Rechtbank: Nederlands bedrijf niet aansprakelijk voor gevolgen Iraakse mosterdgasaanvallen

Samenvatting:

Vijf eisers stellen twee Nederlandse bedrijven aansprakelijk voor hun letselschade als gevolg van de inzet van mosterdgasmunitie tijdens de Irak-Iranoorlog in de jaren ’80. Volgens eisers wisten de bedrijven, althans hadden zij moeten weten, dat Irak de chemische stoffen – die deze bedrijven aan Irak hebben geleverd – zou gaan gebruiken voor de productie van mosterdgas. Nu een van de twee bedrijven niet in de procedure is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, wijst de rechtbank de vordering van eisers tegen dit bedrijf toe. De vordering komt de rechtbank namelijk niet ongegrond of onrechtmatig voor.

De vraag of het andere bedrijf onrechtmatig heeft gehandeld moet de rechtbank naar Iraans recht beantwoorden. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit bedrijf niet onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien er ten tijde van de levering van de chemische stoffen van dit bedrijf aan Irak geen exportbeperkingen golden. Verder is niet komen vast te staan welke kennis het bedrijf op dat moment had ten aanzien van de industrie in Irak en of het bedrijf wist of kon weten dat de door haar geleverde chemische stoffen zou worden gebruikt voor de fabricage van mosterdgas.

 

ECLI:NL:RBDHA:2023:17263

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-11-2023
Datum publicatie 15-11-2023
Zaaknummer C/09/621323 / HA ZA 21-1041 + C/09/624251 / HA ZA 22-93
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Bodemzaak

Eerste aanleg – meervoudig

Otjiaha B.V. en haar bestuurder niet aansprakelijk voor gevolgen Iraakse mosterdgasaanvallen, Forafina Beleggingen I B.V. wel

Het Nederlandse bedrijf Otjiaha B.V. en haar bestuurder zijn niet aansprakelijk voor letselschade van vijf Iraniërs als gevolg van gifgasaanvallen tijdens IrakIranoorlog in de jaren ‘80. Een ander Nederlands bedrijf, Forafina Beleggingen I B.V., is bij verstek wel tot betaling van een nog nader te bepalen schadevergoeding veroordeeld. Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag in twee bodemprocedures die vijf Iraanse staatsburgers hadden aangespannen.

Gifgasaanvallen

Tijdens de Irak-Iranoorlog (1980-1988) zijn chemische wapens waaronder mosterdgasmunitie ingezet. In de procedures stellen vijf Iraanse staatsburgers dat zij bij Iraakse aanvallen met mosterdgas nabij de Iraanse steden Jofeyr (1984), Sumar (1986) en Abadan (1986) gewond zijn geraakt en blijvende gezondheidsschade hebben opgelopen.

Volgens hen hebben de Nederlandse bedrijven Forafina (voorheen KBS Holland) en Otjiaha (voorheen Melchemie) in de periode 1982-1984 grondstoffen geleverd waarmee Irak het mosterdgas heeft geproduceerd dat is gebruikt bij de voornoemde aanvallen. Omdat Forafina, Otjiaha en haar bestuurder wisten, althans hadden moeten weten dat Irak de door hen geleverde chemicaliën daarvoor zou gebruiken, stellen de vijf Iraniërs hen aansprakelijk voor de (letsel)schade die zij als gevolg van de inzet van mosterdgasmunitie hebben geleden.

Otjiaha en bestuurder niet aansprakelijk

Otjiaha en haar bestuurder betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die de vijf Iraniërs hebben geleden. Zij weerspreken onder andere de stelling dat Otjiaha onrechtmatig zou hebben gehandeld door thionylchloride aan Irak te leveren. Otjiaha en haar bestuurder voeren aan dat zij toen de leveringen van thionylchloride plaatsvonden (uiterlijk tot medio 1984) niet wisten of hadden moeten begrijpen dat Irak deze chemische stof voor de productie van mosterdgas zou gebruiken.

De rechtbank oordeelt dat dit verweer slaagt. De vorderingen tegen hen zijn dan

ook afgewezen. De rechtbank vindt onder meer van belang dat toen Otjiaha thionylchloride aan Irak leverde, nu bijna 40 jaar geleden, nog niet in brede kring bekend was dat het Iraakse regime mosterdgas inzette in de oorlog tegen Iran, laat staan dat Irak voor de productie van dat gas thionylchloride gebruikte. Die stof kan

ook voor vreedzame doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld als bestrijdingsmiddel in de landbouw of voor de vervaardiging van plastics. De rechtbank weegt ook mee dat de Nederlandse overheid, die de handel met Irak begin jaren tachtig stimuleerde, er in 1984 voor heeft gekozen thionylchloride niet op een lijst van stoffen te zetten waarvoor (omdat deze voor chemische oorlogsvoering konden worden gebruikt) een exportvergunning vereist was. Dit zou pas jaren later gebeuren.

De rechtbank heeft al met al niet kunnen vaststellen dat Otjiaha en haar bestuurder in de relevante periode wisten of hadden moeten begrijpen wat met de kennis van nu een feit is, namelijk dat Irak in de oorlog met Iran mosterdgas heeft gebruikt en dat voor de productie daarvan thionylchloride is gebruikt.

Forafina wel aansprakelijk

Forafina is niet in de procedure verschenen en voerde geen verweer tegen de aansprakelijkheidsstelling. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van de eisers tegen Forafina slechts had kunnen afwijzen in het geval deze haar ongegrond of onrechtmatig zouden zijn voorgekomen. De rechtbank oordeelt dat die situatie zich niet voordoet en wijst de vorderingen tegen Forafina dan ook toe.

Vindplaatsen                Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht

Team Handel

Vonnis van 15 november 2023

in de zaak met zaaknummer C/09/621323 / HA ZA 21-1041 van

1 [eiser A] , te [woonplaats 1] (Iran),

  1. [eiser B] , te [woonplaats 2] (Iran),
  2. [eiser C] , te [woonplaats 3] (Iran),
  3. [eiser D] , te [woonplaats 1] (Iran),
  4. [eiser E] , te [woonplaats 1] (Iran),

eisende partijen, advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

  • FORAFINA BELEGGINGEN I B.V., te Amsterdam, niet verschenen,
  • OTJIAHA B.V., te Arnhem,

advocaat: mr. C.J. Knoops-Hamburger te Amsterdam, gedaagde partijen,

en in de zaak met zaaknummer: C/09/624251 / HA ZA 22-93 van

1 [eiser A] , te [woonplaats 1] (Iran),

  1. [eiser B] , te [woonplaats 2] (Iran),
  2. [eiser C] , te [woonplaats 3] (Iran),
  3. [eiser D] , te [woonplaats 1] (Iran),5. [eiser E] , te [woonplaats 1] (Iran),

eisende partijen, advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

CAPITAL SUPPORT BEWIND EN EXECUTELE B.V. in hoedanigheid van bewindvoerder van [F], te Den Haag, gedaagde partij, advocaat: mr. C.J. Knoops-Hamburger te Amsterdam.

  • Inleiding

De aanduiding van de zaken en de partijen

  • De rechtbank zal de eisende partijen (in beide zaken) gezamenlijk aanduiden als [A] c.s. en ieder afzonderlijk bij hun achternaam. De gedaagden in de zaak met zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 zal de rechtbank Forafina respectievelijk Otjiaha noemen. In de loop van de procedure is Capital Support Bewind en Executele B.V. in de zaak met zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93 procespartij geworden in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de oorspronkelijke gedaagde [F] . Voor de leesbaarheid van dit vonnis zal deze partij, evenals de onder bewind gestelde [F] zelf, worden aangeduid met [F] . Doorgaans zal uit de context duidelijk zijn of het om [F] persoonlijk gaat dan wel om diens bewindvoerder als formele procespartij. Waar het voor de duidelijkheid nodig is om expliciet onderscheid te maken, zal de rechtbank hen aanduiden als [F] respectievelijk de bewindvoerder.
  • De zaak met zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 duidt de rechtbank verder aan met de zaak tegen Forafina en Otjiaha. De zaak met zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93 wordt hierna de zaak tegen [F] genoemd.

Beknopte samenvatting

  • [A] c.s. stellen dat zij slachtoffer zijn van aanvallen met mosterdgasmunitie die in opdracht van het Iraakse regime onder leiding van Saddam Hoessein zijn uitgevoerd in Iran in 1984, 1985 en 1986. Volgens hen hebben Forafina en Otjiaha chemische stoffen geleverd waarmee Irak het mosterdgas heeft geproduceerd dat is gebruikt bij deze aanvallen. Omdat Forafina en Otjiaha wisten, althans hadden moeten weten dat Irak die chemische stoffen daarvoor zou gebruiken, stellen zij Forafina, Otjiaha en de bestuurder van Otjiaha, [F] , aansprakelijk voor de (letsel)schade die zij als gevolg van de inzet van mosterdgasmunitie hebben geleden. Forafina is niet in deze procedure verschenen en voert (dus) geen verweer. Otjiaha en [F] betwisten dat zij destijds wisten of hadden moeten begrijpen dat de chemische stoffen die zij aan Irak leverden en die ook voor andere doeleinden konden worden gebruikt (bijvoorbeeld als bestrijdingsmiddel in de landbouw of voor de vervaardiging van plastics) voor de productie van mosterdgas zouden worden gebruikt. Zij ontkennen dat zij door het doen van de bewuste leveranties onrechtmatig jegens [A] c.s. hebben gehandeld. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit verweer van Otjiaha en [F] slaagt en de vorderingen tegen hen worden dan ook afgewezen. De onbetwiste vorderingen tegen Forafina, die de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, worden toegewezen.

Verdere indeling van dit vonnis

  • In nr. 2 geeft de rechtbank het formele verloop van de procedures kort weer. Daarna vermeldt de rechtbank in nr. 3 enkele feiten die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. Het gaat dan om feiten waarover tussen partijen geen discussie bestaat en/of die blijken uit de door hen overgelegde bijlagen (producties), waarvan de inhoud niet of onvoldoende is weersproken. Vervolgens wordt in nr. 4 weergegeven welke vorderingen [A] c.s. hebben ingesteld en welke verweren Otjiaha en [F] daartegen voeren. De rechtbank geeft in nr. 5 haar beoordeling van het geschil en gaat dan in op de standpunten die partijen hebben ingenomen. Die beoordeling mondt uit in de beslissing die is opgenomen in nr. 6.
  • De procedure

Het procesdossier in de zaak tegen Forafina en Otjiaha

  • Het procesdossier bestaat in deze zaak uit de volgende stukken:
    • het vonnis in incident van 20 juli 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
    • de conclusie van antwoord van Otjiaha, met de producties 1 t/m 10;
    • het tussenvonnis van 4 januari 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
    • de akte houdende inbreng aanvullende producties 62 t/m 64 aan de zijde van [A] c.s.;
    • de tweede akte houdende inbreng aanvullende producties 65 t/m 67 aan de zijde van [A] c.s.

Verstekverlening Forafina

  • Forafina is in deze procedure niet verschenen. Op de rolzitting van 1 december 2021 is tegen haar verstek verleend.

Het procesdossier in de zaak tegen [F]

  • Het procesdossier bestaat in deze zaak uit de volgende stukken:
    • het vonnis in incident van 20 juli 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 10;
    • de akte houdende inbreng aanvullende producties 62 t/m 64 aan de zijde van [A] c.s.;
    • de tweede akte houdende inbreng aanvullende producties 65 tot en met 67 aan de zijde van [A] c.s.

De onderbewindstelling van [F]

  • Bij beschikking van 21 maart 2023 van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie

Zutphen, is het vermogen van [F] onder bewind gesteld, met benoeming van Capital Support Bewind en Executele B.V. tot bewindvoerder. Bij brief van 16 mei 2023 heeft de bewindvoerder aan de rechtbank laten weten dat zij in die hoedanigheid de procedure tegen [F] voortzet.

Het verdere verloop van de procedure in beide zaken

  • De mondelinge behandeling heeft in beide zaken in een gecombineerde zitting plaatsgevonden op 22 juni 2023. Daarbij hebben de advocaten het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die in het geding zijn gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd. Die aantekeningen zijn toegevoegd aan het griffiedossier.
  • Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd. De datum van het vonnis is nader bepaald op heden.
  • De feiten

In de zaak tegen Forafina en Otjiaha

Forafina

3.1. Op 23 december 1971 is KBS Holland B.V. opgericht. De statutaire naam van KBS Holland B.V. is op 20 januari 2003 gewijzigd in Forafina Beleggingen I B.V. Forafina is statutair gevestigd in Amsterdam en houdt kantoor in Den Haag.

In beide zaken

Otjiaha

3.2. Op 8 oktober 1968 is Melfund N.V. opgericht met als handelsnaam Melchemie N.V. Bij statutenwijziging van 19 januari 1973 werd de naamloze vennootschap omgezet in een besloten vennootschap en de naam gewijzigd in Melchemie B.V. De statutaire naam is op 7 juni 1982 gewijzigd in Melchemie Holland B.V. en op 28 december 2010 in Otjiaha B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder is Otjiaha Holding B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van Otjiaha Holding B.V. is [F]

.

3.3. De statutaire doelomschrijving van Otjiaha luidt:

“(D)e handel in, het fabriceren, doen fabriceren en bewerken van meststoffen, agrarische

bestrijdingsmiddelen, chemische en farmaceutische producten, straal middelen, industriële grondstoffen en bijproducten verband houdende met het vorenstaande.”

[A] c.s.

3.4. [A] c.s. zijn Iraanse staatsburgers. Zij waren op enig moment in de periode vanaf 1984 tot en met 1986 als beroepsmilitair dan wel als vrijwilliger in Iran werkzaam in het Iraanse leger.

Gebruik van mosterdgas in de oorlog tussen Iran en Irak

3.5. In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren Irak en Iran met elkaar in oorlog. Deze oorlog (hierna: de Iran-Irakoorlog) heeft geduurd van 22 september 1980 tot aan de wapenstilstand van 20 augustus 1988. Gedurende de oorlog stond Irak onder leiding van Saddam Hoessein.

3.6. Op 3 november 1983 heeft Iran zich bij de Verenigde Naties beklaagd over aanvallen van Irak met chemische wapens en de secretaris-generaal verzocht om daarnaar een onderzoek in te stellen.

3.7. Over het gebruik van chemische wapens, waaronder bommen, granaten en raketten met mosterdgas, tijdens de Iran-Irakoorlog door het regime in Irak, vermeldt het eindrapport van de Iraq Survey Group van 30 september 2004 onder meer het volgende:

“The war with Iran ended in August 1988. By this time, seven UN specialist missions had documented repeated use of chemicals in the war. According to Iraq, it consumed almost 19.500 chemical bombs, over 54,000 chemical artillery shells and 27,000 short range chemical rockets between 1983 and 1988. Iraq declared it consumed about 1,800 tons of mustard gas, 140 tons of Tabun, and over 600 tons of Sarin. Almost two-thirds of the CW weapons were used in the last 18 months of the war.” 1

Het rapport somt vervolgens dertien voorbeelden op van aanvallen met mosterdgas die in de periode 1983-1988 hebben plaatsgevonden, met vermelding van het vermoedelijke aantal slachtoffers.

Mosterdgas

3.8. Mosterdgas is in de Eerste Wereldoorlog voor het eerst grootschalig ingezet als chemisch wapen door zowel de Duitsers als de geallieerden. Blootstelling aan mosterdgas kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel (waaronder huidaandoeningen, blindheid, ademhalingsproblemen, longaandoeningen, maagproblemen), en leidt, afhankelijk van de mate van blootstelling, tot een vermindering van de levensverwachting (onder meer door een verhoogd risico op kanker).

Thiodiglycol (TDG)

3.9. Thiodiglycol (hierna: TDG) is een precursor (voorloper) voor mosterdgas. Dat betekent dat TDG tijdens een reactie met bepaalde andere stoffen wordt omgezet in mosterdgas. Mosterdgas dat door middel van chlorering wordt verkregen, kan niet zonder TDG worden gemaakt.

Thionylchloride (SOCl2)

3.10. Thionylchloride (hierna: SOCl2) is één van de stoffen die in combinatie met TDG kan worden gebruikt als chloreringsmiddel (chlorinating agent) voor de productie van mosterdgas. In plaats van SOCl2 kunnen daarvoor ook andere chlorinating agents worden gebruikt, zoals fosfortrichloride en waterstofchloride (zoutzuur). SOCl2 wordt daarnaast voor diverse andere toepassingen gebruikt, zoals voor de vervaardiging van plastics en pesticiden en voor waterzuivering.

Leveringen van TDG (Forafina) en SOCl2 (Forafina en Otjiaha) aan Irak

3.11. In juni 1992 heeft Irak bij de United Nations Special Commission (hierna: UNSCOM)2 de eerste versie ingediend van een rapport genaamd “Iraq’s Full, Final and Complete Disclosure regarding chemical weapons” (hierna: FFCD-rapport). In de daarop volgende jaren heeft Irak nog verschillende nieuwe, steeds verder aangevulde versies van dit rapport ingediend. Het FFCDrapport van november 1995 bevat voor wat betreft leveranties van TDG en SOCL2 aan Irak de volgende tabel:

3.12. Dr. Imad Hoessein, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het FFCD-rapport, heeft in 2005 een verklaring afgelegd als getuige in de Nederlandse strafzaak tegen [G] . In deze verklaring heeft hij de volgende toelichting gegeven op de codering in de kolom onder “L/C No.” (waarbij L/C staat voor Letter of Credit). Het eerste getal in de kolom onder “L/C” geeft het jaar aan waarin het document is afgegeven. Het vervolgens vermelde cijfer “3” staat voor de locatie, Al Muthanna. Dat is een locatie in Irak waar TDG werd omgezet in mosterdgas. Voor het daarna genoemde getal geldt dat hoe lager dit is, hoe vroeger in het jaar de L/C voor de betreffende levering is afgegeven. Dr. Hoessein heeft als voorbeeld gegeven 251, uitgelegd dat dit een laag nummer is, en dat dit aangeeft dat de desbetreffende L/C aan het begin van het jaar is opgemaakt. Het getal 1124 is een hoog nummer en heeft dus betrekking op een L/C die later in het jaar is afgegeven.

3.13. Uit de tabel kan het volgende worden afgeleid. Ten behoeve van Forafina is in 1982 een L/C afgegeven voor de levering van 50 ton TDG en in 1983 voor de levering van 500 ton TDG. Deze 550 TDG is geleverd.

Ten behoeve van Forafina zijn in 1982 L/C’s afgegeven voor in totaal 150 ton SOCl2 en in 1983 voor 250 ton SOCl2. Deze 400 ton SOCl2 is geleverd.

Ten behoeve van Otjiaha is in 1983 een L/C afgegeven voor 750 ton SOCl2 en in 1984 voor 1.000 ton SOCl2. Deze 1.750 ton SOCl2 is geleverd.

De als “suspected” aangeduide levering van de partij met L/C no. 86/3/260 heeft niet plaatsgevonden (zie nader nrs. 3.23 en 3.24).

3.14. De Iraakse koper van de partijen SOCL2 die Otjiaha volgens de hierboven genoemde tabel heeft geleverd, is steeds SEPP: “The State Establishment for Pesticide Production.”. SEPP was een “SubDivision” van de “Ministry of Industry State Organization for Chemical Industries.

Opstelling Nederlandse regering

3.15. In maart 1984 heeft de regering een overeenkomst inzake economische en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak, gedateerd 31 oktober 1983, ter goedkeuring aan de Tweede Kamer voorgelegd. De Tweede Kamer heeft het verdrag in 1985, na een plenair debat, goedgekeurd.

Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt:

De beide Regeringen zullen in overeenstemming met de in elk van hun beide landen van toepassing zijnde wetten en voorschriften de economische en technische samenwerking tussen hun beide landen stimuleren en tot ontwikkeling brengen.”

Artikel 3 bepaalt dat de beide Regeringen ernaar streven hun economische en technische samenwerking te bevorderen en uit te breiden op in het artikel genoemde gebieden, waaronder landbouw en tuinbouw.

3.16. In een memorandum van een ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 april

1984 (bij een rapport van de ambtelijke werkgroep van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken) met als onderwerp “Stopzetting uitvoer CW-voorlopers naar Irak” is onder meer het volgende vermeld:

“Voorzover nu bekend zijn in ieder geval 3 Nederlandse bedrijven betrokken bij de doorvoer van grote hoeveelheden voorlopers van chemische wapens naar Irak, ter waarde van vele miljoenen. De 3 bedrijven zijn inmiddels benaderd. Twee ervan hebben toegezegd alle leveranties van de betreffende stoffen onmiddellijk stop te zetten. Het derde bedrijf wil deze garantie niet geven omdat het vreest f 20 miljoen verlies te lijden indien het de contracten met Irak zonder goede redenen niet nakomt. Alle 3 bedrijven dringen erop aan dat Nederland zo snel mogelijk wettelijke maatregelen neemt waarop ze zich tegenover Irak kunnen beroepen.

(…) Uiteraard verdient het de voorkeur dat binnen de EG overeenstemming wordt bereikt over gemeenschappelijke maatregelen t.a.v. de 15 in de ontwerpmaatregel genoemde stoffen. Het moet echter uitgesloten worden geacht dat een dergelijke overeenstemming op korte termijn tot stand zou kunnen komen, m.n. ten aanzien van de 5 laatste stoffen op de lijst waarvoor nu juist orders in Nederland zijn geplaatst (…) Op grond van het bovenstaande moge ik U adviseren om gezien het buitengewone belang van deze zaak en de grote Nederlandse betrokkenheid tot een eenzijdige Nederlandse maatregel te besluiten.”

3.17. In een rapport van Mark Akkerman over de Nederlandse betrokkenheid bij het Iraakse

chemische wapens programma, een vervolg en uitwerking van een onderzoek voor het Radio1 radioprogramma Argos naar het export beleid met betrekking tot chemicaliën naar Irak in de jaren tachtig (hierna het Argos-rapport) is over het overleg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met de drie Nederlandse bedrijven het volgende opgenomen:

De ministeries lagen in de loop van 1984 flink met elkaar in de clinch over de reikwijdte van de vergunningsplicht, zo laat een reconstructie aan de hand van tot voor kort geheime documenten zien. Kortweg komt het conflict neer op het volgende: Economische Zaken wilde geen eenzijdige Nederlandse maatregelen nemen en bovendien de lijst van chemicaliën waarvoor een vergunningplicht werd ingevoerd zo beperkt mogelijk houden. Buitenlandse Zaken daarentegen drong aan op snelle eigen maatregelen en op een uitgebreidere lijst stoffen. Beide ministeries zitten elkaar maandenlang in de haren en schrijven memoranda, nota’s en brieven om de controle te verstevigen (BuZa) of te frustreren (EZ).

(…)

Op basis hiervan onderneemt Buitenlandse Zaken direct actie, zo blijkt uit een memorandum van 2 april

  1. Het ministerie neemt contact op met drie Nederlandse bedrijven die door Irak benaderd zouden zijn voor de leverantie van grondstoffen voor chemische wapens. Twee bedrijven zeggen toe de bewuste stoffen niet meer te leveren, en het derde wil proberen lopende orders niet geheel uit te voeren. Omdat dit laatste bedrijf veel handelscontacten met Irak heeft, zou het graag een wettelijke maatregel zien waarop het zich tegenover Irak zou kunnen beroepen. (…) Buitenlandse Zaken gaat op deze wens in, en stelt voor zo snel mogelijk een beschikking af te kondigen die de uitvoer van een aantal grondstoffen voor chemische wapens aan een vergunning bindt, 21 in totaal. In de toelichting bij de beschikking staat: “Voor [een aantal] stoffen […] zijn zeer grote orders geplaatst bij (gewit]. De hoeveelheden zijn dermate groot dat andere toepassingen dan productie van chemische wapens uitgesloten kunnen worden geacht. Derhalve dienen in ieder geval deze 7 stoffen op de lijst geplaatst te worden.” Voor het opnemen van deze stoffen zijn dus goede redenen. Een aantal andere stoffen zijn opgenomen omdat de Verenigde Staten en het Groot-Brittannië dat willen. Het gaat hierbij om zogenaamde voorlopers, of grondstoffen voor chemische wapens. Daarnaast zijn er tien stoffen waarover in het Chemische Wapenoverleg in Genève al vergaande overeenstemming over de noodzaak van speciale controle bestaat. Van die tien stoffen, zijn van acht de civiele toepassingen beperkt. Volgens Buitenlandse Zaken blijven er dan vier stoffen over waarover men zou kunnen “twisten of een uitvoerbeperking geen al te draconische maatregel is.” Deze vier stoffen zijn: kaliumcyanide, diethylamine, diisopropylamine en natriumfluoride.

(…)

Beide ministeries voeren doorlopend overleg, omdat de opvattingen over wat er op de lijst thuishoort uiteenlopen. Economische Zaken wil de lijst beperken tot “de producten die op zich zelf essentieel zijn voor het fabricageproces van gifgas en vrijwel uitsluitend daartoe dienen.” Buitenlandse Zaken wil ook andere stoffen toevoegen. Uiteindelijk bereikt men een tijdelijk compromis over vijftien stoffen: minder dan de 21 die Buitenlandse Zaken wenste, maar meer dan de vijf van Economische Zaken.”

3.18. Een ambtenaar en chemisch wapenspecialist heeft over de contacten met Otjiaha in het voorjaar van 1984 het volgende verklaard in de strafzaak tegen [G] :

Ik heb in het voorjaar van 1984 een Koninklijk Besluit gemaakt, deze bevatte een lijst met chemische stoffen waarvan vanaf dat moment de uitvoer naar Irak verboden was. Het besluit was gemaakt in opdracht van Minister President [Minister President] omdat er sterke aanwijzingen waren dat Irak chemische wapens aan het maken was.

Ik heb in 1983/1984 informatie ontvangen van de Britse Inlichtingendienst dat Nederlandse bedrijven grondstoffen voor chemische wapens leverden aan Irak. Gezien het feit dat van twee Nederlandse bedrijven bekend was dat deze zaken deden met Irak, werden deze door mij actief benaderd. Dat waren Melchior Chemie, KBS en De Monchy. Ik heb destijds met de directeuren gesproken, namelijk (…) van

Melchior Chemie, (…) van KBS en de directeur van Monchy. Vermoed werd dat de door Melchior, KBS en Monchy geleverde goederen zouden gebruikt kunnen worden door Irak voor het produceren van chemische wapens, derhalve verzocht ik de directeuren van deze bedrijven in afwachting van het Koninklijk Besluit niet te leveren. (…). Directeur (…) van Melchior Chemie wilde niet aan mijn verzoek voldoen tenzij wij de gederfde inkomsten zouden betalen. (…) was niet van plan mee te werken.”

3.19. Op 15 november 1984 is in het Staatsblad gepubliceerd het Besluit houdende regelen ten aanzien van de uitvoer van bepaalde strategische goederen (tiende wijziging Uitvoerbesluit strategische goederen 1963) van de Staatsecretaris van Economische Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken. In verband met het spoedeisende karakter was al bij een ministeriële regeling van 18 april 1984 een voorlopige voorziening getroffen met een met het definitieve besluit overeenkomende inhoud. De Nota van Toelichting bij het definitieve besluit vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

Het is noodzakelijk gebleken de totstandkoming te bevorderen van een maatregel welke ten doel heeft de uitvoer van bepaalde produkten die geschikt zijn voor de fabricage van chemische strijdmiddelen onder controle te brengen en zo nodig te verhinderen. Daartoe dient het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 (Stb. 128) te worden gewijzigd in dier voege dat aan de bij dit besluit behorende bijlage de bedoelde produkten worden toegevoegd. Het onderhavige besluit strekt daartoe. Op grond hiervan zal voor de uitvoer van deze produkten een vergunning van de Minister van Economische Zaken zijn vereist. Het voorgaande houdt verband met het geconstateerde gebruik van chemische strijdmiddelen in oorlogvoering. Aangezien zodanig gebruik in strijd is met het Protocol van Genève nopens den chemischen en bacteriologischen oorlog van 17 juni 1925 (Stb. 1930, 422) is besloten de uitvoer van de betrokken stoffen aan een vergunningplicht te binden. Van geval tot geval zal in het licht van de internationale rechtsorde worden bezien of een vergunning kan worden verleend dan wel moet worden geweigerd.

3.20. Dit besluit bevat een lijst van een lijst van elf chemische stoffen waarvoor een exportvergunning vereist is. TDG is in deze lijst opgenomen, SOCl2 niet.

3.21. Bij brief van 9 maart 1985 heeft SEPP onder meer het volgende aan Otjiaha geschreven:

We learned that your government may consider actions against your company as they accuse you for being involved in supply for chemical products which may be used for chemical weapons.

As explained before our government also countersigned the international u.n. agreement for not using chemical weapons. our government strictly follows this agreement. We take such accusation very serious.

As far as the products bought from you are concerned: these products will be used for various industries and most of them are even still stored with the plants. Also see enclosures. As far as POC13 consignments are concerned : these two containers are still in the port and may be returned , if such would satisfy you, and you compensate us with other products.

In case your government not stopping actions against our country, blocking our economy and endangering our good reputation, we foresee serious consequences for our bilateral relationship between our two countries.

Als bijlage bij de brief is een “Analytical report” gevoegd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Chemicals Qty./tons Production

  1. Thionyl Chloride 1000 Engineering Plastics/insecticides

3.22. Op 16 april 1985 vond in de Tweede Kamer een debat plaats over de in maart 1984 aan de Tweede Kamer ter goedkeuring voorgelegde overeenkomst inzake economische en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak. Tijdens het debat is gesproken over de levering van grondstoffen voor gifgas3. De toenmalige Staatssecretaris van Economische zaken [Staatssecretaris] (hierna: [Staatssecretaris] ) heeft in dit debat onder meer het volgende naar voren gebracht:

Zoals bekend, heeft Nederland thans elf voorlopers van gifgassen die aldaar gebruikt zouden zijn, opgenomen in de lijst van strategische goederen. […] Het is buitengewoon moeilijk om de lijn te trekken tussen werkelijk essentiële goederen en goederen die weliswaar nodig zijn, maar niet noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van strategische goederen.

(…)

Als er eenduidig verband is tussen deze goederen en de fabricage van wapens, lijkt het mij dat zij voorkomen op de lijst van verboden goederen. Voor zover zij niet op de lijst voorkomen, moet ik aannemen dat er geen onmiddellijk verband bestaat.

Bestelling SOCl2 in 1986

3.23. In een brief van 17 maart 1986 heeft het Ministerie van Economische Zaken onder meer het volgende geschreven aan Otjiaha:

Met verwijzing naar Uw brieven gericht aan de Minister van Buitenlandse Zaken en aan de Minister van Economische Zaken alsmede aan een telefoongesprek tussen (…) en (…) van mijn Ministerie, inzake de vergunningstatus van de stoffen potassium jodide, chlooramine T, thionylchloride, dichlorometaan, PCT en OCT moge ik U het volgende doen weten.

Het is juist dat van de zes bovengenoemde stoffen er geen onder de bepalingen van het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 vallen. Formeel betekent dit dat noch bij uitvoer van die stoffen vanuit Nederland noch bij transacties waarvan Nederlandse bedrijven de financiële afwikkeling verzorgen, een vergunning is vereist.

Ik wil U evenwel attent maken op het volgende.

In weerwil van het feit dat thionylchloride als zodanig niet als sleutelvoorloper voor de produktie van chemische wapens kan worden aangemerkt (en dientengevolge niet onder vergunning is gebracht), vormt deze stof in samenhang met thiodiglycol (wèl een sleutelvoorloper en dientengevolge wèl onder vergunning) de directe aanzet tot de produktie van een chemisch strijdmiddel, te weten mosterdgas.

Bezien in het licht van het bovenstaande, moge ik U dan ook, mede namens de Minister van

Buitenlandse Zaken, doen weten dat een leverantie van 500 ton thionylchloride aan Irak (State Organisation for Chemical Industries, Subdivision: State Enterprise for pesticides production) ons met grote zorg vervult.

Levering moet dan ook ten sterkste worden ontraden. Ik ga ervan uit dat U gezien deze feiten niet tot levering zult overgaan. De regering zal in de geëigende internationale fora de problemen m.b.t. met name thionylchloride aan de orde stellen en voorstellen deze onder controle te brengen.

3.24. In een brief van 13 mei 1986 heeft Otjiaha onder meer het volgende geschreven aan het Ministerie van Economische Zaken:

Hiermede bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven d.d. 18 maart 1986, uw kenmerk (…).

Gevolg gevend aan uw verzoek hebben wij besloten de order tot levering van 500 ton Thionylchloride [noot rechtbank: dit is SOCl2] niet uit te voeren. Na moeizaam doch vruchtbaar overleg in Baghdad met onze Iraakse kontraktpartner zijn wij overeengekomen dat de vrijgekomen tegenwaarde van 500 ton Thionylchloride in het desbetreffende akkreditief wordt benut voor de levering van (…).

Wij hebben (…) van uw Ministerie van bovenstaande feiten reeds op 14 april jl. telefonisch in kennis gesteld.

Getuige de reaktie van (…) hebben wij begrepen. dat u met voldoening hebt ingestemd met onze getroffen maatregelen en het vervangende leveringsprogramma.”

3.25. In september 1986 heeft de politierechter Otjiaha veroordeeld tot een boete van f 100.000 in combinatie met een voorwaardelijke stillegging voor de duur van een jaar met een proeftijd van twee jaar voor de verkoop van POCl3 aan Irak in een periode dat deze verkoop vergunningsplichtig was.

Opname SOCl2 op lijst

3.26. Op 17 juni 1987 heeft het Hoofd van de Afdeling Ontwapening en Internationale

Vredesvraagstukken/DPV aan de Minister van Economische Zaken het volgende geschreven:

Zoals U bekend is van Nederlandse kant getracht de gezamenlijke EG-lijst van acht chemische stoffen welke in alle landen vergunningsplichtig zijn, uit te breiden met thionylchloride, zulks in verband met pogingen van Iraakse zijde deze stof – een sleutelvoorloper van mosterdgas – op de Europese markt te verkrijgen.

Recentelijk bleek hierover geen algehele overeenstemming te kunnen worden bereikt in de ad-hoc Werkgroep Chemische Wapens in EPS-verband, met name omdat Frankrijk, BRD en VK voorshands wensen te volstaan met opname van deze stof op de zogenaamde waarschuwingslijst.

Tegen deze achtergrond vraag ik mij af of niet thans de tijd is gekomen om thionylchloride aan de nationale lijst van vergunningsplichtige chemische stoffen toe te voegen.”

3.27. Bij besluit van 20 juli 1987 is SOCl2 opgenomen in de bijlage van het Uitvoeringsbesluit strategische goederen 1963. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1987 en een dag later in werking getreden. Vanaf die datum was in Nederland voor de uitvoer van SOCl2 een vergunning nodig.

3.28. Sinds 29 april 1997 valt SOCl2 onder de internationale controleregeling en is de stof opgenomen in bijlage 3 bij het Verdrag inzake chemische wapens (CWC). Er gelden voor het verdrag geen beperkingen voor de hoeveelheid of het gebruik van chemische stoffen in bijlage 3, maar er zijn aangifteverplichtingen. Chemische stoffen van bijlage 3 kunnen worden verhandeld met staten die geen partij zijn bij het CWC, mits een eindgebruikerscertificaat wordt verkregen.

Industrie in Irak in de jaren tachtig

3.29. In 2005 heeft het United Nations Environmental Programme (UNEP) een rapport gepubliceerd over “Environmental ‘Hot Spots’ in Irak. In dit rapport is een paragraaf opgenomen over de industriële ontwikkeling van Irak.4

  • Het geschil

4.1. [A] c.s. vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

In de zaak tegen Forafina en Otjiaha

  • voor recht verklaart dat Forafina en Otjiaha onrechtmatig jegens [A] c.s. hebben gehandeld endaarom aansprakelijk zijn voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen;
  • Forafina en Otjiaha veroordeelt tot vergoeding aan [A] c.s. van de nader bij staat op te makenschade;
  • Forafina en Otjiaha veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, vermeerderd met dewettelijke rente bij niet tijdige betaling.

In de zaak tegen [F]

  • voor recht verklaart dat [F] onrechtmatig jegens [A] c.s. heeft gehandeld en daaromaansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen;
  • [F] veroordeelt tot vergoeding aan [A] c.s. van de nader bij staat op te maken schade;
  • [F] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rentebij niet tijdige betaling.
    • [A] c.s. leggen in de dagvaarding het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Zij zijn het slachtoffer geworden van in opdracht van de Iraakse autoriteiten uitgevoerde beschietingen in of rondom de in Iran gelegen plaatsen Jofeyr (1984), Sumar (1986) en Abadan (1986). Bij deze beschietingen is gebruik gemaakt van mosterdgas dat is vervaardigd met door Forafina (TDG en SOCl2) en Otjiaha (SOCl2) geleverde chemische stoffen. Ten tijde van de leveringen was algemeen bekend dat TDG en SOCl2 voorlopers zijn voor mosterdgas. Gedaagden wisten, althans hadden redelijkerwijs kunnen weten dat Irak de geleverde chemicaliën zou gebruiken om mosterdgas te produceren en dat dit chemische wapen daadwerkelijk op het slagveld zou worden ingezet. Gezien de stand van de industrie in Irak was uitgesloten dat TDG en SOCl2 voor andere dan militaire doeleinden zouden worden gebruikt. Gedaagden zijn aldus jegens [A] c.s. (mede) aansprakelijk voor de door hen geleden (letsel)schade die het gevolg is van hun respectievelijke leveringen aan Irak.
    • Otjiaha en [F] voeren verweer. Zij stellen dat zij niet wisten of redelijkerwijze konden of moesten weten dat de leveringen van SOCl2 een bijdrage zouden leveren aan de productie van mosterdgas door Irak. Zij stellen zich op het standpunt dat zij in de periode dat Otjiaha SOCl2 leverde aan Irak niet de kennis hadden van nu inzake het gebruik door Irak van SOCl2 en daarmee dus ook geen rekening konden houden. In de betreffende periode werd bovendien met heel andere ogen tegen de oorlog tussen Irak en Iran aangekeken. Landen als de Verenigde Staten, Frankrijk, Spanje, Duitsland en ook Nederland gaven enorme hoeveelheden steun en middelen aan Irak in de oorlog tegen het alom gevreesde Iran, waaronder middelen die voor de massavernietigingswapenprogramma’s van Irak konden worden gebruikt.

Voorts heeft SOCl2 ook vreedzame civiele toepassingen. Voor de levering ervan is pas na vele jaren discussie een vergunningsplicht ingevoerd. Bovendien is SOCl2 maar een heel klein radertje in het geheel dat nodig is voor de fabricage en het gebruik van mosterdgas.

Zij menen dat [A] c.s. onvoldoende omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan leveringen van SOCl2 in weerwil van voormeld tijdsgewricht als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd. Daarnaast voeren zij aan dat de vorderingen tegen hen zijn verjaard en betwisten zij dat het letsel dat [A] c.s. hebben opgelopen veroorzaakt is door munitie met mosterdgas dat is vervaardigd met de door Otjiaha geleverde SOCl2. [F] voert bovendien aan dat [A] c.s.

onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit zou kunnen volgen dat hij als bestuurder van Otjiaha persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de handelingen van Otjiaha.

  • Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
  • De beoordeling
    • Tegen Forafina is verstek verleend. Omdat Otjiaha wel is verschenen heeft dit vonnis, gelet op artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ook jegens Forafina te gelden als een vonnis op tegenspraak.
    • Forafina heeft geen verweer gevoerd. De vordering van [A] c.s. tegen haar komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze zal worden toegewezen.
    • Otjiaha en [F] hebben, zoals uiteengezet in nr. 4, verweer gevoerd. De rechtbank behandelt in het onderstaande eerst de vorderingen van [A] c.s. tegen Otjiaha en vervolgens de vorderingen van [A] c.s. tegen [F] .

Vordering tegen Otjiaha

Toepasselijk recht

  • Met [A] c.s. is de rechtbank van oordeel dat op hun vorderingen jegens Otjiaha Iraans recht van toepassing is. Alhoewel Otjiaha SOCl2 aan Irak heeft geleverd op een tijdstip gelegen ruim voor de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (“WCOD”) op 1 juni 2001, is in de WCOD het toen al van kracht zijnde Nederlandse internationale privaatrecht op dit punt gecodificeerd. In deze zaak kan dan ook worden uitgegaan van het recht dat in deze wet is neergelegd. Artikel 3 lid 2 van de WCOD bepaalt dat het recht moet worden toegepast van de staat op wiens grondgebied de onrechtmatige daad schadelijk inwerkt. Nu de eisers uit Iran op Iraans grondgebied met het mosterdgas in aanraking stellen te zijn gekomen, heeft de gestelde onrechtmatige daad daar ingewerkt en is Iraans recht van toepassing.
  • Otjiaha stelt dat artikel 3 lid 2 van de WCOD niet van toepassing is (en daarom Nederlands recht van toepassing is op basis van de lex loci delicti-regel van artikel 3 lid 1 WCOD), omdat volgens haar de schade die [A] c.s. vorderen niet kan worden aangemerkt als inwerking van schade als direct gevolg van de vermeende onrechtmatige daad, namelijk de levering van SOCl2 door Otjiaha aan Irak. Zij betwist dat er een voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde onrechtmatige gedraging en de gevorderde schade. De op zichzelf relevante causaliteitsvragen die Otjiaha hiermee opwerpt moeten naar het oordeel van de rechtbank, indien het zover komt, worden beantwoord bij de inhoudelijk behandeling van de vordering, maar spelen geen rol bij het antwoord op de vraag waar de schade die [A] c.s. stellen te hebben geleden als gevolg van de levering van SOCl2 door Otjiaha is ingetreden.
  • De verwijzing van Otjiaha op dit punt naar uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)5 inzake de bevoegdheid op grond van de EEX Verordening6 maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders. Otjiaha voert aan dat de rechtbank voor de uitleg van artikel 3 onder 2 WCOD moet aansluiten bij de uitleg van het HvJ EU van artikel 5 onder 3 van de EEX Verordening. Dit artikel bepaalt dat, naast de woonplaats van een gedaagde, bij onrechtmatige daad ook bevoegd is de rechtbank van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. De plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan kan zowel de plaats zijn waar de schade is ingetreden als de plaats van de schade veroorzakende gebeurtenis. Artikel 3 lid 2 van de WCOD verwijst echter uitdrukkelijk naar de plaats waar de schade inwerkt op de persoon die deze schade lijdt (hier: Iran) en niet naar de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan. De stellingen van Otjiaha en de verwijzing naar de jurisprudentie van het HvJ EU over de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van artikel 5 onder 3 van de EEX Verordening zijn daarom niet relevant voor de beantwoording van de vraag welk recht op grond van (het vóór 1 juni 2001 geldende Nederlandse internationale

privaatrecht zoals gecodificeerd in) de WCOD van toepassing is.

  • Artikel 3 onder 2 WCOD bepaalt dat dit artikellid niet van toepassing is als “de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.” De rechtbank wijst het beroep van Otjiaha op deze uitzonderingsgrond af. De door [A] c.s. gestelde onrechtmatige daad houdt in dat Otjiaha SOCl2 aan Irak heeft geleverd, terwijl zij wist of had moeten begrijpen dat Irak deze stof zou gaan gebruiken om mosterdgas te produceren dat zou worden verwerkt in munitie die zou worden ingezet in de oorlog tegen Iran. Uitgaande van die gestelde onrechtmatige daad, heeft Otjiaha kunnen voorzien dat de schadelijke inwerking van die daad in Iran zou plaatsvinden. Zij heeft althans onvoldoende feiten en of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat zij dit niet had kunnen voorzien. Het antwoord op de vraag of Otjiaha daadwerkelijk wist of kon weten dat Irak de SOCl2 zou gebruiken voor mosterdgas en of haar van de levering een verwijt kan worden gemaakt, is voor de beantwoording van de vraag welk recht de gestelde onrechtmatige daad beheerst, nog niet aan de orde. De rechtbank zal die vraag hierna behandelen bij de beoordeling van de vraag of Otjiaha met de levering van SOCl2 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] c.s.

Heeft Otjiaha onrechtmatig gehandeld?

  • De rechtbank moet naar Iraans recht de vraag beantwoorden of Otjiaha jegens [A] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door SOCl2 te leveren aan Iran.
  • Voor wat betreft de inhoud van het Iraans recht baseert de rechtbank zich op het deskundigenbericht van 7 oktober 2012 van Hossein Safai, in 2012 professor at Science and Research Branch of Islamic Azad University in Teheran (verder: Safai). Safai heeft dit deskundigenbericht geschreven als rechtbankdeskundige in het Iraanse recht in een procedure voor deze rechtbank. Zie onder meer het vonnis van deze rechtbank van 24 april 2013,

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8333. Dit deskundigenbericht is ook in deze procedure overgelegd en de rechtbank ziet geen aanleiding om in aanvulling hierop nog nadere inlichtingen in te winnen.

  • Op pagina 3 van zijn deskundigenbericht heeft Safai artikel 1 geciteerd (in de Engelse vertaling) van de Civil Responsibility Act:

If any one without legal authorization, intentionally or as the result of negligence causes harm to life or health or property or freedom or dignity or commercial fame or to any other right which is provided by the law for individuals that causes material or spiritual(immaterial) loss, shall be held responsible to pay compensation for losses incurred through his act”.

Onder dit citaat heeft Safai het volgende vetgedrukt geschreven:

According to this article and other articles of the Civil Liability Act, the basis of liability in contemporary Iranian law is fault, unless in exceptional cases in which liability without fault or strict liability is accepted, such as liability for direct destruction (inflection of direct damage) or liability of the owner or driver of a land motor vehicle.

  • De rechtbank begrijp artikel 1 van de Civil Responsibility Act, mede gelet op de uitleg van Safai, zo dat ook naar Iraans recht voor het aannemen van aansprakelijkheid van Otjiaha vereist is dat de daad die tot de schade heeft geleid – het afvuren van munitie met mosterdgas – toerekenbaar moet zijn aan Otjiaha. Dit betekent dat vast moet komen te staan dat Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van het door haar geleverde SOCl2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran. Deze wetenschap had haar ervan moeten weerhouden om SOCl2 aan Irak te leveren.
  • Anders dan [A] c.s. is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende is dat komt vast te staan dat Otjiaha wist of kon weten dat Irak met SOCl2 mosterdgas zou gaan maken. Een dergelijke brede kwalificatie zou de levering van chemische stoffen met een duaal gebruik – die tevens kunnen worden gebruikt voor niet vreedzame doelen – immers praktisch onmogelijk maken. Voor een kwalificatie als onrechtmatig is noodzakelijk dat het beoogde gebruik van de stof en de kennis hierover bij de leverancier worden meegewogen.
  • De rechtbank is van oordeel dat aan het gestelde vereiste niet is voldaan. Het volgende is daartoe redengevend.

Laatste levering vond begin 1984 plaats

5.14. Otjiaha heeft in 1982, 1983 en 1984 SOCl2 geleverd aan Irak. Voor de levering in 1984 is een L/C afgegeven met volgnummer 84/3/425. Tussen partijen is niet in geschil dat deze bestelling voor SOCl2, gelet op het relatief lage volgnummer van de L/C, vóór april 1984 is geplaatst. Partijen hebben zich er niet over uitgelaten wanneer precies Otjiaha in 1984 SOCl2 heeft geleverd aan Irak. De rechtbank gaat ervan uit dat de levering korte tijd na de afgifte van de L/C heeft plaatsgevonden, in de eerste helft van 1984.

Nederland stimuleerde handel met Irak

5.15. Begin jaren tachtig moedigde het Ministerie van Economische Zaken de handel met Irak aan. De overeenkomst tussen Irak en Nederland inzake economische en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak die de regering in maart 1984 aan de Tweede Kamer ter goedkeuring heeft voorgelegd, heeft [Staatssecretaris] in oktober 1983 bij een bezoek aan Bagdad getekend. Mark Akkerman schrijft hierover in het Argos-rapport dat [Staatssecretaris] destijds heeft gezegd dat een politiek van strikte neutraliteit meebrengt dat zoveel mogelijk normale betrekkingen met alle betrokkenen – bedoeld worden Irak en Iran – worden onderhouden en dat een overeenkomst als die toen is gesloten daarmee te rijmen is. Op grond van artikel 3 van de overeenkomst streefden beide landen ernaar hun economische en technische samenwerking te bevorderen en uit te breiden op in het artikel genoemde gebieden, waaronder landbouw en tuinbouw.

Leveranties door andere (buitenlandse) bedrijven

5.16. Het FFCD-rapport bevat een lijst met private buitenlandse bedrijven die grondstoffen of materieel leverden dat werd gebruikt voor de productie van chemische wapens in Irak. De lijst bevat namen van Duitse, Italiaanse, Spaanse en Oostenrijkse bedrijven die tot in 1988 grondstoffen en materieel leverden dat kon worden gebruikt voor de productie van chemische wapens.

5.17. De conclusie is dat de Nederlandse overheid begin jaren tachtig de handel met Irak stimuleerde en dat ook buitenlandse bedrijven Irak bleven beleveren met grondstoffen en materialen die (ook) voor de productie van chemische wapens konden worden aangewend.

Publicaties over gebruik chemische wapens

5.18. Vanaf 1980 vonden er volgens [A] c.s. met regelmaat publicaties plaats in de internationale pers inzake het gebruik van chemische wapens door Irak. [A] c.s. wijzen specifiek op (i) een kort bericht van United Press International uit 1980 dat verwijst naar de omstandigheid dat Iran wil dat de VN en het Rode Kruis haar claims inzake het gebruik van chemische wapens door Irak onderzoeken, (ii) een melding over een uitzending van Tehran Radio over het gebruik van chemical warfare bombs, (iii) een bericht van Newsweek uit 1982 inzake het gebruik van traangas, (iv) een bericht van Iraq News Agency van oktober 1982 dat de Permanente vertegenwoordiger van Irak bij de Verenigde Naties het gebruik van chemische oorlogsvoering ontkent, (v) een bericht van 8 maart

1984 van de Washington Post “that Iraq is producing mustard gas at a facility in the town of

Samawa”, (vi) een report van Newsweek van 12 maart 1984 “that Baghdad radio boasted pointedly that Iraqi troops had used insecticides on Iranaian troops” en (vii) een bericht in de Times van 12 maart 1984 “It is now established beyond reasonable doubt that Iraq has been using chemical weapons against Iranian forces and that this is a clear breach of the 1925 Geneva Protocol”. Voor verdere artikelen verwijzen ze naar een productie met verwijzingen naar krantenartikelen in de periode 1965 tot en met 1984.7

Verklaring Nederlandse ambassadeur in Irak

5.19. [A] c.s. hebben verder gewezen op een verklaring van de Nederlandse ambassadeur in Irak (ambassadeur in de periode oktober 1980 – juli 1984) die heeft verklaard dat er in zijn tijd als ambassadeur zware gifgasaanvallen zijn gepleegd, maar dat er in die tijd nauwelijks over werd gesproken. Hij kan zich wel een bericht in een Iraakse krant herinneren na de eerste gifgasaanval. In het wereldnieuws was het gebruik van gifgas volgens de ambassadeur echter geen hot item.

Eerste officiële aanklacht bij de Verenigde Naties

5.20. Iran heeft in november 1983 een eerste officiële aanklacht ingediend bij de Verenigde Naties (VN) over het gebruik door Irak van chemische wapens en de secretaris-generaal verzocht om een onderzoek in te stellen. Volgens [A] c.s. was het eerste gebruik van mosterdgas een aanval op 9 augustus 1983 en vond in maart 1984 de eerste onderzoeksmissie van de Verenigde Naties plaats naar het gebruik van mosterdgas. Uit een door hen overgelegde productie blijkt dat op 26 maart 1984 een VN-rapport is gepubliceerd waarin wordt geconcludeerd dat “chemical bombs have been used in the areas inspected in Iran by the specialists”. Daarbij wordt aangetekend “The chemical weapons were musterdgas and tabun” en “No statement is offered as to which party is responsible for the chemical weapons attacks (…)”.8

5.21. De rechtbank is van oordeel dat [A] c.s. met de door hen gestelde feiten als opgenomen onder

5.18 t/m 5.20 niet de juistheid van hun – door Otjiaha – betwiste stelling hebben aangetoond dat Otjiaha in 1982, 1983 maar in ieder geval in 1984 wist of moet hebben geweten (i) dat in Irak sprake was van grootscheepse productie van mosterdgas en (ii) dat de door Otjiaha geleverde gassen zouden worden gebruikt voor de fabricage van mosterdgas. Zo wordt in geen van de krantenartikelen waarnaar [A] c.s. verwijzen het woord mosterdgas gebruikt of enig verband gelegd tussen de productie en het gebruik daarvan en SOCl2. Dat Otjiaha vóór de laatste levering van SOCl2 in 1984 kennis had of had moeten hebben van het VN-rapport van 26 maart 1984, is evenmin aangetoond, nog daargelaten dat ook daaruit kennelijk niet blijkt dat Irak voor de gifgasaanvallen verantwoordelijk was en het gebruikte mosterdgas met behulp van SOCl2 is vervaardigd.

Meerdere toepassingsmogelijkheden SOCl2

5.22. Tussen partijen is niet in geschil dat SOCl2 een ruim toepassingsgebied heeft (zie onder 3.10.). Onweersproken door [A] c.s. heeft Dr. Terzic9, een door Otjiaha ingeschakelde partij-deskundige, hierover het volgende geschreven:

A principal use of thionyl chioride is in reactions employed in production of crop protection agents (herbicides and insecticides), pharmaceuticals, vitamin supplements, dyestuff, cationic starch, synthetic sweetener sucralose, photographic film paper, paper and textile auxiliaries. Other significant applications are in production of engineering thermoplastics of polyarylate and polysulfone type. Thionyl chloride is also used in the lithium/ thionyl chloride battery, that could be considered as a primary energy source for military use (computer, missile, telephone systems). Thionyl chloride is used on a relatively smaller scale as a solvent.

Thionyl chloride is known to be used as a reagent of opportunity in illicit manufacture of heroin, clandestine synthesis of mescaline, methamphetamine and pethidine. However, these uses are less common and on a rather low scale.”

5.23. Otjiaha heeft erop gewezen dat Irak zelf Otjiaha heeft voorgehouden dat ze de bestelde SOCl2 nodig had voor de fabricage van plastics en insecticiden. Otjiaha verwijst hiervoor naar een brief van de Iraaks inkooporganisatie SEPP uit maart 1985 (zie onder 3.21.). [A] c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat Otjiaha SEPP de bewuste brief aan zich had laten schrijven. Zij hebben deze enkele stelling niet verder toegelicht, hetgeen wel op hun weg had gelegen. Het is immers zonder nadere toelichting niet aannemelijk dat Otjiaha een Iraakse overheidsinstantie brieven kan laten schrijven. Omdat die toelichting ontbreekt, gaat de rechtbank verder voorbij aan deze stelling van [A] c.s. Daarbij merkt zij bovendien nog op dat voor zover Otjiaha een rol heeft gehad bij het versturen van de brief, de brief in maart 1985 is verstuurd, ongeveer een jaar na de laatste levering door Otjiaha. Daardoor is de brief en de kennis van Otjiaha die daaruit mogelijk kan worden afgeleid, niet relevant voor het oordeel van de rechtbank over de leveringen door Otjiaha.

5.24. [A] c.s. heeft verder gewezen op het rapport van de UNEP10 waaruit zou volgen dat de Iraakse industrie begin jaren tachtig beperkt was en vooral op de olie-industrie gericht. Plastics waarvoor SOCl2 kan worden gebruikt werden amper geproduceerd en de aan de landbouw gerelateerde chemische industrie was beperkt. Pesticiden werden volgens [A] c.s. maar in beperkte mate zelf gemaakt in Irak en vooral op grote schaal als eindproduct ingeslagen. In het UNEP-rapport is ook opgenomen dat Irak begin jaren tachtig de aanwezige industrie “de nek omdraaide” omdat de financiële middelen toen voor het merendeel naar de militaire industrie gingen, aldus [A] c.s..

5.25. Otjiaha heeft betwist dat begin jaren tachtig geen sprake was van een substantiële civiele chemische industrie in Irak, waardoor uitgesloten was dat SOCl2 ergens anders voor werd gebruikt dan voor de fabricage van mosterdgas. Volgens haar was de grootschalige import van SOCl2 niet opvallend. Zij verwijst ter toelichting op het UNEP-rapport dat vermeld dat Irak in de jaren tachtig wereldwijd een van de grootste producenten van kunstmest was. Voorts heeft de door haar ingeschakelde partij-deskundige Terzic geschreven dat Irak begin jaren tachtig een industrie had waarbij SOCl2 werd gebruikt en dat, voor zover SOCl2 werd gebruik voor de fabricage van chemische wapens, het verhaal dat Irak in die tijd naar buiten bracht over het gebruik van SOCl2 voor vreedzame doeleinden, in ieder geval voldoende overtuigend was:

Considering the time period, the statements do not reflect the factual situation. Regarding the Statement No 1, the acquisition of SOCl2 in lraq in early 1980s was followed by a very convincing cover story for contractors and providers [UNMOVIC Compendium, Chapters II and III]. The chemical was formally purchased for pesticide production. lraq’s agricultural sector has always been considered as a vital component of Iraq’s economy and it has been the second largest contributor to the country’s gross domestic product. During early 1980s even more so, with the Saddam Hussein’s government supporting development of this sector through subsidies and acquisition of Western technology.

Agricultural area and production expanded through the 1980s for cereals, vegetables, and fruit. Therefore, Iraq had a legitimate need for the production of agricultural chemicals such as fertilizers, pesticides, herbicides and fungicides. In the case of thionyl chloride, the pesticide industry contributes the major part for its consumption even nowadays. Thionyl chloride can be used in the production of various pesticides […]. That made the pesticides cover story for thionyl chloride import very convincing.

Even more so as the chemicals were purchased through the Iraqi State Establishment for Pesticide Production (SEPP). This body was authorized to import and purchase all necessary materials, substances and equipment, to interact with governmental, local and foreign agencies and entities both inside and outside lraq. Later on, it became lraq’s primary chemical weapon facility – the Muthanna State Establishment.

Regarding the Statement no 2. and the chemical industry in lraq in early 1980s, lraq used the same convincing cover story of pesticide production to acquire technology and equipment necessary for chemical warfare agent production. The chemical process equipment required for production of pesticides is by its nature and design (batch production and corrosion resistance) also suitable for the production of chemical warfare agents. That is how the mentioned Muthanna facility was formally designated as a pesticide complex and built. The Muthanna facility covered huge area, It contained number of production areas and production facilities giving it significant production capacity. We can say that the Muthanna facility, at the time formally designated as the pesticide production plant, represented for “outsiders” convincingly enough that “civilian chemical industry” capacity for consumption of thionyl chloride.

To keep in mind, there were no international regulations preventing the procurement of such equipment and raw materials for the pesticide production in early 1980s and such imports could have occurred without raising suspicions.

5.26. Het UNEP-rapport waarnaar [A] c.s. verwijst dateert uit 2005. [A] c.s. heeft niet nader toegelicht dat en in hoeverre Otjiaha en ook anderen in 1984 op de hoogte waren van de in het rapport beschreven situatie in Irak. Begin jaren tachtig kon Otjiaha dan ook niet zonder meer bekend worden verondersteld met de inhoud van dit rapport. Mede gelet op de in 5.25 aangehaalde bevindingen van Terzic – dat de coverstory van Iran voor het gebruik van SOCl2 voor pesticiden overtuigend was – is de rechtbank van oordeel dat met het UNEP-rapport niet is aangetoond dat Otjiaha begin jaren tachtig wist of had moeten weten dat Irak de zendingen SOCl2 (niet, zoals door SEPP vermeld, voor de vervaardiging van plastics en voor landbouwdoeleinden, maar) voor de productie van mosterdgas zou gebruiken.

SOCl2 geen sleutelvoorloper van mosterdgas

5.27. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat voor de fabricage van mosterdgas ook andere chloreringsstoffen dan SOCl2 kunnen worden gebruikt. Waar TDG een sleutelvoorloper is – zonder TDG kan geen door middel van chlorering verkregen mosterdgas worden gemaakt – geldt dit niet voor SOCl2. [A] c.s. hebben niet weersproken dat er acht verschillende methoden zijn, waarvan er bij slechts één methode SOCl2 wordt gebruikt. Evenmin heeft [A] c.s. weersproken dat de stoffen nodig voor andere bereidingsmethoden tussen 1982 en 1986 op grote schaal in Irak zijn geïmporteerd.

Geen vergunningsplicht ten tijde van leveranties

5.28. Ten tijde van de leveranties van Otjiaha van SOCl2 aan Irak gold geen vergunningsplicht voor SOCl2. Deze vergunningsplicht gold in Nederland pas vanaf 1987. SOCl2 is pas in april 1997 opgenomen in bijlage 3 van het CWC (zie ook onder 3.28).

5.29. In november 1984 heeft Nederland bij Koninklijk Besluit ten aanzien van elf stoffen bepaald dat die niet meer zonder vergunning mochten worden uitgevoerd. Volgens de toelichting waren deze stoffen geschikt voor de fabricage van chemische strijdmiddelen. Bij (voorlopige) ministeriële regeling van 18 april 1984 was de uitvoer van deze stoffen al vergunningsplichtig gemaakt. SOCl2 stond niet op de lijst. De Nederlandse regering heeft in april 1984 niet ervoor gekozen om SOCl2 op de lijst te zetten. In de periode voorafgaand aan de ministeriële regeling is overleg geweest tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken. Verwezen is in de stukken naar 21 stoffen die volgens Buitenlandse Zaken op de lijst moesten en naar vijf stoffen die volgens Economische Zaken op de lijst moesten. Tussen de Ministeries is daarover overleg geweest. Uiteindelijk is gekozen voor een lijst van elf stoffen. In de stukken is niet gespecificeerd om welke stoffen het destijds ging. Daardoor is in deze procedure niet komen vast te staan dat SOCl2 een van de 21 stoffen was. Voor zover SOCl2 wel op de lijst van 21 stoffen stond, heeft de Nederlandse regering zowel in april 1984 als in november 1984 kennelijk uitdrukkelijk besloten SOCl2 niet vergunningsplichtig te maken.

Contacten tussen Otjiaha en de ministeries van Economische en Buitenlandse zaken

5.30. In 1984 was er internationaal overleg over leveranties van chemische stoffen aan Irak. In Nederland vond overleg hierover onder meer plaats in een werkgroep van de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken. Dit leidde onder meer tot een rapport van die werkgroep. Bij dit rapport was een memorandum gevoegd waarin is gewezen op drie Nederlandse bedrijven die kennelijk betrokken waren bij de doorvoer van grote hoeveelheden voorlopers van chemische wapens naar Irak. De schrijver van het memorandum schrijft dat de drie bedrijven zijn benaderd en dat hen is verzocht, in afwachting van een op te stellen Koninklijk Besluit niet aan Irak te leveren. Twee van de drie bedrijven zouden hebben toegezegd de leveranties onmiddellijk stop te zetten. Het derde bedrijf kon die garantie niet geven omdat het vreesde een forse schade te lijden als ze zonder goede reden het bestaande contract met Irak niet zou nakomen. Aangenomen wordt dat Otjiaha dit derde bedrijf was.

5.31. Gelet op de vraag die de rechtbank moet beantwoorden, roept dit memorandum een aantal vragen op. Niet duidelijk is welke stoffen de twee andere bedrijven waarnaar in het memorandum wordt verwezen zouden leveren aan Irak (was dit bijvoorbeeld TDG of ook SOCl2 of weer een andere stof?).

Evenmin is duidelijk wat in de betreffende gesprekken als reden is gegeven voor het verzoek om de stoffen niet te leveren. Er was iets bekend over de fabricage van strijdgassen door Irak, maar wat op dat moment precies bekend was en wat daarover aan de bedrijven is medegedeeld is niet gesteld noch anderszins gebleken. [A] c.s. refereren aan de getuigenverklaring die een ambtenaar en wapenspecialist in de [G] -zaak over het bewuste gesprek heeft afgelegd en waarin hij heeft verklaard dat hij in 1983/1984 informatie had ontvangen van de Britse Inlichtingendienst dat Nederlandse bedrijven grondstoffen voor chemische wapens leverden aan Irak. Maar dit is weinig specifiek.

In dezelfde getuigenverklaring is verder over de contacten met de drie bedrijven erop gewezen dat de bedrijven is gevraagd om in afwachting van het Koninklijk Besluit niet te leveren. Of het verzoek aan de bedrijven om niet te leveren dan ook alleen inhield dat stoffen die zouden worden opgenomen in het Koninklijk Besluit niet moesten worden geleverd, is niet duidelijk. De verwijzing naar het Koninklijk Besluit en het verzoek om dat af te wachten, lijken dat wel te impliceren.

Ook het Argos-rapport wijst op de omstandigheid dat de bedrijven is gevraagd om in afwachting van het Koninklijk Besluit niet te leveren. In dit rapport is ook opgenomen dat het bedrijf dat niet direct de leveranties wilde staken, wilde proberen om lopende orders niet in zijn geheel uit te voeren, en dat het graag een wettelijke maatregel wilden zien waarop het zich jegens Irak kon beroepen. Hieruit blijkt een bereidheid om mee te denken, die niet uit het onder 5.30 genoemde memorandum blijkt.

5.32. In het Argos-rapport is over de gang van zaken in 1984 vermeld dat het Ministerie van Buitenlandse zaken heeft voorgesteld een beschikking af te kondigen die de uitvoer van 21 grondstoffen die voor chemische wapens kunnen worden gebruikt aan een vergunning verbindt. In de toelichting bij dit voorstel is volgens dit rapport het volgende opgenomen: “Voor [een aantal] stoffen […] zijn zeer grote orders geplaatst bij [gewit]. De hoeveelheden zijn dermate groot dat andere toepassingen dan productie van chemische wapens uitgesloten kunnen worden geacht. Derhalve dienen in ieder geval deze 7 stoffen op de lijst geplaatst te worden”. Om welke stoffen het hier gaat en of SOCl2 een van de zeven was is niet duidelijk. Evenmin is duidelijke of deze zeven stoffen op de lijst terecht zijn gekomen. Als alle zeven wel op de lijst zijn geplaatst, betrof het niet SOCl2.

5.33. De van het Ministerie in 1984 ontvangen informatie – waarvan de precieze inhoud in deze procedure dus niet kan worden vastgesteld – was voor Otjiaha in 1984 geen aanleiding de leverantie van SOCl2 aan Irak stop te zetten. Dit was anders in 1986. Uit de briefwisseling tussen het Ministerie en Otjiaha van maart 1986 en mei 1986 volgt dat het Ministerie Otjiaha informeerde over de grote zorg van de Ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken ten aanzien van de leverantie van 500 ton van SOCl2 aan Irak. In reactie hierop heeft Otjiaha besloten een bestelling van SOCl2 van Irak niet uit te voeren.

5.34. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan welke informatie in 1984 precies voor handen was en wat precies in 1984 met Otjiaha is besproken. In 1986 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken nadrukkelijk en met redenen omkleed een verzoek aan Otjiaha gedaan, hetgeen toen wél heeft geleid tot het niet leveren van SOCl2 door Otjiaha

Conclusie: geen sprake van onrechtmatig handelen

5.35. Samenvattend concludeert de rechtbank dat de internationale discussie over het gebruik van chemische wapens door Irak pas echt op gang lijkt te zijn gekomen in november 1983 met de melding van Iran aan de Verenigde Naties.

Nog in 1983 heeft Nederland een overeenkomst gesloten met Irak voor technische en economische samenwerking. De Tweede Kamer heeft dit verdrag in 1985 goedgekeurd. In 1984 stimuleerde het Ministerie van Economische Zaken de handel met Irak.

Otjiaha heeft voor het laatst SOCl2 geleverd in de loop van 1984. In die periode was het Ministerie van Economische Zaken terughoudend met het opleggen van vergaande exportbeperkingen richting Irak, mede vanwege de gewenste samenwerking op technisch en economisch gebied. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wilde verdere beperkingen, maar ten aanzien van welke stoffen het dit precies wilde is in deze procedure niet vast komen te staan.

5.36. Voorts is niet komen vast te staan welke kennis Otjiaha in 1984 had ten aanzien van de industrie in Irak en in het verlengde hiervan is evenmin komen vast te staan dat Otjiaha wist of kon weten dat Irak de door haar geleverde SOCl2 zou gebruiken voor de fabricage van mosterdgas.

Er waren in 1984 mogelijk aanwijzingen voor het gebruik van SOCl2 voor de fabricage van mosterdgas, welke aanwijzingen mogelijk door ambtenaren van ministeries aan Otjiaha zijn medegedeeld. Wat precies besproken is in 1984 is echter niet duidelijk geworden. Op dit punt hebben [A] c.s. ook geen bewijs aangeboden. Otjiaha heeft de benodigde kennis niet kunnen halen uit de krantenartikelen waarnaar [A] c.s. hebben verwezen.

5.37. Vast staat dat de internationale orde SOCl2 pas in 1997 op een bijlage van het CWC heeft gezet en dat in 1987 binnen de Europese Unie nog geen overeenstemming bestond over beperkingen ten aanzien van SOCl2. Nederland heeft de export van SOCl2 zelf pas in juli 1987 vergunningsplichtig gemaakt.

5.38. SOCl2 is voorts niet het enige chloreringsmiddel dat bij de fabricage van mosterdgas kan worden gebruikt. Anders dan bijvoorbeeld TDG is het geen sleutelvoorloper van mosterdgas in die zin dat TDG ook met andere stoffen kan worden omgezet in mosterdgas. SOCl2 kent ook andere toepassingsmogelijkheden. Dit is wellicht de reden dat SOCl2 niet in april 1984 op de lijst van vergunningsplichtige stoffen is geplaatst. Het Ministerie van Economische Zaken droeg bij monde van Staatssecretaris [Staatssecretaris] ook in 1985 nog uit dat bij de stoffen op de lijst sprake was van een eenduidig verband tussen de goederen en de fabricage van wapens, en dat voor goederen niet op de lijst – zoals SOCl2 – mocht worden aangenomen dat er geen onmiddellijk verband bestond.

5.39. Gelet op dit een en ander, in onderling verband beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat Otjiaha geen verwijt kan worden gemaakt van de leveranties van SOCl2 aan Irak in 1982, 1983 en 1984. Niet is vast komen te staan dat Otjiaha in 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak het door haar geleverde SOCl2 zou gebruiken voor de fabricage van mosterdgas.

5.40. De omstandigheid dat Otjiaha in 1986 schuldig is verklaard aan de levering zonder vergunning van POCl3, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders. In dat geval ging het om een levering door Otjiaha aan een tussenpersoon binnen de EU waardoor op Otjiaha geen directe vergunningsplicht rustte, maar volgens de politierechter wel een onderzoeksplicht, omdat POCl3 vergunningsplichtig was. Uit deze veroordeling in 1986 inzake de levering van een andere, toen wel vergunningsplichtige chemische stof, onder andere omstandigheden, volgt niet dat ook de levering van het niet vergunningsplichtige SOCl2 in 1984 onrechtmatig was.

5.41. [A] c.s. hebben nog erop gewezen dat Otjiaha met de kennis die zij in 1984 had voor wat betreft het gebruik van chemische wapens door Irak zelf actiever had moeten onderzoeken wat Irak met SOCl2 kon doen en dat de uitkomst van een dergelijk onderzoek was geweest dat Irak de SOCl2 zou gebruiken voor de fabricage van mosterdgas. [A] c.s. hebben erop gewezen dat Otjiaha een broker is bij de handel in chemische stoffen, dat zij wereldwijd handelde en dat ze een vestiging had in Bagdad.

Terecht stellen [A] c.s. dat aan Otjiaha gelet op deze laatstgenoemde omstandigheden meer kennis kan worden toegedicht dan gemiddeld.

Hieruit volgt echter niet automatisch dat Otjiaha dus moet hebben geweten dat Irak geen noemenswaardige (chemische) industrie had en dat SOCl2 alleen maar zou worden gebruikt voor de fabricage van mosterdgas. De rechtbank heeft al eerder geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat Otjiaha dit uit krantenartikelen heeft moeten opmaken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet duidelijk is geworden wat er precies tussen de Ministeries en Otjiaha is besproken. Door de tijd die is verlopen sinds 1984 zal het niet gemakkelijk zijn om te achterhalen wat precies de inhoud van de gesprekken is geweest en op dit punt is ook geen bewijs aangeboden. Zonder de inhoud van de gesprekken te kennen kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat van Otjiaha in maart/april 1984 kon worden verwacht dat zij, anders dan de Nederlandse regering op dat moment, nader onderzoek deed naar de situatie in Irak en naar het mogelijk gebruik van SOCl2 door Irak. Nog daargelaten de vraag of thans nog na het verstrijken van bijna 40 jaar met de benodigde precisie kan worden geoordeeld welke kennis Otjiaha toen had kunnen verwerven, kan alleen met kennis van de inhoud van deze gesprekken worden beoordeeld of Otjiaha zelfstandig had moeten besluiten nader onderzoek te doen of de met Irak gesloten overeenkomst niet na te komen en het SOCl2 niet te leveren. Nu de inhoud van die gesprekken niet is komen vast te staan, verwerpt de rechtbank dan ook het betoog van [A] c.s. dat Otjiaha nader onderzoek had moeten instellen naar het beoogde gebruik door Irak van het bij Otjiaha bestelde SOCl2 dan wel had moeten afzien van de levering van deze stof.

5.42. Aldus concludeert de rechtbank dat [A] c.s. onvoldoende feiten en of omstandigheden hebben gesteld die de conclusie kunnen dragen dat de levering door Otjiaha in 1984 aan SEPP onrechtmatig was. Nu dit geldt voor de leveranties in 1984, geldt dit ook voor de leveranties in 1982 en 1983 omdat in die periode nog minder informatie voor handen was.

5.43. Gelet op dit oordeel van de rechtbank behoeven de overige stellingen van partijen, onder meer ten aanzien van de vraag of Irak het door Otjiaha geleverde SOCl2 daadwerkelijk heeft gebruikt voor de fabricage van mosterdgas dat is gebruikt in bommen die bij [A] c.s. schade hebben veroorzaakt en over de vraag of de Nederlandse openbare zich ertegen verzet dat het Iraans recht geen verjaring kent, geen bespreking.

Proceskosten

5.44. De rechtbank zal de niet in deze procedure verschenen Forafina als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. Deze worden aan de zijde van [A] c.s. als volgt begroot: – kosten van de dagvaarding: € 125,00

  • griffierecht: € 85,00
  • salaris advocaat: € 598,00 (1 punt, tarief II)
  • nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

————

Totaal € 981,00

5.45. [A] c.s. worden voor wat betreft hun vorderingen tegen Otjiaha in het ongelijk gesteld. Zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Otjiaha als volgt begroot:

  • griffierecht € 667,00
  • salaris advocaat € 1.196,00 (2 punten, tarief II)
  • nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

————-

Totaal € 2.036,00

  • De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
  • De rechtbank heeft in het vonnis in incident van 20 juli 2022 de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden tot het (eind)vonnis in de hoofdzaak. Omdat Otjiaha in het incident in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze proceskosten aan de zijde van [A] bedragen € 598 (1 punt volgens Tarief II).

Vordering tegen [F]

Toepasselijk recht

  • Volgens [A] c.s. is op hun vordering tegen [F] ingevolge artikel 3 lid 2 WCOD het Iraanse recht van toepassing, omdat de schade van eisers in Iran is ontstaan. [F] betoogt daarentegen dat op de voet van de artikelen 10:118 en 10:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het Nederlandse (incorporatie)recht van toepassing is. De rechtbank laat in het midden welke van deze twee rechtsstelsels van toepassing is omdat beide tot hetzelfde resultaat leiden. Zoals hiervoor in de zaak tegen Otjiaha in 5.11 is overwogen is naar Iraans recht, zoals ook naar Nederlands recht het geval is, voor het aannemen van aansprakelijkheid vereist dat de daad die tot de schade heeft geleid aan de dader is toe te rekenen. Dat brengt in deze zaak zowel naar Iraans als naar Nederlands recht mee dat vast moet komen te staan dat [F] ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van het door Otjiaha geleverde SOCl2 mosterdgas zou maken dat zou worden ingezet bij de oorlog van Irak met Iran.

Heeft [F] onrechtmatig gehandeld?

  • Wat de rechtbank in de zaak tegen Otjiaha heeft overwogen in 5.9 t/m 5.43 is in deze zaak tegen [F] van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de vordering tegen [F] zal worden afgewezen, reeds omdat [A] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die de conclusie kunnen dragen dat [F] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. De overige stellingen en verweren van partijen kunnen daarom onbesproken blijven.

Proceskosten

  • [A] c.s. worden in het ongelijk gesteld. Zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [F] als volgt begroot:
  • griffierecht € 314,00
  • salaris advocaat € 1.196,00 (2 punten, tarief II)
  • nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

————-

Totaal € 1.683,00

5.51. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing De rechtbank:

In de zaak tegen Forafina en Otjiaha

6.1. verklaart voor recht dat Forafina onrechtmatig jegens [A] c.s. heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen;

6.2. veroordeelt Forafina tot vergoeding aan [A] c.s. van de nader bij staat op te maken schade;

6.3. veroordeelt Forafina in de proceskosten van € 981,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Forafina niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Forafina € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

6.4. veroordeelt Forafina in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.5. veroordeelt Otjiaha in de proceskosten van € 598,00 in het incident;

6.6. wijst de vorderingen tegen Otjiaha af;

6.7. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten van € 2036,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [A] c.s. € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

6.8. veroordeelt [A] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.9. verklaart de veroordelingen onder 6.2 t/m 6.5 en 6.7 en 6.8 uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak tegen [F]

6.10. wijst de vorderingen af;

6.11. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten van € 1.683,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [A] c.s. € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

6.12. veroordeelt [A] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.13. verklaart de veroordelingen onder 6.11 en 612 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot, mr. A.C. Bordes en mr. S. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2023.

  • Comprehensive Report of the Special Advisor to the DCI on Iraq’s WMD (with addendums), Volume II of III (30 september 2004) pagina 10. De Iraq Survey Group is ingesteld na de invasie van Irak in 2003 onder leiding van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De onderzoeksgroep had als missie het vinden van massavernietigingswapens waarvan werd vermoed dat Irak daarover (nog) beschikte. Het internationale team van onderzoekers (met 1400 leden) stond onder leiding van het Pentagon en de CIA.
  • Tijdens de zogenoemde Golfoorlog (1990-1991) is Irak het buurland Koeweit binnengevallen. Daaruit werd het na enkele maanden ook weer verdreven door een internationale coalitie met mandaat van de Verenigde Naties dat onder leiding stond van de Verenigde Staten (Operation Desert Storm). Na beëindiging van die oorlog is op basis van Resolutie 687 van 3 april 1991 van de VN-Veiligheidsraad UNSCOM opgericht, dat onder meer tot taak had erop toe te zien dat Irak zich zou ontdoen van haar massavernietigingswapens (biologische en chemische wapens).
  • Argos-rapport, pagina’s 25 en 26.
  • UNEP, Assessment of Environmental “hot Spots” in Iraq, Volume 832 (2005), p. 31. – prod. 35 dagv.
  • HvJ EG 30 nov. 1976, NJ 1977, 494 (1976 Bier, Kalimijnen) en HvJEU 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:207 (Zuid-Chemie BV/Philippo’s Mineralenfabriek).
  • Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
  • Iraq and Chemical & Biological Warfare: A Chronology of Events Volume I – 1965 through 1990, Working Draft, May 2005.
  • Zie het in de vorige noot aangehaalde werk, p. 31.
  • Report: Thionyl chloride questions and answers, by Dr. Oliver Terzic, 30 september 2022.
  • UNEP, Assessment of Environmental “hot Spots” in Iraq, volume 832 (2005).

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey