Rb: Snowworld niet aansprakelijk voor knieletsel door niet losschieten ski bij val

Samenvatting:

Benadeelde loopt knieletsel als gevolg van ongeval in indoorskihal. De gehuurde ski is tijdens val niet losgeschoten. Benadeelde stelt dat gebrekkige ski’s zijn overhandigd en dat gebrekkige nazorg is verleend. De rechtbank overweegt dat de bewijslast op benadeelde rust. De door Snowworld gehanteerde afstelprocedure is in zijn algemeenheid niet onzorgvuldig is. Het enkele niet losschieten van een skibinding betekent niet per definitie dat de skibinding verkeerd of te strak was afgesteld. De rechtbank concludeert dat de door benadeelde aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat de verstrekte ski’s niet voldeden aan de eisen die zij op basis van de met Snowworld gesloten huurovereenkomst aan de ski’s mocht stellen. De ski’s kunnen niet als gebrekkig worden aangemerkt en van schending van de op Snowworld rustende zorgplicht is op dit punt geen sprake. Geen aansprakelijkheid.

ECLI:NL:RBDHA:2021:7475, Rechtbank Den Haag, C/09/589949 / HA ZA 20-288 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:RBDHA:2021:7475

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

09-06-2021

Datum publicatie

26-07-2021

Zaaknummer

C/09/589949 / HA ZA 20-288

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

Knieletsel als gevolg van ongeval in indoorskihal. Ski tijdens val niet losgeschoten. Verwijten dat gebrekkige ski’s zijn overhandigd en dat gebrekkige nazorg is verleend onvoldoende feitelijk onderbouwd. Geen gebrekkige opstal. Geen aansprakelijkheid.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2021-0627

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

zaaknummer / rolnummer: C/09/589949 / HA ZA 20-288

 

Vonnis van 9 juni 2021

 

in de zaak van

 

[eiseres] te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat: mr. A.C.F. Berkhof te Goes,

 

tegen

 

SNOWWORLD LEISURE N.V. te Zoetermeer,

 

gedaagde,

 

advocaten: mr. H.M. Kruitwagen en mr. I.P.M. Vadokas-Hofmans te Arnhem.

 

Partijen worden hierna [eiseres] en Snowworld genoemd.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 11 maart 2020, met producties 1 tot en met 29;

 

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;

 

het vonnis van 30 september 2020 van deze rechtbank, waarin de zaak is verwezen naar de rol van 14 oktober 2020 voor uitlaten voortprocederen;

 

de beslissing van deze rechtbank van 15 oktober 2020, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

 

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 maart 2021 en de daarin genoemde nadere productie van de zijde van [eiseres] .

 

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het evidente onjuistheden van feitelijke aard betreft. Bij brief van 12 april 2021 heeft mr. Vadokas namens Snowworld van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief is aan het procesdossier toegevoegd en de rechtbank wijst dit vonnis met inachtneming van de daarin opgenomen opmerkingen.

 

1.3.

Ten slotte is een (nadere) datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

 

2De feiten

2.1.

[eiseres] is geboren op [geboortedag] 1959. Zij is gehuwd en heeft een zoon en een dochter.

 

2.2.

Snowworld is een onderneming met als belangrijkste bedrijfsactiviteit het beheren en exploiteren van indoorskibanen. Snowworld heeft in Nederland vijf vestigingen, waaronder een vestiging in Landgraaf.

 

2.3.

Op 11 maart 2014 is [eiseres] met haar zoon gaan skiën in de vestiging van Snowworld in Landgraaf. Op enig moment is [eiseres] bij een afdaling ten val gekomen (hierna: het ongeval). Hierbij zijn haar skischoenen vast blijven zitten aan de ski’s. Na het ongeval merkte [eiseres] dat haar linkerbeen vanaf haar knie in een gedraaide positie stond (in haar bewoordingen “in een wokkel was gedraaid”).

 

2.4.

De zoon van [eiseres] heeft het ongeval zien gebeuren en heeft hierover het volgende verklaard (productie 3 bij dagvaarding):

 

“We zijn samen een aantal keer van de grote linkerpiste (van bovenaf gezien) af gegaan. Tijdens een afdaling stond ik redelijk ver onderaan te wachten op mijn moeder om weer naar boven te gaan. Ze kwam me voorbij en ik zag dat ze probeerde te remmen door de ski’s in een flüg-positie te zetten. Vervolgens zag ik ze over de kop gaan om vervolgens een flinke klap op de sneeuw te maken. Ik ben naar haar toe geskied. Wat me toen al opviel was dat de beide ski’s niet uit waren geschoten! Een ski stak omhoog. Ik zag meteen dat het niet goed zat met haar knie, haar voet lag namelijk met de tenen in de lucht terwijl haar knie naar de binnenkant van haar andere been boog. (…) Ik heb de ski’s losgekoppeld.”

 

2.5.

Na het ongeval zijn er twee hulpverleners van Snowworld gearriveerd. Op verzoek van de hulpverleners van Snowworld heeft [eiseres] geprobeerd of zij kon staan, maar dit was niet mogelijk. [eiseres] had zeer veel pijn. Vervolgens is [eiseres] op een brancard (een zogenaamde “banaan”) getild en met behulp van deze brancard van de skibaan gehaald. Vervolgens is de ambulance gebeld. Tijdens het wachten op de ambulance is de destijds bij Snowworld in dienst zijnde EHBO’er [X] gearriveerd. Hij heeft [eiseres] onderzocht.

 

2.6.

Nadat de ambulance is gearriveerd, is [eiseres] gestabiliseerd en, na toediening van morfine in verband met de ernstige pijn, naar het ziekenhuis in Heerlen vervoerd. In het ziekenhuis is vastgesteld dat [eiseres] als gevolg van het ongeval het tibiaplateau in de linkerknie heeft gebroken.

 

2.7.

Op 20 maart 2014 is [eiseres] in het Amphia Ziekenhuis in Breda aan haar linkerknie geopereerd. Op 22 maart 2014 heeft [eiseres] het ziekenhuis verlaten. In de brief van diezelfde datum van [chirurg1] (ANIOS chirurgie) en [chirurg2] (chirurg) is over het postoperatieve beloop opgemerkt:

 

“Ongecompliceerd. Patient kon in relatief goede algehele conditie het ziekenhuis verlaten. Een poliklinische afspraak werd gemaakt.”

 

2.8.

Hoewel het postoperatieve beloop aanvankelijk voorspoedig verliep, is het herstel van de linkerknie van [eiseres] in de loop van 2014 gestagneerd. Eind 2014 is een CT-scan van de linkerknie gemaakt, waarbij een inzakking van het laterale tibiaplateau is vastgesteld.

 

2.9.

Op 26 mei 2015 heeft orthopedisch chirurg [chirurg3] bij [eiseres] een totale knieprothese links geplaatst.

 

2.10.

Bij brief van 30 april 2014 heeft [eiseres] Snowworld aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Snowworld heeft aansprakelijkheid afgewezen bij brieven van 15 mei 2014 en 15 juli 2014. Partijen hebben lange tijd over de aansprakelijkheid gecorrespondeerd (producties 23 tot en met 29 bij dagvaarding), maar zijn niet tot een oplossing van het geschil gekomen.

 

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 

voor recht te verklaren dat Snowworld aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en te lijden schade ten gevolge van het ongeval;

 

Snowworld te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 25.000,– dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, binnen twee dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis;

 

een deskundigenbericht te gelasten ter vaststelling van de klachten en beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval, aan de hand van een nader te bepalen vraagstelling, met veroordeling van Snowworld in de kosten van dit onderzoek;

 

e zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure ten einde de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

Snowworld te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 1.025,– dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

 

Snowworld te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

 

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] , samengevat, het volgende ten grondslag. Snowworld had als goed en professioneel verhuurder van het skimateriaal de binding van de ski’s deugdelijk moeten afstellen dan wel dienen te waarschuwen voor het mogelijke gevaar van een niet goed afgestelde skibinding. Een goed afgestelde ski had in de gegeven omstandigheden, gelet op de snelheid van skiën op het moment van het ongeval en de (horizontale) krachtsinwerking, moeten losschieten. Nu dit niet is gebeurd, voldeden de ski’s niet aan de eisen die [eiseres] op basis van de met Snowworld gesloten huurovereenkomst aan de ski’s mocht stellen en vallen de ski’s aan te merken als gebrekkig. Snowworld is daarom op grond van artikel 6:173 BW in samenhang met artikel 7:208 BW aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Daarnaast is Snowworld op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk. Snowworld heeft de op haar rustende zorgplicht geschonden, doordat zij ondeugdelijk skimateriaal aan [eiseres] heeft verstrekt, namelijk ski’s met een onjuist afgestelde binding. Snowworld heeft haar zorgplicht verder geschonden doordat zij heeft nagelaten adequaat toezicht te houden en te voorzien in gekwalificeerd en deskundig personeel om in geval van letsel adequaat te handelen en de juiste eerste hulp te verlenen. Tot slot is Snowworld volgens [eiseres] als bezitter van een gebrekkige opstal aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW.

 

3.3.

Tussen het handelen en nalaten van Snowworld en de schade van [eiseres] bestaat causaal verband. Als de skibinding deugdelijk was afgesteld, zou deze bij het ongeval zijn losgeschoten en zou het letsel van [eiseres] niet zijn ontstaan, althans niet zo ernstig zijn geweest als nu. Verder zou het door het ongeval opgelopen letsel beperkter zijn geweest als de door Snowworld verleende nazorg adequaat was geweest. De gevolgen van het ongeval kunnen volledig worden toegerekend aan Snowworld. Gezien het voorgaande is Snowworld gehouden de – nog nader in kaart te brengen – schade van [eiseres] als gevolg van het ongeval te vergoeden, aldus [eiseres] .

 

3.4.

Snowworld voert verweer.

 

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4De beoordeling

Inleiding

4.1.

Vast staat dat [eiseres] als gevolg van het ongeval ernstig knieletsel aan haar linkerknie heeft opgelopen. Hoewel het herstel na de knieoperatie in 2014 aanvankelijk voorspoedig verliep, is uiteindelijk in 2015 besloten tot een nieuwe operatie waarbij een totale knieprothese is geplaatst. [eiseres] stelt dat zij nog dagelijks klachten – pijn en hinder – heeft aan haar linkerknie. De klachten aan de linkerknie hebben, zo stelt [eiseres] , bovendien geleid tot klachten aan de rechterknie. Zij kan slechts beperkte afstanden lopen, niet lang staan en heeft een hulpmiddel nodig om zich buitenshuis voort te bewegen.

 

4.2.

De vraag die de rechtbank nu moet beoordelen is of Snowworld aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in het aansprakelijkheidsrecht als uitgangspunt geldt dat ieder zijn eigen schade draagt. Een eerste stap die moet worden gemaakt om te kunnen komen tot de conclusie dat Snowworld aansprakelijk is tegenover [eiseres] voor de schade die zij ten gevolge van het knieongeval stelt te hebben geleden, is of Snowworld met betrekking tot het ongeval juridisch verwijtbaar tegenover [eiseres] heeft gehandeld of nagelaten. In dit verband en gelet op het debat tussen partijen zal de rechtbank eerst ingaan op het geschilpunt of Snowworld aan [eiseres] gebrekkige ski’s heeft verhuurd en vervolgens of zij onjuiste nazorg aan [eiseres] heeft geleverd (de gestelde aansprakelijkheid op grond van de artikelen 6:173 BW, 7:208 BW en 6:162 BW).

 

Gebrekkige ski’s?

 

4.3.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat Snowworld haar gebrekkige ski’s, namelijk ski’s met een ondeugdelijk afgestelde skibinding, heeft verhuurd, aangezien de ski’s tijdens het ongeval niet van de skischoenen zijn losgeschoten. [eiseres] stelt dat Snowworld in verband hiermee aansprakelijk is op grond van artikel 6:173 BW in samenhang met artikel 7:208 BW. Daarnaast is Snowworld volgens [eiseres] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW, omdat zij door de levering van gebrekkig skimateriaal gevaarzettend heeft gehandeld.

 

4.4.

Aanvankelijk was tussen partijen in geschil of de ski’s waarmee [eiseres] ten val is gekomen door Snowworld aan haar zijn verstrekt. Blijkens het verhandelde ter zitting gaan partijen er (inmiddels) als vaststaand van uit dat de betreffende ski’s van [eiseres] na het ongeval bij de andere ski’s zijn teruggeplaatst in het depot van Snowworld. Uitgangspunt voor de rechtbank is daarmee dat [eiseres] het skimateriaal van Snowworld heeft gehuurd.

 

4.5.

Dan rijst de vraag of de aan [eiseres] verhuurde ski’s gebrekkig waren omdat zij een ondeugdelijke binding hadden. Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht is het aan [eiseres] om voldoende feiten te stellen waaruit kan volgen dat haar ski’s met een ondeugdelijke skibinding ter beschikking zijn gesteld en die feiten, bij voldoende gemotiveerde betwisting door Snowworld, te bewijzen. Snowworld draagt dus, anders dan [eiseres] lijkt aan te nemen, niet de bewijslast van de feiten die zij stelt ter motivering van haar betwisting.

 

4.6.

Tussen partijen staat – op basis van de informatie van Snowworld, die [eiseres] niet heeft weersproken – het volgende vast over skibindingen en de afstelling daarvan in algemene zin. Een skibinding is de verbinding tussen de ski en de skischoen. Deze verbinding zorgt ervoor dat de skischoen tijdens het skiën aan de ski vast blijft zitten. Een skibinding dient ook als veiligheidsmechanisme, namelijk het mechanisme dat ervoor zorgt dat de skischoen van de ski losschiet als er op de skibinding een bepaalde kracht komt. Een skibinding wordt afgesteld aan de hand van zogeheten DIN-waarden (DIN staat voor Deutsches Institut für Normung). De kracht die nodig is om de skibinding open te laten springen, is afhankelijk van de DIN-waarde waarop de skibinding is ingesteld. De DIN-waarde bepaalt dus de uitbraakwaarde van de skibinding. Hoe hoger de DIN-waarde is ingesteld, hoe meer kracht er nodig is om de skischoen los te laten schieten. De in te stellen DIN-waarde is afhankelijk van een aantal variabele factoren, zoals de maat van de skischoen en het gewicht, de lengte en de ervaring van de skiër.

 

4.7.

Snowworld heeft in haar conclusie van antwoord naar voren gebracht dat zij voor het afstellen van de skibindingen geen individuele berekening per bezoeker/huurder hanteert, maar een uniforme methode. Snowworld heeft deze methode als volgt toegelicht. Per maat ski hanteert Snowworld een standaardinstelling voor de DIN-waarde. Voor het bepalen van de in te stellen DIN-waarde wordt een berekening uitgevoerd per maat ski op basis van de hiervoor genoemde variabele factoren. Hierdoor ontstaat een serie DIN-waarden voor alle mogelijke gebruikers per maat ski. Vervolgens wordt per maat ski de laagste DIN-waarde uit de vastgestelde serie DIN-waarden gekozen. Deze DIN-waarde wordt eenmalig bepaald, wordt bij alle nieuwe ski’s ingesteld en wordt nadien niet meer aangepast. Een skibinding krijgt hiermee een instelling waarbij de DIN-waarde lager of gelijk is aan de DIN-waarde die op basis van een individuele berekening zou zijn berekend en koppelt dus sneller of bij dezelfde kracht los.

 

4.8.

Voor zover [eiseres] zich op het standpunt stelt dat Snowworld de skibinding op basis van een op haar persoonlijk toegesneden berekening had moeten afstellen, geldt het volgende. Snowworld heeft onweersproken gesteld dat een meer op [eiseres] toegespitste DIN-waarde, gezien haar lengte en gewicht, er alleen toe had kunnen leiden dat een hogere DIN-waarde zou zijn gehanteerd, waarbij de skibinding dus minder snel zou zijn losgegaan dan bij de op basis van de standaardmethode ingestelde DIN-waarde. [eiseres] heeft niet feitelijk toegelicht of onderbouwd dat en waarom de door Snowworld gehanteerde standaardmethode te onnauwkeurig en/of onvoldoende is voor het doel van verhuur van ski’s aan de bezoekers van Snowworld. Ook is niet gesteld of gebleken dat de door Snowworld gehanteerde standaardmethode, waarbij op zichzelf rekening is gehouden met alle voor de afstelling van een skibinding relevante factoren, gebaseerd is op onjuiste uitgangspunten of berekeningen. Om deze reden kan niet worden aangenomen dat de door Snowworld gehanteerde afstelprocedure in zijn algemeenheid onzorgvuldig is.

 

4.9.

Dan resteert nog de vraag of, uitgaande van de standaardmethode die Snowworld hanteert, de skibinding in het geval van [eiseres] onjuist was afgesteld (of [eiseres] ski’s heeft gekregen die bedoeld waren voor personen met een ander(e) lengte/gewicht en/of de standaardmethode anderszins niet goed is uitgevoerd). Snowworld heeft in dit verband gesteld dat zij, als een bezoeker skimateriaal wenst te huren, op basis van de schoenmaat van de bezoeker de juiste maat skischoen uitgeeft en vervolgens op basis van de lengte en gewicht van de bezoeker de juiste maat ski bepaalt. Vast staat dat [eiseres] bij het uitgeven van de skischoenen is gevraagd naar haar schoenmaat. [eiseres] heeft onder punt 49 van de dagvaarding gesteld dat Snowworld de ski’s vervolgens zonder verdere vragen aan haar heeft verstrekt en zodoende de skibinding niet juist heeft afgesteld. Ter zitting heeft [eiseres] echter meegedeeld dat bij het uitreiken van de ski’s wel naar haar lengte en gewicht is gevraagd. De rechtbank wijst in dit verband ook naar de als productie 20 bij dagvaarding overgelegde brief namens [eiseres] , waarin dit ook is erkend. De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiseres] bij het huren van de ski’s haar lengte en gewicht heeft vermeld. Aan de stelling van [eiseres] dat Snowworld de skibinding niet juist kon hebben afgesteld omdat niet naar de benodigde gegevens voor het afstellen van de skibinding is gevraagd, gaat de rechtbank dus voorbij.

 

4.10.

[eiseres] heeft haar stelling dat Snowworld de skibinding van de aan haar verstrekte ski’s niet deugdelijk heeft afgesteld, verder ook niet feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat de skibinding niet is losgeschoten, is onvoldoende basis voor de conclusie dat de skibinding niet deugdelijk was afgesteld. Snowworld heeft in dit verband gemotiveerd toegelicht dat skibindingen niet bij iedere val hoeven los te schieten. Of een ski in een concreet geval los komt van de schoen is, aldus Snowworld, namelijk afhankelijk van verschillende factoren, zoals de snelheid tijdens de val, de kracht die op de skibinding wordt uitgeoefend en de richting van de kracht. Het enkele niet losschieten van een skibinding betekent dus niet per definitie dat de skibinding verkeerd of te strak was afgesteld. [eiseres] heeft dit zelf ook erkend in de namens haar aan Snowworld gerichte brief van 8 april 2015 (overgelegd als productie 24 bij dagvaarding), waarin is opgenomen: “In uw brief geeft u aan dat het niet losschieten van de bindingen niet direct leidt tot de conclusie dat de binding onjuist is afgesteld. Dit is correct. Niet bij iedere val hoeft de binding van een ski los te schieten.” Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgen vervolgens onvoldoende feitelijke aanknopingspunten die kunnen meebrengen dat de skibinding in de gegeven omstandigheden wel had moeten losschieten. [eiseres] heeft in dit verband gewezen op het feit dat zij, op het moment dat ze wilde gaan remmen, over de kop is geslagen. Ook heeft zij gewezen op de aard van het opgelopen letsel, waaruit moet worden afgeleid dat sprake is geweest van een horizontale krachtsinwerking. De rechtbank acht deze omstandigheden, zonder enige nadere onderbouwing, niet voldoende om [eiseres] toe te laten tot bewijs van haar stelling dat Snowworld ski’s met een ondeugdelijk afgestelde skibinding aan [eiseres] heeft verstrekt of een deskundigenopdracht te gelasten om de rechtbank te informeren.

 

4.11.

De rechtbank merkt op dat het wel op de weg van Snowworld had gelegen om de aan [eiseres] verhuurde ski’s apart te houden voor nader onderzoek, zoals [eiseres] stelt. Ook acht de rechtbank de opstelling van Snowworld tegenover [eiseres] blijkens de stukken, gegeven de ernst van het ongeval, defensief en niet passend. De rechtbank heeft overwogen, zoals ter zitting is meegedeeld, om een nadere mondelinge behandeling te gelasten om zich door een deskundige te laten voorlichten over de mate van waarschijnlijkheid dat de ski’s niet goed waren afgesteld. Hier staat tegenover dat [eiseres] lijkt te menen dat ook de gevolgen van ‘pech’ door Snowworld moeten worden vergoed, enkel omdat het ongeval in de skihal van Snowworld heeft plaatsgevonden en zij geen begin van een feitelijke onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat Snowworld de skibinding van de aan haar overhandigde ski’s niet deugdelijk heeft afgesteld. [eiseres] heeft volstaan met het overleggen van de correspondentie over de aansprakelijkheid tussen partijen en heeft ter onderbouwing van haar standpunt alleen gewezen op de conclusie van de door haar ingeschakelde medisch adviseur (geciteerd in de hiervoor genoemde brief van 8 april 2015). Van [eiseres] had mogen worden verwacht haar standpunt van een nadere onderbouwing te voorzien. [eiseres] heeft dit echter nagelaten. Daarom ziet de rechtbank onvoldoende gronden, de gemotiveerde betwisting door Snowworld mede in aanmerking genomen, die het gelasten van een nadere mondelinge behandeling zoals hiervoor genoemd kunnen rechtvaardigen. Voor omkering van de bewijslast, voor zover [eiseres] dit beoogt, of het aannemen van een bewijsvermoeden bestaat bij gebreke aan een voldoende onderbouwing evenmin grond.

 

4.12.

De slotsom is dat de door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat de verstrekte ski’s niet voldeden aan de eisen die [eiseres] op basis van de met Snowworld gesloten huurovereenkomst aan de ski’s mocht stellen. De ski’s kunnen niet als gebrekkig worden aangemerkt en van schending van de op Snowworld rustende zorgplicht is op dit punt geen sprake. Het verwijt dat Snowworld ook niet heeft gewaarschuwd voor het mogelijke gevaar van een niet goed afgestelde skibinding, slaagt bij deze stand van zaken ook niet.

 

Onjuiste nazorg?

 

4.13.

Het tweede verwijt van [eiseres] aan Snowworld houdt in dat Snowworld is tekortgeschoten in het verlenen van de juiste zorg direct na het ongeval. [eiseres] stelt hiertoe dat Snowworld heeft nagelaten adequaat toezicht te houden en te voorzien in gekwalificeerd en deskundig personeel om in geval van letsel adequaat te handelen en de juiste eerste hulp te verlenen.

 

4.14.

Aan het verwijt van [eiseres] dat Snowworld heeft nagelaten adequaat (de rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiseres] : permanent) toezicht te houden gaat de rechtbank voorbij omdat nader toezicht het ongeval niet had kunnen voorkomen. Het verwijt dat Snowworld heeft nagelaten te voorzien in gekwalificeerd en deskundig personeel slaagt ook niet. Het klopt dat [eiseres] aanvankelijk te hulp is geschoten door twee medewerkers van Snowworld zonder EHBO-diploma, maar niet veel later is de destijds bij Snowworld in dienst zijnde EHBO’er [X] gearriveerd. Dat de betrokken medewerkers die direct na het ongeval arriveerden niet deskundig waren om de situatie te beoordelen en niet adequaat hebben gehandeld heeft [eiseres] , in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door Snowworld, niet onderbouwd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de direct na het ongeval verleende eerste hulp het letsel van [eiseres] (mogelijk) heeft verergerd. Ter zitting heeft [eiseres] wel gesteld dat zij door de betrokken medewerkers is opgetild met de ski nog aan haar been, maar uit de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde verklaring van de zoon van [eiseres] blijkt dat hij de ski’s van [eiseres] al had losgemaakt voordat [eiseres] werd opgetild.

 

4.15.

De rechtbank concludeert dat ook met betrekking tot de verleende nazorg onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat Snowworld de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

 

Tussenconclusie

4.16.

Het vorenstaande leidt tot de tussenconclusie dat de vorderingen van [eiseres] voor zover gebaseerd op de artikelen 6:173 BW in verbinding met 7:208 BW en 6:162 BW stranden.

 

Gebrekkige opstal?

 

4.17.

[eiseres] grondt haar vorderingen tot slot nog op artikel 6:174 BW. [eiseres] stelt in dit verband dat Snowworld als bezitter van een opstal aansprakelijk is, omdat zij ondeugdelijk skimateriaal heeft verstrekt en niet heeft voorzien in deugdelijk toezicht en adequate hulpverlening. Nog los van het feit dat, zoals in het voorgaande is geoordeeld, deze verwijten niet slagen, vallen de verwijten ook niet onder het toepassingsbereik van artikel 6:174 BW. Niet is gesteld of gebleken dat de opstal zelf (de skibaan) als zodanig gebrekkig en daardoor gevaarlijk was. Aansprakelijkheid van Snowworld kan dus ook niet op dit artikel worden gebaseerd.

 

Slotsom en proceskosten

 

4.18.

Het voorgaande leidt ertoe dat Snowworld niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval. De hoofdvorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe niet toe aan een beoordeling van het causaal verband en de omvang van de schade. Ook het beroep van Snowworld op haar exoneratie kan onbesproken blijven.

 

4.19.

Omdat de hoofdvorderingen van [eiseres] worden afgewezen, bestaat voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten evenmin grond.

 

4.20.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, te vermeerderen met de onweersproken door Snowworld gevorderde rente. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van Snowworld tot op heden op een bedrag van € 3.484,– in totaal (€ 2.042,– aan griffierecht en € 1.442,– aan forfaitair salaris advocaat, uitgaande van 2 punten x tarief III ad € 721,–).

 

4.21.

Voor een aparte veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de hierna op te nemen kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. Wel zal de rechtbank de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

 

5De beslissing

De rechtbank:

 

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

 

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Snowworld tot op heden begroot op € 3.484,– aan proceskosten en op € 163,– aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85,– in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en – voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot de dag der algehele voldoening;

 

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 9 juni 2021.1

 

1type: 2163

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey