Rb: vraag over aansprakelijkheid na hersenbloeding en seks niet geschikt voor deelgeschil

Samenvatting:

Verzoekster en verweerder hebben een seksuele relatie met elkaar gehad. Zij hebben in 2020 seks met elkaar gehad in de woning van verzoekster. Op die dag heeft verzoekster ook een hersenbloeding gehad. Zij is vlak daarvoor of vlak daarna gevallen en heeft daardoor een hoofdwond opgelopen.  Zij heeft verweerder aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen bestaande uit het hebben van geslachtsgemeenschap terwijl verzoekster onmachtig was en kenbare lichamelijke problemen had en vordert € 5000,- wegens psychische schade. De kantonrechter oordeelt dat, gelet op de betwisting door verweerder bewijslevering nodig is om te kunnen vaststellen wat zich heeft afgespeeld en met name of verweerder in de woning aanwezig was toen verzoekster een hersenbloeding kreeg. Hiervoor is de deelgeschilprocedure niet geschikt.

 

 

 

 

 

 

ECLI:NL:RBNHO:2021:1232, Rechtbank Noord-Holland, 8756799 \ CV EXPL 20-4657 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:RBNHO:2021:1356

 

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

18-02-2021

Datum publicatie

22-02-2021

Zaaknummer

8734327/ EJ VERZ 20-44

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Op tegenspraak

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil afgewezen. Aansprakelijkheid niet erkend. Stellingen van wat zich heeft voorgedaan staan nog niet vast omdat partijen wezenlijk verschillen over de gebeurtenissen en wie daarbij op welk moment aanwezig was. Nadere bewijslevering nodig.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

 

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rekestnummer: 8734327 / EJ VERZ 20/44

 

Beschikking van 18 februari 2020 (bij vervroeging)

 

in de zaak van

 

[verzoekster] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekster,

 

advocaat mr. A. van der Weijden te Haarlem,

 

tegen

 

[verweerder] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verweerder,

 

advocaat mr. P. Leemans te Rotterdam.

 

Partijen zullen hierna “ [verzoekster] ” en “ [verweerder] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift (met producties 1 tot en met 8),

 

de brief van 4 september 2020 van mr. Van der Weijden in reactie op het verzoek van de rechtbank van 2 september 2020,

 

de brief van 7 september 2020 van mr. Van der Weijden (met productie 9),

 

de brief van 9 november 2020 van mr. Van der Weijden (met productie 10),

 

de brief van 2 december 2020 van mr. Van der Weijden (met productie 11 en het gewijzigde petitum),

 

de brief van 7 januari 2021 van mr. Van der Weijden (met producties 12 tot en met 14), en

 

het verweerschrift.

 

1.2.

 

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021 tegelijkertijd met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 8734598 / EJ VERZ 20/45. Deze laatste zaak betreft de zaak van de vader van [verzoekster] tegen [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen: [verzoekster] en haar vader, bijgestaan door mr. Van der Weijden en [verweerder] , bijgestaan door mr. Leemans.

 

Mr. Van der Weijden en mr. Leemans hebben tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd.

1.3.

 

De kantonrechter wijst partijen erop dat na de mondelinge behandeling is gebleken dat de brief van 7 januari 2021 met producties 12 tot en met 14 van mr. Van der Weijden, in tegenstelling tot wat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, door de rechtbank op 8 januari 2021 is ontvangen. Deze stukken waren voorafgaande aan de mondelinge behandeling abusievelijk niet bij het procesdossier gevoegd.

2 De feiten

2.1.

 

[verzoekster] en [verweerder] hebben een seksuele relatie met elkaar gehad. Zij hebben op 17 januari 2020 geslachtsgemeenschap (seks) met elkaar gehad in de woning van [verzoekster] .

2.2.

 

Op 17 januari 2020 heeft [verzoekster] ook een hersenbloeding gehad. Zij is vlak daarvoor of vlak daarna gevallen en heeft daardoor een hoofdwond opgelopen en veel bloed verloren. [verzoekster] heeft zelf na haar val haar vader gebeld. Haar vader heeft haar in haar woning aangetroffen en vervolgens 112 gebeld. [verzoekster] is in verband met haar verwondingen naar het UMC gebracht.

2.3.

 

Bij brief van 23 juli 2020 heeft mr. Van der Weijden [verweerder] aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] . Het onrechtmatig handelen bestond uit het hebben van geslachtsgemeenschap terwijl [verzoekster] onmachtig was, kenbare lichamelijke problemen had en hevig bloedde en het achterlaten van [verzoekster] terwijl zij hulpbehoevend was.

3 Het geschil

3.1.

 

[verzoekster] verzoekt – samengevat – dat de kantonrechter bij beschikking:

 

 

bepaalt dat [verweerder] aansprakelijk en draagplichtig is voor al hetgeen door haar in het verzoekschrift is beschreven;

 

[verweerder] veroordeelt tot betaling van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding;

 

[verweerder] veroordeelt tot betaling van haar kosten buiten rechte tot en met juli 2020 een bedrag van € 5.487,05,

 

[verweerder] veroordeelt in de kosten van het verzoek van € 2.604,53, de kosten van dr. Schade van € 1.164,63 en het griffierecht van € 308,-.

 

3.2.

 

Aan dit verzoek legt [verzoekster] , samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag.

 

Op het moment dat [verzoekster] op 17 januari 2020 viel in haar woning, en daardoor veel bloed verloor, was [verweerder] bij haar. In plaats van hulp te bieden, heeft [verweerder] [verzoekster] naar bed getild en heeft tegen [verzoekster] wil in geslachtsgemeenschap met haar gehad. Daarna heeft [verweerder] [verzoekster] alleen in de woning achter gelaten. [verzoekster] verwijt [verweerder] dat hij:

 

 

haar geen hulp heeft gegeven, toen dat wel geboden was,

 

tegen haar wil geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad, althans geslachtsgemeenschap heeft gehad terwijl zij haar wil niet (goed) meer kenbaar kon maken,

 

haar in een hulpeloze toestand heeft achter gelaten wetende dat zij in een zorgwekkende situatie verkeerde en niet dan wel niet gemakkelijk in staat was zelf hulp in te schakelen, en

 

onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld tijdens en na haar ziekenhuisopname.

 

De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.000,- in verband met psychische schade is als volgt opgebouwd:

 

 

€ 1.250,- voor het bieden van geen hulp (bellen van 112) terwijl dat wel geboden was,

 

€ 1.250,- voor het hebben van geslachtsgemeenschap met [verzoekster] terwijl zij dat niet wilde en/of onmachtig was,

 

€ 1.250,- omdat [verweerder] [verzoekster] als een vod heeft achtergelaten in de wetenschap dat zij niet dan wel niet snel zelf hulp kon inschakelen, en

 

€ 1.250,- voor het op slinkse wijze trachten in te winnen van medische informatie en voor het sturen van weerzinwekkende app’s.

 

3.3.

 

[verweerder] voert gemotiveerd verweer. Hij betwist dat hij op 17 januari 2020 tegen de wil van [verzoekster] in geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Nadat [verzoekster] en hij die dag voor de laatste keer geslachtsgemeenschap hadden gehad, werd [verzoekster] niet lekker en moest zij (wat) overgeven op bed. [verweerder] heeft dit opgeruimd en is daarna, nadat [verzoekster] meerdere keren had aangegeven dat zij zich wel zou redden, uit de woning vertrokken. Enkele dagen later heeft [verzoekster] [verweerder] vanuit het AMC gebeld met de mededeling dat zij daar was opgenomen. Via een verpleegster, aan wie [verzoekster] toestemming had gegeven om informatie te delen met [verweerder] , heeft [verweerder] meer informatie gekregen over de gezondheidssituatie van [verzoekster] .

 

Primair betwist [verweerder] dat het geschil zich leent voor behandeling in deelgeschil. Subsidiair is [verweerder] van mening dat [verzoekster] geen bewijs heeft aangeboden voor haar verzoeken. Meer subsidiair betwist [verweerder] dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.

3.4.

 

De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

4.1.

 

Op grond van artikel 1019x lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoek als dat van [verzoekster] te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Een verzoek bij de kantonrechter kan onder meer worden gedaan indien het belang van het verzoek het bedrag van € 25.000,- niet overstijgt (artikel 93 sub a Rv). De hoogte van de in deze zaak verzochte bedragen is gelegen onder het bedrag van € 25.000,- zodat de kantonrechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

 

Behandeling van het deelgeschil

4.2.

 

[verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot en met 1019cc Rv, hierna de Wet deelgeschilprocedure). [verweerder] heeft geen aansprakelijkheid erkend. De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde komen. De aansprakelijkheid betreft een geschil aan het begin van het traject van onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, het beginpunt zijn voor buitengerechtelijke onderhandelingen over de overige geschilpunten over (bijvoorbeeld) het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade en/of de omvang van de schade. Net als bij andere deelgeschillen zal echter moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat (uitvoerige) bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure en dienen te worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.

 

De kantonrechter stelt voorop dat [verzoekster] – overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv – dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. De kantonrechter is van oordeel dat de stellingen van [verzoekster] , met betrekking tot wat zich op 17 januari 2020 in haar woning heeft afgespeeld, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [verweerder] , nog niet vaststaan. Partijen verschillen wezenlijk over de volgorde van de gebeurtenissen en wie daarbij op welk moment aanwezig was. De stellingen van [verzoekster] kunnen zonder nader bewijs niet worden vastgesteld.

4.4.

 

De kantonrechter is van oordeel dat het bewijs van de stellingen van [verzoekster] nog niet volgt uit hetgeen zij aan stukken in het geding heeft gebracht. De kantonrechter licht dit als volgt toe.

 

De door [verzoekster] overgelegde verklaring, die door haar advocaat is getypt, en het proces-verbaal van aangifte bij de politie zijn onvoldoende om als bewijs te dienen aangezien deze stukken enkel weergeven hoe [verzoekster] het gebeurde op 17 januari 2020 heeft beleefd, zonder dat er ondersteunend bewijs door [verzoekster] is overgelegd.

 

De door [verzoekster] ingediende stukken van neurochirurg E. Delwel en van de medisch adviseur F.B. Schade (hierna: Schade) van 16 juni 2020 en 5 augustus 2020, zien met name op het tijdsverlies dat is opgetreden na de hersenbloeding en de diagnose door een medisch specialist, terwijl niet duidelijk is of [verweerder] nog in de woning van [verzoekster] was op het moment dat zij een hersenbloeding kreeg. De stelling van Schade in de brief van 1 december 2020 dat de bij [verzoekster] geconstateerde PTSS zijn inziens het uitsluitende gevolg is van het in hulpeloze toestand achterlaten, kan, zonder verdere onderbouwing die ontbreekt, eveneens niet tot bewijs dienen.

 

Ook het rapport van de Klinisch psycholoog/ psychotherapeut E.M. Verhees met als intakedatum 3 november 2020, levert geen bewijs voor wat zich in de woning van [verzoekster] heeft voorgedaan op 17 januari 2020 aangezien dit rapport diende voor een intake en indicatiestelling en het opstellen van een behandelplan voor [verzoekster] .

 

De appberichten overgelegd als productie 14 kunnen niet tot bewijs dienen aangezien uit deze berichten, met uitzondering van de berichten op de derde pagina, niet blijkt wanneer deze zijn verzonden. Uit de berichten op de derde pagina die zijn gedateerd op 8 februari 2020 kan de kantonrechter geen bewijs voor de stellingen van [verzoekster] afleiden.

 

Tot slot kunnen ook de stukken die als productie 12 namens [verzoekster] zijn ingediend, betreffende de gezondheidssituatie van [verzoekster] op 17 januari 2020 nadat zij door ambulancepersoneel/ een trauma-arts is onderzocht, niet tot bewijs dienen aangezien daaruit niet blijkt wat zich op 17 januari 2020 in de woning van [verzoekster] heeft afgespeeld.

4.5.

 

Gelet op de betwisting door [verweerder] is bewijslevering nodig om te kunnen vast stellen wat zich op 17 januari 2020 in de woning van [verzoekster] heeft afgespeeld en met name of [verweerder] in de woning aanwezig was toen [verzoekster] een hersenbloeding kreeg, of al daarvoor de woning van [verzoekster] had verlaten, zoals hij heeft aangevoerd. Pas nadat over deze punten duidelijkheid is verkregen, komt de rechter toe aan beoordeling van de vraag of [verweerder] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. De kantonrechter is van oordeel dat wanneer de investering in tijd, geld en moeite wordt afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren, het verzoek van [verzoekster] op grond van artikel 1019z RV dient te worden afgewezen.

4.6.

 

De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen [verzoekster] heeft gesteld met betrekking tot het onrechtmatig handelen van [verweerder] ná 17 januari 2020, gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerder] , eveneens nog niet vaststaat. Daarbij komt dat de schade die [verzoekster] claimt op grond van dit gestelde onrechtmatig handelen niet wordt geleden door dood of letsel zodat de Wet deelgeschilprocedure niet op dit verzoek van toepassing is.

 

Kosten van het deelgeschil

4.7.

 

[verzoekster] verzoekt – naar de kantonrechter begrijpt – haar kosten te begroten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv. Ook als een verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient de kantonrechter de kosten te begroten. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat in deze deelgeschilprocedure van deze laatste situatie sprake is omdat de procedure te voorbarig is opgestart. [verzoekster] heeft haar stellingen op geen enkele wijze met objectief bewijs onderbouwd. Het had voor de hand gelegen dat [verzoekster] een verzoek had gedaan tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en aan de hand van de alsdan afgelegde getuigenverklaringen een inschatting had gemaakt van de haalbaarheid van haar zaak. Er zal dus eerst nadere bewijslevering moeten plaatsvinden. Ook is er geen begin van onderhandelingen gemaakt. Onder deze omstandigheden zal de kantonrechter het verzoek om de kosten te begroten afwijzen.

5 De beslissing

 

De kantonrechter:

5.1.

 

wijst de verzoeken af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Blokland, kantonrechter, en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 18 februari 2021.1

 

1 type: MKG coll: JB

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey