Rb: verzekeraar dient meerkosten aankoop huis als schade te vergoeden, geen verrekenbaar voordeel

Samenvatting:

Benadeelde heeft bij ongeval hoge dwarslaesie opgelopen. Zij koopt gelijkvloerse woning, omdat eigen woning niet kan worden aangepast. Benadeelde verzoekt voor recht te verklaren dat verzekeraar de meerprijs van € 305.000 als schade vergoed dient te worden. De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde in een situatie moet worden gebracht die zoveel mogelijk vergelijkbaar is met de situatie zoals die zou zijn als het ongeval niet zou zijn gebeurd.  Hoewel het vermogen van benadeelde toeneemt en er in abstracte zin sprake is van voordeel geniet benadeelde daar echter niet zonder meer daadwerkelijk voordeel van. Dat doet zich pas voor bij verkoop van het huis. De rechtbank verklaart voor recht a. dat de concrete kosten voor het creëren van een acceptabele nieuwe woonsituatie – waaronder de meerkosten van de woning – volledig door verzekeraar vergoed moeten worden; b. dat de meerkosten en de waardestijging van de bezittingen juridisch gezien een verrekenbaar voordeel oplevert, waarvan het niet redelijk is die te verdisconteren in de begroting van de schade; dat verzekeraar gehouden is om de meerkosten van de woning van € 305.000 – te vergoeden.

ECLI:NL:RBMNE:2021:5215, Rechtbank Midden-Nederland, C/16/517202 / HA RK 21-37 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBMNE:2021:5215

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

27-10-2021

Datum publicatie

09-11-2021

Zaaknummer

C/16/517202 / HA RK 21-37

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Dwarslaesie. Noodzakelijke verhuizing als gevolg van ongeval. Is meerprijs aangepaste woning schade? Hoe een tekort financieren? Is er sprake van voordeel? Is verrekening van voordeel redelijk? Forse matiging deelgeschilkosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Meervoudige handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/517202 / HA RK 21-37

Beschikking van 27 oktober 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.F. Vermeulen te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. H.P. Verdam te Amsterdam.

1De procedure

1.1.

Dit is een deelgeschilprocedure zoals geregeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2.

Op 10 februari 2021 is op de griffie van de rechtbank het verzoekschrift van [verzoekster] met 15 producties ontvangen. Op 17 juni 2021 is het verweerschrift van ASR met acht producties ontvangen.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft op 8 juli 2021 plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank. Daarbij was [verzoekster] samen met haar echtgenoot de heer [A] aanwezig, met mr. Vermeulen. Namens ASR was mevrouw [B] aanwezig met mr. Verdam (met advocaat-stagiaire mr. [C] ). De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt. Mr. Vermeulen heeft het standpunt van [verzoekster] nader toegelicht aan de hand van “Notities mondelinge toelichting”. Ook mr. Verdam heeft het standpunt mondeling toegelicht. Verder hebben de advocaten en partijen vragen van de rechtbank beantwoord en over en weer op elkaars standpunten gereageerd.

1.4.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is afgesproken dat de zaak tot 8 september 2021 zal worden aangehouden voor overleg tussen partijen. Dit overleg heeft niet tot afspraken tussen partijen geleid en partijen hebben de rechtbank verzocht uitspraak te doen. Daarop volgt deze beschikking.

  1. De overwegingen

inleiding

2.1.

Op 2 februari 2015 is de auto die de echtgenoot van [verzoekster] bestuurde en met wie [verzoekster] en hun twee kinderen onderweg waren, betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Doordat het die dag gevroren had was het glad. De echtgenoot van [verzoekster] moest uitwijken voor een tegenligger die hun richting uit kwam glijden. De auto van het gezin van [verzoekster] is daarbij van de weg geraakt, in een greppel terecht gekomen en uiteindelijk ter hoogte van de passagiersstoel, waar [verzoekster] zat, tegen een boom gebotst en tot stilstand gekomen. [verzoekster] brak daarbij meerdere borstwervels en een halswervel, zij liep een volledige dwarslaesie op. [verzoekster] is blijvend rolstoelgebonden en zorgafhankelijk. ASR heeft als WAM-verzekeraar erkend dat zij de schade die [verzoekster] door het ongeval lijdt moet vergoeden. Partijen zijn daarover ook in overleg getreden.

passende woning

2.2.

Op het moment van het ongeval stonden [verzoekster] en haar echtgenoot op het punt te verhuizen naar een woning aan de [straatnaam 1] in [plaatsnaam] die zij in december 2014 hadden gekocht. Partijen zijn het er over eens geworden dat het niet haalbaar is deze woning rolstoeltoe- en doorgankelijk te maken en dat het noodzakelijk was op zoek te gaan naar een andere, passende woning. Partijen hebben daarvoor samen bureau [naam onderneming] opdracht gegeven om met [verzoekster] op zoek te gaan naar een passende woning. Op een gegeven moment is in de tweede helft van 2015 een gelijkvloerse woning aan de [straatnaam 2] in [plaatsnaam] in beeld gekomen. Die woning kon geschikt worden gemaakt voor bewoning door [verzoekster] . De woning aan de [straatnaam 2] is uiteindelijk in april/mei 2016 ook door [verzoekster] gekocht. ASR heeft een bedrag van € 400.000 als voorschot onder algemene titel ter beschikking gesteld om [verzoekster] in staat te stellen de woning te kopen.

wat is het punt?

2.3.

De woning aan de [straatnaam 1] hadden [verzoekster] en haar echtgenoot in december 2014 gekocht voor € 157.500. Daarvoor hadden zij een hypothecaire geldlening afgesloten van € 165.000.

Voor de woning aan de [straatnaam 2] is een koopprijs van € 470.000 overeengekomen. Ook op deze woning rust een hypotheek van € 165.000. De kosten van verbouwing, de verhuis- en inrichtingskosten en kosten van de hypotheekadviseur en de makelaar bedragen, na aftrek van WMO-subsidie, € 84.000. Daarover zijn partijen het eens en dit bedrag heeft ASR ook als schade vergoed. De meerprijs van de woning aan de [straatnaam 2] ten opzichte van de woning aan de [straatnaam 1] hebben partijen bepaald op een bedrag van € 305.000. Partijen verschillen van mening over hoe met het bedrag van € 305.000 bij de verdere schadeafwikkeling moet worden omgegaan.

standpunt en verzoek [verzoekster]

2.4.

[verzoekster] vindt dat de kosten van de nieuw gecreëerde woonsituatie redelijk zijn en dat deze kosten ook in causaal verband staan met het ongeval. Het gaat om concrete kosten die gemaakt zijn met het doel een menswaardig bestaan voor haar mogelijk te maken. Daarom vindt [verzoekster] dat deze concrete herstelkosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen en dat een waardestijging van haar bezittingen bij de begroting van haar schade buiten beschouwing moet blijven en/of niet te kwalificeren is als een verrekenbaar voordeel.

Als de rechtbank de waardestijging van haar bezittingen wel als verrekenbaar voordeel aanmerkt, is het wat [verzoekster] betreft niet redelijk om die waardestijging te verdisconteren in de begroting van de schade.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het wel redelijk is om de waardestijging te verrekenen, dan stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat ASR voor de meerprijs van de nieuwe woning minimaal € 200.000 aan haar verschuldigd is.

2.5.

Tegen deze achtergrond verzoekt [verzoekster] de rechtbank dan ook, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

voor recht te verklaren dat de door [verzoekster] ter bestrijding van de gevolgen van haar handicaps gemaakte concrete kosten voor het creëren van een acceptabele nieuwe woonsituatie – waaronder tenminste de meerkosten van de woning en de kosten van de verbouwing zoals genoemd in nummer 51 van het verzoek – volledig door ASR aan [verzoekster] vergoed moeten worden;

te bepalen dat in de begroting van de door ASR aan [verzoekster] te vergoeden kosten van de nieuwe woonsituatie de vanwege deze nieuwe situatie optredende waardestijging van de bezittingen van [verzoekster] buiten beschouwing dient te blijven, althans juridisch niet te kwalificeren is als een verrekenbaar voordeel;

voor recht te verklaren dat ASR gehouden is om aan [verzoekster] de meerkosten van de woning – door partijen begroot op € 305.000 – te vergoeden;

subsidiair

indien en voor zover de rechtbank beslist dat sprake is van een verrekenbaar voordeel

voor recht te verklaren dat het niet redelijk is om een vanwege de gerealiseerde acceptabele nieuwe woonsituatie optredend voordeel in de vorm van de waardestijging van de bezittingen van [verzoekster] , te verdisconteren in de begroting van de schade;

voor recht te verklaren dat ASR gehouden is om aan [verzoekster] de meerkosten van de woning – door partijen begroot op € 305.000 – te vergoeden;

meer subsidiair

voor recht te verklaren dat in mei 2016 tussen ASR en [verzoekster] een overeenkomst tot stand is gekomen, inhoudende dat de ter zake van de meerkosten van de woning door ASR aan [verzoekster] minimaal een bedrag van € 200.000 zal worden vergoed, althans dat [verzoekster] onder de in mei 2016 gegeven omstandigheden erop heeft mogen vertrouwen dat ASR daadwerkelijk ter zake van de meerkosten van de woning aan [verzoekster] minimaal een bedrag van € 200.000 zal vergoeden;

voor recht te verklaren dat ASR gehouden is om aan [verzoekster] ter zake van de meerkosten van de woning een bedrag van € 200.000 te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

primair, subsidiair en meer subsidiair

– ASR te veroordelen in de kosten van deze procedure, en het honorarium van de advocaat te begroten conform de door [verzoekster] in het geding gebracht begroting, te vermeerderen met redelijke kosten voor de voorbereiding en behandeling van de deelgeschilprocedure, althans minimaal te begroten op de door [verzoekster] met haar advocaat voor honorarium overeengekomen vergoeding van € 25.000 plus griffierecht, althans te begroten op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

2.6.

De rechtbank zal vanaf punt 2.10 verder ingaan op het standpunt van [verzoekster] .

standpunt en tegenverzoek ASR

2.7.

ASR is het niet met [verzoekster] eens dat de volledige meerwaarde van de woning aan de [straatnaam 2] als schade moet worden aangemerkt omdat tegenover de aanschafkosten van de woning ook de vermogenswaarde van de woning staat die tot een waardevermeerdering van het vermogen van [verzoekster] leidt. In de optiek van ASR is er netto gezien geen sprake van schade. Daartegenover staat dat ASR zich realiseert dat van [verzoekster] niet verwacht kan worden dat zij de aanschafkosten van de woning op dit moment volledig zelf bekostigt. Daarom heeft zij een ruim voorschot uitgekeerd, wat ook niet nu direct terugbetaald hoeft te worden. Wat ASR wel wil is voor de toekomst afspraken maken over de manier waarop het voorschot uiteindelijk verdisconteerd wordt met de waarde van de woning.

2.8.

Daarom komt ASR met een tegenverzoek, waarbij zij de rechtbank verzoekt om:

voor recht te verklaren dat het verschil tussen de verkoopwaarde van de voor ongeval door [verzoekster] bewoonde woning en de waarde van haar huidige woning niet als schade kan worden beschouwd;

[verzoekster] op te dragen om medewerking te verlenen aan het maken van afspraken over het op termijn (bij het treffen van een finale regeling of bij verkoop van de woning) aflossen en/of verrekenen van het betreffende bedrag.

2.9.

De rechtbank zal hierna verder ingaan op het standpunt van ASR.

meerprijs aangepaste woning – schade?

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat ASR de schade die [verzoekster] door het ongeval lijdt volledig moet vergoeden. Dit uitgangspunt volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 (NJ 2009/387). In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een benadeelde in een situatie moet worden gebracht die zoveel mogelijk vergelijkbaar is met de situatie zoals die zou zijn als het ongeval niet zou zijn gebeurd, en dat dat leidend is bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.

2.11.

Partijen zijn het er in het buitengerechtelijke traject over eens geworden dat de situatie waarin [verzoekster] is komen te verkeren het noodzakelijk heeft gemaakt dat [verzoekster] naar een andere woning moest verhuizen. Dit is de woning aan de [straatnaam 2] geworden, met de aankoop waarvan ASR ook heeft ingestemd. ASR heeft [verzoekster] daarbij in financieel opzicht geholpen door een voorschot onder algemene titel van € 400.000 ter beschikking te stellen, waarvan partijen naderhand hebben vastgesteld dat het bedrag van € 305.000 het verschil in prijs tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe, passende’ woning is.

De rechtbank is, met [verzoekster] , van oordeel dat deze meerprijs van € 305.000 gelabeld moet worden als schade. Indien en voor zover [verzoekster] niet in staat is/was de woning aan de [straatnaam 2] zelf te betalen, is het aan ASR om in dat financieel tekort te voorzien. Als dat niet van ASR zou kunnen worden verlangd, zou dat betekenen dat het voor [verzoekster] in feite onmogelijk is om in de aan haar handicaps aangepaste woning te wonen. En dat doet afbreuk aan het uitgangspunt dat schade volledig vergoed moet worden.

wonen in duurder huis & waardestijging bezittingen – verrekening van voordeel redelijk?

2.12.

In artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als een gebeurtenis behalve schade ook voordeel heeft opgeleverd voor een benadeelde, dat voordeel, voor zover dat redelijk is, bij de vaststelling van de schade die vergoed moet worden meegenomen moet worden.

Van ‘eenzelfde gebeurtenis’ in de zin van artikel 6:100 BW is sprake als er een conditio sine qua non verband bestaat tussen de normschending en het voordeel, in die zin dat het voordeel er niet zou zijn zonder de normschending (HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1483). Als dat zo is moet beoordeeld worden of het redelijk is dat dat voordeel in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de schade die vergoed moet worden. Daarbij moet als uitgangspunt worden genomen dat van voordeelsverrekening slechts sprake kan zijn als een voordeel werkelijk is genoten, of naar redelijke verwachting daadwerkelijk genoten zal worden (HR 1 februari 2002 ECLI:NL:HR:2002:AD6627).

2.13.

Voor de situatie van [verzoekster] is evident dat de normschending conditio sine qua non is voor de duurdere woning. Door het ongeval is het verhuizen naar de aangepaste woning aan de [straatnaam 2] , die duurder is, noodzakelijk geworden.

De rechtbank is van oordeel dat het wonen in een groter, duurder huis op zichzelf geen voordeel voor [verzoekster] oplevert; zij wordt daardoor tenslotte juist in staat gesteld om te leven en wonen zoals zij dat deed voordat haar het ongeval overkwam. De rechtbank vindt het dan ook niet redelijk de concrete financiële bijdrage van ASR die hiervoor nodig was als voordeel op de schadevergoeding in mindering te brengen. Dit zou er op neerkomen dat het voor [verzoekster] onmogelijk is de woning waarin zij nu woont te financieren, wat bovendien impliceert dat zij haar schade niet volledig vergoed krijgt.

2.14.

Iets anders dan wonen in een duurdere woning (zie 2.13) is dat de eigendom van een groter, duurder huis [verzoekster] mogelijk voordeel zou kunnen opleveren in de zin van artikel 6:100 BW. Door de eigendom van een duurder huis neemt haar vermogen toe. In deze zaak gaat het om het bedrag van € 305.000. ASR heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat het haar om de meerprijs (het bedrag van € 305.000) gaat en niet ook om eventueel rendement.

Hoewel het vermogen van [verzoekster] toeneemt en er in abstracte zin sprake is van voordeel geniet [verzoekster] daar echter niet zonder meer daadwerkelijk voordeel van. Dat doet zich pas voor bij verkoop van het huis of door er op een andere manier financieel voordeel aan te ontlenen. Of dat zal gebeuren, wanneer dat dan zal zijn en welk bedrag daarmee dan gemoeid zal zijn valt nu niet te bepalen. De prijzen van huizen (en daarmee de waarde ervan) fluctueren immers en een waardestijging of -daling is niet (goed) te voorspellen, en of en wanneer dat aan de orde zal zijn is ook niet op voorhand vast te stellen. Daarom kan niet worden gezegd welk voordeel [verzoekster] geniet of – naar redelijkerwijs valt te verwachten – zal genieten van het feit dat zij eigenaar is van een duurder huis. Verder geldt ook hier dat als een eventuele vermogensvermeerdering nu al als voordeel wordt verrekend met de schadevergoeding, dit tot gevolg heeft dat het haar alsnog in feite onmogelijk wordt gemaakt om de woning aan de [straatnaam 2] te financieren, en dus te bewonen, wat dan ook impliceert dat zij haar schade niet volledig vergoed krijgt. Verrekening van mogelijk voordeel door een toename van het vermogen van [verzoekster] is niet redelijk bij het vaststellen van de schadevergoeding.

hoe moet het in deze zaak dan wel?

2.15.

Dat een meerprijs van een andere, aangepaste woning aangemerkt moet worden als schade, betekent niet altijd en ook niet zonder meer dat de aansprakelijke partij dat in de vorm van een concreet bedrag moet financieren (vergoeden). Een aansprakelijke partij is er vrij in hoe zij dat tekort vormgeeft. Dat kan bijvoorbeeld door een geldlening te verstrekken, eventueel renteloos, of door een garantstelling af te geven ten behoeve van een hypotheekverstrekker die (daarmee) bereid is een hogere lening te verstrekken dan op basis van de financiële situatie van een benadeelde alleen zou kunnen worden verstrekt.

Dat is hier in de situatie van [verzoekster] allemaal niet gebeurd. Hier is een bedrag van € 400.000 als voorschot onder algemene titel, dus in feite een concreet bedrag, voor de aankoop van de woning ter beschikking gesteld.

2.16.

ASR heeft daarover gezegd dat het traject van aankopen van de woning aan de [straatnaam 2] met tijdsdruk gepaard ging, waarbij er in de optiek van ASR (namens [verzoekster] ) op geld werd aangedrongen en waardoor er geen ruimte is geweest voor een gesprek over hoe dat verder vorm zou moeten worden en kunnen gegeven. Van meet af aan zegt ASR zich wel op het standpunt te hebben gesteld dat het tekort/de meerprijs wat haar betreft geen schade is, en dat zij over dit standpunt richting [verzoekster] ook duidelijk is geweest.

2.17.

De rechtbank is het niet met ASR eens dat er geen gelegenheid zou zijn geweest om over de financiering van de meerprijs van de woning aan de [straatnaam 2] in gesprek te gaan. Er is een langdurige zoektocht geweest naar een geschikte woning. Toen de woning aan de [straatnaam 2] in beeld kwam heeft [naam onderneming] begin december 2015 deze woning onder de aandacht van partijen gebracht. ASR heeft toen ook ingestemd met het feit dat [verzoekster] deze woning zou proberen aan te kopen. Dat volgt bijvoorbeeld uit de telefoonnotitie van 23 mei 2016 van ASR (productie 2 bij verweerschrift) waar staat: Er is in december ook nog aangegeven dat zij kon gaan voor de onderhandelingen.

In een telefoonnotitie van 16 december 2015 van ASR (productie 1 bij verweerschrift) wordt al melding gemaakt van discussie over het verschil (in prijs) tussen de oude en de nieuwe woning. In de maanden erna, in april 2016 is overeenstemming bereikt over de koopsom. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid geweest om te praten over eventuele condities hoe met het verschil in prijs tussen de oude en de nieuwe woning aan [verzoekster] om te gaan. In een verslag van 26 juli 2016 van een bespreking op 8 juli 2016 (productie 4 bij verweerschrift) wordt namens [verzoekster] nogmaals gevraagd het standpunt over voordeelverrekening te concretiseren en te motiveren. Daaruit leidt de rechtbank af dat op dat moment door ASR nog steeds geen standpunt was ingenomen. Uiteindelijk is, zonder dat verdere concrete afspraken hierover zijn gemaakt, een bedrag van € 400.000 voor de aankoop en verbouw van de woning aan de [straatnaam 2] ter beschikking gesteld aan [verzoekster] . De rechtbank is van oordeel dat het in de rede ligt dat partijen op het moment dat zich een situatie voordoet waarbij het nodig is dat een benadeelde verhuist zij rond het moment van aankoop van de aangepaste woning al afspraken (gaan) maken over hoe wordt omgegaan met het verschil in waarde tussen de huidige woning en de aangepaste woning bij een eventuele verkoop van de (dan nog aan te schaffen) aangepaste woning. Op het moment dat ASR in december 2015 akkoord ging dat er onderhandeld zou gaan worden over de aankoop van de woning door (of namens) [verzoekster] is ook het moment om afspraken te (gaan) maken over de financiering, daarvoor is het nu (achteraf) te laat.

wat betekent dit voor het verzoek van [verzoekster] ?

2.18.

Dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat het verzoek van [verzoekster] in zoverre zal worden toegewezen dat de rechtbank voor recht zal verklaren 1) dat de door [verzoekster] ter bestrijding van de gevolgen van haar handicaps gemaakte concrete kosten voor het creëren van een acceptabele nieuwe woonsituatie – waaronder de meerkosten van de woning – volledig door ASR aan [verzoekster] vergoed moeten worden, 2) dat daarbij sprake is van een verrekenbaar voordeel en dat het niet redelijk is dat te verdisconteren in de begroting van de schade en 3) dat ASR gehouden is om een [verzoekster] de meerkosten van de woning – door partijen begroot op € 305.000 – te vergoeden (zoals reeds is voldaan met betaling van het voorschot van € 400.00).

Hierbij merkt de rechtbank op dat, omdat over de vergoeding van de concrete verbouwingskosten geen discussie bestaat, dat niet in de (eerste) verklaring voor recht is vermeld.

wat betekent dit voor het tegenverzoek van ASR?

2.19.

Voor het tegenverzoek van ASR betekent een en ander dat dit zal worden afgewezen.

deelgeschilkosten

2.20.

De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.21.

Voor dit deelgeschil is met [verzoekster] een vaste vergoeding van € 25.000 inclusief btw voor honorarium, wat overeenkomt met 75 uur keer een uurtarief van € 273,00, overeengekomen. Voor de kosten voor dit deelgeschil wordt namens [verzoekster] dan ook een bedrag van € 25.000,00 inclusief btw verzocht, te vermeerderen met het griffierecht van € 1.666,00.

2.22.

ASR maakt nadrukkelijk bezwaar tegen de omvang van de deelgeschilkosten, die de dubbele redelijkheidstoets wat haar betreft niet doorstaan. Zij vindt een bedrag van maximaal € 8.000,00 redelijk. Met een uurtarief van de € 273,00, dat aanzienlijk hoger is dan gebruikelijke tarieven in de letselschadebranche, vindt ASR het aantal gedeclareerde uren en het totale bedrag buitenproportioneel.

2.23.

De zaak is niet heel eenvoudig, maar rechtvaardigt toch niet de 75 uur die [verzoekster] in rekening wil brengen. De rechtbank begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak in dit deelgeschil op 25 uur x € 273,00 exclusief btw, dus op € 8.258,25 inclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 1.666,00 dat [verzoekster] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij opgeteld worden. ASR zal daarom tot betaling van € 9.924,25 aan [verzoekster] worden veroordeeld.

uitvoerbaar bij voorraad?

2.24.

De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals [verzoekster] vraagt omdat tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure geen hoger beroep openstaat. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.

3De beslissing

De rechtbank:

over het verzoek

3.1.

verklaart voor recht dat de door [verzoekster] ter bestrijding van de gevolgen van haar handicaps gemaakte concrete kosten voor het creëren van een acceptabele nieuwe woonsituatie – waaronder de meerkosten van de woning – volledig door ASR aan [verzoekster] vergoed moeten worden;

3.2.

verklaart voor recht dat de meerkosten en de optredende waardestijging van de bezittingen juridisch gezien een verrekenbaar voordeel oplevert, waarvan het niet redelijk is die te verdisconteren in de begroting van de schade;

3.3.

verklaart voor recht dat ASR gehouden is om een [verzoekster] de meerkosten van de woning – door partijen begroot op € 305.000 – te vergoeden;

3.4.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.924,25 en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

over het tegenverzoek

3.6.

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian, mr. A.E. The-Kouwenhoven en mr. A. Wilken en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.1

1type: MAR/4186 coll: JK

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey