Conclusie Parket bij de Hoge Raad over causaal verband tussen psychische stoornis en onrechtmatige TV-uitzending

Samenvatting:

In  uitzending van televisieprogramma zijn beelden getoond waarbij eiser ten onrechte als heler van gestolen goederen is weggezet. Vast staat dat SBS c.s. hierdoor onrechtmatig hebben gehandeld en dat eiser door de uitzending een psychische stoornis heeft ontwikkeld. In cassatie staat onder andere het condicio sine qua non-verband tussen de gestelde schade en de uitzending centraal, en de vraag in hoeverre de schade kan worden toegerekend. De conclusie van Procureur-Generaal Vlas strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing.

 

 

ECLI:NL:PHR:2021:981, Parket bij de Hoge Raad, 20/03771 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:PHR:2021:981

Instantie

Parket bij de Hoge Raad

Datum conclusie

15-10-2021

Datum publicatie

09-11-2021

Zaaknummer

20/03771

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Letselschade door televisie-uitzending; condicio sine qua non-verband tussen schade en uitzending; toerekening; art. 6:98 BW; maatstaf.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

 

BIJ DE

 

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

 

Nummer 20/03771

 

Zitting 15 oktober 2021

 

CONCLUSIE

 

  1. Vlas

 

In de zaak

 

[eiser]

 

(hierna: eiser)

 

tegen

 

  1. Talpa TV B.V. (voorheen SBS Broadcasting B.V.)

 

  1. Noordkaap TV Producties B.V.

 

(hierna Talpa respectievelijk Noordkaap, en gezamenlijk: SBS c.s.)

 

In een uitzending van het televisieprogramma ‘ [het televisieprogramma] ’ zijn beelden getoond waarbij eiser ten onrechte als heler van gestolen goederen is weggezet. Vast staat dat SBS c.s. hierdoor onrechtmatig hebben gehandeld en dat eiser door de uitzending een psychische stoornis heeft ontwikkeld. In cassatie staat onder andere het condicio sine qua non-verband tussen de gestelde schade en de uitzending centraal, alsmede de vraag in hoeverre de schade kan worden toegerekend.

 

1Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan, kort samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan.1 Noordkaap produceert het programma ‘ [het televisieprogramma] ’. Het programma wordt gepresenteerd door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Talpa TV B.V. zendt ‘ [het televisieprogramma] ’ uit op haar televisiezender SBS 6.

 

1.2

De uitzending van 21 oktober 2012 was (onder meer) gewijd aan de verduistering van een grote partij sloten van het merk GAD bij de distributeur van de sloten (Guard Lock Zaandam) door een ex-werknemer. In de uitzending kondigde [betrokkene 1] aan dat hij op zoek gaat naar (weder)verkopers van de desbetreffende sloten om bewijs te verzamelen tegen deze ex-werknemer. [betrokkene 1] heeft op marktplaats.nl diverse advertenties aangetroffen voor nieuwe sloten (van – volgens de ‘voice-over’ van het programma – exact hetzelfde type als de gestolen partij). Met twee van de aanbieders, waaronder eiser (‘een marktplaatshandelaar uit [plaats] ’), heeft [betrokkene 1] een afspraak gemaakt om een slot te kopen voor € 20,-. Van de afspraak met eiser zijn opnamen gemaakt met een verborgen camera, die in de uitzending zijn getoond. De afspraak is gemaakt op straat voor de woning van eiser en zijn echtgenote. In de uitzending zijn de namen van eiser en van zijn echtgenote niet genoemd en zijn hun gezichten onherkenbaar gemaakt.

 

1.3

Op 24 oktober 2012 is eiser door zijn werkgever op non-actief gesteld, nadat deze werkgever en enkele van haar klanten eiser hadden herkend in de uitgezonden beelden.

 

1.4

Eiser heeft telefonisch en per e-mail van 24 oktober 2012 contact opgenomen met Noordkaap en gesteld dat de sloten niet afkomstig waren van diefstal maar van een brandschade.

 

1.5

Uit een brief van de directeur van [A] B.V. van 24 oktober 2012 volgt dat op 19 november 2011 een grote brand is geweest in een bedrijfsverzamelgebouw en dat zijn bedrijf opdracht heeft gekregen om sloop- en opruimingswerkzaamheden uit te voeren van hal 4 van het bedrijfsverzamelgebouw. Ook schrijft hij dat het gebruikelijk is dat bij brandschades alle vrijkomende materialen hun eigendom worden, dat bij de uitgevoerde werkzaamheden diverse spullen zijn vrijgekomen, waaronder sloten die aan een derde zijn overgedragen.

 

1.6

Op 4 november 2012 heeft Noordkaap per e-mail aan eiser bevestigd dat tot rectificatie zou worden overgegaan in de uitzending van 25 november 2012, omdat gebleken is dat de sloten afkomstig zijn uit een brandschade. In de uitzending van [het televisieprogramma] op 25 november 2012 zijn door [betrokkene 1] excuses gemaakt aan eiser (zonder zijn naam te noemen) en is meegedeeld dat na afloop van de uitzending is gebleken dat de sloten niet van diefstal afkomstig waren.

 

1.7

Bij beschikking van 12 juni 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam een verzoek van de werkgever van eiser tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.

 

1.8

Bij beschikking van 7 februari 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam is het dienstverband tussen eiser en zijn werkgever per 15 februari 2014 ontbonden. Daarbij is aan eiser ten laste van zijn werkgever een vergoeding naar billijkheid toegekend van € 12.000,- bruto.

 

1.9

In een deelgeschil tussen partijen heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 16 juli 2015 (hierna: de deelgeschilbeschikking) geoordeeld dat SBS c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door eiser als gevolg van de uitzending geleden schade.

 

1.10

Een psychiater heeft eiser in het kader van een arbeidsongeschiktheidsprocedure medisch beoordeeld en geconcludeerd dat eiser arbeidsongeschikt is vanwege psychische klachten.

 

1.11

Eiser heeft van SBS c.s. vergoeding gevorderd van de door hem geleden schade als gevolg van de uitzending, waaronder medische kosten, verhuiskosten, verlies van arbeidsvermogen, verlies van zelfwerkzaamheid, kosten in verband met de vaststelling van aansprakelijkheid en immateriële schade.

 

1.12

Bij vonnis van 6 juni 2018 heeft de rechtbank Amsterdam overwogen dat alleen de (immateriële) schade als gevolg van aantasting van de eer en goede naam toerekenbaar is en de schade begroot op een bedrag van € 2.500,-.2 De rechtbank heeft geen grond aanwezig geacht om terug te komen van de bindende eindbeslissingen in de deelgeschilbeschikking inzake de onrechtmatigheid van het verweten handelen van SBS c.s. en de aanwezigheid van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van SBS c.s. en de geleden schade.

 

1.13

Eiser heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. SBS c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

 

1.14

Bij arrest van 18 augustus 2020 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij SBS c.s. hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan eiser van een bedrag van € 2.500,-, met wettelijke rente en, opnieuw rechtdoende, SBS c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiser van een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.3

 

1.15

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe, kort samengevat, als volgt overwogen:

 

– SBS c.s. hebben onrechtmatig gehandeld jegens eiser door het uitzenden van de met de verborgen camera gemaakte beelden van eiser, omdat in dit geval het belang van eiser bij bescherming van zijn privacy dient te prevaleren boven het belang van SBS c.s. bij bescherming van hun recht op vrijheid van meningsuiting (rov. 3.5-3.10).

 

– Ten aanzien van de problemen met zijn werkgever heeft eiser aangetoond dat hij niet in de problemen was geraakt waarin hij nu verkeert als de uitzending niet had plaatsgevonden. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat hij tot eind 2012 zonder problemen heeft gefunctioneerd en pas naar aanleiding van de uitzending psychische klachten heeft ontwikkeld. Eiser heeft wat betreft de schade die met deze klachten verband houdt, het condicio sine qua non-verband aangetoond, behoudens de kosten bestaande uit het eigen risico voor de Zorgverzekeringswet. Ook heeft eiser het condicio sine qua non-verband aangetoond tussen de kosten van rechtsbijstand en de uitzending (rov. 3.12).

 

– Voor de schade die eiser stelt te hebben geleden doordat hij zich enkele jaren na de uitzending gedwongen achtte om te verhuizen, ontbreekt het condicio sine qua non-verband. Niet is aangetoond dat eiser als gevolg van de uitzending genoodzaakt was om te verhuizen, terwijl ook niet vaststaat dat hij zonder de uitzending niet verhuisd zou zijn. Ook het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en het gestelde verlies aan zelfwerkzaamheid en de gestelde kosten voor huishoudelijke hulp en verzorging is niet aangetoond omdat eiser niet, althans onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zijn gestelde beperkingen niet zouden hebben bestaan zonder de uitzending (rov. 3.13).

 

– Voor het vaststellen van de omvang van de aansprakelijkheid van de schuldenaar worden in art. 6:98 BW niet-limitatief de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade als gezichtspunten genoemd. Art. 6:98 BW biedt de ruimte om, naast de voorzienbaarheid van de schade ten tijde van de normschending, ook aan andere gezichtspunten die voor ruime of minder ruime toerekening pleiten, zoals de ernst van het verwijt dat aan de schuldenaar kan worden gemaakt, een plaats te geven (rov. 3.17).

 

– Het gaat hier om overtreding door SBS c.s. van een zorgvuldigheidsnorm die heeft geresulteerd in een inbreuk op de privacy van eiser. De mate van schuld van SBS c.s. is niet heel groot te noemen. De schade bestaat uit materiële en immateriële componenten. Dat de uitzending tot herkenning zou leiden was voorzienbaar te achten. Het commercieel belang van SBS c.s. acht het hof niet zonder belang, maar het hof neemt ook in ogenschouw de rol van SBS c.s. als ‘public watchdog’. Dat eiser de proceshouding van SBS c.s. als frustrerend en belemmerend voor zijn genezing heeft ervaren, is niet relevant in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid. Deze gezichtspunten hebben in verband bezien tot het volgende oordeel over de toerekenbaarheid geleid (rov. 3.18).

 

– Het inkomensverlies als gevolg van het ontslag van eiser is weliswaar als toerekenbare schade te beschouwen, maar de van de werkgever ontvangen vergoeding naar billijkheid compenseert de financiële gevolgen voor eiser van het verlies van zijn baan in voldoende mate (rov. 3.20).

 

– Het was voor SBS c.s. niet voorzienbaar dat eiser als gevolg van de uitzending langdurig en volledig arbeidsongeschikt zou raken wegens psychische klachten. De reactie van eiser op het voorval is extreem heftig en langdurig. Ook als sprake was van een predispositie konden SBS c.s. hiermee niet bekend zijn. Het verlies van arbeidsvermogen door de voortdurende arbeidsongeschiktheid van eiser is daarom niet aan SBS c.s. toerekenbaar. Hetzelfde geldt voor de medische kosten bestaande uit de kosten voor psychologische hulp en de immateriële schade die eiser stelt te hebben geleden en nog lijdt in verband met zijn psychische klachten (rov. 3.20).

 

– Het hof begroot de immateriële schade wegens aantasting van de eer en de goede naam van eiser op het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 5.000,- (rov. 3.23).

 

– Voor de overige schadeposten die verband houden met de uitzending, waaronder arbeids- en vermogensschade, en pensioenschade, vordert eiser verwijzing naar de schadestaatprocedure. Dat eiser als gevolg van de uitzending dergelijke schade zou lijden, acht het hof evenmin voorzienbaar en daarom niet toerekenbaar aan SBS c.s., zodat ook de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal worden afgewezen (rov. 3.26).

 

1.16

Eiser heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Tegen SBS c.s. is verstek verleend. Eiser heeft zijn cassatieberoep schriftelijk toegelicht.

 

2Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bestaat, na een weergave van de kern van de zaak en feiten, uit drie onderdelen (2.1 t/m 2.3).

 

2.2

Onderdeel 2.1 valt uiteen in twee subonderdelen, die in de procesinleiding abusievelijk beide zijn genummerd als 2.1-I. Deze subonderdelen zijn gericht tegen rov. 3.13 en 3.16 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat eiser niet heeft aangetoond dat er een condicio sine qua non-verband bestaat tussen de uitzending en de gestelde schade, bestaande uit (i) verhuiskosten wegens een verhuizing enkele jaren na de uitzending, (ii) verlies aan zelfwerkzaamheid en (iii) kosten voor huishoudelijke hulp en verzorging.

 

2.3

Het onderdeel (in het eerste 2.1-I) klaagt dat het hof bij de beoordeling van het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de genoemde schades (verhuiskosten, verlies aan zelfwerkzaamheid en kosten voor huishoudelijke hulp en verzorging) de door de psychiater vastgestelde gevolgen van de uitzending had moeten betrekken. Het hof had eerst de ernst en de omvang van de direct geleden schade dienen vast te stellen, alvorens het kon oordelen of de schadeposten die daarvan het gevolg zijn in condicio sine qua non-verband staan met de onrechtmatige daad (de uitzending). Volgens de klacht is het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.

 

2.4

De klacht neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat de door eiser gestelde schade het gevolg is van de door de uitzending veroorzaakte psychische klachten. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat de schade het gevolg is van de door de uitzending veroorzaakte psychische klachten, maar het hof heeft dit niet vastgesteld en beoordeelt nu juist (indirect) of dit verband aanwezig is. Het hof is uiteindelijk tot het oordeel gekomen dat het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de gestelde schade ontbreekt. Daarmee heeft het hof impliciet dus ook geoordeeld dat voor zover door de uitzending psychische klachten zijn ontstaan, tussen de gestelde schade en die psychische klachten geen condicio sine qua non-verband bestaat. Hieruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat het bij de beoordeling van het condicio sine qua non-verband ook van belang kan zijn of schade voortvloeit uit andere door de schadeveroorzakende gebeurtenis geleden schade. Het is echter niet nodig, zoals de klacht vooropstelt, om eerst de omvang van de direct geleden schade vast te stellen. Volstaan kan worden met een beoordeling of de gestelde schade in condicio sine qua non-verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis, zolang dit dan ook de vraag omvat of die schade voortvloeit uit andere door de schadeveroorzakende gebeurtenis geleden schade. De klacht stuit hierop af.

 

2.5

Het onderdeel (in het tweede 2.1-I) klaagt dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig en dus onbegrijpelijk is. De klacht betoogt dat het oordeel van het hof dat eiser het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de gestelde schade niet heeft aangetoond, niet te rijmen zou zijn met het oordeel in rov. 3.12 dat eiser het condicio sine qua non-verband heeft aangetoond tussen de uitzending en de gestelde schade die met de psychische klachten van eiser verband houden. Het hof zou met dit laatste oordeel het condicio sine qua non-verband hebben aangenomen ten aanzien van alle door eiser gestelde schade die hij als gevolg van de uitzending en de daardoor ontwikkelde psychische klachten heeft geleden. Daarmee zou niet te rijmen zijn dat het hof ten aanzien van enkele van die gestelde schades alsnog tot het oordeel komt dat het condicio sine qua non-verband ontbreekt.4

 

2.6

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof oordeelt in rov. 3.12 weliswaar dat eiser het condicio sine qua non-verband heeft aangetoond tussen de uitzending en de gestelde schade die verband houdt met de psychische klachten, maar daarmee doelt het hof niet op alle gestelde schade die mogelijk met de psychische klachten verband houdt. Het hof doelt kennelijk slechts op de medische kosten die in verband met de psychische klachten zijn gemaakt. Dit volgt reeds uit het gegeven dat het hof een uitzondering maakt voor de kosten bestaande uit het eigen risico, maar ook dat het hof het oordeel in rov. 3.12 direct laat volgen door een beoordeling in rov. 3.13 of de overige gestelde schadeposten die met de psychische klachten verband zouden houden (te weten de verhuiskosten, de kosten wegens verlies aan zelfwerkzaamheid en de kosten voor huishoudelijke hulp en verzorging) in condicio sine qua non-verband staan met de uitzending. Hieruit volgt ook dat het hof in rov. 3.12 slechts het oog heeft op de medische kosten die in verband met de psychische klachten zijn gemaakt. De klacht faalt daarom.

 

2.7

Ten overvloede merk ik nog op dat de cassatieklachten zich niet rechtstreeks richten tegen de overwegingen van het hof dat eiser geenszins heeft aangetoond dat hij als gevolg van de uitzending genoodzaakt was te verhuizen terwijl ook niet vaststaat dat hij zonder de uitzending niet verhuisd zou zijn. Hetzelfde geldt voor de overwegingen van het hof dat eiser ten aanzien van het gestelde verlies aan zelfwerkzaamheid en de gestelde kosten voor huishoudelijke hulp en verzorging onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zijn gestelde beperkingen niet zouden hebben bestaan zonder de uitzending. De schriftelijke toelichting bevat onder 1.7 en 1.8 nog wel de klachten dat het hof zou hebben miskend dat bij het aannemen van een condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de schade een psychische predispositie geen rol zou mogen spelen en dat het niet aan eiser is om aan te tonen dat de schade zonder de onrechtmatige daad zou zijn uitgebleven. In de procesinleiding zijn deze klachten niet opgenomen, zodat deze klachten te laat zijn ingesteld.

 

2.8

De slotsom is dat onderdeel 2.1 geheel faalt.

 

2.9

Onderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.17-3.20 dat bepaalde schades niet aan de onrechtmatige uitzending kunnen worden toegerekend, alsmede tegen de daarop voortbouwende overwegingen in rov. 3.21 t/m rov. 4. Het onderdeel valt uiteen in zeven subonderdelen (2.2.I t/m 2.2.VII), waarin klachten worden herhaald, uitgewerkt en aangevuld.

 

2.10

Onderdeel 2.2.I bevat verschillende klachten. Het onderdeel klaagt, kort gezegd, dat het hof zich bij de toerekening van de schade ten onrechte heeft beperkt tot een tweetal gezichtspunten (de voorzienbaarheid van de schade en de ernst van het verwijt dat de schuldenaar kan worden gemaakt), terwijl het hierbij ook als gezichtspunt had moeten betrekken dat sprake was van letselschade. Het hof heeft miskend dat voor de toerekening van schade als bedoeld in art. 6:98 BW alle gezichtspunten van belang zijn en dat wanneer sprake is van letselschade dit tot een ruimere toerekening leidt. Ook klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘aard van de schade’ als bedoeld in art. 6:98 BW, nu dit ook eventuele letselschade zou omvatten. Hierbij sluit de klacht (onder 2.2.IIa) aan met het betoog dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de als essentieel aan te merken stelling van eiser dat sprake is van letselschade.

 

2.11

Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof in rov. 3.17-3.20 bij zijn oordeel over de toerekening niet slechts twee gezichtspunten betrokken. Het hof heeft in rov. 3.17 terecht onderkend dat alle relevante gezichtspunten in de beoordeling dienen te worden betrokken en heeft in rov. 3.18 ook de concrete gezichtspunten genoemd waarmee rekening is gehouden. Het hof heeft overwogen dat het de aard van de schade (zoals art. 6:98 BW expliciet voorschrijft) als gezichtspunt in zijn oordeel betrekt en dat in deze zaak de schade bestaat uit zowel materiële componenten (inkomensderving, medische kosten, kosten van rechtsbijstand) als immateriële componenten (smartengeld). Het hof heeft zich dus niet tot twee gezichtspunten beperkt, zodat in zoverre de klacht uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest en dus faalt.

 

2.12

Bij de bespreking van de klacht dat het hof heeft miskend dat onder ‘aard van de schade’ ook letselschade valt, stel ik voorop dat de rechtbank in haar vonnis heeft geoordeeld dat het bij een aantal schadeposten om letselschade gaat5, en dat eiser in hoger beroep heeft aangevoerd dat niet slechts een aantal maar alle schadeposten zijn aan te merken als letselschade (en dat dit aanleiding geeft tot een ruime toerekening).6 Hoewel het hof heeft vooropgesteld dat ook de aard van de schade als gezichtspunt dient te worden meegewogen en dat in deze zaak de schade bestaat uit zowel materiële als immateriële componenten, heeft het hof niet kenbaar betrokken dat in onderhavige zaak sprake zou zijn van letselschade. Dit terwijl voor de toerekening van schade relevant is of sprake is van letselschade. Algemeen wordt aangenomen dat letselschade eerder moet worden toegerekend dan zaakschade, en dat in zo’n geval aan de voorzienbaarheid niet al te strenge eisen worden gesteld.7 Het hof is niet ingegaan op de als essentieel aan te merken stelling van eiser dat sprake is van letselschade.8 Het hof heeft miskend dat onder ‘aard van de schade’ ook letselschade valt en dat letselschade in beginsel aanleiding geeft voor een ruimere toerekening, zodat het oordeel van het hof hetzij getuigt van een onjuiste rechtsopvatting hetzij niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De klacht slaagt.

 

2.13

De klacht (onder 2.2-IIb) betoogt dat het hof bij zijn oordeel over de toerekening heeft miskend dat wanneer sprake is van schuldaansprakelijkheid waarbij een belangrijke maatschappelijke norm of fundamenteel recht wordt geschonden, de overige omstandigheden niet af zouden kunnen doen aan de verwijtbaarheid, en dat schending van een grondrecht (privacy of meer in het bijzonder het recht om verschoond te blijven van onrechtmatige verdachtmakingen aan de persoon, zeker waar het zo’n indringend medium betreft als de landelijke televisie) wat betreft de toerekening ex artikel 6:98 BW (minimaal) gelijkgesteld worden aan de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm.

 

2.14

Ik lees de klacht aldus dat het hof heeft miskend dat wanneer sprake is van schuldaansprakelijkheid voor de schending van een maatschappelijke norm of een fundamenteel recht, er in beginsel toegerekend moet worden en dat de mate van verwijtbaarheid en de voorzienbaarheid niet meer van belang zijn, een en ander overeenkomstig de toerekening bij verkeers- en veiligheidsnormen. Ik meen dat deze klacht faalt. Het is juist dat de aard van de overtreden norm een relevante factor voor de toerekening is en dat dit ook invloed heeft op de aan de voorzienbaarheid en de verwijtbaarheid te stellen eisen. De gezichtspunten dienen immers gezamenlijk te worden afgewogen. Ook is juist dat bij verkeers- en veiligheidsnormen de norm bij uitstek wil beschermen tegen opgetreden schades en dat dit tot een ruime toerekening leidt, zodat aan de voorzienbaarheid minder vergaande eisen behoeven te worden gesteld. In het algemeen beoogt zo’n norm immers te beschermen tegen de mogelijkheid van ernstige schade. Hoe die schade zich dan precies voordoet en of de schade bijvoorbeeld door een predispositie wordt veroorzaakt, is dan niet zozeer van belang. Voor de toerekening betekent dit dat ook schade kan worden toegerekend die niet of nauwelijks voorzienbaar was. Schending van fundamentele rechten kan voor de toerekening niet worden gelijkgesteld aan schending van een verkeers- en veiligheidsnorm. Het verschil is dat bij fundamentele rechten de norm niet noodzakelijk strekt tot bescherming tegen de mogelijkheid van ernstige schade. Hiermee is overigens niet uitgesloten dat schending van een fundamenteel recht reden kan zijn om eerder toe te rekenen dan in het geval van een schending van een andere norm, maar het is niet zo dat, zoals de klacht betoogt, deze wat betreft toerekening gelijk gesteld dient te worden aan de schending van verkeers- of veiligheidsnormen. Het hof heeft in deze zaak overigens in rov. 3.18 onderkend dat van belang is dat sprake is van een schending van een zorgvuldigheidsnorm die heeft geresulteerd in een inbreuk op de privacy. Het hof is echter tot het oordeel gekomen dat niet kan worden toegerekend. Uit rov. 3.20 volgt dat het hof daarvoor met name van belang heeft geacht dat de ernstige gevolgen niet voorzienbaar waren. De klacht stuit hierop af.

 

2.15

Onderdeel 2.2-III bevat grotendeels een herhaling van eerdere klachten en behoeft in zoverre geen bespreking. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat geen sprake was van enige predispositie9, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers in rov. 3.20 in het midden gelaten of bij eiser al dan niet sprake is geweest van een bijzondere psychische gesteldheid en of een psychische stoornis al latent aanwezig was. Het onderdeel klaagt verder dat het hof heeft miskend dat (kennis van) een eventuele predispositie niet van belang is voor de toerekening, omdat het slachtoffer genomen dient te worden zoals hij is.10 De klacht gaat er kennelijk vanuit dat sprake is van letselschade en dat in zo’n geval een weinig voorzienbaar gevolg samenhangend met een predispositie toch toegerekend zou moeten worden. Voor zover deze klacht voortbouwt op subonderdelen 2.2-I en 2.2-IIa, slaagt de klacht om dezelfde redenen. Indien er vanuit wordt gegaan dat sprake was van letselschade, kon het hof niet volstaan met de overweging dat SBS c.s. niet bekend konden zijn met de psychische gesteldheid van eiser. In het geval van het toebrengen van letsel zullen de gevolgen van de door de predispositie bepaalde reactie in het algemeen als een gevolg van de daad aan de dader moeten worden toegerekend en is het niet van belang of de dader daarmee bekend was of kon zijn.11 In zoverre getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onvoldoende gemotiveerd.

 

2.16

Onderdeel 2.2-IV is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.13 dat het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de verhuizing ontbreekt. Het onderdeel betoogt dat indien de verhuizing het gevolg is van letselschade en de daaruit voortvloeiende psychische klachten die weer op hun beurt het gevolg zijn van de uitzending, wel degelijk ook een condicio sine qua non-verband bestaat en de schade moet worden toegerekend aan de onrechtmatige gedraging. Volgens het onderdeel heeft het hof dit miskend.

 

2.17

De klacht gaat er aan voorbij dat het hof heeft vastgesteld dat het condicio sine qua non-verband ontbreekt tussen de verhuizing en de uitzending en daarmee dus ook tussen de verhuizing en de door de uitzending ontstane psychische klachten. De klacht gaat dan ook uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof en faalt.

 

2.18

Onderdeel 2.2-V herhaalt de klachten over de toerekening van de schade, meer specifiek gericht op het oordeel dat het verlies van arbeidsvermogen door de voortdurende arbeidsongeschiktheid van eiser niet kan worden toegerekend. Deze klachten behoeven in het licht van de onderdelen 2.2 en 2.2-I geen nadere bespreking.

 

2.19

Daarnaast klaagt het onderdeel nog dat het hof buiten het debat van partijen is getreden door bij zijn oordeel over het inkomensverlies als gevolg van het ontslag te betrekken dat (i) de vergoeding naar billijkheid als een voldoende compensatie kwalificeert omdat eiser een beroep kan doen op sociale uitkeringen en (ii) het hof aanneemt dat eiser gezien zijn leeftijd, opleiding en werkervaring er binnen redelijke tijd in geslaagd had kunnen zijn om een vergelijkbaar inkomen uit ander werk te verwerven. Dit zou door partijen niet zijn aangevoerd, aldus de klacht.

 

2.20

SBS c.s. hebben echter in eerste aanleg12 erop gewezen dat de kantonrechter bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst rekening heeft gehouden met het verlies aan inkomen en dat de ontslagvergoeding die door de werkgever betaald moest worden daarop is gebaseerd. Niet onbegrijpelijk is dat het hof daarin ook het verweer heeft gelezen dat eiser een beroep kan doen op sociale uitkeringen en dat hij binnen een redelijke termijn een vergelijkbaar inkomen uit ander werk kan verwerven. De klacht faalt daarom.

 

2.21

Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat als gevolg van de uitzending sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en dat dit toegerekend moet worden, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof is immers slechts uitgegaan van een beperkt inkomensverlies die het gevolg is van de problemen die tussen eiser en zijn werkgever zijn ontstaan als gevolg van de uitzending. Het overige inkomensverlies als gevolg van arbeidsongeschiktheid acht het hof niet toerekenbaar.

 

2.22

Het onderdeel bevat nog de klacht dat het hof zou hebben miskend dat eiser om verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft verzocht. Dit verzoek ziet echter niet op het verlies in arbeidsvermogen over de jaren 2014 tot en met 2017, maar op de periode daarna.13 Het verzoek ziet dan ook niet op het verlies van arbeidsvermogen door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar op het verlies van arbeidsvermogen dat verband houdt met de arbeidsongeschiktheid. Volgens het hof is die laatste schade niet toerekenbaar, zodat daarom ook geen verwijzing naar de schadestaatprocedure kan volgen. De klacht faalt.

 

2.23

Onderdeel 2.2-VI bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof in rov. 3.20 onbegrijpelijk is, dat voor SBS c.s. niet voorzienbaar was dat eiser arbeidsongeschikt zou raken door de reactie van eiser die extreem heftig en langdurig was. Eiser wijst er daarbij op dat het voor een professionele partij als SBS c.s. kenbaar zou moeten zijn dat met de uitzending sprake was van een risico op beschadiging c.q. aantasting van iemands persoon, en dat dit onder omstandigheden een zodanige impact kan hebben dat daardoor psychische schade ontstaat.

 

2.24

Met deze klacht geeft eiser slechts een onderbouwing waarom de psychische schade voorzienbaar was. Daaruit volgt nog niet dat het oordeel van het hof dat de reactie van eiser extreem heftig en langdurig was, onbegrijpelijk is. De klacht faalt daarom.

 

2.25

De tweede klacht is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.20 dat de mate van schuld van SBS c.s. niet heel groot is te noemen, omdat SBS c.s. wel enigermate hebben getracht om herkenning van eiser te voorkomen door zijn gezicht onherkenbaar te maken en dat van opzet om hem ten onrechte in de uitzending als heler af te schilderen geen sprake is geweest. Geklaagd wordt dat onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het met de schuld wel meevalt omdat men de gezichten heeft ‘geblurd’.14

 

2.26

Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Uitgangspunt voor het hof is dat SBS c.s. onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij onzorgvuldig hebben gehandeld.15 In het kader van de toerekening heeft het hof vervolgens overwogen dat de mate van schuld niet heel groot was, omdat SBS c.s. wel enige voorzorgsmaatregelen hadden getroffen en van opzet geen sprake was. Ik lees in het oordeel van het hof dan ook niet dat het met de schuld wel mee zou vallen, maar slechts dat de mate van verwijtbaarheid groter had kunnen zijn. Daarmee faalt deze klacht.

 

2.27

De onderdelen 2.2-VII en 2.3 bevatten slechts voortbouwklachten en behoeven geen bespreking.

 

3Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en tot verwijzing.

 

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

 

A-G

 

1Zie rov. 2.1-2.18 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 18 augustus 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2301.

 

2ECLI:NL:RBAMS:2018:3957.

 

3ECLI:NL:GHAMS:2020:2301.

 

4Zie ook onder 1.2 van de schriftelijke toelichting, waar wordt opgemerkt dat het oordeel ‘in redelijkheid niet anders kan worden geduid en begrepen dan dat dat verband omvat alle door [eiser] gestelde, als gevolg van het ongeval geleden schade’. Met het ‘ongeval’ wordt kennelijk gedoeld op de uitzending.

 

5Zie het vonnis van de rechtbank Amsterdam 6 juni 2018, rov. 4.21.

 

6Zie memorie van grieven onder 29-32. Door SBS c.s. is dit bestreden, zie memorie van antwoord onder 120-127.

 

7Zie onder andere Asser/Sieburgh 6-II 2017/65 en 66; R.W.E. van Leuken, M.M.C. van de Moosdijk & V. Tweehuysen, Hartkamps vermogensrecht 2017/393; T&C Vermogensrecht, art. 6:98 BW, aant. 4 (S.D. Lindenbergh); T. Hartlief, Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2018, nr. 218 e.v.

 

8Zie voor de vindplaatsen p. 15 en 16 van de procesinleiding.

 

9Zie subonderdeel 2.2-III onder c.

 

10Zie subonderdeel 2.2-III onder b en d.

 

11Asser/Sieburgh 6-II 2017/66; Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 5.4.1 (R.J.B. Boonekamp); zie o.a. HR 9 juni 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC0891, NJ 1972/360, m.nt. G.J. Scholten; HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner; HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1032, NJ 1993/667, m.nt. P.A. Stein; HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, m.nt. J. Spier.

 

12Conclusie van antwoord onder 111.

 

13Zie inleidende dagvaarding onder 22 tot en met 33 en memorie van grieven onder p. 25 onder c) en h).

 

14Zie procesinleiding p. 20 tweede alinea.

 

15Zie rov. 3.5 tot en met 3.10.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey