 1] heeft haar dit afgeraden en het voorstel gedaan om minimaal zes weken na de borstreconstructie, plusminus begin juli indien er geen infectueuze complicaties van de reconstructie zouden zijn, de endeldarmoperatie te laten plaatsvinden. Op 22 mei 2017 heeft een telefonisch consult plaatsgevonden, waarover in het medisch dossier van [verzoekster] bij het LUMC is vermeld: “18/5 jl. mammareconstructie ondergaan, Goed gegaan. Ziet erg goed uit. Wil OK graag in juli. Aangegeven dat het evt kan vanaf 18/7. Diverse vragen beantwoord.”. Op 14 juli 2017 heeft [verzoekster] de polikliniek gynaecologie van het LUMC gebeld met de vraag of de toestand van de rechterborst – waarbij sprake was van een rood litteken – een probleem voor de aanstaande endeldarmoperatie vormde. Op advies van dr. [de gynaecoloog 1] heeft [verzoekster] overleg gepleegd met de plastisch chirurg van het [Ziekenhuis A]. Tijdens dit overleg zijn er geen bezwaren tegen het uitvoeren van de endeldarmoperatie geuit. Een verpleegkundige plastische chirurgie heeft uitgelegd dat het kan dat het litteken rood wordt, zoals [verzoekster] meldde, en heeft geadviseerd het soepel te houden. De endeldarmoperatie is uitgevoerd door gynaecoloog dr. [de gynaecoloog 2] in samenwerking met chirurg drs. [de chirurg]. Bij de wakkere briefing voorafgaand aan de operatie is geen roodheid van het litteken op de borst (meer) geconstateerd.

 

2.4.

Direct na de endeldarmoperatie kampte [verzoekster] met klachten van (toenemende) zwelling (en verkleuring) van de rechterborst. Hierop is drs. [de plastisch chirurg 2], AIOS plastische chirurgie (hierna: [de plastisch chirurg 2]), in consult geroepen.

 

2.5.

Vanaf 20 juli 2017 is gestart met antibiotica in verband met een verdenking op een infectie in de rechterborst van [verzoekster], maar de zwelling van de borst nam desondanks toe.

 

2.6.

Op 7 augustus 2017 was de situatie van [verzoekster] niet langer houdbaar. De rechterborst is toen met een spoedoperatie steriel geopend, waarbij een geïnfecteerd hematoom rondom de prothese werd aangetroffen. De prothese is in verband daarmee verwijderd.

 

2.7.

Bij brief van 20 februari 2019 heeft [verzoekster] de Raad van Bestuur van het LUMC verzocht om met haar in gesprek te gaan. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

 

“(…) Ik ben steeds uitgegaan van een ongeluk en was en ben niet op zoek naar een oorzaak en/of schuldige. Desalniettemin is er door mw. [de gynaecoloog 1] zorgvuldig intern onderzoek gedaan, waaruit geen oorzaak en/of schuldige is gevonden.

 

Feit is en blijft echter dat de operatie is gestart zonder trauma en dat er tijdens of direct na de operatie op de verkoever of tijdens het transport naar de verpleegafdeling iets is voorgevallen waardoor het trauma is ontstaan.

 

(…)

 

Ik kies ervoor om niet direct het formele traject in te gaan, maar doe allereerst een beroep op u om te bezien of wij in onderling overleg tot een vergelijk kunnen komen over de door mij opgelopen materiële en immateriële schade.”

 

2.8.

Het LUMC heeft de brief van [verzoekster] van 20 februari 2019 aangemerkt als een aansprakelijkstelling van het LUMC voor de gevolgen van het trauma aan de rechterborst dat volgens [verzoekster] tijdens of kort na de endeldarmoperatie is ontstaan. In dit kader heeft op 19 april 2019 een huisbezoek door een letselschade-expert van Centramed (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het LUMC) plaatsgevonden. Dit huisbezoek heeft geleid tot een rapport van 30 april 2019.

 

2.9.

Bij brief van 26 juli 2019 heeft het LUMC de gestelde aansprakelijkheid afgewezen. Het LUMC heeft dit standpunt bij brieven van 6 september 2019, 11 oktober 2019, 19 november 2019 en 18 december 2019 gehandhaafd.

 

3Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt – na wijziging van het oorspronkelijke verzoek bij aanvullend verzoekschrift – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verklaren voor recht dat voorshands aannemelijk wordt geacht dat zich tijdens – waarbij de rechtbank begrijpt dat [verzoekster] mede doelt op direct na – de endeldarmoperatie in het LUMC een incident zoals bedoeld in de Gedragscode Openheid Medische Aansprakelijkheid (hierna: GOMA) heeft voorgedaan met een bloeding in de rechterborst van [verzoekster] tot gevolg, met begroting van de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten conform de nader te overleggen kostenbegroting.

 

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat (voorshands aannemelijk is dat er) tijdens of kort na de endeldarmoperatie, tussen het moment dat zij onder narcose is gebracht en het moment dat zij op de verpleegafdeling weer bij volle bewustzijn was, door (mogelijk) verwijtbaar onzorgvuldig handelen van (de betrokken zorgverleners van) het LUMC een trauma aan haar rechterborst is ontstaan met een bloeding tot gevolg. [verzoekster] heeft [de plastisch chirurg 2] bovendien direct na de endeldarmoperatie op de mogelijkheid van een bloeding als oorzaak van de zwelling van de rechterborst gewezen, maar deze diagnose is niet in overweging genomen en op dit punt is geen nader onderzoek gedaan. Het LUMC heeft verder, door de endeldarmoperatie uit te voeren ná de borstreconstructie van 18 mei 2017, de rechterborst onnodig blootgesteld aan de gevaren die inherent zijn aan elke operatieve ingreep. Een en ander heeft tot verstrekkende gevolgen geleid. Uiteindelijk werd het noodzakelijk om de bij de operatie van 18 mei 2017 geplaatste borstprothese te verwijderen, waarbij de bij de amputatie van de borst zorgvuldig gespaarde eigen huid verloren is gegaan en een ingrijpende latissimus dorsi lap noodzakelijk is geweest. Dit heeft tot veel fysieke ellende geleid. Verder heeft dit geleid tot langdurig ziekteverlof en uiteindelijk baanverlies. Daarnaast ervaart zij dagelijks pijnklachten en beperkingen met betrekking tot huishouden, sport en ontspanning en arbeidsmogelijkheden. Voor de uit deze gevolgen voortvloeiende materiële en immateriële schade is het LUMC (mogelijk) aansprakelijk, aldus [verzoekster].

 

3.3.

Het LUMC voert verweer.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat desgevraagd namens [verzoekster] ter zitting is meegedeeld dat zij uitsluitend moet beslissen op het aanvullende verzoek. De rechtbank verstaat de wijziging van het oorspronkelijke verzoek derhalve als vervanging van dat verzoek door het aanvullende verzoek. Wel zal de rechtbank bij haar beoordeling mede de stellingen betrekken die [verzoekster] in het oorspronkelijke, bij de kantonrechter en zonder bijstand van een advocaat, ingediende verzoekschrift heeft ingenomen.

 

4.2.

Niet is in geschil dat [verzoekster] een bloeding in haar rechterborst heeft gehad en dat op 7 augustus 2017 een geïnfecteerd hematoom in die borst is aangetroffen. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het LUMC in verband met het ontstaan en de behandeling hiervan en ook overigens onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit het verzoekschrift en het aanvullend verzoekschrift komen, in de kern, drie verwijten van [verzoekster] jegens het LUMC naar voren, namelijk:

 

het verwijt dat de bloeding in de rechterborst tijdens of direct na de endeldarmoperatie is ontstaan als gevolg van een incident als bedoeld in de GOMA (dat wil zeggen: een onbedoelde gebeurtenis die tot schade aan de patiënt heeft geleid),

 

het verwijt dat het LUMC direct na de endeldarmoperatie de verdenking van [verzoekster] op een bloeding in de rechterborst niet uitdrukkelijk in overweging heeft genomen en daar niet naar heeft gehandeld, en

 

het verwijt dat het LUMC de endeldarmoperatie had moeten uitvoeren voorafgaand aan de borstreconstructie van 18 mei 2017.

 

4.3.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van die verwijten als volgt.

 

Regels van bewijslastverdeling

 

4.4.

Allereerst geldt dat de stelplicht en bewijslast van feiten die kunnen leiden tot het rechtsgevolg dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van (een of meer zorgverleners van) het LUMC op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [verzoekster] rust. [verzoekster] moet, met andere woorden, voldoende feiten stellen waaruit kan volgen dat het LUMC verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en deze feiten bij voldoende gemotiveerde betwisting door het LUMC bewijzen. Van het LUMC kan worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting om [verzoekster] daarmee aanknopingspunten te bieden voor eventuele verdere bewijslevering. Deze verzwaarde motiveringsplicht wat betreft het verweer van het LUMC betekent echter niet dat het LUMC bewijs moet leveren van de feiten die zij heeft gesteld ter betwisting van het door [verzoekster] gestelde onzorgvuldig handelen. Het gaat erom of de door het LUMC verstrekte gegevens voldoende ter zake dienend en concreet zijn om [verzoekster] aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen, in die zin dat zij door die gegevens in staat wordt gesteld te beoordelen op welk punt zij haar eventuele bewijslevering zou hebben te richten (vergelijk HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1093).

 

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat het LUMC, door overlegging van de volledige patiëntendossiers van [verzoekster] (bestaande uit het dossier plastische chirurgie van het [Ziekenhuis A], het dossier gynaecologie van het LUMC, het dossier plastische chirurgie van het LUMC en het dossier chirurgie van het LUMC) aan de op haar rustende verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan.

 

4.6.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat haar medisch dossier onvoldoende is bijgehouden, omdat in haar dossier de gesprekken met plastisch chirurg AIOS [de plastisch chirurg 2] op 18 juli 2017 na de ingreep en op 7 augustus 2017 na het openen van de borst niet zijn vermeld. De rechtbank overweegt dat een hulpverlener die een patiënt behandelt ingevolge artikel 7:454 lid 1 BW een dossier dient in te richten waarin hij aantekening houdt van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen, en waarin hij stukken, bevattende zodanige gegevens, opneemt voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. Niet vereist is echter dat ieder gesprek tussen de hulpverlener en de patiënt in het medisch dossier wordt vermeld. Gelet hierop en nu [verzoekster] voor het overige onvoldoende feitelijk heeft toegelicht waarom, gelet op hetgeen overigens is vastgelegd ten aanzien van het verloop van de behandeling tijdens en direct na de endeldarmoperatie, sprake is geweest van gebrekkige dossiervorming, gaat de rechtbank aan dit betoog voorbij. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] stelt dat zij al op de dag na de operatie aan een bloeding heeft gedacht en dit ook tegen AIOS [de plastisch chirurg 2] heeft gezegd, evenals het volgens AIOS [de plastisch chirurg 2] geuite vermoeden dat [verzoekster] zich kan hebben gestoten, waarvan aantekeningen in het patiëntendossier ontbreken, maakt dit niet anders (zie ook hierna achter 4.12).

 

4.7.

De rechtbank concludeert dat het LUMC heeft voldaan aan haar verzwaarde motiveringsplicht, zodat er niet (reeds) op die grond reden is om een bewijsvermoeden aan te nemen of de bewijslast om te keren. Het is aan [verzoekster] om feiten te stellen die de verwijten die zij het LUMC maakt staven en die feiten gezien de betwisting daarvan door het LUMC te bewijzen.

 

Verwijt 1

 

4.8.

In de eerste plaats verwijt [verzoekster] het LUMC dat een bloeding in haar rechterborst is ontstaan als gevolg van een incident tijdens of direct na de endeldarmoperatie. Het LUMC heeft de stelling van [verzoekster] gemotiveerd betwist. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de operatie met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en uitgevoerd en dat er op basis van de objectief beschikbare gegevens geen enkel aanknopingspunt is om aan te nemen dat tijdens of rond de operatie een trauma aan de rechterborst is opgetreden met een bloeding tot gevolg. Het LUMC heeft ter onderbouwing verwezen naar het overgelegde medisch dossier van [verzoekster] (producties 1 t/m 4 bij het verweerschrift) en het advies van dr. [chirurg niete-praktiserend] (chirurg niet-praktiserend) van 6 april 2020 (productie 10 bij het verweerschrift). Volgens het LUMC moet aangenomen worden dat sprake is geweest van een complicatie en niet van een toerekenbare beroepsfout.

 

4.9.

In het licht van de gemotiveerde betwisting door het LUMC heeft [verzoekster] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijk toegelicht en onderbouwd dat, door onzorgvuldig handelen van (één of meer zorgverleners van) het LUMC tijdens of kort na de ingreep een incident of trauma heeft plaatsgevonden met een bloeding in de rechterborst tot gevolg. In het medisch dossier van [verzoekster] zijn geen objectieve aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van [verzoekster] te vinden. [verzoekster] heeft erop gewezen dat het, gezien het specifieke klachtenbeloop wat betreft de borst direct volgend op de endeldarmoperatie, het meest waarschijnlijk is dat het letsel tijdens de ingreep is ontstaan. [verzoekster] heeft evenwel geen feitelijke onderbouwing van haar standpunt in het geding gebracht. Zonder een dergelijke feitelijke onderbouwing, bijvoorbeeld door een medisch adviseur of andere partijdeskundige, die steun biedt voor de juistheid van de stelling van [verzoekster], kan op basis van het enkele feit dat de borst vóór de operatie geen zwelling vertoonde, anders dan [verzoekster] meent, niet als vaststaand tot uitgangspunt worden genomen dat geen bloeding in de borst aanwezig kan zijn geweest. [verzoekster] heeft verder gewezen op de notitie van dr. [de gynaecoloog 1] in het medisch dossier gynaecologie van het LUMC op 31 augustus 2017, waarbij zij heeft genoteerd: “Prothese rechts is uiteindelijk verwijderd in verband met niet te behandelen hematoom zeer wrs per operatief tijdens lapsc.ant rectopexie ontstaan (?)”. De rechtbank stelt vast dat deze notitie is opgenomen onder het kopje “Anamnese”, oftewel onder het verhaal van [verzoekster] aan de arts over haar medische (voor)geschiedenis. Uit niets blijkt, mede gelet hierop, dat deze notitie een diagnose van dr. [de gynaecoloog 1] omvat. Het ligt, zoals het LUMC heeft betoogd, veeleer in de rede dat de lezing van [verzoekster] zelf is weergegeven, waarbij de gynaecoloog daarachter haar vraagteken heeft geplaatst en die lezing daarmee in twijfel heeft willen trekken. De rechtbank concludeert dat het door [verzoekster] voorgelegde verzoek, zonder nadere concrete feitelijke onderbouwing, niet voor toewijzing vatbaar is.

 

Verwijt 2

 

4.10.

Het volgende verwijt dat [verzoekster] het LUMC maakt, is dat het LUMC de verdenking van [verzoekster] op een bloeding als oorzaak van de zwelling niet direct in overweging heeft genomen en daar niet naar heeft gehandeld. Als de bloeding tijdig was onderkend en er eerder was ingegrepen, had de borstprothese mogelijk bespaard kunnen blijven, aldus [verzoekster].

 

4.11.

De rechtbank stelt vast dat dit verwijt niet tot toewijzing van het aanvullend verzoek kan leiden. Het staat immers los van het aanvullend verzoek.

 

4.12.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. [verzoekster] heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij op dit punt, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, arts [de plastisch chirurg 2], in deze deelgeschilprocedure, als getuige wenst te horen. Als uitgangspunt geldt echter, zoals ter zitting ook mondeling besproken, dat voor het horen van getuigen in een deelgeschilprocedure geen plaats is. Een deelgeschilprocedure dient immers eenvoudig, snel en kostenefficiënt te zijn. De rechtbank ziet geen reden om in dit geval een uitzondering op dit uitgangspunt te maken. Zou derhalve het horen van [de plastisch chirurg 2] ter zake dienend zijn voor het voorliggende aanvullende verzoek, dan is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, het dossier en de gestelde feiten overziende, de tijd, kosten en moeite die hiermee gepaard gaan, niet opwegen tegen de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank benadrukt dat een deelgeschilprocedure, anders dan een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht, niet is bedoeld om proceskansen in te schatten.

 

Verwijt 3

 

4.13.

Ten slotte verwijt [verzoekster] het LUMC dat zij onnodig het risico heeft genomen om de rechterborst, die na de borstreconstructie bijzonder kwetsbaar was, bloot te stellen aan de gevaren die inherent zijn aan iedere ingreep. Als de volgorde van de ingrepen was omgedraaid, was de borst niet bijzonder kwetsbaar geweest tijdens de endeldarmoperatie, aldus [verzoekster].

 

4.14.

Ook hiervoor geldt dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van het aanvullende verzoek. Afgezien hiervan, en derhalve ten overvloede, geldt dat het LUMC gemotiveerd heeft weersproken dat het advies wat betreft de volgorde van de behandelingen in strijd is geweest met goed zorgverlenerschap. Hoewel de tijdsduur tussen de twee operaties kort is geweest, heeft [verzoekster] geen feiten naar voren gebracht die erop kunnen duiden dat het uitvoeren van de endeldarmoperatie op 18 juli 2017 gezien de eerder ondergane borstreconstructie op 18 mei 2017 medisch niet verantwoord was. Ook op dit punt geldt dat de enkele omstandigheid dat na de endeldarmoperatie sprake is geweest van zwelling en een bloeding/hematoom is geconstateerd, onvoldoende is voor een dergelijke conclusie.

 

Slotsom

 

4.15.

De rechtbank komt tot de volgende slotsom. Het verzoek zoals dat aan de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd (dat ziet op “verwijt 1”) wordt op inhoudelijke gronden afgewezen, omdat het verwijt niet is onderbouwd. Aan de overige verwijten is geen verzoek gekoppeld, zodat op die punten niet kan worden beslist. Als dat al anders zou zijn geweest, zou gelden dat ook deze verwijten thans, mede in het licht van het verweer van het LUMC, onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd.

 

Kosten deelgeschil

 

4.16.

Ook als een deelgeschilverzoek wordt afgewezen, dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, komen de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking.

 

4.17.

[verzoekster] was ten tijde van het instellen van deze procedure bekend met het verweer van het LUMC, waarbij het LUMC [verzoekster] meermaals heeft geadviseerd een advies van een medisch adviseur in te winnen. De rechtbank wijst in dit verband op de brieven van het LUMC van 11 oktober 2019 en 19 november 2019 (producties 7 en 8 bij het verweerschrift) en op de e-mail van mr. Nunes aan mr. Bocxe van 14 april 2020 (productie 12 bij het verweerschrift). [verzoekster] heeft er niettemin voor gekozen de onderhavige procedure te starten, zonder de aan het LUMC gemaakte verwijten te kunnen staven met een concrete medische onderbouwing. [verzoekster] heeft gewezen op de kosten die gemoeid zijn met het inwinnen van medisch advies. Ook aan het inleiden van een procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor of gelasten van een voorlopig deskundigenbericht zijn kosten verbonden, Hoewel de rechtbank oog heeft voor deze, serieuze, drempel, acht zij die omstandigheid mede gelet op de beschikbare medische informatie uit het medisch dossier van [verzoekster] onvoldoende voor een begroting van de kosten in dit geval. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek, hoezeer vanuit persoonlijk oogpunt begrijpelijk, in juridische zin onterecht, want voorbarig en vooral met het oog op de inschatting van proceskansen is ingesteld. Daarbij komt dat een opgave van de door [verzoekster] in verband met de behandeling van het deelgeschil gemaakte kosten ontbreekt. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank begroting van de kosten in dit geval achterwege zal laten.

 

5De beslissing

De rechtbank:

 

5.1.

wijst het verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 5 januari 2021.1

 

1type: 2163

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey