Rb: vorderingen in zaak Stichting Japanse Ereschulden tegen de Staat verjaard

Samenvatting:

De rechtbank Den Haag heeft uitspraak gedaan in de rechtszaak van vijftien individuele eisers en de Stichting Japanse Ereschulden tegen de Staat der Nederlanden. Eisers hebben vergoeding gevorderd van de Staat van hun volledige (oorlogs)schade. De rechtbank heeft de vorderingen op grond van verjaring afgewezen.

Vorderingen in zaak Stichting Japanse Ereschulden tegen de Staat verjaard (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBDHA:2022:5165, Rechtbank Den Haag, C/09/604772 HA ZA 20-1242 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBDHA:2022:5165

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

01-06-2022

Datum publicatie

01-06-2022

Zaaknummer

C/09/604772 HA ZA 20-1242

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad: verjaring vorderingen Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/604772 HA ZA 20-1242

Vonnis van 1 juni 2022

in de zaak van

1[eiser 1] te [plaats 1];

  1. [eiser 2] te [plaats 2],
  1. [eiser 3] te [plaats 3],
  1. [eiser 4] te [plaats 4],
  1. [eiser 5] te [plaats 5],
  1. [eiser 6] te [plaats 6],
  1. [eiser 7] te [plaats 7],
  1. [eiser 8] te [plaats 8],
  1. [eiser 9] te [plaats 9],
  1. [eiser 10] te [plaats 10],
  1. [eiser 11] te [plaats 11],
  1. [eiser 12] te [plaats 12],
  1. [eiser 13] te [plaats 13],
  1. [eiser 14] te [plaats 14],
  1. [eiser 15] te [plaats 9],
  1. Stichting Japanse Ereschulden te Den Haag,

eisers,

advocaat: mr. T. Barkhuysen te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ministerie van Algemene Zaken) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Alle eisende partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als eisers. Eisende partij 16 zal daarnaast ook afzonderlijk de Stichting worden genoemd. Gedaagde zal hierna als de Staat worden aangeduid.

1De procedure

1.1.

Het procesdossier bevat de volgende stukken:

de dagvaarding van 9 december 2020 met producties 1 tot en met 12;

de conclusie van antwoord van 12 mei 2021 met producties 1 tot en met 12;

– het tussenvonnis van 18 augustus 2021 waarbij een mondelinge behandeling is

bevolen;

– het proces-verbaal van de op 24 januari 2022 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Namens eisers is dit gedaan bij brief van 24 februari 2022. Namens de Staat is gereageerd bij brief van dezelfde datum. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van de opmerkingen van partijen gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2De feiten

De Tweede Wereldoorlog – Nederlands-Indië

2.1.

Direct na de aanval op Pearl Harbor, op 7 december 1941, raakte Nederlands-Indië, een toenmalige kolonie van Nederland, in oorlog met Japan. Op 11 januari 1942 landden de eerste Japanse troepen bij Tarakan, in het noordoosten van Borneo en bij Menado, de meest noordelijke stad op het eiland Celebes. De Japanse strijdkrachten rukten op en in de nacht van 1 maart 1942 landde het 16de Japanse leger op Java. De strijd tussen de Japanse strijdkrachten en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) duurde kort: op 7 maart 1942 capituleerde het KNIL. Vanaf dat moment viel Nederlands-Indië onder het gezag van de Japanse bezetter.

2.2.

De leden van de verslagen KNIL-eenheden werden krijgsgevangene gemaakt. Binnen enkele maanden na de invasie van Nederlands-Indië begon de Japanse bezetter daarnaast met het (in kampen) interneren van geallieerde onderdanen, waaronder die met een Nederlandse nationaliteit. De personen met gemengd Indisch en Nederlands bloed bleven aanvankelijk buiten de kampen (de zogenoemde buitenkampers) om werkzaamheden uit te voeren die vooralsnog niet door Japanners of andere Aziaten konden worden overgenomen.

2.3.

De bezetting van Nederlands-Indië is gepaard gegaan met een Japans schrikbewind. Van de ongeveer 141.500 krijgsgevangenen – van wie er 42.200 de Nederlandse nationaliteit hadden – is bij benadering een vijfde gestorven in gevangenschap, voornamelijk ten gevolge van het wrede en gewelddadige regime in de krijgsgevangenenkampen. Van de ongeveer 100.000 burgergeïnterneerden is ongeveer één op de zes gestorven, met name ten gevolge van de erbarmelijke omstandigheden in de kampen. Het leven buiten de kampen bracht eveneens verschrikkingen met zich mee vanwege het vernederende en gewelddadige optreden van de Japanse bezetter. Ten slotte heeft de Japanse bezetter ten behoeve van zijn legerbordelen in totaal ongeveer 200.000 vrouwen en meisjes geronseld, waaronder vrouwen en meisjes van Nederlandse en Nederlands-Indische komaf.

2.4.

Nadat op 6 en 9 augustus 1945 Hiroshima respectievelijk Nagasaki met atoombommen waren vernietigd, volgde op 15 augustus 1945 de capitulatie van Japan.

Het Vredesverdrag

2.5.

Vervolgens is op initiatief van de Verenigde Staten van Amerika (VS), die verantwoordelijk waren voor de feitelijke bezetting van Japan, het Vredesverdrag tussen de geallieerde mogendheden en Japan op 8 september 1951 in San Francisco gesloten (Trb. 1951, 134, hierna: “Vredesverdrag”). Het Vredesverdrag is door 49 landen ondertekend, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan er 41 het Verdrag hebben geratificeerd. Het Koninkrijk der Nederlanden ratificeerde het Vredesverdrag na parlementaire goedkeuring op 17 juni 1952. De Goedkeurings-wet Vredesverdrag met Japan van 24 mei 1952 (hierna: Goedkeuringswet) is op 28 mei 1952 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 1952, 281) en trad de volgende dag in werking.

2.6.

Kort gezegd is in het Vredesverdrag opgenomen dat Japan herstelbetalingen dient te verrichten aan de geallieerde mogendheden en wel – omdat Japan niet over genoeg financiële middelen beschikte – mede in de vorm van het ter beschikking stellen van goederen en diensten. In artikel 14b van het Vredesverdrag doen de geallieerde mogendheden afstand van (overige) vorderingen op Japan verband houdende met de oorlogsvoering. Artikel 16 van het Vredesverdrag bevat een regeling over schadevergoeding door Japan ten gunste van krijgsgevangenen. Artikel 26, ten slotte, bevat een voorziening met het oog op landen die zouden proberen om naderhand een vredesverdrag met Japan te sluiten onder gunstiger voorwaarden; in dat geval zouden alle geallieerde mogendheden automatisch dezelfde voordelen verkrijgen.

De artikelen 14b, 16 en 26 van het Vredesverdrag luiden als volgt:

“Article 14 […]

(b) Except as otherwise provided in the present Treaty, the Allied Powers waive all reparations claims of the Allied Powers, other claims of the Allied Powers and their nationals arising out of any actions taken by Japan and its nationals in the course of the prosecution of the war, and claims of the Allied Powers for direct military costs of occupation.

[…]

Article 16

As an expression of its desire to indemnify those members of the armed forces of the Allied Powers who suffered undue hardships while prisoners of war of Japan, Japan will transfer its assets and those of its nationals in countries which were neutral during the war, or which were at war with any of the Allied Powers, or, at its option, the equivalent of such assets, to the International Committee of the Red Cross which shall liquidate such assets and distribute the resultant fund to appropriate national agencies, for the benefit of former prisoners of war and their families on such basis as it may determine to be equitable. The categories of assets described in Article 14 (a) 2 (II) (ii) through (v) of the present Treaty shall be excepted from transfer, as well as assets of Japanese natural persons not residents of Japan on the first coming into force of the Treaty. It is equally understood that the transfer provision of this Article has no application to the 19,770 shares in the Bank for International Settlements presently owned by Japanese financial institutions.

[…]

Article 26

Japan will be prepared to conclude with any State which signed or adhered to the United Nations Declaration of January 1, 1942, and which is at war with Japan, or with any State which previously formed a part of the territory of a State named in Article 23, which is not a signatory of the present Treaty, a bilateral Treaty of Peace on the same or substantially the same terms as are provided for in the present Treaty, but this obligation on the part of Japan will expire three years after the first coming into force of the present Treaty. Should Japan make a peace settlement or war claims settlement with any State granting that State greater advantages than those provided by the present Treaty, those same advantages shall be extended to the parties to the present Treaty.”

2.7.

Het basisprincipe dat aan het Vredesverdrag ten grondslag is gelegd “is dat met Japan op korte termijn een vrede moest worden gesloten op zodanige voorwaarden, dat Japan zowel politiek als economisch bereid en in staat zou zijn om tot behoud van vrede in de wereld en in het bijzonder in het Verre Oosten mede te werken.” (Goedkeuringswet, Kamerstukken II 1951-1952, 2377, nr. 3, pagina 2).

De opvatting dat van Japan een maximale schadevergoeding moest worden geëist is door de VS en alle andere landen die het Vredesverdrag hebben ondertekend, niet gevolgd. Dit werd mede ingegeven door de ervaringen naar aanleiding van met name het Verdrag van Versailles van na de Eerste Wereldoorlog. Op grond daarvan werd geconcludeerd dat de mogelijkheden tot het verhaal van oorlogsschade beperkt waren en dat zware sanctiebepalingen de verhouding tussen de overwinnaars en de overwonnene blijvend ongunstig kunnen beïnvloeden.

2.8.

Het ontwerp voor het Verdrag is door de Nederlandse regering besproken tijdens de ministerraad van 16 juli 1951. De notulen van die ministerraad vermelden daarover voor zover van belang het volgende:

“Minister Van Maarseveen informeert of de Regering afstand kan doen van individuele aanspraken van Nederlanders op Japan. Minister Stikker antwoordt, dat de individuele aanspraken op Japan toch niets opleveren. Dat neemt niet weg, dat het aanstoot zal geven als de Staat verklaart daarvan afstand te doen.

De Minister-President acht dit een ernstig bezwaar.”

2.9.

Bedoeld ontwerp is vervolgens eveneens aan de orde geweest tijdens de ministerraad van 20 augustus 1951. De notulen van die ministerraad vermelden daarover voor zover van belang het volgende:

“De Minister-President […] meent, dat de Nederlandse Regering niet het recht heeft afstand te doen van de claims van Nederlanders. Zou men het toch doen dan zou wellicht de Nederlandse Regering tegenover haar burgers aansprakelijk worden. Minister Stikker wijst er op, dat in het verdrag alleen staat, dat de Regering eventuele aanspraken niet zal ondersteunen. Indien de Japanse rechter acties voor schadevergoeding afwijst kan men voor het Internationale Gerechtshof procederen; dan zouden de Staten moeten optreden.”

2.10.

Ten slotte is het ontwerp voor het Verdrag nog aan de orde geweest in de ministerraad van 27/28 augustus 1951:

“De Minister-President vestigt nog eens de aandacht op de tekst van artikel 14. Z.i. is het onbegrijpelijk, dat men deze zo kan uitleggen, dat de Staten zich alleen verbinden vorderingen van eigen burgers niet te ondersteunen. Minister Stikker wijst op de merkwaardige redactie van artikel 14, lid b, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen drie groepen van vorderingen en alleen bij de tweede groep wordt gesteld, dat claims van de eigen burgers door de geallieerde landen worden prijsgegeven (waive). De Minister ziet wel de mogelijkheid gebruik te maken van deze foutieve redactie. Hij vraagt zich verder af of bij het afstand doen van de vorderingen van eigen burgers de Overheid uit onrechtmatige daad wel aansprakelijk wordt, aangezien immers moeilijk het bewijs zal kunnen worden geleverd, dat door deze handelingen schade wordt geleden.

De Minister deelt mede met de Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken overleg te hebben gepleegd, die unaniem van mening was, dat Nederland het verdrag zou moeten tekenen, maar toch het uiterste zou moeten proberen met betrekking tot de vorderingen van eigen burgers en het opnemen van de burgerlijke geïnterneerden in artikel 16 […]

Minister Lieftinck is van mening, dat de Amerikanen op luchthartige wijze heen zijn gestapt over de Nederlandse bezwaren en voornamelijk geen aandacht hebben gehad voor het feit, dat Nederland na de Philippijnen in Indonesië het zwaarst werd getroffen. De Philippijnen hebben van de Verenigde Staten bepaalde toezeggingen gekregen […]

De Raad besluit Minister Stikker te machtigen overeenkomstig bevind van zaken en rekening houdend met het bovenstaande te handelen.”

Het Yoshida-Stikker-Protocol

2.11.

In het verlengde van het zojuist aangehaalde, tijdens de ministerraad van 27/28 augustus 1951 verhandelde, heeft de Staat tijdens de Vredesconferentie waarop het Vredesverdrag tot stand is gekomen, via de delegatie van de VS onderhandelingen gevoerd met Japan. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een briefwisseling tussen de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Stikker en de Japanse minister-president Yoshida.

2.12.

Minister Stikker heeft in zijn brief van 7 september 1951 aan minister-president Yoshida onder meer het volgende geschreven:

“Some question has arisen as to the interpretation of the reference in article 14(b) to “claims of Allied Powers and their nationals” which the Allied Powers agree to waive. It is my Governments view that article 14(b) as a matter of correct interpretation does not involve the expropriation by each Allied Government of the private claims of its nationals so that after the Treaty comes into force these claims will be non-existent. The question is important because some Governments, including my own, are under certain limitations of constitutional and other governing laws as to confiscating or expropriating private claims by allied nationals. Also, there are certain types of private claims by allied nationals, which we would assume the Japanese Government might want voluntarily to deal with in its own way as a matter of good conscience or of enlightened expediency.”

2.13.

Minister-president Yoshida heeft minister Stikker bij brief van 8 september 1951 onder meer het navolgende geschreven:

“In view of the constitutional legal limitations referred to by the Government of the Netherlands, the Government of Japan does not consider that the Government of the Netherlands by signing the Treaty has itself expropriated the private claims of its nationals so that, as a consequence thereof, after the Treaty comes into force these claims would be non-existent.

However, the Japanese Government points out that, under the Treaty, Allied nationals will not be able to obtain satisfaction regarding such claims, although, as the Netherlands Governments suggests, there are certain types of private claims by Allied nationals which the Japanese Government might wish voluntarily to deal with.”

2.14.

Bedoelde briefwisseling mondde uit in het “Protocol between the Government of the Kingdom of The Netherlands and the Government of Japan relating to settlement of the problem concerning certain types of private claims of Netherlands nationals” van 13 maart 1956 (hierna: het Yoshida-Stikker-Protocol) dat in Nederland op 1 juni 1956 in werking is getreden na stilzwijgende parlementaire goedkeuring (Trb. 1956, 28 en Trb. 1956, 100).

Dit protocol bevat onder meer het volgende:

“Article I

For the purpose of expressing sympathy and regret for the sufferings inflicted during the Second World War by agencies of the Government of Japan upon Netherlands nationals, the Government of Japan shall voluntarily tender as a solatium the amount of Pounds Sterling equivalent to U.S. $ 10,000,000 to the Government of the Kingdom of The Netherlands on behalf of those Netherlands nationals.

[…]

Article III

The Government of the Kingdom of The Netherlands confirms that neither itself nor any Netherlands nationals will raise against the Government of Japan any claim concerning the sufferings inflicted during the Second World War by agencies of the Government of Japan upon Netherlands nationals.”

2.15.

Tijdens een parlementair debat over de briefwisseling tussen minister Stikker en minister-president Yoshida kenschetste de regering deze briefwisseling als volgt:

“In feite vormt zij een gentleman’s agreement, welke alleen dan betekenis heeft indien Japan zich bereid toont naar de geest van het Vredesverdrag te handelen.”

2.16.

Daarna is nog enkele malen, onder meer tijdens het Staatsbezoek van Koningin Beatrix aan Japan in oktober 1991 en het Staatsbezoek van Koning Willem-Alexander in oktober 2014, bij de Japanse autoriteiten tevergeefs aandacht gevraagd voor het voortdurende leed van de slachtoffers van de Japanse bezetting en de daarop ziende Ereschuld van Japan.

Vergoeding van (oorlogs)schade in Nederland

2.17.

Reeds in december 1940 trof de Nederlandse regering in ballingschap een schaderegeling in het Besluit op de materiële oorlogsschaden. Deze regeling was geënt op het zogenoemde territorialiteitsbeginsel: in principe alleen schade in Nederland geleden kwam voor vergoeding in aanmerking. Nadat dit besluit in september 1944 was opgeschort omdat de verwoestingen te omvangrijk waren om het te handhaven, is in juni 1945 het Besluit Overgangsregeling Oorlogsschade vastgesteld. Dit besluit was geënt op een ruimer territorialiteitsbeginsel: het zag op vergoeding van schade toegebracht aan zaken die zich in het Rijk van Europa bevonden en die aan Nederlanders of Nederlandse bedrijven toebehoorden.

Dit laatste besluit werd vervangen door het Besluit op de materiële Oorlogsschaden 1945 van 9 november 1945 dat alleen zag op schade binnen Nederland toegebracht. Dit laatste besluit was eveneens een tijdelijke regeling bedoeld te gelden tot een wettelijke regeling zou zijn getroffen (de hieronder te bespreken Wet op de Materiële Oorlogsschaden (WMO)).

2.18.

De WMO is op 24 februari 1950 in werking getreden. Deze wet bood een vergoeding voor schade aan particuliere eigendommen van Nederlandse (rechts)personen die in Nederland was geleden.

De WMO voorzag in een bevoegdheid van de minister van Financiën om hetzij bij algemene regeling, hetzij in bijzondere gevallen, ook schade die niet in Nederland was toegebracht aan de in de WMO bedoelde oorlogsschade gelijk te stellen.

De minister van Financiën heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt ten behoeve van ex-politieke gevangenen in Duitse concentratiekampen. Onder de WMO heeft de Staat ongeveer 6,3 miljard gulden uitgekeerd. Het was de bedoeling om de WMO mede te financieren vanuit de van Duitsland te ontvangen herstelbetalingen die later in de jaren 60 werden vastgesteld op in totaal ongeveer 280 miljoen Duitse Mark. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de WMO, eind jaren veertig, zag de Nederlandse regering een zedelijke plicht tot schadeloosstelling van de zijde van de Nederlandse Staat en een morele aanspraak daarop van de getroffenen.

2.19.

De oorlogsschade van de slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië is niet onder de WMO gebracht.

2.19.1.

In de Memorie van Antwoord bij de Goedkeuringswet (Kamerstukken II 1951-1952, 2377, nr. 12, p. 19) is het volgende opgenomen:

“Met betrekking tot de vraag, welke stappen de Regering heeft ondernomen om de gevolgen van de oorlog voor de Nederlandse gemeenschap in het voormalige Nederlands-Indië op te vangen en te verzachten, moge er op worden gewezen, dat ingevolge het algemeen aanvaarde beginsel, dat de Regering van een land regelingen treft voor de vergoeding der aldaar toegebrachte schade, de Regering van Nederlands-Indië de aangewezen instantie was, welke hiervoor zorg diende te dragen. Aangezien de Nederlandse gemeenschap aldaar een groep vormde van de ingezetenen van dat gebiedsdeel, moesten de te treffen maatregelen uiteraard alle ingezetenen, voor zover zij door de oorlog met Japan geestelijk en materieel waren getroffen, omvatten. De Regering van het voormalige Nederlands-Indië ging echter van de gedachte uit, dat een redelijke schaderegeling alleen dan zou kunnen worden getroffen, indien de aan Japan op te leggen reparatie-betalingen zouden kunnen worden gerealiseerd. In afwachting daarvan werden voorlopige voorzieningen getroffen om althans de ergste nood op te vangen.

Afgezien hiervan is het duidelijk, dat de Nederlandse Regering, wilde zij voorkomen het odium van discriminatie op zich te laden, niet in staat zou zijn geweest een regeling te treffen voor slechts één groep van de in Indonesië woonachtige Nederlandse onderdanen en dat eventueel te nemen steunmaatregelen de gehele bevolking van Indonesië ten goede hadden moeten komen. Dit nu zou, mede gelet op de zware eisen, welke de noodzakelijke financiële hulp aan de Nederlands-Indische Regering reeds aan de schatkist stelde, de draagkracht van de Nederlandse gemeenschap verre te boven zijn gegaan.”

2.19.2.

Eerder, tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het ontwerp van de WMO, heeft toenmalig minister van Financiën Lieftinck onder meer het volgende naar voren gebracht:

“De geachte afgevaardigde de heer Van de Wetering heeft een pleidooi gevoerd voor de gelijkstelling van de uit Indonesië teruggekeerde Nederlanders met betrekking tot de door hen aldaar geleden huisraadschade. Ik heb naar dat pleidooi met belangstelling geluisterd en ik heb begrepen, waarom de geachte afgevaardigde de heer Van de Wetering dat pleidooi heeft gehouden. Ik zou hem echter allereerst deze vraag willen stellen: acht gij die schade enquêteerbaar? Ik zou, vóórdat wij verder op dit vraagstuk ingaan, dus willen weten, hoe het zou kunnen worden opgelost. Ik geloof, dat hierop geen bevredigend antwoord is te geven. Afgezien daarvan ben ik van oordeel, dat men nu eenmaal door het kiezen van zijn woon- en werkplaats in het ene land of in het andere land de risico’s draagt en moet aanvaarden, die aan het verblijf aldaar zijn verbonden. Dit is ook de algemene opvatting, die in de litteratuur wordt gehuldigd en in de praktijk wordt toegepast. De schrijvers van verschillende landen bepleiten, dat de nationale regeling van de oorlogsschaden territoriaal zal worden toegepast, d.w.z. op de ingezetenen, zelfs als het vreemdelingen zijn. Ik meen dan ook, dat er ten hoogste sprake van zou kunnen zijn, dat de Nederlanders, die in Indonesië

schade hebben geleden, van de Indonesische rehabilitatie-uitkering profiteren, omdat zij daar woonachtig zijn of ten tijde van de beschadiging geweest zijn. Dat men hen op enige redelijke grond zou moeten gelijkstellen met hen, die in Nederland zijn getroffen, meen ik te moeten betwijfelen.”

2.20.

Ten behoeve van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland de volgende regelingen getroffen waarop (bepaalde, teruggekeerde) slachtoffers van de Japanse bezetting wel aanspraak hebben kunnen maken:

Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië 1941:

Deze regeling is door de Nederlands-Indische regering ingesteld en voorziet in financiële ondersteuning in de vorm van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vergoeding van medische kosten aan (nabestaanden van) Nederlandse burgers en dienstplichtigen die in Nederlands-Indië tussen 8 december 1941 en 1 februari 1954 lichamelijk of geestelijk oorlogsletsel hebben opgelopen. Op 1 februari 1954 heeft Nederland de uitvoering van deze regeling van Indonesië overgenomen voor de Indische oorlogsgetroffenen met een Nederlandse nationaliteit en de regeling is nog steeds van kracht. In de periode 2010-2020 is op grond van deze regeling een bedrag van in totaal ongeveer 91,2 miljoen euro uitgekeerd.

Rehabilitatie-uitkering Indische Oorlogsslachtoffers 1947:

Dit betreft een regeling ingesteld door de Nederlands-Indische regering (het Indisch Gouvernement) om door de oorlog getroffen huishoudens weer op de been te brengen. Oorlogsslachtoffers in loondienst kregen onder de initiële rehabilitatieregeling drie tot vijf maanden salaris, afhankelijk van de gezinsomvang. In 1949 volgde de slotrehabilitatieregeling: ambtenaren kregen 4 tot 12 maanden salaris en particulieren 2 tot 6 maanden salaris en er kwam een regeling voor zelfstandigen. Na weigering van Indonesië om de verdere uitvoering over te nemen, werd begin jaren vijftig van de vorige eeuw door de Staat 196 miljoen gulden beschikbaar gesteld ter voltooiing van de regeling en ten behoeve van uitkeringen voor wederinrichtingskosten van oorlogsslachtoffers.

Yoshida-Stikkeruitkeringen:

In 1956 zijn de uitkeringen vastgesteld voortvloeiend uit het Yoshida-Stikker-Protocol: burgergeïnterneerden kregen recht op 415 gulden, krijgsgevangenen op 264 gulden en voor die gevangenen die aan de Birma-Siam-spoorlijn hadden gewerkt werd dat laatste bedrag verhoogd met 61,73 gulden.

Rijksgroepsregelingen:

Tot 1965 voorzagen deze regelingen alleen in geldelijke steun aan oorlogs-slachtoffers en nabestaanden van vermiste ambtenaren die hadden geleden onder de Duitse bezetter. In 1965 werden deze regelingen omgedoopt tot de Algemene Bijstandwet steunende Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945. Deze regeling werd, anders dan voorheen, ook van toepassing verklaard op Nederlandse slachtoffers van de oorlog in het voormalige Nederlands-Indië en van de naoorlogse periode in Nederlands-Indië tot 27 december 1949 en op hun nabestaanden. In 1971 werd voor degenen die op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing aan vervolging hadden blootgestaan de afzonderlijke Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 vastgesteld, op grond waarvan deze slachtoffers recht hadden op een periodieke uitkering.

Wet uitkering Vervolgingsslachtoffers 1940-1945:

Vervolgingsslachtoffers die blijvende gezondheidsschade hebben overgehouden aan hun vervolging en hun nabestaanden, kunnen op grond van deze wet vanaf 1973 in aanmerking komen voor een maandelijkse uitkering en vergoeding van medische voorzieningen. In de jaren 2010-2020 is onder deze wet in totaal ongeveer 1,67 miljard euro uitgekeerd.

Uitkeringswet Indische geïnterneerden (1981):

Deze wet gaf recht aan (nabestaanden van) gedetineerden die ten minste zes maanden als burger of als krijgsgevangene geïnterneerd hadden gezeten op een eenmalige uitkering van 7.500 gulden. In totaal is voor ongeveer 300 miljoen gulden aan eenmalige uitkeringen uitgekeerd.

Wet Uitkeringen Burger-Oorlogsslachtoffers 1940-1945 (1984):

Het betreft de wettelijke vastlegging van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945. De wet verschaft de basis voor uitkering aan burgers (ook de burgers uit het voormalige Nederlands-Indië) die lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen en van wie de verdiencapaciteit is aangetast.

In de periode 2010-2020 is op grond van deze wet in totaal ongeveer 724 miljoen euro uitgekeerd.

Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (1986):

Deze wet regelt de toekenning van buitengewoon pensioen aan de (nabestaanden van) personen met een Nederlandse nationaliteit die in het kader van hun deelname aan het verzet in het voormalige Nederlands-Indië tegen de vijandelijke bezettende macht verwondingen, verminking, ziekten of gebreken hebben opgelopen waardoor zij in hun verdiencapaciteit zijn aangetast. In de periode 2010-2020 is in totaal op grond van deze wet 476,7 miljoen euro uitgekeerd. In het kader van deze regeling heeft de regering herzien het tot dan toe gehuldigde standpunt dat dergelijke pensioenaanspraken zouden moeten worden gehonoreerd door de Republiek Indonesië als rechtsopvolgster van Nederland.

Het Gebaar (2000):

Eind jaren negentig heeft de Nederlandse regering erkend dat de opvang van diverse groepen, waaronder de Indische gemeenschap, na de Tweede Wereldoorlog tekort geschoten is. Achteraf bezien is er volgens de regering teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel van de Indische gemeenschap geweest, waarvoor de regering oprechte spijt en verontschuldigingen heeft uitgesproken ten opzichte van degenen die toen hebben geleden. In dat verband is de regeling Het Gebaar in het leven geroepen. Op grond van deze regeling is 350 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor individuele uitkeringen en 350 miljoen euro voor collectieve doelen, zoals projecten op het gebied van educatie, welzijn en cultuur. Er zijn ongeveer 97.000 uitkeringen van ruim 1.800 euro verstrekt.

Uitkeringsregeling Backpay (2015-2018):

Deze regeling voorziet in een eenmalige vergoeding van € 25.000 voor personen die als ambtenaar of militair in dienst waren van het Nederlands-Indisch Gouvernement en aan wie gedurende de Japanse bezetting van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 geen of niet volledig salaris is uitbetaald. In totaal zijn er op grond van deze regeling 593 uitkeringen gedaan.

Collectieve erkenning / Extra gebaar (2017-2022):

In 2017 is één miljoen euro beschikbaar gesteld teneinde collectieve erkenning van de Indische en Molukse gemeenschap te bevorderen. Daarnaast is een subsidie-regeling in het leven geroepen met hetzelfde doel. In het kader van 75 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog heeft het kabinet in 2020 nog 20,4 miljoen euro voor dit doel beschikbaar gesteld.

2.21.

In de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2000/01, 25 839, nr. 21), getiteld “Nadere uitwerking regeringsreactie naar aanleiding van het rapport van de Begeleidingscommissie Onderzoek Indische Tegoeden” is onder meer het volgende opgenomen:

“Onderzoek naar individuele claims

De rapporten van de Commissie-Van Galen en de Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden hebben inzichtelijk gemaakt dat onderzoek naar de tekortkomingen in het rechtsherstel op individueel niveau nauwelijks mogelijk is, omdat relevant archiefmateriaal ontbreekt. Per brief van 22 september 2000 heeft het Indisch Platform er bij mij op aangedrongen in te stemmen met de in het Inventarisatierapport Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden geformuleerde aanbevelingen voor aanvullend inventariserend onderzoek in buitenlandse archieven. Conform de toezegging in de regeringsreactie tot het laten uitvoeren van inventariserend onderzoek naar de haalbaarheid van het in behandeling nemen van individuele claims, stemt de regering in met de aanbevelingen. De regering zal zich inspannen om ten behoeve van het onderzoek toegang te krijgen tot de relevante buitenlandse archieven.

De regering stelt nogmaals voorop dat het voor rechthebbenden mogelijk blijft om individuele claims van (nabestaanden van) rechthebbenden, die voortvloeien uit het rechtsherstel, onder bepaalde voorwaarden alsnog in behandeling genomen worden. Uit overwegingen van coulance zal in die gevallen worden afgezien van een beroep op louter verjaring.”

2.22.

De minister van Financiën heeft tijdens het algemeen overleg van 8 februari 2001 met de (vaste commissies uit de) Tweede Kamer in verband met de tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog (Kamerstukken II 2000-2001, 25 839, nr. 23) voor zover van belang het volgende naar voren gebracht:

“De minister van Financiën geeft aan dat met rechtsherstel niet wordt gedoeld op een vergoeding van de schade die tijdens de oorlog is geleden. Het gaat om de inzet van de overheid om getraceerde goederen bij de rechthebbende terug te brengen. Door erop te wijzen dat Nederland de oorlog aan Japan verklaarde, wordt soms getracht uit te komen op een soort integrale schadevergoeding. Koningin Wilhelmina zou immers in een radio-oproep hebben gesteld dat er sprake zou zijn van compensatie van geleden oorlogsschade. Het is echter onmogelijk om iedere individuele schade als gevolg van verschillende oorlogshandelingen te vergoeden.

Bij het rechtsherstel zijn ongetwijfeld fouten gemaakt. De kernvraag daarbij is of de Nederlandse overheid op Indisch geld zit. Het bedrag van 350 mln. gulden is een tegemoetkoming voor juist het vermoeden dat het rechtsherstel, ook wat betreft de Nederlandse staat, niet helemaal perfect is verlopen. Het is immers naar de stellige overtuiging van de regering onmogelijk te achterhalen welke fouten zijn gemaakt en welke bedragen daarmee waren gemoeid. Dat laat de mogelijkheid van een individuele claim onverlet, ook al is er sprake van verjaring. Daarbij kan het breed historisch onderzoek wellicht aanknopingspunten bieden.”

2.23.

De staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in de brief van 28 april 2011 aan het Indisch Platform waarvan de Stichting deel uitmaakt onder meer het volgende geschreven (Kamerstukken II 2010/11, 20454, 103):

“Uit het verslag van het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 8 februari 2001 […] naar aanleiding van het regeringsstandpunt van 21 maart 2000 […] en nadere uitwerking van 12 december 2000 […] blijkt dat de regering met ‘het Gebaar’ beoogd heeft finaal recht te doen. De minister van VWS beantwoordt een vraag hierover als volgt:

“[…] De commissie-Van Galen en de technische commissie haalbaarheidsonderzoek hebben beide moeten vaststellen dat er teleurstellend weinig archiefmateriaal beschikbaar is. Na grondige bestudering van een en ander is het de overtuiging van de regering dat het breed historisch onderzoek weinig nieuwe aanknopingspunten, inzichten, feiten of claims zal opleveren inzake het rechtsherstel. Er is een maximale inspanning verricht om de feiten te achterhalen. De kans dat de Nederlandse regering ‘op Indisch geld’ zit is dan ook minimaal oftewel vrijwel uitgesloten […]”

Juist vanuit de overtuiging dat de Nederlandse regering niet ‘op Indisch geld’ zit is gezien de hoge leeftijd van de betrokkenen besloten ‘het Gebaar’ niet uit te stellen tot na het verschijnen van de onderzoeksresultaten. ‘Het Gebaar’ is dus finaal en de uitkomsten van het historische onderzoek, of het nu gaat om rechtsherstel volgens de door u aangehaalde definitie van onderzoeker Peter Keppy, backpay of oorlogsschade, doen daar niets aan af.

Ten aanzien van onderbouwde individuele claims heeft het kabinet overigens, zoals u bekend is, aangegeven dat deze niet zullen verjaren en dat de resultaten van de onderzoeken mogelijk kunnen helpen bij het onderbouwen van individuele claims. Van de bijna dertig claims, die ieder zijn voorgelegd aan de landsadvocaat, bleek desondanks dat geen ervan voldoende gefundeerd is om te kunnen honoreren.

[…]

Betekenis van de historische onderzoeken

De onderzoeken, onderdeel van ‘het Gebaar’, hebben geleid tot een verbreding en verdieping van historische kennis. Ten aanzien van de door u opgevoerde backpay-kwestie bevestigt onderzoeker Peter Keppy dat een claim niet gehonoreerd kan worden, aangezien met arresten van de Hoge Raad uit 1956 en 1958 vast is komen te staan dat er ten aanzien van de Nederlandse regering geen verplichting bestaat om achterstallige salarissen uit te betalen aan KNIL-militairen en oud-gouvernementsdienaren. Ook wordt bevestigd dat ten aanzien van oorlogsschade een claim voor schadevergoeding niet bij de Nederlandse overheid neergelegd kan worden.”

Eisers en de Stichting

2.24.

Eisers zijn op verschillende wijzen slachtoffer van de Japanse bezetter van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een aantal eisers is zelf, samen met familie, geïnterneerd geweest of heeft, eveneens samen met familie, zelf buiten de kampen geleden. Niet zelden is familie van deze eisers in of buiten het kamp aan ontberingen overleden. Daarnaast geldt dat in een aantal gevallen de echtgenoot of (groot)vader krijgsgevangene was genomen, welk krijgsgevangen-schap in een overwegend aantal gevallen tot de dood heeft geleid. Ten slotte is een aantal eisers na het einde van de Tweede Wereldoorlog geboren. Deze eisers hebben (groot)ouders die in hiervoor bedoelde zin onder de Japanse bezetter hebben geleden.

2.25.

Het dossier bevat indringende individuele relazen van eisers over hun ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Twee eisers hebben daarnaast hun verhaal tijdens de mondelinge behandeling gedaan. De relazen van eisers verhalen over onder meer stelselmatige uithongering, marteling, vernedering, ernstige ziekte en gebrek aan medische zorg, dwangarbeid en seksueel geweld; ontberingen die niet zelden tot de dood van familie van de eisers hebben geleid. Ook wordt in de relazen verteld over de vlucht voor het geweld van de Japanners en het geweld tijdens de zogenoemde Bersiapperiode waarin het geweld van de Indonesische vrijheidsstrijders zich mede richtte tegen Nederlanders waaronder (familie van) een aantal eisers. Deze vlucht ging gepaard met het plotselinge verlies van huis en haard en de confiscatie van bezittingen. Verder vertellen veel eisers over de uiterst negatieve invloed van de trauma’s op het latere gezinsleven en ook vaak – maar niet in alle gevallen – op het latere opleidings- en carrièreverloop. Veel eisers vertellen verder over de pijn van een kille ontvangst in Nederland. Ten slotte getuigen de relazen van de zogenaamde intergenerationele overdracht: de nadelige psychische gevolgen voor de na de oorlog geboren kinderen van de directe slachtoffers. Deze kinderen lijden onder het sterk door oorlogstrauma’s beïnvloedde gedrag van hun ouders.

2.26.

Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van eisers heeft de rechtbank in de loop van de procedure, op verzoek van eisers, bepaald dat de link tussen hun personalia en hun individuele relaas niet aan derden geopenbaard mag worden. Dit is geschied op grond van het bepaalde in artikel 28, eerste lid onder b., van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.27.

De statuten van de Stichting luiden, voor zover van belang, als volgt:

“2.1.1. De Stichting heeft ten doel: de behartiging van de belangen, zowel materieel als immaterieel, van al diegenen, die als Nederlandse en daarmee gelijkgestelde burgers en militairen, of hun directe nabestaanden tijdens de Tweede Wereldoorlog door toedoen van en/of onder directe respectievelijk indirecte verantwoordelijkheid van de Japanse overheid materiële en/of immateriële schade hebben geleden in het algemeen en door het gevangen houden in kampen en/of gevangenissen als krijgsgevangene, geïnterneerde of gedetineerde in het bijzonder.

2.1.2.

Meer in het bijzonder is het doel der Stichting om met alle ten dienste staande wettige middelen de door Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog bedreven schendingen der mensenrechten in het algemeen in de openbaarheid te brengen en erkenning te verwerven voor daardoor toegebrachte materiële en immateriële en/of psychische en fysieke schade zowel als de gevolgen daarvan; alsmede de Japanse erkenning van de aldus ontstane ereschuld jegens betrokkenen te bewerkstelligen onder gelijktijdige verklaring van Japanse zijde in het licht daarvan in te zien deze te moeten delgen middels financiële genoegdoening.

2.2.

De Stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door het verrichten van al datgene dat tot verwezenlijking van het doel der stichting bevorderlijk kan zijn, zoals het op zo ruim mogelijke schaal middels publiciteit, wekken van de belangstelling voor de activiteiten van de Stichting; in het bijzonder door de verkrijging van internationale erkenning ten einde ook buiten Nederland namens de onder 2.1.1. bedoelde personen te kunnen optreden en voorts door het aantrekken van donateurs, het inzamelen van gelden en/of goederen.”

Met aan Nederlanders “gelijkgestelde burgers en militairen” uit artikel 2.1.1 van deze statuten wordt bedoeld: personen zonder Nederlandse nationaliteit die hebben gediend als militair voor het KNIL of als ambtenaar voor de Nederlandse Staat.

De Stichting heeft thans ongeveer 2.800 donateurs. Naar schatting zijn er nog 49.500 eerste generatie oorlogsslachtoffers en 157.500 tweede generatie slachtoffers voor wier belangen de Stichting opkomt. De Stichting voert, als deelnemer aan het Indisch Platform, al jaren overleg met de Nederlandse Staat over compensatie ten behoeve van degenen voor wie zij opkomt. Ten slotte verzorgt de Stichting een maandelijkse demonstratie bij de Japanse ambassade in Den Haag.

Procedures in Japan

2.28.

Een aantal Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting heeft, bijgestaan door de Stichting, de staat Japan in de jaren negentig van de vorige eeuw gedagvaard voor de Japanse rechter.

2.28.1.

Het Tokyo District Court heeft in haar vonnis van 30 november 1998 afgewezen de vorderingen van die slachtoffers tot vergoeding van oorlogsschade. Deze vorderingen waren gegrond op artikel 3 van het (Haagse) Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog ter land van 18 oktober 1907 (Landoorlogsverdrag, Stb 1910, 73) en internationaal gewoonterecht. Het Tokyo District Court overwoog onder meer het volgende:

“(4) […] Article 3 of the Hague Convention only stipulates international responsibility of a State for its violations of the Regulations annexed thereto toward the injured State. It must be stated that in the courts of Japan, individuals who suffered damages by those acts of armed forces members in violation of international humanitarian law cannot claim for compensation against the State to which the offenders belonged. True, according to the evidence, today it is to be admitted that views exist which recognize the possibility of individual claims. Those are all personal views, however, and cannot be upheld by the present Court.

(5) According to the plaintiffs, by the time of World War II during which those alleged offending acts were committed, the rule provided in Article 3 of the Hague Convention had been established as a rule of international customary law that obligated an offending State to pay compensation to individuals who suffered damages due to its conduct violating not only the Hague Regulations, but also international humanitarian law in general. The plaintiffs allege that they obtained their right to claim for compensation against the respondent through this rule of international customary law. However, since Article 3 of the Hague Convention cannot be a ground to support the claim, it is clear that a rule of international law of the same content, even if it existed, cannot serve as the basis for the claim. Moreover, even if the allegation by the plaintiffs pointed to the existence of international customary law recognizing direct individual claims for compensation against the offending State irrespective of Article 3 of the Hague Convention, there exist no such rules of international customary law to date.”

2.28.2.

Het Tokyo High Court bekrachtigde het zojuist aangehaalde vonnis bij arrest van 11 oktober 2001. Het Tokyo High Court overwoog onder meer het volgende:

“As previously addressed […] prewar treaties which prescribed the liability of states that participated in wars did not allow for an individual right to bring action for the compensation of war injuries. Such is only allowed in diplomatic negotiations conducted between states. This reasoning clearly falls in line with the prewar Hague Convention which stipulates the liability of warring states. That is to say, Article 3 of the Hague Convention is nothing more than a provision which clarifies the international liability of those belligerent states who violate the Hague Regulations. In this case, the Appellants suffered injuries and the like caused by the actions of members of the military (the Japanese Military) in violation of international humanitarian laws, and seek the payment of compensations for the state to which military was associated with Japan, but a direct claim for compensation by an individual against a member nation is not permissible.

[…]

Article 14 (b) of the San Francisco Peace Treaty […]

The [Government of Japan] alleges that the Allied Powers waived rights to claims on behalf of their nationals under this provision (waiver of claims clause), exonerating Japan and its nationals from any legal obligations related to claims raised by the nationals of Allied Powers under domestic legal rights.

[…]

[the court] find[s] that all issues related to the mutual claims between the Allied Powers and their Nationals and Japan and its nationals were ultimately resolved through the waiver of rights clause of Article 14 (b) of the San Francisco Peace Treaty. Namely, the claims of individual nationals of the Allied Forces were “waived” by the Allied Powers, and as such, it is reasonable to understand that the actual claims of the nationals of the Allied Powers have been extinguished.

More precisely, if you take into consideration the course of the negotiations between the Dutch and Japan Delegates […] you find that both parties reached a decision that while “the types of private claims of the nationals of Allied Powers which the Japanese government should handle anonymously” persisted, as a result of the San Francisco Peace Treaty the nationals of Allied Powers would not receive satisfaction for such claims.

As such, all claims, including the claims of the individual nationals of the Allied Powers, were waived in exchange for Japan, through its defeat, assuming harsh burdens by surrendering overseas territories, giving up general national overseas assets not only in the Allied Powers but also in China, Taiwan, Korea, and the like, and using the assets of Japanese nationals located in neutral countries as a source of compensation […] An affirmation of a future direct individual claim as asserted by the Appelants would conflict with the diplomatic positions of the states corresponding thereto, and would fuel international tensions.”

2.28.3.

Het cassatieberoep tegen het hierboven aangehaalde arrest van het Tokyo High Court is bij beslissing van 30 maart 2004 door het Japanse Hooggerechtshof niet-ontvankelijk verklaard.

Aanloop naar deze procedure

2.29.

Bij brieven van 30 april 2020 heeft de Stichting minister-president Rutte en (toenmalig) staatssecretaris Blokhuis verzocht binnen zes weken aansprakelijkheid te erkennen voor de volledige oorlogsschade van (nabestaanden van) Nederlanders uit het voormalige Nederlands-Indië. Deze brieven zijn onbeantwoord gebleven.

3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair voor recht zal verklaren dat de Staat aansprakelijk is jegens eisers voor de door hen geleden en nog te lijden schade doordat de Staat jegens Japan afstand heeft gedaan van de vorderingen van eisers op Japan zonder eisers daarvoor volledig schadeloos te stellen;

subsidiair voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers doordat de Staat jegens Japan afstand heeft gedaan van de vorderingen van eisers op Japan zonder eisers daarvoor volledig schadeloos te stellen en de Staat sindsdien tot op heden onrechtmatig handelt jegens eisers door hen niet alsnog volledig schadeloos te stellen;

in alle gevallen de Staat zal veroordelen om aan eisers te vergoeden de door hen geleden en nog te lijden schade doordat de Staat jegens Japan afstand heeft gedaan van de vorderingen van eisers op Japan zonder eisers daarvoor volledig schadeloos te stellen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de inwerkingtreding van de Goedkeuringswet op 17 juni 1952, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen moment;

en de Staat zal veroordelen in de (na)kosten van deze procedure.

3.2.

Aan hun vorderingen leggen eisers en de Stichting ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, kort samengevat vanwege het navolgende.

3.2.1.

Het zonder compensatie afstand doen van vorderingen van Nederlandse onderdanen op de staat Japan ten gevolge van het inwerking laten treden van de Goedkeuringswet is volgens eisers en de Stichting in strijd met internationaal gewoonterecht inzake onteigening: ten tijde van het sluiten van het Vredesverdrag volgde volgens hen uit internationaal gewoonterecht dat een staat in beginsel bevoegd was tot onteigening, maar alleen wanneer die onteigening niet discriminatoir was en wanneer daarvoor compensatie werd geboden. Eisers stellen ten gevolge van de inwerkingtreding van de Goedkeuringswet onteigend te zijn, terwijl de Staat daarvoor geen compensatie heeft geboden. Het later vrijwillig door Japan betaalde bedrag is geen schadevergoeding en is ontoereikend. De door de Staat getroffen regelingen (opgenomen onder 2.20) voorzien niet in schadevergoeding voor oorlogsschade.

Deze onteigening is volgens eisers en de Stichting bovendien discriminatoir: de Nederlandse oorlogsslachtoffers uit voormalig Nederlands-Indië zijn namelijk ten onrechte anders behandeld dan de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter. Bij de afhandeling van de oorlogsschade veroorzaakt door de Duitse bezetter zijn claims van individuele onderdanen op Duitsland ook uitgesloten, maar de Staat heeft dit gat (deels) gedicht met vergoedingen op grond van de WMO.

3.2.2.

Het zonder compensatie afstand doen van rechtsvorderingen van Nederlandse onderdanen op Japan in het Yoshida-Stikker-Protocol valt volgens eisers en de Stichting voorts te kwalificeren als ontneming van eigendom in strijd met het (toen inmiddels in werking getreden) artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM – dat het recht op eigendom beschermt – en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Wat dat laatste betreft wijzen eisers en de Stichting wederom op hetgeen hierboven onder 3.2.1. is weergegeven over het verschil in behandeling tussen de afhandeling van oorlogsschade van de Nederlandse slachtoffers uit Nederlands-Indië enerzijds en die uit Nederland anderzijds.

3.2.3.

Ten aanzien van het subsidiair gevorderde stellen eisers en de Stichting dat ook het tot op de dag van vandaag in stand houden van de Goedkeuringswet en (de stilzwijgende goedkeuring van) het Yoshida-Stikker-Protocol zonder de slachtoffers en nabestaanden te compenseren een voortdurende onrechtmatige daad betreft, vanwege strijdigheid met het bepaalde in artikel 1 EP, artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Hierdoor maakt de Staat volgens eisers en de Stichting bovendien inbreuk op de geestelijke integriteit van de slachtoffers en nabestaanden die is beschermd in artikel 8 EVRM. In dit verband stellen eisers ook dat het niet bieden van adequate compensatie op voet van gelijkheid met medeburgers in Nederland ook als zodanig, als feitelijk handelen in strijd is met onder meer het gelijkheidsbeginsel en de maatschappelijke zorgvuldigheid.

3.2.4.

Onder oorlogsschade verstaan eisers immateriële schade veroorzaakt door de verschrikkingen die de slachtoffers van de Japanse bezetter hebben ondergaan, zoals opsluiting, marteling, uithongering, dwangprostitutie, vernederingen, plunderingen, dodenmarsen en het ontzeggen van adequate medische hulp. Ook de familieleden/nabestaanden van deze slachtoffers hebben immateriële schade geleden; zij hebben geleden onder de psychische problemen van de directe slachtoffers binnen hun familie (de zogenaamde tweede-generatie-problematiek). Daarnaast hebben die eisers die een kind zijn van een inmiddels overleden direct slachtoffer een door vererving verkregen vordering. Eisers begrijpen onder immateriële schade ook de (verergering van de) psychische problemen doordat de Staat nooit heeft erkend aansprakelijk te zijn voor hun oorlogsschade. Onder oorlogsschade verstaan eisers voorts materiële schade, bijvoorbeeld ten gevolge van de vernietiging van huizen, inboedels en de inbeslagname van aandelen en spaartegoeden en medische kosten.

3.3.

De Staat beroept zich op verjaring van de vorderingen en voert daarnaast inhoudelijk verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

De rechtbank zal, voor zover van belang, hierna nader op de stellingen van partijen ingaan.

4De beoordeling

Inleiding – kern van de zaak

4.1.

In deze zaak vorderen eisers verklaringen voor recht die erop neerkomen dat de Staat aansprakelijk is voor de volledige oorlogsschade van alle Nederlanders die onder de Japanse bezetter van Nederlands-Indië hebben geleden.

Kern van de zaak voor de eisers is, dat de Staat vorderingsrechten op Japan van deze Nederlanders heeft opgegeven in het kader van het Vredesverdrag met Japan, zonder dat deze Nederlanders daarvoor schadeloos zijn gesteld. Zij achten dat onrechtmatig. Eisers achten zich daarbij ook ten onrechte ongelijk behandeld, omdat ten aanzien van de Nederlanders die onder Duitse bezetting hebben geleden – van wie de vorderingen op Duitsland ook zijn opgegeven – wel is voorzien in (gedeeltelijke) vergoeding van oorlogsschade. Laatstgenoemde slachtoffers konden bijvoorbeeld een beroep doen op de Wet op de Materiële Oorlogsschaden (WMO), terwijl de Staat het bereik van deze wet niet heeft willen uitbreiden tot de schade van de Nederlanders die onder de Japanse bezetter hebben geleden.

De rechtbank begrijpt de achtergrond van de vorderingen van eisers verder aldus, dat niet in de eerste plaats morele erkenning voor het hen aangedane buitengewone leed (vgl. 2.25) wordt gezocht, maar veeleer erkenning in de vorm van een juridische aanspraak op de Staat. In de dagvaarding wordt dit bondig verwoord met het credo “Recht! Geen liefdadigheid!”. De, in verhouding tot de vergoedingen die aan slachtoffers van de Duitse bezetting zijn uitgekeerd, bescheiden bedragen die in de loop van de jaren aan de slachtoffers van de Japanse bezetting zijn uitgekeerd (vgl. 2.20) vormen volgens eisers geen vergoeding van oorlogsschade. Bovendien zijn deze bedragen uitgekeerd onder de vlag van een morele gehoudenheid daartoe nu een juridische verplichting volgens de Staat niet bestaat.

De Staat betwist onrechtmatig gehandeld te hebben, betwist voorts dat in het geheel geen oorlogsschade is vergoed en beroept zich bovendien op verjaring van de vorderingen.

4.2.

De rechtbank heeft na grondige beraadslaging moeten oordelen dat de juridische grondslag voor de vorderingen van eisers niet kan worden gevonden.

Dit gaat de rechtbank bijzonder aan het hart, nu zij de eisers die de buitengewone gruwelijkheden van de Japanners hebben moeten ondergaan en die zich in de nadagen van hun bewogen leven bevinden alsmede hun direct of indirect getroffen familieleden, uiteraard al het goede gunt. De rechtbank ziet echter geen mogelijkheid om de rechtsregels waaraan zij gebonden is op te rekken of opzij te zetten en kan, zoals hieronder zal blijken, om bepaalde feitelijkheden gewoonweg niet heen.

In de kern genomen komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat, nog ervan afgezien dat de vorderingen verjaard zijn, de vorderingen niet kunnen worden toegewezen omdat van een onteigening destijds geen sprake is geweest. Daarbij is van doorslaggevend gewicht dat ten tijde van de totstandkoming van het Vredesverdrag en het Yoshida-Stikker protocol geen (legitieme) verwachtingen hebben kunnen bestaan betreffende het bestaan van en de kans van slagen van individuele vorderingen van slachtoffers op Japan. Noch aan de stand van het volkerenrecht, noch aan de stand van het nationale Japanse recht kon in die tijd namelijk een dergelijke verwachting worden ontleend. Daarnaast kan de rechtbank er niet omheen dat later, in de jaren negentig, ook gebleken is dat de Japanse rechter individuele vorderingen van slachtoffers afwijst met een beroep op het volkerenrecht en dat er geen tekenen zijn dat de houding van de Japanse rechter binnen afzienbare tijd zal veranderen.

De rechtbank neemt ten slotte nog enkele kritische overwegingen op over de ongelijke behandeling van naar Nederland teruggekeerde slachtoffers van de Japanse bezetter in vergelijking met de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter, maar deze overwegingen zijn ten overvloede en kunnen reeds vanwege verjaring niet leiden tot toewijzing van de vorderingen. De rechtbank realiseert zich dat zij met bedoelde kritische overwegingen niet tegemoet komt aan de wens van eisers op een harde juridische erkenning. Het betreft dan ook geen substituut voor toewijzing. De rechtbank meent echter dat over die ongelijke behandeling niet kan worden gezwegen.

4.3.

De beoordeling valt in een aantal onderdelen uiteen. Eerst zal de rechtbank de ontvankelijkheid van de Stichting vaststellen (4.4 e.v.). Daarna zal de rechtbank het beroep op verjaring beoordelen (4.8 e.v.) dat dus gehonoreerd dient te worden. Vervolgens zal de rechtbank gezien de bijzondere aard van de zaak en in lijn met de wensen van partijen overwegingen ten overvloede opnemen over het opgeven van de vorderingsrechten (4.27 e.v.) en de ongelijke behandeling (4.52 e.v.).

Ontvankelijkheid Stichting

4.4.

De Stichting heeft haar vordering ingesteld als collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW (oud). Naar het oordeel van de rechtbank leent deze vordering zich voor een collectieve beoordeling en is ook verder aan de vereisten voor het instellen van een collectieve actie op grond van deze bepaling voldaan. De Staat heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. De Stichting is daarom ontvankelijk in de door haar gevorderde verklaringen voor recht.

4.5.

Niet in geschil is namelijk dat de gebeurtenissen waarop de vorderingen van de Stichting betrekking hebben, hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016, zodat op grond van artikel 119a lid 2 Overgangswet, artikel 3:305a BW (oud) van toepassing is.

4.6.

Op grond van artikel 3:305a BW (oud) kan een stichting met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, als zij deze belangen volgens haar statuten behartigt. Niet in geschil is dat de Stichting ook blijkens haar statuten de belangen behartigt van “al diegenen, die als Nederlandse en daarmee gelijk gestelde burgers en militairen, of hun directe nabestaanden” tijdens de Tweede Wereldoorlog door toedoen van de Japanse overheid schade hebben geleden. Daaronder vallen dus de slachtoffers van de Japanse bezetter met een Nederlandse nationaliteit en de kinderen van deze slachtoffers voor wie de Stichting in deze procedure opkomt. Ter zitting is overigens toegelicht dat met “daarmee gelijk gestelde burgers en militairen” gedoeld wordt op personen zonder de Nederlandse nationaliteit die hebben gediend als militair voor het KNIL of als ambtenaar voor de Nederlandse Staat.

4.7.

Artikel 3:305a BW (oud) schijft voor dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat de rechtsbescherming van de belanghebbenden efficiënt en effectief kan worden gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat de onrechtmatigheidsvraag zich leent voor collectieve beoordeling, dat wil zeggen geabstraheerd van de bijzonderheden in individuele gevallen. Ten aanzien van de vraag naar de verjaring geldt dat in beginsel ook. De vraag of de vorderingen op grond van de absolute termijn verjaard zijn, kan in algemene zin worden beantwoord, evenals de opgeworpen vraag naar het belang van de Staat bij zijn beroep erop en de vraag of de Staat geacht moet worden in het verleden afstand te hebben gedaan van dat beroep. Bij de beantwoording van de vraag echter of het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ligt dat genuanceerder omdat daarbij individuele omstandigheden doorslaggevend kunnen zijn. Zoals hieronder zal blijken, kan daarover in dit specifieke geval wel definitief worden geoordeeld. Daarbij is van belang dat de stellingen van de Stichting niet anders kunnen worden begrepen, dan dat zij ook dit laatste aspect in het kader van de collectieve actie beoordeeld wenst te zien.

Verjaring

4.8.

De Staat beroept zich dus op verjaring van de vorderingen van eisers. Eisers bestrijden dat hun vorderingen moeten worden afgewezen vanwege verjaring.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.9.

Bij de beoordeling van het beroep op verjaring is het vertrekpunt uiteraard de vordering. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat eisers de aansprakelijkheid van de Staat in de kern genomen baseren op het door de inwerkingtreding van de Goedkeuringswet en van het Yoshida-Stikker-Protocol onteigenen van de vorderingen op Japan van de Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter, zonder dat de Staat de volledige oorlogsschade van deze slachtoffers heeft vergoed. Het niet vergoeden van de oorlogsschade van de slachtoffers bracht bovendien een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van deze slachtoffers met zich ten opzichte van Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter. Met de Staat is de rechtbank verder van oordeel dat tijdens de totstandkoming van het Vredesverdrag en genoemd protocol de meest wezenlijke schade – de tijdens de Tweede Wereldoorlog geleden materiële en immateriële oorlogsschade – reeds was ontstaan.

4.10.

De rechtbank merkt gezien het voorgaande, evenals de Staat, als de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis aan, het niet vergoeden van volledige oorlogsschade aan Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter, althans op gelijke voet met de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter, nadat de vorderingen op Japan van deze slachtoffers definitief waren opgegeven door het stilzwijgend goedkeuren van het Yoshida-Stikker-Protocol. Met dit protocol werden de vredesonderhandelingen met Japan immers definitief afgesloten en vanaf dat moment stond ook vast dat bedoelde oorlogsschade (bij lange na) niet uit betalingen door Japan zouden kunnen worden vergoed.

Vanaf dat moment stond ook vast dat de vergoeding van oorlogsschade van Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter in negatieve zin uit de pas liep en zou blijven lopen ten opzichte van die vergoeding aan Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter, als de Staat niet tot nadere vergoeding zou overgaan. Duidelijk was toen al dat eerstgenoemde slachtoffers niet onder de werking van de WMO zouden worden gebracht en ook was de uitvoering van de Rehabilitatie-uitkering Indische Oorlogsslachtoffers afgerond. Andersoortige vergoedingen van de zijde van de overheid waren niet in het vooruitzicht gesteld. Tot slot was duidelijk dat op betalingen van Indonesische zijde niet kon worden gerekend.1 Het gevoel van onderbedeling leefde onder de slachtoffers van de Japanse bezetter destijds ook werkelijk. Dit wordt geïllustreerd door de, in een door partijen (in ander verband) meermalen aangehaalde NIOD-uitgave “Indische Rekening” op pagina 210 opgenomen prent die op 24 december 1954 is verschenen in een uitgave van de Nederlands-Indische Bond van Ex-krijgsgevangenen en Geïnterneerden (NIBEG). Op deze prent is verbeeld dat een Indisch oorlogsslachtoffer (verbeeld als kind) tegen zijn moeder zegt: “Moeder, waarom krijgt hij [zijn broer die kennelijk een slachtoffer van de Duitse bezetting verbeeldt, rb] altijd zoveel meer dan ik? Ik ben toch óók Uw eigen kind!!”

De schadeveroorzakende gebeurtenis dient gezien het voorgaande geplaatst te worden op de datum van de stilzwijgende goedkeuring van het Yoshida-Stikker-Protocol op 1 juni 1956.

4.11.

De vraag naar de verjaring van de vorderingen dient naar het destijds geldende recht te worden beantwoord (op grond van artikel 173 juncto artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW).

4.11.1.

Destijds gold de Verjaringswet 1924 waarin de verjaringstermijn van rechtsvorderingen ter zake van geldschulden van het Rijk op vijf jaar werd gesteld. Deze termijn ving aan op 31 december van het jaar waarin de schuld opvorderbaar was geworden, meer in het bijzonder op het tijdstip waarop de bevoegdheid was ontstaan om onmiddellijk de nakoming van de verbintenis te eisen. Laatstgenoemd tijdstip lag ten aanzien van vorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad op het moment waarop de schade is ontstaan, ongeacht de vraag of de schuldeiser op dat moment bekend was met het bestaan van de verbintenis uit onrechtmatige daad.

4.11.2.

Daarnaast gold de algemene, absolute verjaringstermijn van dertig jaar opgenomen in artikel 2004 van het oude Burgerlijk Wetboek (hierna: OBW). Deze termijn ving aan zodra de bevoegdheid om onmiddellijke nakoming van de verbintenis te verlangen was ontstaan, eveneens ongeacht of de schuldeiser op dat moment bekend was met zijn vordering.

4.12.

Nu de schadeveroorzakende gebeurtenis zich meer dan dertig jaar geleden heeft voorgedaan, zijn de vorderingen van eisers – van de directe slachtoffers en daardoor ook die van hun (klein)kinderen – op grond van de Verjaringswet 1924 alsook op grond van artikel 2004 OBW verjaard.

4.13.

Eisers betogen dat zij hun vorderingen ook baseren op een tot op de dag van vandaag voortdurende onrechtmatigheid, namelijk het nalaten de onrechtmatige toestand op te heffen door alsnog te voorzien in compensatie van bedoelde oorlogsschade. Iedere dag dat de Staat nalaat tot financiële compensatie over te gaan en aldus nalaat om de Nederlandse rechtsorde in overeenstemming te brengen met internationale verdragen, houdt volgens eisers een nieuwe zelfstandige onrechtmatige daad in. Deze voortdurende onrechtmatigheid blijft volgens eisers ook voortdurende schade veroorzaken: zij wijzen erop dat de weigering van de Staat om de schade te vergoeden bij enkele individuele eisers en zeer waarschijnlijk bij meer slachtoffers psychische problemen heeft veroorzaakt, althans hun psychische problemen wegens de oorlogservaringen niet alleen heeft verergerd, maar ook blijft verergeren.

4.14.

Zonder ook maar enigszins afbreuk te willen doen aan de ernst van de zojuist genoemde psychische problemen, kan dit betoog naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander (verjarings)oordeel leiden. Nog ervan afgezien dat de rechtbank bij inhoudelijke beoordeling van de vorderingen niet tot een (voortdurende) onrechtmatige toestand zal concluderen die in overeenstemming moet worden gebracht met artikel 1 EP, stuit het betoog af op de vaststelling van de rechtbank dat de meest wezenlijke schade die gevorderd wordt en die de kern vormt van deze procedure medio 1956 al was ontstaan. Dat betreft zoals gezegd de materiële en immateriële oorlogsschade ontstaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zoverre bestaat er dan ook een verschil met de situatie in het zogenaamde TMG/Staat-arrest (Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677) waarbij eisers aansluiting zoeken: in die situatie bleef de (kern)schade wel doorlopend ontstaan.

4.15.

Het beroep van eisers op het arrest Parkeergarage Zandvoort (Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412) gaat evenmin op; anders dan in het geval waarover dit arrest gaat, kan in het onderhavige geschil een objectief, eenduidig tijdstip worden bepaald van de gebeurtenis die de (meest wezenlijke) schade zou hebben veroorzaakt, waardoor over de aanvang van de verjaringstermijn geen onzekerheid bestaat.

Afstand beroep op verjaring?

4.16.

De rechtbank gaat niet mee in het betoog van eisers dat de Staat afstand zou hebben gedaan van het beroep op verjaring als bedoeld in artikel 3:322, tweede lid, BW. Anders dan eisers is de rechtbank namelijk van oordeel dat eisers de passage “Ten aanzien van onderbouwde individuele claims heeft het kabinet overigens, zoals u bekend is, aangegeven dat deze niet zullen verjaren” uit de brief van de staatssecretaris van 28 april 2011 aan de Stichting (zie 2.33) redelijkerwijs niet aldus heeft mogen opvatten dat de Staat daarmee (ook) afstand deed van het beroep op verjaring ten aanzien van de vorderingen die thans aan de orde zijn.

4.17.

De aangehaalde passage grijpt terug op hetgeen de minister eind december 2000 aan de Tweede Kamer had geschreven (zie 2.31), namelijk: “De regering stelt nogmaals voorop dat het voor rechthebbenden mogelijk blijft om individuele claims van (nabestaanden van) rechthebbenden, die voortvloeien uit het rechtsherstel, onder bepaalde voorwaarden alsnog in behandeling genomen worden. Uit overwegingen van coulance zal in die gevallen worden afgezien van een beroep op louter verjaring.” Deze passage zag op individuele claims in het kader van rechtsherstel ten aanzien van de zogenaamde Indische tegoeden. Analoog aan het onderzoek naar slapende Joodse tegoeden die in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers in beslag waren genomen en na die oorlog niet waren geretourneerd, was een commissie Onderzoek Indische Tegoeden (de commissie Van Galen) geïnstalleerd die onderzoek heeft gedaan naar particuliere bank- en levensverzekeringstegoeden bij financieringsinstellingen in Indonesië en door de Japanners in beslag genomen particuliere eigendommen.

4.18.

De reikwijdte van dit begrip rechtsherstel is kort daarna, tijdens het algemeen overleg van 8 februari 2001 (naar welk overleg ook in de brief aan de Stichting wordt verwezen) expliciet omschreven door de minister van Financiën: “dat met rechtsherstel niet wordt gedoeld op een vergoeding van de schade die tijdens de oorlog is geleden. Het gaat om de inzet van de overheid om getraceerde goederen bij de rechthebbende terug te brengen.” De minister van Financiën merkte verder op dat de kernvraag daarbij is of de Nederlandse overheid op Indisch geld zit. In de brief aan de Stichting refereert de staatssecretaris in dezelfde alinea als waarin de bedoelde afstand van verjaring wordt gememoreerd ook aan die kernvraag (“Juist vanuit de overtuiging dat de Nederlandse regering niet ‘op Indisch geld’ zit …”). Op grond van deze omstandigheden mochten eisers redelijkerwijs niet ervan uitgaan dat de Staat een beroep op verjaring achterwege zou laten in deze zaak, waarin niet het terughalen van getraceerde goederen aan de orde is. De rechtbank overweegt daarbij nog ten overvloede dat een andersluidend oordeel mogelijk tot het ongewenste gevolg zou kunnen leiden dat de Staat in de toekomst terughoudender zou kunnen zijn in het doen van afstand van zijn recht op verjaring in bepaalde kwesties uit vrees dat de reikwijdte van die afstand niet valt te overzien.

Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

4.19.

Eisers beroepen zich er in dit verband ten slotte nog op dat het beroep op verjaring van de vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ten aanzien van vorderingen waarvan de (objectieve, lange) verjaringstermijn is verstreken slechts in uitzonderlijke gevallen van bedoelde onaanvaardbaarheid sprake kan zijn. Dit houdt verband met het belang van rechtszekerheid. Van uitzonderlijke gevallen is sprake indien ernstige schade zich pas openbaart na verloop van de verjarings-termijn; de rechtspraak kent hier een voornaam voorbeeld van, te weten de ernstige gezondheidsschade ten gevolge van blootstelling aan asbest die zich eerst na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn manifesteerde. Ook kan van een uitzonderlijk geval sprake zijn indien bijzondere persoonlijke omstandigheden eraan in de weg hebben gestaan dat een gelaedeerde tijdens de verjaringstermijn zijn vordering kon instellen. In de rechtspraak is dit gehonoreerd ten aanzien van destijds in Indonesië wonende Indonesische eisers die zaken hadden aangespannen die verband hielden met door de Nederlandse Staat uitgevoerde standrechtelijke executies en marteling in Nederlands-Indië tijdens de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de soevereiniteitsoverdracht. Deze eisers hadden gezien hun juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie decennia lang geen toegang tot de Nederlandse rechter.

4.20.

De vraag of het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dient in beginsel te worden beantwoord op grond van de individuele omstandigheden van iedere individuele eiser. De door eisers (impliciet) gevraagde beoordeling in het kader van een collectieve actie ligt niet direct voor de hand, maar is in deze zaak gerechtvaardigd, mede met het oog op een efficiënte rechtsbedeling.

4.21.

Bij de vraag of een beroep op verjaring onaanvaardbaar is, moet (in het kader van de toets aan de zogenaamde gezichtspunten uit het Van Hese/De Schelde-arrest (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635)) worden vastgesteld of sprake is van een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin.

4.22.

Eisers bepleiten dat sprake is van een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin vanwege een (algemene) psychische belemmering bij slachtoffers van de Japanse bezetter die ertoe heeft geleid dat zij niet tijdig een vordering hebben kunnen instellen. Zij beroepen zich in dat verband op de volgende uitspraak van toenmalig minister-president Lubbers (Kamerstukken II/1990/91 22 149, nr. 2, p. 9): “Mij is tijdens de ontmoeting met de mensen uit de Indische gemeenschap iets duidelijk geworden […] Je ziet daarbij heel nadrukkelijk dit verschijnsel, dat wij nu in een fase zitten dat velen die toen jong waren – kinderen, opgroeiende kinderen – eigenlijk nu pas toekomen in alle volheid aan de problemen die het oplevert. Een tijdlang is het wat weggedrukt en verzwegen, voor een deel is het ook wat op de achtergrond gebleven, doordat men een bepaalde carrière gemaakt heeft en een aantal jaren zeer actief bezig is geweest, maar op een bepaalde leeftijd ondervindt men een terugslag. Dan gaan de oude wonden als het ware weer open”.

4.23.

Zonder eraan af te doen dat het door Lubbers beschreven proces – het proces waarin geleden pijn en het trauma een tijdlang is weggedrukt – voor een aanzienlijk deel van de slachtoffers ongetwijfeld realiteit zal zijn geweest, is de rechtbank met de Staat van oordeel dat het onvoldoende grond vormt voor de juridische conclusie dat sprake is van verborgen schade of een andere verjaringsrechtelijk gezien uitzonderlijke situatie (vgl. rechtbank Den Haag 26 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:432, 5.28). Wat dit laatste betreft is de rechtbank voorts met de Staat van oordeel dat een vergelijking met de eerder genoemde zaken betreffende de Indonesiërs die slachtoffer waren geworden van de standrechtelijke executies en martelingen niet opgaat. De juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie van de eisers in die zaken, welke positie aan toegang tot de Nederlandse rechter lange tijd in de weg stond, is niet zonder meer gelijk te stellen aan die van de naar hun vaderland teruggekeerde slachtoffers van de Japanse bezetter. Ten aanzien van de vraag naar de mogelijkheden tot het starten van een procedure tegen de Staat kan de rechtbank niet eromheen dat reeds vóór

1 juni 1956 procedures waren gestart tegen de Staat over de afwikkeling van de schade van slachtoffers van de Japanse bezetter; zo stelden een onderwijzer en een ex-KNIL-militair, weliswaar uiteindelijk tevergeefs, de Staat in rechtszaken die ook door de media werden gevolgd aansprakelijk voor gederfde salarisbetalingen tijdens de Japanse bezetting. Het gegeven dat reeds in de jaren vijftig is geprocedeerd – alsook overigens in de jaren zeventig (gerechtshof ’s-Gravenhage 1 mei 1975, NJ 1976, 235), staat ook eraan in de weg een vergelijking te maken met de zaak van de advocaat in wiens zaak de vijfjarige verjaringstermijn opzij werd geschoven omdat verontschuldigbaar was dat hij niet binnen die termijn een (tegen)vordering had ingesteld na in rechte te zijn betrokken door de Raad voor de rechtspraak, het Haagse gerechtsbestuur en een rechter en daarmee de Staat tegenover zich vond (HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047).

4.24.

Namens eisers is in dit verband nog bepleit dat er geen rechtens te beschermen belang valt aan te wijzen dat een beroep op verjaring rechtvaardigt. De rechtbank begrijpt dat eisers daarbij gezichtspunt e. uit het Van Hese/De Schelde-arrest op het oog hebben. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er geen enkel belang van de Staat valt aan te wijzen. De Staat heeft er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat de feiten na een tijdsverloop van vijfenzeventig jaar na dato niet meer goed, althans aanmerkelijk minder goed kunnen worden vastgesteld. Eisers moet worden nagegeven dat dit argument voor de vraag naar de aansprakelijkheid niet opgaat – de gang van zaken rond de totstandkoming van het Vredesverdrag en het Yoshida-Stikker-protocol is volledig schriftelijk vastgelegd en ook thans nog te raadplegen – maar anders ligt dat ten aanzien van de feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog en die zouden moeten worden betrokken bij de begroting van de schade in de schadestaatprocedure waartoe de onderhavige procedure in de visie van eisers dient te leiden.

4.25.

De overige beschouwingen van eisers in het kader van de onaanvaardbaarheid zijn met name geënt op de stelling dat een overheid die bewust de vorderingen heeft weggecontracteerd zonder de schade te vergoeden en die dus onrechtmatig heeft gehandeld geen beroep op verjaring toe dient te komen, mede omdat diezelfde Staat al jaren in gesprek is met de (belangenbehartigers van) de slachtoffers en al doende verwachtingen heeft gewekt over vergoeding van oorlogsschade.

De rechtbank zal echter hieronder oordelen dat van het onrechtmatig wegcontracteren geen sprake is. Daarmee is ook een wezenlijk verschil gegeven met de eerder genoemde zaken van de Indonesische eisers over de standrechtelijke executies en marteling; daarin stond namelijk niet alleen vast dat de Staat onrechtmatig had gehandeld, maar ook dat, anders dan in deze zaak, de Staat verantwoordelijk was voor de misdrijven die tot de schade hadden geleid. Nu voorts namens de Staat nooit de verwachting is gewekt dat hij zelf van oordeel is dat hij op grond van onrechtmatige daad gehouden is oorlogsschade te vergoeden, kan op die grond ook niet worden geconcludeerd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gezien het voorgaande kunnen eventuele individuele omstandigheden van niet in deze procedure als individuele eiser optredende slachtoffers niet tot een ander verjaringsoordeel leiden, nog afgezien van de vraag of bij zo’n oordeel gezien het inhoudelijke oordeel over de vorderingen, nog wel belang bestaat.

4.26.

Gezien het voorgaande zijn de vorderingen van eisers verjaard. De rechtbank zal nu de vorderingen, anders dan gebruikelijk, maar in lijn met het verzoek van partijen, desalniettemin inhoudelijk beoordelen.

Opgeven vorderingen zonder vergoeding van oorlogsschade onrechtmatig?

4.27.

De rechtbank gaat nu over tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. Uiteraard heeft als beginpunt te gelden -en eisers onderschrijven dat natuurlijk ook- dat het buitengewone leed niet is veroorzaakt onder verantwoordelijkheid van de Staat. De rechtbank begrijpt de stellingen van eisers verder zo, dat zij terecht niet betogen dat de Staat ingevolge het internationaal recht het Vredesverdrag tussen de geallieerde mogendheden en Japan en het Yoshida-Stikker-Protocol niet had mogen sluiten, of een ander, voor eisers gunstiger resultaat had kunnen en moeten bereiken. Met name springen daarbij in het oog de ondergeschikte positie van Nederland ten aanzien van de overige geallieerde mogendheden – met name de VS en het VK – en de afhankelijkheid van Nederland van deze mogendheden die aanstuurden op een financiële afwikkeling die Japan op termijn in staat zou stellen op de been te blijven. Hierop werd aangestuurd om een tweede Versailles te voorkomen; deze mogendheden wilden voorkomen dat Japan dusdanig financieel klem werd gezet dat in dat land een voedingsbodem zou ontstaan voor herhaalde vijandigheid ten opzichte van de overwinnaars zoals in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog in het geval van Duitsland is geschied. Verder viel voor de Staat niets te verwachten van het sluiten van een afzonderlijk vredesverdrag met Japan. Artikel 26 van het Vredesverdrag stond daaraan in wezen in de weg. Dit artikel bepaalt namelijk dat, indien Japan een afzonderlijk vredesverdrag zou sluiten onder gunstiger voorwaarden voor de wederpartij, alle geallieerde mogendheden automatisch dezelfde voordelen zouden krijgen. Gezien de uiterst beperkte financiële speelruimte van Japan was een wezenlijk gunstiger afzonderlijk vredesverdrag dus illusoir.

4.28.

Dat landen in het kader van een (protocol bij een) verdrag overeenkomen dat een lumpsum zal worden betaald ter vergoeding voor oorlogsschade in welk kader afstand wordt gedaan van nadere schadevergoeding is niet in strijd met het internationale recht. Dit is ook een conclusie in het in 1991 verschenen rapport van de Commissie van Advies inzake Volkerenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) en is bovendien in lijn, zoals de Staat betoogt, met het oordeel van het Internationaal Gerechtshof van 3 februari 2012 inzake de Jurisdictional Immunities of the State, luidende “it is difficult to see that international law contains a rule requiring the payment of full compensation to each and every individual victim as a rule accepted by the international community of States as a whole as one from which no derogation is permitted”.

4.29.

In de kern genomen verwijten eisers de Staat geen volledige compensatie te hebben geboden voor het in het Vredesverdrag en in het Yoshida-Stikker-Protocol onteigenen, ofwel “wegcontracteren”, van de vorderingen van de Nederlandse slachtoffers op de Japanse staat, terwijl hij wel, althans meer, compensatie voor oorlogsschade heeft geboden aan de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetting, van wie de vorderingen ook zijn weggecontracteerd, maar dan in het vredesverdrag met Duitsland.

4.30.

Eisers stellen dus dat dit wegcontracteren als een onteigening moet worden beschouwd, op grond waarvan de Staat gehouden is tot volledige compensatie.

Partijen verschillen in dit verband van opvatting over een aantal vraagstukken, bijvoorbeeld of ten tijde van de inwerkingtreding van de Goedkeuringswet in 1952 internationaal gewoonterecht inzake onteigening gold dat door de Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter kon worden ingeroepen, of de Goedkeuringswet wel mag worden getoetst aan dit eventuele internationale gewoonterecht, of in het Vredesverdrag en in het Yoshida-Stikker-Protocol wel sprake is van onteigening en, zo ja, of is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan een rechtmatige onteigening op grond van eventueel gewoonterecht en het ten tijde van het Yoshida-Stikker-Protocol inmiddels in werking getreden artikel 1 EP dat het recht op eigendom beschermt.

4.31.

Het meest verstrekkende verweer van de Staat luidt echter dat van onteigening, ofwel “ontrechting”, hoe dan ook geen sprake kan zijn geweest. De Staat bepleit dat door oorlog getroffen burgers destijds geen individueel vorderingsrecht tot vergoeding van oorlogsschade konden ontlenen aan het destijds geldende internationaal publiekrecht, en in het bijzonder niet aan artikel 3 van het Landoorlogsverdrag.

4.32.

Dit verweer richt zich op de dragende vooronderstelling die aan de onder 4.9 weergegeven stelling van eisers ten grondslag ligt. Deze vooronderstelling luidt, dat ten tijde van bedoeld verdrag en protocol een gerede kans zou hebben bestaan dat de Japanse rechter oorlogsschadevorderingen van individuele slachtoffers op de Japanse staat zou honoreren, indien Nederland zich bij bedoeld verdrag en protocol niet zou hebben aangesloten. Of anders, meer juridisch, gezegd: dat eisers destijds een gerechtvaardigde verwachting hadden dat hun vorderingsrechten door de Japanse rechter zouden worden erkend en dientengevolge een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen en dat hen een kans is ontnomen om die vermogenswaarde via de Japanse rechter te verzilveren.

4.33.

De rechtbank dient dan ook te beoordelen of eisers onteigend zijn en in de eerste plaats of hen inderdaad eigendom in de vorm van een (enigszins) kansrijke vordering op Japan is ontnomen. De rechtbank laat in het midden of, zoals tussen partijen ter discussie staat, vóór de inwerkingtreding van artikel 1 EP in 1954 al internationaal gewoonterecht ter zake onteigening bestond. Hierboven heeft de rechtbank in het kader van de beoordeling van de verjaring als de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis aangemerkt het niet vergoeden van volledige oorlogsschade aan Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter nadat de vorderingen op Japan van deze slachtoffers definitief waren opgegeven door het stilzwijgend goedkeuren van het Yoshida-Stikker-Protocol op 1 juni 1956. Op deze datum gold artikel 1 EP al. Bovendien zal, indien ook de eerder gelegen datum van de inwerkingtreding van de Goedkeuringswet van belang zou zijn en het door eisers bepleite gewoonterecht bestaat, bij de begripsbepaling van “eigendom” aansluiting moeten worden gezocht bij het begrip eigendom onder artikel 1 EP. Eisers onderkennen dit ook en hebben bovendien geen andersluidende begripsbepaling onder bedoeld gewoonterecht naar voren gebracht.

4.34.

Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) over het begrip eigendom uit artikel 1 EP volgt, dat moet worden onderzocht of sprake is van “existing possessions” of van een “legitimate expectation” dat in de toekomst een eigendomsrecht zal worden verkregen. Zo’n legitieme verwachting moet kunnen worden gebaseerd op een wettelijke grondslag of moet “a solid basis in the (domestic) case-law” hebben.

4.35.

Teneinde te beoordelen of de door eisers gestelde vorderingen op Japan kwalificeren als eigendom moet dus worden bepaald of ten tijde van de gestelde onteigening een wettelijke grondslag of een solide basis in de jurisprudentie voor die vorderingen valt aan te wijzen. In dat verband is het nodig om in te gaan op artikel 3 van het Landoorlogsverdrag en hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht.

4.36.

Artikel 3 van het Landoorlogsverdrag, dat is vastgelegd tijdens de Tweede Vredesconferentie in Den Haag in 1907, luidt: “De oorlogvoerende Partij, die de bepalingen van het [Landoorlogs]reglement (dat een codificatie van de regels en gebruiken van oorlogsvoering bevat, rb) schendt, is, indien daardoor schade is geleden, tot schadeloosstelling gehouden. Zij is verantwoordelijk voor alle feiten door de personen, die van hare gewapende macht deel uitmaken, gepleegd”.

4.37.

Nu de tekst van dit artikel 3 niet direct uitsluitsel geeft – er wordt niet expliciet in bepaald of een vorderingsrecht ten behoeve van individuen wordt verleend of dat schade van individuen in het kader van (vredes)verdragen tussen staten wordt geadresseerd – zijn de voorbereidende werken op de verdragstekst, de statenpraktijk, de rechtsgeleerde literatuur en eventuele rechtspraak van belang bij de beantwoording van de vraag of dit artikel destijds een solide wettelijke grondslag verschafte voor een individuele vordering op een vreemde staat.

4.38.

De Staat wijst wat betreft de voorbereidende werken op enige stellingen van Zwitserse, Duitse en Engelse afgevaardigden in de aanloop naar de vaststelling van artikel 3 Landoorlogsverdrag, waaruit volgens hem kan worden opgemaakt dat dit artikel zo moet worden uitgelegd dat de schade van zowel burgers van staten in oorlog, als de schade van burgers van neutrale staten op interstatelijk niveau zou moeten worden afgehandeld en niet in procedures van individuele burgers tegen de vreemde staat die zijn schade heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de schade van burgers van een neutraal land werd opgemerkt: “The settlement of indemnities due to neutrals can most of the time take place without delay for the simple reason that the responsible belligerent State is at peace with their country […] which will permit the two States to discharge easily and without delay all cases presented.” Ten aanzien van de schade van burgers van een land in oorlog werd vervolgens opgemerkt: “The same facility or possibility does not exist between the belligerents by the very fact of war, and although the right to an indemnity arises in favor of their respective ressortissants as well as in favor of neutrals, the settlement of the indemnities between belligerents can scarcely be arranged and made effective until the conclusion of peace”.

4.39.

De Staat wijst voorts erop dat bedoelde interstatelijke schadeafdoeningen ook statenpraktijk zijn geweest vanaf eind van de 18e eeuw. Ter ondersteuning daarvan wijst hij op een passage uit het eerder genoemde advies van de CAVV uit 1991:

“In 1907 kwam in Den Haag het zgn. Landoorlogsverdrag tot stand. In artikel 3 van dit Verdrag werd de aansprakelijkheid van een bij een gewapend conflict betrokken staat neergelegd voor schade van individuen, die het gevolg is van een schending van het bij het Landoorlogsverdrag behorende Landoorlogsreglement, gepleegd door een persoon die behoort tot het leger van de betrokken staat. Hoewel door de opstellers van dit artikel werd beoogd voor het individu zelf een recht op schadevergoeding te creëren, is dit artikel, voorzover de Commissie bekend, in de praktijk nooit op deze wijze toegepast. In plaats daarvan heeft zich, overigens reeds sinds het eind van de 18e eeuw, een praktijk ontwikkeld, waarbij partijen bij een conflict door middel van het instellen van claimcommissies of door het treffen van lump sum regelingen de door burgers geleden schade als gevolg van onrechtmatige handelingen regelden […] Het soms naar voren gebrachte argument dat er een regel van ius cogens (dwingend recht; regels waarvan niet bij verdrag mag worden afgeweken) zou bestaan, die zou inhouden dat er een plicht tot individuele schadevergoeding zou bestaan aan particulieren voor schending van het oorlogsrecht, wordt door deze praktijk niet gedragen. Ook naar huidig recht bestaat er niet een dergelijke regel van ius cogens.”

4.40.

Verder wijst de Staat nog op een passage uit een gezaghebbend commentaar uit 1958 op artikel 148 van het Verdrag van Genève uit 1958 (waarin ook wordt ingegaan op artikel 3 Landoorlogsverdrag dat daarmee sterke overeenkomsten vertoont): “[…] it is inconceivable, at least as the law stands today, that claimants should be able to bring a direct action for damages against the State in whose service the person committing the breach was working. Only a State can make such claims on another State, and they form part, in general, of what is called “war reparations”2. Ten slotte citeert de Staat uit teksten van juridische auteurs die vanaf eind jaren tachtig zijn verschenen, waaronder een tekst van hoogleraar Tomuschat uit 2014 waarin de stand van het internationale recht op dit punt aldus wordt uitgelegd dat individuele burgers alleen via hun eigen staat vergoeding van oorlogsschade kunnen verkrijgen. Tomuschat vindt de ratio daarvan in een analogie met een faillissementsprocedure waarbij de totale schuldenlast en de financiële mogelijkheden van de gefailleerde min of meer in overeenstemming moeten worden gebracht, waarbij in het geval van vredesverdragen het volgende geldt: “Some formula has to be found which, on the one hand, permits the injured nations to obtain reparation, but which, on the other hand, permits te debtor nation to survive and thereby also to generate the financial means needed for the reconstruction programmes of the victim nations […] If every injured individual were entitled to bring an individual claim before a competent judicial body, such an overall assessment would be simply impossible”3.

4.41.

Eisers, die overigens de bewijslast dragen van de gerechtvaardigde verwachting, wijzen erop dat de stellingen van de zojuist genoemde afgevaardigden gemaakt tijdens de totstandkoming van artikel 3 Landoorlogsverdrag diametraal anders dienen te worden uitgelegd en wel dat met dit artikel bedoeld was een individueel claimrecht op een staat te creëren, zoals ook in de zojuist aangehaalde passage uit het advies van de CAVV wordt onderkend. Eisers wijzen bijvoorbeeld op een uitspraak van de Britse delegatie: “I do not deny the obligation which exists for a belligerent Power to compensate those who have been the victims of violations of the laws and customs of war and Great Britain does not wish in any way to avoid its obligations”. Daarnaast wijzen eisers erop dat zij in die lezing verder met name worden gesteund door opinies van professor F. Kalshoven vanaf 19914 (“The records of the conference that adopted the text, i.e. the Second Hague Peace Conference 1907, provide convincing evidence that the delegates sought not so much to lay down a rule relating to the international responsibility of one State vis-à-vis another, as one relating to a State’s liability to compensate the losses of individual persons incurred as a consequence of their direct (and harmful) contact with its armed forces”) en een aantal juridische opinies van anderen van later datum, waaronder een opinie uit 1999 van professor Greenwood5, alsmede de inhoud van de Basic Principle VN-resolutie (64/109) van 16 december 2005.

4.42.

Op grond van hetgeen naar voren is gebracht kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat op 1 juni 1956 op grond van een solide wettelijke of jurisprudentiële basis een legitieme verwachting bestond dat Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter individuele vorderingsrechten hadden op Japan. Destijds blijkt de dominante opvatting over artikel 3 Landoorlogsverdrag te zijn dat dit geen individuele vorderingsrechten verschaft, met name ingegeven door de ongewijzigde statenpraktijk vanaf het eind van de 18e eeuw dat oorlogsschade wordt vergoed door betaling van een lumpsum van de ene aan de andere staat in het kader van een vredesverdrag of het instellen van een claimcommissie, zoals de CAVV in haar advies heeft geconcludeerd. Dat deze statenpraktijk wel vast staat, blijkt wel uit de omstandigheid dat ook eerdergenoemde professor Kalshoven deze onderkent (“State practice has proved disappointing […] Article 3 of the Convention has in important respects remained “law of the books”)6. In het eerder genoemde standaardwerk over het Internationaal Humanitair recht van destijds was opgenomen dat een dergelijk vorderingsrecht “inconceivable” was. Eisers hebben geen bronnen naar voren gebracht uit die tijd die bedoelde gerechtvaardigde verwachting ondersteunen; hun bronnen dateren uit de periode vanaf begin jaren negentig. Ook blijkt uit de stellingen van eisers niet van een medio 1956 reeds gevormde, solide jurisprudentiële basis waaruit volgt dat individuele burgers (met succes) vreemde staten hadden aangesproken voor hun oorlogsschade. De rechtbank is overigens ook ambtshalve niet bekend met een dergelijke basis. Dat een aantal decennia later de opvatting terrein wint dat de opstellers van artikel 3 Landoorlogsverdrag wel het toekennen van individuele vorderingsrechten voor ogen stond en dat de Statenpraktijk daarop aangepast dient te worden, kon uiteraard niet bijdragen aan een legitieme verwachting in juni 1956. Benadrukt wordt dat in dit verband niet doorslaggevend is wat op dit moment de juiste interpretatie van artikel 3 Landoorlogsverdrag op dit punt volgens deze rechtbank is, maar welke interpretatie de (Japanse) rechter daaraan, naar destijds kon worden voorzien, zou geven.

4.43.

De rechtbank kan er verder niet omheen dat in de jaren negentig van de vorige eeuw gebleken is dat de Japanse rechter ook werkelijk vorderingen heeft afgewezen van Nederlanders die geleden hebben onder de Japanse bezetter.

Dergelijke voreringen zijn afgewezen, ondanks de hoop dat het overlijden in februari 1989 van de Japanse keizer Hirohito – wiens persoon werd beschouwd als een onoverkomelijk obstakel voor enige tegemoetkoming in de richting van de slachtoffers – en de toenmalige financiële voorspoed van Japan voor een kentering zouden kunnen zorgen. Uit de uitspraken van de Japanse rechters (vgl. 2.28) blijkt dat deze vorderingen reeds strandden vanwege het oordeel van de Japanse rechter dat noch artikel 3 van het Landoorlogsverdrag, noch internationaal gewoonterecht grondslag biedt voor een claim van een individu op een vreemde staat die zijn oorlogsschade heeft veroorzaakt. Deze schade kan volgens de Japanse rechter enkel worden betrokken in de diplomatieke vredesonderhandelingen tussen staten. In de uitspraak van het Tokyo High Court (vgl. 2.28.2) wordt enkel als extra grond voor afwijzing de inhoud van artikel 14b van het Vredesverdrag en het Yoshida-Stikker-Protocol genoemd.

4.44.

Een belangrijk deel van de bronnen die eisers in deze procedure naar voren hebben gebracht (waarnaar wordt verwezen onder 4.41) is voorgelegd aan de Japanse rechter in de zojuist bedoelde procedures, maar heeft deze rechter niet op andere gedachten kunnen brengen. Verder kan – anders dan eisers stellen – niet worden gezegd dat het oordeel van de Japanse rechter over artikel 3 Landoorlogsverdrag elke internationaalrechtelijke basis ontbeert, mede gezien de zojuist onder 4.40 benoemde, meer recente juridische bronnen die de Staat naar voren heeft gebracht. De uitkomst van de procedures voor de Japanse rechter leiden tot het oordeel dat in ieder geval achteraf gebleken is dat eisers geen kans op succes is ontnomen door het sluiten van het Vredesverdrag en het Yoshida-Stikker-Protocol en dat niet aannemelijk is dat het sluiten van dit verdrag en protocol schade hebben veroorzaakt.

4.45.

Vast is komen te staan dat in de Japanse procedures destijds, na juridisch onderzoek, is afgezien van het aanvoeren van een nationaalrechtelijke grondslag voor de vorderingen omdat een internationaalrechtelijke grondslag de grootste kans op succes leek op te leveren. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat onvoldoende is aangevoerd voor de stelling dat een nationaalrechtelijke grondslag nog wel kans van slagen zou hebben gehad. Nu geen andere omstandigheden zijn aangevoerd, moet er dan ook vanuit worden gegaan dat die grondslag minder kansrijk was dan de internationaalrechtelijke. In het namens eisers ter zitting genoemde (overigens niet overgelegde) artikel Constitutionality of Nonfeasance under Article 3 of the Agreement between the Republic of Korea and Japan concerning the Settlement of Problems in Regard to Property and Claims and Economic Cooperation heeft de rechtbank geen aanwijzingen voor het tegendeel aangetroffen. In tegendeel; de vorderingen die op 6 december 1991 en 25 december 1992 voor de Japanse rechter zijn gebracht waarvan in dit artikel sprake is, strandden uiteindelijk bij het Japanse Supreme Court. Nu zojuist over de internationaalrechtelijke grondslag is geoordeeld dat geen legitieme verwachting bestond en geen kans op succes is ontnomen, en de nationaalrechtelijke grondslag dus minder kansrijk moet worden geacht, kon een legitieme verwachting ook niet worden gebaseerd op kans op succes in een procedure gevoerd op nationaalrechtelijke grondslag.

4.46.

Een legitieme verwachting kon tot slot niet bestaan uit de mogelijkheid dat de Japanse rechter in de verre toekomst, en dus in ieder geval meer dan 75 jaar na het ontstaan van de oorlogsschade, een andere visie op de strekking van artikel 3 Landoorlogsverdrag zou kunnen ontwikkelen. De inhoud van de Japanse uitspraken geven overigens weinig aanleiding voor de verwachting dat die ontwikkeling op handen is. In deze uitspraken worden de zojuist bedoelde juridische bronnen die in artikel 3 Landoorlogsverdrag wel een grondslag zien voor een individueel claimrecht niet alleen terzijde geschoven, enkele overwegingen in die uitspraken doen vrezen dat ook de bereidheid tot heroverweging in de toekomst niet groot zal zijn. Uit dit vonnis lijkt namelijk te volgen dat de rechters de Tweede Wereldoorlog vanuit een perspectief beschouwen dat met name voor eisers uiterst pijnlijk moet zijn.

4.47.

Zo overweegt het Tokyo High Court onder meer: “The international situation at that time was a situation in which the few Asian countries were exempt from becoming colonies of Europe and the United States, and Japan had its sovereignty partially restricted by the great powers and was in fear of losing its independence […] Furthermore, the people of Japan recalled a sense of mental solidarity in the portion of the Asian population who were under the control of the colonies of the strong countries of Europe and the United States”. Verder benadrukken deze rechters dat Japan in de schadeafwikkeling van de oorlog al de nodige veren heeft gelaten (“Japan accepted the[…] unprecedented and perhaps harsh conditions and sincerely performed thereon”). Bovendien wijden zij overwegingen aan de omstandigheid dat de burgers van de landen die de oorlog verloren hebben geen enkel recht hebben op compensatie van hun oorlogsschade: “In reality, relief for war injuries are not independent from victory or defeat in a war […] A such, even if a nation which is party to war is prescribed as having a compensation liability separate from the victory or defeat in war, under a treaty concluded prior to the initiation of war, regardless of the fairness thereof on the surface, this does not mean that in reality the defeated nation or its nationals will be compensated by the victorious nation. Rather it would be better to think that compensation will not be made”. Wat betreft dit laatste komt wellicht betekenis toe aan het feit dat de rechters in ander verband wijzen op de vernietigende gevolgen van de atoombomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki (“Without recollecting the tragedy of the atomic bombs […]”). De conclusie hiervan is dat ten aanzien van de bereidheid tot toewijzing van de Japanse rechter geen (legitieme) verwachtingen konden en kunnen bestaan. Hoewel deze conclusie voor eisers uiterst pijnlijk moet zijn, kan de rechtbank niet om deze realiteit heen.

4.48.

De rechtbank ontkomt er dan ook niet aan te concluderen dat destijds geen legitieme verwachting heeft kunnen ontstaan dat individuen wegens geleden oorlogsschade een vorderingsrecht op Japan hadden, dat voor de Japanse rechter kon worden afgedwongen. Er was dan ook geen sprake van eigendom dat onteigend heeft kunnen worden. Voorts is gebleken dat de kans van slagen van procedures tegen Japan nihil is, nu de Japanse rechter vorderingen tot vergoeding van oorlogsschade van Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting heeft afgewezen, zonder dat artikel 14b van het Vredesverdrag en het Yoshida-Stikker-Protocol – waarin (mogelijke) claims van burgers zijn weggecontracteerd – daarbij dragende argumenten waren, waardoor ook het causaal verband ontbreekt en schade niet aannemelijk is geworden.

4.49.

Dat het oordeel over de legitieme verwachting niet alleen een oordeel achteraf is, maar ook destijds voorzien werd, vindt bevestiging in de opmerkingen van Stikker tijdens de ministerraad van 27/28 augustus 1951 (vgl. 2.10) in reactie op twijfels van Drees en minister Van Maarseveen, luidende dat moeilijk het bewijs zal kunnen worden geleverd, dat door het afstand doen van de vorderingen van eigen burgers schade wordt geleden en eerder, tijdens de ministerraad van 16 juli 1951 (vgl. 2.8), dat de individuele aanspraken op Japan niets zullen opleveren. Daarmee is niet in strijd dat minister Stikker in de onderhandelingen die tot het Yoshida-Stikker-Protocol hebben geleid de strategische mogelijkheid zag “gebruik te maken” van de (foutieve redactie van) artikel 14b van het Vredesverdrag en het opgeven van (mogelijk niet existente) claims van onderdanen als tegenprestatie heeft gebruikt om Japan tot een extra betaling te bewegen (vgl. 2.10).

4.50.

Eisers hebben nog naar voren gebracht dat, als individuele vorderingen destijds ondenkbaar zouden zijn geweest, niet valt in te zien waarom deze vorderingen dan in het Vredesvedrag zijn opgenomen. Het komt de rechtbank voor dat ook die constatering niet in strijd is met het oordeel over het ontbreken van een gerechtvaardigde verwachting. Staten waren op grond van het volkerenrecht hoe dan ook gerechtigd op interstatelijk niveau (verdragsrechtelijke) afspraken te maken over de (gedeeltelijke) delging van “claims of […] their nationals”, als dat destijds al niet als de enige wijze van delging werd gezien. Het doen van afstand van de bevoegdheid om namens de eigen burgers compensatie te bedingen bij de staat die hun schade heeft toegebracht, kan dus niet zonder meer worden gezien als de erkenning dat individuele claimrechten een volkerenrechtelijke realiteit waren.

4.51.

De conclusie luidt dan ook dat een juridische verplichting tot vergoeding van schade door de Staat dan ook niet kan worden gevonden in het opgeven van individuele vorderingen. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen – die volledig geënt zijn op het verwijt dat sprake is van een onrechtmatige onteigening – dient af te wijzen. Nu de gestelde voortdurende onrechtmatigheid door het ook niet in een later stadium volledig vergoeden van oorlogsschade en de gestelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM een directe samenhang vertonen met de zojuist verworpen verplichting tot vergoeding, behoeven de daarover gewisselde argumenten geen behandeling meer.

Ongelijke behandeling

4.52.

Eisers hebben in het kader van hun betoog over onteigening ook de nodige stellingen ingenomen over de ongelijke behandeling die de slachtoffers van de Japanse bezetter ten deel is gevallen ten opzichte van de slachtoffers van de Duitse bezetter in de wijze waarop de Staat deze groepen na de oorlog financieel tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de pijn van eisers veeleer zit in deze behandeling dan in de gestelde onteigening die de hoofdmoot van deze procedure vormt. De rechtbank meent, zoals gezegd, dat zij hierover niet geheel zwijgen kan.

4.53.

Deze stellingen over de ongelijke behandeling hebben zich in de loop van de procedure ontwikkelt tot een extra zelfstandige grondslag voor de vorderingen. Nog daargelaten dat de vorderingen expliciet zijn toegesneden op de gestelde onteigening en niet op (enkel) een ongelijke behandeling, zou een wel op de (enkele) ongelijke behandeling toegesneden vordering reeds afgewezen dienen te worden op grond van verjaring (vgl. 4.10).

4.54.

Eisers stellen dat de Staat aan de slachtoffers van de Japanse bezetter met de Nederlandse nationaliteit een adequate compensatie van hun oorlogsschade had moeten bieden – en overigens alsnog moet bieden – op voet van gelijkheid met Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter. Dit had bijvoorbeeld gekund door de WMO ook van toepassing te verklaren op de teruggekeerde Nederlanders die hadden geleden onder de Japanse bezetting. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het niet bieden van adequate compensatie op voet van gelijkheid als feitelijk handelen in strijd is met onder meer het gelijkheidsbeginsel en de maatschappelijke zorgvuldigheid.

Kort gezegd stellen eisers dat sprake was van een ongelijke behandeling waarvoor geen objectieve, redelijke rechtvaardiging bestaat. De Staat heeft de ongelijke behandeling niet betwist, maar wel benadrukt dat hij in ieder geval geen onderscheid heeft gemaakt naar nationaliteit.

4.55.

Op het in deze zaak relevante moment (1 juni 1956) was één van de door eisers in dit verband aangehaalde artikelen waarin het gelijkheidsbeginsel is vervat

– artikel 1 van het 12e protocol bij het EVRM – nog niet in werking getreden. Dat gebeurde pas veel later op 1 april 2005. Artikel 14 van het EVRM was wel al in werking getreden op 1 juni 1956, maar had geen zelfstandige betekenis; het kon pas een rol spelen indien sprake was van een schending van een andere bepaling uit het EVRM, althans een protocol daarbij (zoals artikel 1 EP). Van dat laatste is zoals hierboven is overwogen, in deze zaak geen sprake.

4.56.

De Staat was in de periode kort na de Tweede Wereldoorlog wel gebonden aan de civielrechtelijke normen, waaronder de normen betreffende de onrechtmatige daad. Ook toen al gold dat onder een onrechtmatige daad mede werd verstaan een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het komt de rechtbank voor dat op dat moment het gelijkheidsbeginsel al een ongeschreven norm was (vgl. HR 1 december 1993, NJ 1996, 230, r.o. 4.4). Dit wordt ook wel geïllustreerd door de onder 2.19 aangehaalde passage uit de Memorie van Antwoord bij de Goedkeuringswet waarin de regering stelde bevreesd te zijn voor een “odium van discriminatie” als een regeling voor vergoeding van oorlogsschade zou worden getroffen ten behoeve van slechts één groep van de in Indonesië woonachtige Nederlandse onderdanen.

4.57.

De vraag rijst of, als de verjaring zou worden weggedacht, de taakverdeling tussen de wetgever en de rechter niet aan toewijzing van een vordering gegrond op schending van het gelijkheidsbeginsel in de weg zou hebben gestaan. De vraag is namelijk of de compensatie van slachtoffers wel “feitelijk handelen” van de overheid betreft. De gelijke behandeling zou volgens eisers namelijk moeten hebben bestaan uit bijvoorbeeld het ook op hen van toepassing verklaren van de Wet op de Materiële Oorlogsschaden of het tot stand brengen van een gelijkwaardige regeling, zodat het toewijzen van zo’n vordering wellicht in wezen als een (aanvullend) wetgevingsgebod zou kunnen worden beschouwd. Ook zou de beoordeling kunnen raken aan een toetsing van formele wetgeving (de WMO).

Nu – zoals zojuist is vastgesteld – op 1 juni 1956 en in de periode daarna geen zelfstandige, een ieder verbindende verdragsbepaling over het gelijkheidsbeginsel van kracht was, zou laatstgenoemde toets van formele wetgeving niet aan de orde kunnen hebben zijn. Met het oog op het feit dat de vorderingen hoe dan ook verjaard zijn en de omstandigheid dat de discussie tussen partijen zich niet op deze kwestie heeft gericht, zal de rechtbank deze kwestie laten rusten en dus in lijn met de wens van partijen ook ingaan op de stellingen van partijen over de ongelijke behandeling.

4.58.

Eisers stellen de beladen kwestie aan de orde of de Nederlandse Staat vanaf de periode kort na de Tweede Wereldoorlog een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt tussen de Nederlandse onderdanen die hebben geleden onder de Duitse bezetting enerzijds en de teruggekeerde Nederlandse onderdanen die hebben geleden onder de Japanse bezetting van Nederlands-Indië anderzijds.

De rechtbank moet, ook in overwegingen ten overvloede, ervoor waken niet hedendaagse normen te projecteren op het verleden die destijds niet golden. Ook moet zij de ontwrichte maatschappelijke en economische situatie waarin Nederland kort na de Tweede Wereldoorlog verkeerde niet uit het oog verliezen en evenmin de lastige politieke keuzes die dat met zich bracht. Daarbij verdient wel opmerking dat de maatschappelijke en economische situatie op het in deze zaak relevante moment – 1 juni 1956 – niet één op één gelijk kan worden gesteld met die van direct na de oorlog7. In zaken waarin overheidsoptreden wordt genormeerd wordt tot slot rekening gehouden met de bijzondere positie die de Staat in het maatschappelijk verkeer inneemt en het belang dat de regering en het parlement voldoende ruimte wordt gelaten politieke keuzen te maken. Desalniettemin zal de rechtbank ook de uitzonderlijke aard van de materie en belangen – de vergoeding van schade ten gevolge van buitengewoon leed in een buitengewone situatie van oorlog – in ogenschouw nemen.

4.59.

De vraagt die rijst is of sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, of sprake is van ongelijke behandeling. Als dit laatste het geval is, is nog de vraag aan de orde of de ongelijke behandeling ongerechtvaardigd is, hetgeen het geval is als het onderscheid van redelijke grond is ontbloot.

4.60.

Geen geval is werkelijk identiek aan een ander. Voor het oordeel dat sprake is van gelijke gevallen is ook niet vereist dat de gevallen identiek zijn. De vraag is of de gevallen op relevante onderdelen gelijksoortig zijn. Het komt de rechtbank voor dat in deze kwestie sprake is van gevallen die in relevante opzichten gelijksoortig zijn. Beide groepen slachtoffers hebben dezelfde nationaliteit en zijn slachtoffers van extreem oorlogsgeweld dat in het kader van dezelfde wereldoorlog is uitgeoefend, (doorgaans) op het grondgebied van hetzelfde koninkrijk. Beide groepen hebben buitengewone schade geleden. De rechtbank benadrukt dat het bij de vraag naar de gelijksoortigheid niet nodig is om de mate van ernst van het leed van de groepen onderling te vergelijken en partijen hebben deze vergelijking dan ook niet gemaakt. Buiten enige twijfel staat namelijk dat zowel het geweld dat door de Duitse bezetter, als het geweld dat door de Japanse bezetter is uitgeoefend de grens van de menselijke waardigheid zo onmiskenbaar en grof heeft overschreden dat de vraag naar eventuele onderlinge verschillen in de mate waarin deze grens is overschreden in het kader van een juridische groepsvergelijking niet meer van belang is, nog daargelaten dat ook binnen de twee te onderscheiden groepen de ernst van het ondergane leed verschilt.

4.61.

De vraag of de groep van de teruggekeerde Nederlanders die hebben geleden onder de Japanse bezetter in relevant nadelige zin ongelijk behandeld zijn ten opzichte van de Nederlanders die onder de Duitse bezetter hebben geleden, dient bevestigend te worden beantwoord, ondanks dat op grond van de gegevens die in deze procedure ter beschikking staan, een exacte mate van ongelijke behandeling niet – ook niet bij benadering – kan worden vastgesteld. De Staat bestrijdt die ongelijke behandeling namelijk niet, behalve dat hij bestrijdt dat de teruggekeerde slachtoffers van de Japanse bezetter in het geheel geen oorlogsschade vergoed hebben gekregen. De Staat wijst daarbij bijvoorbeeld op de Rehabilitatie-uitkering Indische Oorlogsslachtoffers op grond waarvan een vergoeding voor wederinrichting is verstrekt. Wat hier ook van zij, als onbetwist staat wel vast dat de teruggekeerde Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter, in vergelijking met de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter, in relevant mindere mate aanspraak hebben kunnen maken op vergoeding van oorlogsschade, waaronder in ieder geval de schade veroorzaakt door het verlies van huis en haard en financiële tegoeden.

De rechtbank benadrukt daarbij dat niet uit het oog moet worden verloren dat ook de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetter allerminst volledig of nagenoeg volledig zijn gecompenseerd mede vanwege de ontzagwekkende omvang van de totale oorlogsschade en de uiterst beperkte financiële middelen van de Staat in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Ook om die reden zou toewijzing van de vorderingen van eisers die zijn toegespitst op volledige schadevergoeding niet aan de orde zijn geweest.

4.62.

In verband met de ongelijke behandeling springt het meest in het oog dat de werking van de WMO niet is uitgebreid tot de groep van naar Nederland teruggekeerde slachtoffers van de Japanse bezetter, terwijl daar wel de wettelijke mogelijkheid toe bestond, alsmede dat een gelijkwaardige regeling ten behoeve van deze groep niet tot stand is gebracht. Vast staat wel dat eerder genoemde Rehabilitatie-uitkering Indische Oorlogsslachtoffers niet als zodanig kwalificeert. Niet ter discussie staat dat de latere onder 2.20 genoemde regelingen de ongelijke situatie niet hebben beëindigd.

4.63.

De Staat heeft de hierna te behandelen omstandigheden naar voren gebracht die in de loop van de tijd zijn aangevoerd om de ongelijke behandeling te rechtvaardigen. Deze omstandigheden acht de rechtbank echter niet overtuigend, ook als de sociale, politieke en economische situatie van medio 1956 en de relatieve vrijheid van de politiek om die keuzen te maken. De aangevoerde omstandigheden kunnen het bedoelde onderscheid redelijkerwijs niet rechtvaardigen, waardoor het onderscheid evident van redelijke grond is ontbloot.

4.63.1.

Met eisers ziet de rechtbank geen rechtvaardiging voor het onderscheid in het verschil in omvang en karakter van de betalingsregelingen die de Nederlandse Staat met Duitsland, respectievelijk Japan heeft getroffen. Deze omstandigheid suggereert een direct verband tussen de van genoemde landen ontvangen bedragen en de aan de verschillende groepen slachtoffers uitgekeerde bedragen.

De rechtbank ziet dat verband niet, nu bijvoorbeeld de WMO reeds in 1950 in werking is getreden en de betalingsregeling met Duitsland in 1960 overeengekomen werd. Belangrijker nog is, dat vast staat dat onder de WMO in totaal ongeveer 6,3 miljard gulden is uitgekeerd, terwijl de betaling van Duitsland 280 miljoen Duitse mark bedraagt. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat van die ongeveer 6,3 miljard gulden een zeer aanmerkelijk deel door de Nederlandse overheid zelf gedragen moet zijn, mogelijk mede (indirect) gefinancierd uit de geldelijke Marshallhulp die Nederland kort na de Tweede Wereldoorlog van de Verenigde Staten heeft ontvangen.

4.63.2.

De Staat heeft zich er voorts ter rechtvaardiging van het onderscheid tot medio jaren tachtig op beroepen dat Indonesië de verantwoordelijkheid voor de compensatie van de (Nederlandse) slachtoffers van de Japanse bezetting droeg. Deze verplichting zou volgens de Staat ten gevolge van de soevereiniteits-overdracht in 1949 op Indonesië zijn overgegaan. Nederland zou die verantwoordelijkheid in ieder geval niet hebben vanwege het zogenaamde territorialiteitsbeginsel op grond waarvan een staat alleen verantwoordelijk is voor de schade die op zijn eigen territoir is geleden. Dit argument overtuigt in de eerste plaats niet omdat – uiteraard volstrekt terecht – de WMO al snel van toepassing werd verklaard op Nederlandse slachtoffers van de Duitsers die in Duitsland en dus buiten Nederland in een concentratiekamp hadden verbleven. Het standpunt van Nederland dat Indonesië verantwoordelijk was en uiteindelijk draagplichtig, had dus niet in de weg hoeven staan aan bijvoorbeeld het onder de WMO brengen van (een deel van) bedoelde groep teruggekeerde Nederlandse slachtoffers of het creëren van een soortgelijke regeling ten behoeve van deze groep. De Staat heeft de op het territorialiteitsbeginsel geënte rechtvaardiging later ook zelf ongeldig geacht ten opzichte van teruggekeerde slachtoffers. Het ging niet aan om de teruggekeerde slachtoffers naar Indonesië te verwijzen, terwijl al snel duidelijk was geworden dat Indonesië de uitvoering van de schaderegelingen al kort na de soevereiniteits-overdracht vrijwel volledig had gestaakt.8 Dat de Hoge Raad in de in 1956 en 1958 gewezen zogenaamde Backpay-arresten het standpunt van de Staat heeft gevolgd dat de verplichting tot nabetaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen van KNIL-militairen en civiele gouvernementsambtenaren op Indonesië was overgegaan, dwong niet tot het achterwege laten van gedeeltelijke vergoeding van (andersoortige) oorlogsschade op gelijke voet met de slachtoffers van de Duitse bezetting.

4.63.3.

Een rechtvaardiging kan evenmin worden gevonden in de uitlating van de regering van kort na de Tweede Wereldoorlog, luidende dat aan het treffen van een regeling voor Nederlanders in Nederlands-Indië die geleden hebben onder de Japanse bezetter in de weg zou hebben gestaan dat aldus een “odium van discriminatie” zou ontstaan vanwege het daarbij te maken onderscheid tussen getroffen Nederlanders uit Nederlands-Indië en getroffen niet-Nederlanders aldaar (vgl. 2.19.1). Dit argument had geldigheid tot de soevereiniteitsoverdracht in 1949, maar medio 1956 – toen in Nederlands-Indië getroffenen naar Nederland (terug)kwamen en al in 1953 was gebleken dat de nieuwe Indonesische regering zich aan financiële tegemoetkoming aan met name Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter niets gelegen liet liggen9 – kwam dat veel genuanceerder te liggen, waardoor het kennelijk ook in de ogen van de Staat geen rechtvaardiging meer kon vormen.

Dit volgt al uit de omstandigheid dat Nederland in februari 1954 de uitvoering van de Oorlogsongevallenregeling Indonesië van Indonesië heeft overgenomen, doch slechts ten aanzien van de Indische oorlogsgetroffenen met een Nederlandse nationaliteit. Daaruit blijkt dat de Staat zelf geen beletsel meer zag om in het kader van compensatie het onderscheid tussen Nederlanders en niet-Nederlanders te maken.

De omstandigheid dat de Staat in het verleden mogelijk enigszins opportunistisch een beroep heeft gedaan op de ontoelaatbaarheid van het maken van onderscheid tussen bevolkingsgroepen uit Nederlands-Indië en hun nationaliteiten, neemt niet weg dat het maken van dit onderscheid op haar beurt ook weer pijnlijk is.

De rechtbank heeft ook oog voor dit spanningsveld.

4.63.4.

Ten slotte is ter rechtvaardiging van het maken van onderscheid destijds door minister Lieftinck aangevoerd dat de schade geleden in Indonesië niet “enquêteerbaar” zou zijn. De rechtbank verwijst hier naar het in 2.19.2 weergegeven citaat uit de Kamerstukken. Met ‘enquêteerbaar’ wordt kennelijk bedoeld dat de schade aldaar geleden zich moeilijk liet vaststellen. Dat zal voor een deel van de schadeclaims het geval zijn. Redelijkerwijs valt echter niet in te zien waarom dit mogelijke praktische probleem dat zich in bepaalde gevallen zou voordoen, tot uitsluiting van de hele groep Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting heeft moeten leiden. Dit praktische probleem zou, in de gevallen waarin het zich zou voordoen, namelijk kunnen worden opgelost door er in de begroting van de schade (zo nodig in matigende zin) rekening mee te houden. Voorts kunnen vraagtekens worden gezet bij het door minister Lieftinck gebezigde argument dat door het kiezen voor een woon- en werkplaats in het buitenland een bepaald risico wordt genomen dat de betrokkenen kennelijk zelf zouden moeten dragen. Daarbij moet bedacht worden dat het in een aanmerkelijk aantal gevallen slachtoffers betrof die door de Nederlandse Staat waren uitgezonden naar de kolonie Nederlands-Indië.

Slotsom ongelijke behandeling / gelijkheidsbeginsel

4.64.

Het komt de rechtbank voor dat het onderscheid in de mate waarin de verschillende groepen slachtoffers na de oorlog financieel tegemoetgekomen zijn, geen objectieve, redelijke grond valt aan te wijzen. Dit is niet slechts een constatering op grond van de blik van nu met projectie van hedendaagse normen op het verleden, meer in het bijzonder de in dit vonnis centraal gestelde datum van 1 juni 1956 van ruim elf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit vindt steun in de omstandigheid dat de ondergeschikte positie van de teruggekeerde Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetter al direct vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog herhaaldelijk in het parlementair en maatschappelijk debat aan de orde is gesteld. Zoals hierboven al is overwogen staan in ieder geval verjaring en mogelijk ook de taakverdeling tussen de rechter en de wetgever in de weg aan toewijzing van de vorderingen van eisers op grond van deze constatering.

De rechtbank wil er ten slotte ook niet volledig aan voorbij gaan dat in de afgelopen decennia van staatswege, onder erkenning van de kilte die de teruggekeerde slachtoffers van de Japanse bezetter ten deel is gevallen, regelingen zijn getroffen met het oogmerk de gevolgen van de ongelijkheid enigszins te verzachten.

Eindoordeel over de vorderingen en proceskosten

4.65.

De slotsom luidt dat de vorderingen van eisers zullen worden afgewezen vanwege de verjaring daarvan. Normalitair zou dit ook ertoe leiden dat eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de Staat zouden worden veroordeeld. De rechtbank ziet echter in het bijzondere, maatschappelijke karakter van de zaak en de zojuist gedane constatering over de ongelijke behandeling aanleiding om een kostenveroordeling ten laste van eisers achterwege te laten.

De rechtbank zal de kosten van deze procedure aldus compenseren, dat partijen hun eigen kosten zullen dragen.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat elke partij zijn of haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.R. Glass, A.M. Boogers en J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.

1Nota van de minister van Buitenlandse Zaken, de minister zonder portefeuille en de minister van Financiën van 11 september 1953, Kamerstukken II 1952-1953, 3107, nr. 1, p. 6.

2J.S. Pictet (ed), IV Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War, International Committee of the Red Cross, Geneva, 1958, p. 603

3C. Tomuschat, Chapter 31 – State Responsibility and the Individual Right to Compensation Before National Courts, in: A. Clapham, P. Gaeta, The Oxford Handbook of International Law in Armed Conflict, Oxford University Press, Oxford, 2014, p. 821-822.

4F. Kalshoven, State Responsibility for Warlike Acts of the Armed Forces, International and Comparative Law Quarterly, vol. 40, afl. 4, 1991, p. 830.

5C. Greenwood, Expert opinion, Rights to Compensation of Former Prisoners of War and Civilian Internees under Article 3 of Hague Convention No. IV 1907, reprinted in Hizakazu Fujita (red), War and Rights of Individuals: Renaissance of Individual Compensation, Nippon Hyoron-sha Co., LTD Publishers, Tokyo 1999.

6F. Kalshoven, State Responsibility for Warlike Acts of the Armed Forces, International and Comparative Law Quarterly, vol. 40, afl. 4, p. 836.

7In de NIOD-uitgave Indische Rekening van Hans Meijer (Boom Amsterdam, 2005) valt op pagina 196 te lezen dat de in de loop van de jaren vijftig de “schatkist goed gevuld” zou zijn geweest.

8Nota van de minister van Buitenlandse Zaken, de minister zonder portefeuille en de minister van Financiën van 11 september 1953, Kamerstukken II 1952-1953, 3107, nr. 1, p. 6.

9Nota van de minister van Buitenlandse Zaken, de minister zonder portefeuille en de minister van Financiën van 11 september 1953, Kamerstukken II 1952-1953, 3107, nr. 1, p. 6.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey