Rb: taxichauffeur die wegafzetting negeert aansprakelijk voor letsel uitglijdende wegwerker

Samenvatting:

Wegwerker doet tijdens asfalteringswerkzaamheden stap opzij voor taxibus die wegafzetting heeft genegeerd. Hij glijdt hierbij uit over gladde asfalt, waarna shovel over zijn been rijdt. Werkgever van wegwerker vordert doorbetaald loon (ex art 6:107a BW) van werkgever van taxichauffeur (ex art 6:170 BW0. De rechtbank overweegt dat sprake is van gevaarscheppend gedrag van de taxichauffeur door in strijd met de “geslotenverklaring” door te rijden. Het gevaarscheppend gedrag is onrechtmatig, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 9 december 1994, NJ 1996,403, zwiepende tak en HR 12 mei 2000, NJ 2001,300, de verhuizende zusjes). De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is. Geen ongelukkige samenloop van omstandigheden, geen eigen schuld bouwvakker.

Volledige uitspraak:

LJN: BW8232, Rechtbank Zwolle , 183403 / HA ZA 11-377

 

 

Datum uitspraak: 23-05-2012

Datum publicatie: 03-09-2012

Rechtsgebied: Handelszaak

Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Vraag of onrechtmatig is gehandeld door creëren van gevaarzettende situatie waarna een ongeval heeft plaatsgevonden.

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 183403 / HA ZA 11-377

Vonnis van 23 mei 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.A. Venema,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TCR B.V.,

gevestigd te Raalte,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe.

Partijen zullen hierna [eiseres] en TCR genoemd worden.

1.  De procedure

1.1.  Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding

– de conclusie van antwoord

– de conclusie van repliek

– de conclusie van dupliek.

1.2.  Ten slotte is vonnis bepaald.

2.  De feiten

2.1.  [A] is werknemer van [eiseres]. [eiseres] heeft [A] uitgeleend aan haar zusteronderneming Esha Infra Solutions B.V. (verder Esha).

2.2.  [A] heeft in opdracht van Esha op 3 mei 2010 asfalteringswerkzaamheden verricht aan de weg Nieuwe Wetering te Mastenbroek, gemeente Zwartewaterland. Onderdeel van die werkzaamheden was dat het wegdek werd bespoten met een bitumenemulsie, een olieproduct dat de weg zeer glad maakte. Over het wegdek werd vervolgens wegbewapening aangebracht. Daartoe werd door een shovel een rol met stof uitgereden over het kort daarvoor bespoten wegdek.

2.3.  Ten behoeve van de wegwerkzaamheden was de weg over een lengte van vier kilometer afgezet voor regulier verkeer. Dat was aangegeven door verkeersborden (bord C1 dat inhoudt: “weg gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee”) en doordat hekken dwars over de weg waren geplaatst en een dwars geparkeerde vrachtauto de doorgang blokkeerde. Ook was een omleidingroute aangebracht.

2.4.  [B] is werknemer van TCR en was op 3 mei 2010 bestuurder van een taxibus. Hij wilde met die taxibus een bewoner van een aan de Nieuwe Wetering gelegen woonhuis ophalen en is daartoe de wegafzetting gepasseerd. [B] is vervolgens 200 à 300 doorgereden totdat hij de shovel, die op dat moment een rol stof uitreed, naderde. Op dat moment liepen [A] en een collega genaamd [C] ieder aan een zijde van de shovel mee om te bekijken of de stof goed werd uitgereden.

2.5.  [A] is toen de taxibus hem op korte afstand naderde weggestapt en is op de gladde betonemulsie uitgegleden. Op het moment dat [A] achteruit stapte is de shovel weer gaan rijden en is over het been van [A] gereden.

2.6.  Regiopolitie IJsselland heeft van het ongeval een proces-verbaal opgemaakt. Daarin bevindt zich, voor zover van belang, de volgende verklaring van [B]:

“Maandag 3 mei 2010 omstreeks 08.30 ben ik begonnen met mijn werk als chauffeur voor de dagopvang van het Zonnehuis te Zwolle. In die hoedanigheid haal ik ouderen op van hun huis voor verplichte dagopvang. (…) Omstreeks 09.45 bevond ik (toevoeging Rb: mij) op de Nieuwe Wetering te Mastenbroek. Ik moest daar op nummer 17 mevrouw [D] op te halen. (…) Ik kwam vanaf de Haselterkant de Nieuwe Wetering opgereden. Toen ik daar de weg op kwam gereden stond er wel een bord dat er wegwerkzaamheden waren maar het eerste stuk kon ik gewoon nog over de weg rijden. Ik heb verder geen geslotenverklaring gezien. Ik heb wel gezien dat er een hek en een vrachtwagen op de weg stonden maar ik kon hier wel gewoon langs. Nadat ik langs de vrachtwagen was gereden ben ik over de gewone weg verder gereden. Ik heb toen verder ook niets bijzonders gezien. Ik ben toen naar de Nieuwe Wetering 17 gereden en heb daar toen mevrouw [D] opgehaald, vervolgens ben ik daar weggereden in de richting van Zwolle. Toen ik daar de weg opreed zag ik dat ze net voor mij bezig waren met de weg. Ik zag niets bijzonders aan het wegdek. Ter hoogte van waar ze bezig waren met de weg wilde ik hen via de berm passeren. Terwijl ik hen passeerde werd ik aangesproken door een wegwerker welke tegen mij zei dat de weg afgesloten was. Ik zag dat deze man een soort rol met plastic in zijn handen had. Ik zei toen tegen de man dat ik naar het Zonnehuis moest en dat ik er langs wilde. Terwijl ik dat zei zag ik dat de man een soort tractorband op zijn hielen kreeg. Terwijl ik dit vroeg aan de man stond ik stil met mijn voertuig. Ik zag dus dat vlak voor mij dat de chauffeur die met een of andere voertuig voor wegwerkzaamheden bezig was de man op zijn hielen reed.(…)

V: Verbalisant

A: Antwoord verdachte

V: Klopt het dat u hierna aan het einde van de wegwerkzaamheden nog met een wegwerker heeft gevraagd of u er die middag ook weer langs kon?

A: Ja dat klopt. Ik vroeg de man of het goed was dat ik er die middag weer langs mocht omdat ik die mevrouw terug moest brengen. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat dit goed was.

2.7.  Als verklaring van [A] is in voormeld proces-verbaal het volgende, voor zover van belang, opgenomen:

“Ik was op maandag 03 mei 2010 ’s ochtends bezig met asfaltering werkzaamheden aan de Nieuwe Wetering in Mastenbroek. Deze weg waarop ik werkzaam was, was in zijn geheel afgesloten middels borden, geslotenverklaring. Er werd in totaal geen verkeer toegelaten op de weg. Er was ter plaatse een omleidingroute aangebracht. 10 a 15 meter verder stond een hek dwars op de weg en daarop nogmaals het bord geslotenverklaring. De weg was over 4 kilometer afstand afgesloten en halverwege deze weg stond er nog een vrachtwagen (van ESHA wegwerkzaamheden), dwars over de weg geparkeerd.

De bestuurder die later bij me kwam is daar kennelijk ook al omheen gereden door deels door het gras te rijden en over het fietspad om vervolgens weer de weg op te rijden.

De weg was door ons als voorgesproeid met betonemulsie. De bestuurder reeds met twee banden (linkerzijde) over deze natte emulsie. Dit materiaal is spiegelglad en kan je vergelijken met een ijsvloer. Het betreft hier een zwart goed dat gemaakt is van olie.

Ik was zelf bezig dus met het leggen van een stof. Hiervoor stond ik voor een shovel die deze stof uitreed over het net bespoten emulsie. Dit stof is bevestigd voorop de shovel en tussen deze stof en de shovel zit nog enige ruimte waar wij lopen om het uitrollen te begeleiden.

Ik zag dus het busje aan komen rijden en naar mijn mening reed hij hard. Ik was enorm verbaasd dat hij op ons afkwam rijden omdat hij daar totaal niet mocht komen. Ik gebaarde nog met mijn arm dat hij rustig moest rijden en dat hij van dat besproeide deel af moest gaan. Daarop begon hij rustiger te rijden maar ik kreeg heel erg sterk het idee dat hij tegen mij en de shovel aan zou komen rijden. Vanwege de gladheid van het materiaal op het wegdek was naar mijn mening een ongeval onvermijdelijk. Ik kreeg dus het idee ‘dit gaat fout’ en om mezelf in veiligheid te brengen wilde ik van de rijbaan af maar ik kon geen andere kant op dan tussen de shovel en de rol met stof te gaan staan.

Kort voordat ik dit besefte had ik al tegen de chauffeur op de shovel gezegd dat hij verder kon rijden. Deze chauffeur richt zich op de rechtervoorzijde van het voertuig om de vaste afstand te blijven hanteren van de kant van de weg en let niet meer op mij terwijl ik juist links voor het voertuig stond.

Tegelijk dat de chauffeur van de shovel begint te rijden schoot ik dus tussen de shovel en de rol met stof. Ik stapte met mijn linkerbeen over mijn rechterbeen, daarbij gleed ik uit met mijn rechterbeen naar achteren en reed de shovel over mijn been.

Terwijl dit allemaal gebeurde stond het betreffende taxibusje die alles had genegeerd ook al bij me. De chauffeur draaide nog zijn raam open zei iets van “dat/zo moet je niet doen”. Ik heb begrepen dat de politie de chauffeur later heeft staan opwachten want nadat hij dit had gezegd is hij verder gereden. Een collega verderop heeft de chauffeur nog wel gesproken en volgens hem zou deze chauffeur ’s middags hier weer langs komen.

2.8.  Als verklaring van [E] is in genoemd proces-verbaal het volgende opgenomen:

“ Toen wij onze werkzaamheden begonnen is de weg door een speciaal daarvoor bestemd bedrijf afgezet door middel van bebording. Dit is ook gecontroleerd door mijn leidinggevende. Een van de andere wegwerkers heeft zelfs de sproeiauto na de afzetting nog dwars over de weg gezet. (…) Ik was de bestuurder van de shovel. [A] (toevoeging Rb: [A]) en nog een andere man hielpen mij om een begin te maken met het wapenen. Ik ging vervolgens door middel van de shovel de rol uitrollen. [A] en de andere man liepen allebei aan een andere kant. Je moet het zo voorstellen dat je een shovel hebt en dat aan de voorkant van deze shovel de machine met de rol zit. Tussen de shovel en deze machine zit een leeg gedeelte. Hier tussen liepen [A] en de andere man allebei aan een kant. Hun lopen dan over het doek heen. Dit is alleen aan het begin de eerste 25-30 meter. Als dit goed gaat dan gaan hun tussen de machine en de shovel weg. We waren nu nog met het begin bezig dus liepen [A] en de andere man nog tussen de machine en de shovel. [A] hield de linkerkant in de gaten en de andere man hield de rechterkant in de gaten. (..) Beiden liepen aan de voorkant van de shovel ter hoogte van het voorwiel. [A] werkte dus aan de middelkant van de weg terwijl de andere man aan de zijkant van de weg liep. Op een gegeven moment gaf [A] aan dat er een vouw in de bewapening was gekomen. Vervolgens ben ik langzamer gaan rijden zodat [A] de vouw uit de bewapening kon halen. Hij is er toen even op gaan staan. Ik reed vervolgens heel langzaam door om het doek op die manier weer goed te trekken. Ik was hiermee bezig en had mijn volle aandacht op de machine gericht. Ik kijk dan alleen naar de rol en naar de rechterkant van de machine omdat ik de rol maar 10 cent van de kant mag hebben dus ik ben daar voortdurend op gefixeerd. Op een gegeven moment hoorde ik dat [A] begon te schreeuwen. Ik kon niet verstaan wat hij zei maar het was zoiets van wat moet die daar. In een oogopslag zag ik ons een voertuig naderen. Dat was een witte taxibus. Ik weet zo niet op wat voor afstand hij was maar ik schat dat het ongeveer 150 meter was. Ik reed op dat moment nog langzaam vooruit om de rol recht te trekken. Terwijl ik reed en [A] hoorde schreeuwen voelde ik eigenlijk direct daarna dat ik iets raakte. Ik ben toen gelijk stil gaan staan en zag toen dat ik met het linkervoorwiel op [A] zijn been stond. Ik heb toen de machine in de achteruit gezet en ben toen heel langzaam weer naar achteren gereden. (…) In de paar seconden dat dit gebeurde stond de man met die taxi ook al naast ons. Ik zag dat de man naast ons stopte. Ik zag dat de man naar [A] keek en vervolgens is hij ook gelijk weer doorgereden. (…)

Van [A] hoorde ik dat hij was uitgegleden waardoor de band van de shovel mijn hak had gepakt. [A] vertelde dat hij uit zijn concentratie was gehaald door de man. Het wegdek is op het moment dat net geteerd is spekglad. Doordat [A] was afgeleid heeft hij hier even niet aan gedacht waardoor hij uitgleed. [A] vertelde mij later dat hij ineens een auto aan zag komen die recht op hem af kwam. Van schrik is hij hiervan opzij gestapt en hierbij uitgegleden.”

2.9.  Als verklaring van [F] is in genoemd proces-verbaal opgenomen:

“Gisteren, maandag 3 mei 2010 omstreeks 09.45, was ik werkzaam op de Nieuwe Wetering te Mastenbroek. Ik was daar aan het werk samen met de machinist en [A]. (…) We waren daar aan het doekplakken. We hadden even daarvoor nieuw teer op de weg gespoten en waren nu bezig om doeken op de weg te plakken. De machinist reed met de shovel om deze doeken over het teer te rollen. Ik liep samen met [A] ernaast om te zorgen dat alles goed geplaatst werd en om te vegen. Op een gegeven moment zag ik dat uit de richting van Hasselt een wit busje aan kwam gereden. Aan het begin van de afzetting heb ik mijn vrachtwagen helemaal over de weg heen gezet om de weg te blokkeren. Kennelijk was de bus dus om de afzetting heen gereden en alsnog weer de weg op gegaan. Ik zag dat de bus niet heel hard reed. Ik zag dat [A] door middel van armgebaren de bestuurder van de bus sommeerde om naar het fietspad te gaan. Ik denk dat de bus toen ongeveer 25 meter van ons af reed. Ik zag dat de bus gewoon langzaam doorreed over het teer. Ik was ondertussen met mijn werkzaamheden bezig. Toen hoorde ik plotseling [A] had gillen en zag dat hij met zijn voet onder de shovel was gekomen. Ik zag dat de bus er praktisch naast stond en stil was gaan staan.

U vraagt mij of ik heb kunnen zien of [A] aan de kant moest springen voor het busje en of hij daardoor met zijn voet onder de shovel was gekomen. Ik kan u verklaren dat ik dat niet gezien heb. Ik kan u verklaren dat wij daar bezig zijn met ons werk en niet verwachten dat er dan toch verkeer over de weg rijdt. Ik denk dat [A] hierdoor ook werd afgeleid en hierdoor onder de shovel terecht is gekomen met zijn voet.

Op het moment dat de weg net geteerd is is deze spekglad. Juist hierom had ik ook de vrachtwagen dwars over de weg gezet om er zo voor te zorgen dat er geen mensen alsnog langs zouden gaan. De mensen die hier in de omgeving wonen hebben allemaal een brief gehad en konden hun woning via het fietspad wel bereiken.”

2.10.  De door de politie als getuige gehoorde [D] heeft blijkens het proces-verbaal, voor zover van belang, verklaard:

“Vandaag, maandag 3 mei 2010, omstreeks 9.30 was ik werkzaam op de Nieuwe Wetering te Mastenbroek. Ik was daar samen met een aantal collega’s bezig met wegwerkzaamheden. Aan beide kanten van de werkzaamheden was de weg afgesloten door middel van hekken. Tevens was door middel van verkeersborden aangegeven dat er voor voornoemde weg een geslotenverklaring goldt. Ik was aan de kant van Zwolle bij de afzetting aan het werk. Omstreeks genoemd tijdstip zag ik over de weg, waar wij mee bezig waren, een bestelbusje aan komen rijden. Ik zag dat het een busje was voor invalidenvervoer. Ik zag dat het busje bij mij stopte. Ik hoorde dat de bestuurder aan mij vroeg of hij er langs mocht. Ik hoorde tevens dat de man mij vroeg of hij er vanmiddag ook langs kon. Ik heb de man toen gezegd dat dat goed was maar dat hij dan over het fietspad moest gaan. Vervolgens heb ik de man door laten rijden. Even daarna werd ik gebeld door een van mijn collega’s welke ongeveer 200-300 meter van mij af aan het werk waren. Ik hoorde dat mijn collega mij vertelde dat [A] met zijn voet onder de shovel had gezeten en dat het busje wat mij zojuist was gepasseerd erbij betrokken was geweest.”

2.11.  Hoofdagent G. Kanis heeft een situatieschets van het ongeval gemaakt, die aan het proces-verbaal is gehecht. Op deze tekening staan op de weg Nieuwe Wetering naast de vrachtwagen om de weg te blokkeren twee wegafzettingen vermeld met “geslotenverklaring”.

3.  Het geschil

3.1.  [eiseres] vordert samengevat – veroordeling van TCR bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van EUR 15.853,38 en tot betaling van de netto door [eiseres] betaalde loonkosten gedurende de arbeidsongeschiktheid en gedurende het loondienstverband tussen [A] en [eiseres], met veroordeling van TCR in de proceskosten.

3.2.  [eiseres] legt aan het gevorderde, samengevat, het volgende ten grondslag. [B] heeft de wegafzetting genegeerd en is met de taxibus onbevoegd de plek van de werkzaamheden genaderd. De wegafzetting was aangegeven door verkeersborden met een geslotenverklaring en met een dwars over de weg geplaatst hek en vrachtauto. Ook was een omleidingsroute aangebracht. [B] heeft geen gehoor gegeven aan de aanwijzing van [A] dat hij daar niet mocht rijden en dat hij moest stoppen. [B] heeft een levensgevaarlijke situatie voor de wegwerkers gecreëerd. Zijnde één van die wegwerkers hoefde [A] niet bedacht te zijn op de aanwezigheid van autoverkeer. Vanwege de gladheid van het materiaal op het wegdek was een aanrijding met [A] onvermijdelijk. [A] is om zich in veiligheid te brengen achteruit gestapt en is daarbij uitgegleden, waardoor de shovel over het been is gereden. [A] werd geconfronteerd met een situatie waarbij hij volledig geconcentreerd was op de te verrichten werkzaamheden. Indien de gedraging van [B] geëlimineerd zou worden, had [A] op normale wijze zijn werk kunnen verrichten en zou hij geen beweging hebben hoeven maken om de auto te ontwijken. [A] is door het ongeval arbeidsongeschikt geraakt.

3.3.  TCR voert verweer.

3.4.  Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.  De beoordeling

4.1.  Kern van het geschil is of [B] onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door het creëren van een gevaarzettende situatie als gevolg waarvan [A] een ongeval is overkomen en schade heeft geleden. Uitgangspunt daarbij is – eenvoudig gezegd – dat een ieder zijn eigen schade draagt, tenzij sprake is van een normschending aan de zijde van de veroorzaker van de schade.

4.2.  In dat verband is de eerste vraag die partijen verdeeld houdt of voor de Nieuwe Wetering, waar de wegwerkers aan het werk waren, een “geslotenverklaring” gold en of [B] niettemin toestemming is verleend om over die weg te rijden. Anders dan TCR bij de rechtbank ingang wil doen vinden, kan aan de hand van de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van [A], [E] en [D] en (de situatieschets bij) het proces-verbaal van politie IJsselland, in onderling verband en samenhang beschouwd, worden vastgesteld dat de Nieuwe Wetering wegens de wegwerkzaamheden was afgezet met bebording en twee hekken inhoudende “geslotenverklaring”. G. Kanis, hoofdagent, verklaart ook met zoveel woorden in het proces-verbaal (blad 2) dat [B] heeft gereden in strijd met een “geslotenverklaring”. Kanis verwijst daarbij naar artikel 62 juncto bord C1 RVV 1990. [B] betwist in zijn verklaring bij de politie ook niet dat er een “geslotenverklaring” gold, maar verklaart slechts dat hij geen “geslotenverklaring” heeft gezien.

4.3.  Artikel 62 RVV 1990 houdt in dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. [B] voert weliswaar aan dat hij bestemmingsverkeer was en de opdracht had om met de taxibus een mevrouw op te halen en daartoe om de wegafzetting heen is gereden, maar dat verweer kan hem niet baten. Het staat immers niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersteken al dan niet terecht is geplaatst en om daar – om hem moverende redenen – wel of geen gevolg aan te geven. Ook op grond van eisen van verkeersveiligheid kan een dergelijke beoordeling niet worden overgelaten aan de weggebruiker, doch is het veeleer geboden dat deze gevolg geeft aan dat verkeersteken, reeds omdat valt aan te nemen dat anderen daarop zullen rekenen, zo ook [A] heeft gedaan. Bovendien volgt uit de verklaring van de getuige [F] (rechtsoverweging 2.9) dat omwonenden een brief hadden gehad waarin stond dat de woningen via het fietspad bereikbaar waren, zodat ook bestemmingsverkeer via het fietspad en dus niet via de weg werd “omgeleid”. De wegwerkers mochten er dan ook vanuit gaan dat zij ongehinderd en ongestoord hun werkzaamheden aan de weg zouden kunnen uitvoeren. In ieder geval was het [B] niet toegestaan om de wegafzetting te negeren en met de taxibus over de Nieuwe Wetering te rijden. Dat hem daarvoor expliciet toestemming is gegeven, zoals TCR stelt, wordt gemotiveerd betwist en vindt geen steun in de bij de feiten geciteerde (getuigen)verklaringen. Uit verschillende verklaringen, waaronder die van de getuige [D], volgt immers dat [B] pas na het ongeval aan [D], die daar als wegwerker aanwezig was, heeft gevraagd: “Of hij er ‘s middags ook weer langs mocht”. Toen is [B] door [D] te verstaan gegeven dat hij alleen over het fietspad mocht rijden en niet over de weg. De rechtbank concludeert dan ook dat het [B] niet was toegestaan om over de weg te rijden. Hoewel voormeld oordeel van de rechtbank deels op verklaringen van werknemers van [eiseres] is gestoeld, kan de rechtbank die verklaringen wel degelijk bij haar beoordeling betrekkenen. Anders dan TCR stelt geldt de beperkte bewijskracht van artikel 164 lid 2 Rv niet voor die verklaringen. [eiseres] heeft met die verklaringen slechts invulling gegeven aan de op haar rustende stelplicht. Het ligt vervolgens op de weg van TCR om die verklaringen gemotiveerd te bestrijden, bijvoorbeeld met verklaringen van de inzittenden van het taxibusje over wat zij hebben gezien en gehoord, hetgeen TCR heeft nagelaten. Een blote betwisting van onderbouwde stellingen van [eiseres] zoals TCR nu heeft gedaan, is onvoldoende. De conclusie is dan ook dat [B] in strijd met de “geslotenverklaring” heeft gehandeld door de Nieuwe Wetering, waar wegwerkers werkzaam waren, op te rijden.

4.4.  Daarmee ligt de vraag voor of [B] een verwijt kan worden gemaakt van het ongeval dat [A] vervolgens is overkomen. Met andere woorden, beoordeeld dient te worden of het feit dat de shovel over het onderbeen van [A] is gereden kan worden toegerekend aan het handelen door [B]. Volgens vaste rechtspraak maakt de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een gevaar dat aan een bepaald gedrag inherent is, dat gedrag niet reeds onrechtmatig. Zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts dan onrechtmatig, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996,403, het schoppen tegen een tak en Hoge Raad 12 mei 2000, NJ 2001,300, de verhuizende zusjes).

4.5.  In dit verband is van belang dat TCR niet heeft bestreden dat de weg waarop [B] reed door de bitumenemulsie die daarop was aangebracht spekglad was. Evenmin is voldoende bestreden dat [B] met de banden aan de linkerzijde van het taxibusje over die gladde weg op de wegwerkers toereed. Als vaststaand kan bovendien worden aangenomen dat wegwerkers op korte afstand van de wegafzetting met een shovel aan de weg werkten, hetgeen [B] blijkens zijn verklaring heeft gezien. Naar [A] onbetwist heeft gesteld, werkte hij op het middengedeelte van de weg, waar [B] langs zou rijden. Gezien het vorenstaande en gegeven de maatregelen die waren genomen om de weg af te zetten, zoals de bebording met geslotenverklaring, de hekken, de dwars over de weg geplaatste vrachtauto en de omleidingsroute, had [B] zich als bestuurder van het taxibusje bewust moeten zijn van het feit dat de wegwerkers niet op de aanwezigheid van een voertuig op de weg bedacht waren of hoefden te zijn. Bovendien heeft [eiseres] voldoende onderbouwd gesteld dat [A] – zeker in de gegeven omstandigheden dat [B] over de gladde weg op hem toereed en niet reageerde op de aanwijzing om te stoppen en om zijn weg via het fietspad te vervolgen, vanuit een schrikreactie opzij is gestapt en daarbij is uitgegleden op de spekgladde weg, zoals hij blijkens de overgelegde verklaring kort na het ongeval ten overstaan van de politie heeft verklaard en ook door de getuige De Weerd is bevestigd. De rechtbank gaat er daarom aan voorbij dat [A] enkel over zijn eigen benen is gestruikeld zoals TCR ingang wil doen vinden.

4.6.  Dat het de shovel is geweest die uiteindelijk het letsel heeft veroorzaakt – TCR stelt in dat verband dat het causale verband ontbreekt – maakt voor de beoordeling geen verschil. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft [B] de gevaarlijke situatie voor [A] gecreëerd. Indien [B] – zoals TCR stelt – de bebording niet heeft gezien, is hij als bestuurder van een motorvoertuig aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig geweest. [B] heeft, zo volgt uit zijn verklaring, in ieder geval moeten hebben gezien dat wegwerkers dicht bij een grote machine, de shovel, aan het werk waren. Voor [B] was waarneembaar dat aan de weg werd gewerkt en hij had zich ervan bewust moeten zijn dat er mogelijk “iets bijzonders” met de weg aan de hand was. Naar [eiseres] onbetwist heeft gesteld vereisen dergelijke werkzaamheden concentratie bij de wegwerkers. [B] is de wegwerkers met normale snelheid genaderd en is, hoewel hij niet hard reed, niet stapvoets gaan rijden. Evenmin heeft hij gereageerd op aanwijzing van [A] om te stoppen en zich te begeven op het fietspad. Naar de shovelchauffeur heeft verklaard, was [B] binnen een paar seconden bij hen. Onder die omstandigheden was een ongeval als gevolg van het rijden door [B] en het opzij stappen door [A] dermate waarschijnlijk dat [B] zich naar zorgvuldigheidsmaatstaven had behoren te onthouden van zijn weggedrag. TCR heeft voorts niet aannemelijk gemaakt, laat staan onderbouwd gesteld, dat [A] ook zonder de gedragingen van [B] onverhoeds opzij zou zijn gestapt tussen de rol en de shovel.

4.7.  TCR heeft nog ten verwere aangevoerd dat [eiseres] c.q. ESHA maatregelen had moeten treffen om letsel te voorkomen rekening houdend met de fysieke weginrichting, de gladheid van de weg en onoplettend (wegwerk)verkeer. De eerder genoemde maatregelen die zijn getroffen om automobilisten er op te wijzen dat zij niet over de Nieuwe Wetering mochten rijden, zijn echter naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots voldoende. Verdere maatregelen, zoals afzetting met rood-wit lint, zou aan de veiligheid niet hebben bijgedragen, te meer niet nu het fietspad voor omwonenden berijdbaar diende te blijven. Ondanks de werkzaamheden heeft [B] de wegafzetting, waarbij hij de Nieuwe Wetering via berm en fietspad is opgereden, willens en wetens genegeerd. Met dergelijk weggedrag behoefde [eiseres] geen rekening te houden.

4.8.  Het moet er al met al voor worden gehouden dat [B] onder de omstandigheden van dit geval onrechtmatig ten opzichte van [A] heeft gehandeld en dat geen sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals TCR bij de rechtbank ingang wil doen vinden. Uit het vorenstaande volgt ook dat geen sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW aan de zijde van [A] te meer nu [A] heeft verklaard: “Ik kreeg dus het idee ‘dit gaat fout’ en om mezelf in veiligheid te brengen wilde ik van de rijbaan af maar ik kon geen andere kant op dan tussen de shovel en de rol met stof te gaan staan.”

Dat [A] zich kennelijk door het rijgedrag van [B] bedreigd heeft gevoeld en de “ongelukkige” noodsprong maakte kan hem, wat daar ook van zij, onder de omstandigheden bezwaarlijk worden tegengeworpen.

4.9.  Voor de het onrechtmatige gedrag van [B] veroorzaakte schade is TCR ex artikel 6:170 BW aansprakelijk. De volgende vraag is of [eiseres] schade heeft geleden. [eiseres] stelt dat [A] na het ongeval aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt is geraakt voor het eigen werk. Aangezien eerdere re-integratie niet mogelijk was, heeft [A] zijn werk pas op 1 maart 2011 kunnen hervatten. Op grond van artikel 20 lid 2 van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst had [A] recht op aanvulling van zijn salaris tot 100%. De schade is niet op derden, zoals een verzekeraar, verhaald aldus [eiseres]. TCR betwist de gestelde schade en voert onder meer aan dat [A] wel eerder had kunnen worden gere-integreerd. Daartoe voert TCR onder meer aan dat het UWV heeft geoordeeld dat [A] benutbare mogelijkheden had.

4.10.  De rechtbank stelt vast dat de werkgever van [A] vanaf het moment van ziekteverzuim actie heeft ondernomen en dat door een bedrijfsarts een probleemanalyse WIA is opgesteld conform de Wet Poortwachter. In deze probleemanalyse staat een beschrijving van de aard van de beperkingen, de mogelijkheden, de doelstelling en een werkhervattingsprognose. De rechtbank stelt aan de hand van de door [eiseres] als productie 1 overgelegde rapportage d.d. 2 augustus 2010 van de bedrijfsarts E.M. Kruijer vast dat [A] op dat moment nog volledig arbeidsongeschikt was voor het eigen werk en dat hij forse beperkingen had, zoals vermeld onder randnummer 15 van het rapport (lopen, trappen lopen, auto rijden, zware lasten hanteren, trillingsbelasting, klimmen, knielen,/hurken/op de knieën werken en langer staan). Bij overige adviezen staat geschreven dat [A] geen auto mocht rijden en niet op ladders of hoogte mocht werken. Hij was beperkt in langer staan en lopen. Ook staat er vermeld dat er geen bezwaar is tegen klusjes, mits rekening wordt gehouden met genoemde beperkingen en dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Kruijer schrijft voorts dat conform de Wet Poortwachter is gehandeld en dat de re-integratie er niet onder heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is de bedrijfsarts de aangewezen persoon om de re-integratie van de werknemer te begeleiden. Uit de rapportage van de bedrijfsarts blijkt dat er nader onderzoek nodig was en dat er (aanvankelijk) geen mogelijkheden waren voor re-integratie. Ook in september 2010 heeft de bedrijfsarts [A] volledig arbeidsongeschikt geacht. Naar [eiseres] gesteld heeft, heeft [A] het werk per 1 maart 2011 kunnen hervatten. Dat [eiseres] in de re-integratie van [A] tekortgeschoten is en dat [A] met zijn beperkingen niettemin andere werkzaamheden had kunnen verrichten, volgt uit de hiervoor geciteerde rapportage niet. Dat er, zoals TCR stelt, door de bedrijfsarts is aangevinkt dat er benutbare arbeidsmogelijkheden waren maakt nog niet dat [A] op dat moment al ander passend werk kon verrichten. Dat volgt in ieder geval niet uit de betreffende rapportage van de bedrijfsarts. De stelling van TCR dat [A] eerder gere-integreerd had kunnen, dient in het licht van vorenstaande rapportage, in onderling samenhang en verband beschouwd, dan ook te worden gepasseerd.

4.11.  [eiseres] heeft, onder overlegging van de betreffende facturen, onbetwist gesteld dat de schade uit hoofde van revalidatie en re-integratie EUR 525,26 beloopt. Evenmin heeft TCR betwist dat het netto aan [A] doorbetaalde loon tot en met 1 maart 2010 een bedrag ad EUR 15.328,12 bedraagt. [eiseres] heeft genoegzaam onderbouwd gesteld dat zij de werkgever van [A] is en in concernverband deel uitmaakt van Icopal B.V, zodat [eiseres] gerechtigd is tot de vordering.

4.12.   TCR heeft ook nog een beroep gedaan op matiging van de schade ex artikel 6:109 BW. Volgens TCR is er reden voor matiging van de verplichting tot schadevergoeding gelet op het feit dat [B] aldaar als bestemmingsverkeer was en haar concernstructuur een onredelijk nadeel vormt. Dat verweer kan al niet slagen wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing. Van TCR mocht worden verwacht dat zij uiteen zouden zetten waarom toekenning van volledige schadevergoeding tot een onaanvaardbaar gevolg zou leiden. Dat heeft zij verzuimd. De enkele omstandigheid dat [B] bestemmingsverkeer was en dat sprake is van een concernstructuur, is zonder nadere toelichting die evenwel ontbreekt in ieder geval niet toereikend.

4.13.  De slotsom is dat het gevorderde tot een totaalbedrag van EUR 15.853,38 kan worden toegewezen. Artikel 6:107a BW ziet op verhaalbare schade wegens tijdens arbeidsongeschiktheid doorbetaald loon en op re-integratiekosten. Het overige door [eiseres] onder II van het petitum gevorderde zal worden afgewezen.

4.14.  TCR zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

– dagvaarding  EUR   83,41

– griffierecht    1.181,00

– salaris advocaat    904,00 (2 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal  EUR   2.168,41

5.  De beslissing

De rechtbank

5.1.  veroordeelt TCR om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 15.853,38 (vijftienduizendachthonderddrieënvijftig euro en achtendertig eurocent),

5.2.  veroordeelt TCR in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 2.168,41,

5.3.  verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.  wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey