Hof: automobilist die voorzichtig achteruit uit parkeervak rijdt niet aansprakelijk voor ongeval door schrikreactie hard rijdende auto

Samenvatting:

Regresvordering verzekeraar na aanrijding. Automobilist rijdt langzaam achteruit uit parkeervak om voor uitrijden zicht te krijgen op de weg. Naderende auto op de weg schrikt, remt hevig en botst tegen tegenligger. Het hof oordeelt dat de auto in het parkeervak zich voldoende voorzichtig zichtbaar gemaakt heeft gemaakt voor de auto die met te hoge snelheid over de weg naderde. Zij behoefde in redelijkheid niet te verwachten dat haar rijgedrag, zodra zij vanachter de andere geparkeerde hogere auto’s in beeld kwam, bij de bestuurster van de auto op de weg een zo extreme (rem- en/of uitwijk-) reactie zou kunnen oproepen. Aan de achteruitrijdende bestuurster is geen rechtens relevant verwijt te maken van haar korte achteruitrijmanoeuvre. Ze heeft geen verkeersovertreding en ook anderszins geen onrechtmatige daad gepleegd. Er is dus geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.

 

 

ECLI:NL:GHARL:2021:11390, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.268.005 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:GHARL:2021:11390

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

14-12-2021

Datum publicatie

16-12-2021

Zaaknummer

200.268.005

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Hoger beroep; WAM-verhaal na aanrijding; korte achteruitrijmanoeuvre op haaks parkeervak om voor uitrijden zicht te krijgen op de weg; auto op de weg schrikt, remt hevig en botst tegen tegenligger; stilstand en eindpositie van manoeuvrerende auto; voorrangsregel van artikel 54 RVV; auto op parkeervak heeft zich voldoende voorzichtig zichtbaar gemaakt voor de auto die met te hoge snelheid over de weg naderde en behoefde in redelijkheid niet te verwachten dat haar rijgedrag, zodra zij vanachter de andere geparkeerde hogere auto’s in beeld kwam, bij de bestuurster van de auto op de weg een zo extreme (rem- en/of uitwijk-) reactie zou kunnen oproepen; geen verkeersfout.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.268.005

 

(zaaknummer kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7338581)

 

arrest van 14 december 2021

 

in de zaak van

 

de naamloze vennootschap

 

TVM Verzekeringen N.V.,

 

gevestigd te Hoogeveen,

 

appellante in het principaal hoger beroep,

 

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: eiseres,

 

hierna: TVM,

 

advocaat: mr. H.N. Kuiper,

 

tegen:

 

de naamloze vennootschap

 

A.S.R. Schadeverzekering N.V.,

 

gevestigd te Utrecht,

 

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

 

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: ASR,

 

advocaat: mr. E.J.A.A. van Dal.

 

1Het geding bij de kantonrechter

Voor het geding bij de kantonrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 17 juli 2019 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen partijen heeft gewezen.

 

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– de dagvaarding in hoger beroep van 14 oktober 2019,

 

– de memorie van grieven,

 

– de memorie van antwoord tevens van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

 

– de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

 

2.2

Vervolgens heef TVM de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

  1. Waar deze zaak over gaat

 

3.1

Het gaat hier om een aanrijding op 17 december 2015 overdag op het [adres] binnen de bebouwde kom van ’s-Graveland.

 

3.2

[naam1] bestuurde een blauwe Opel Corsa en naderde voor haar rechts, haaks op de weg gelegen parkeervakken met daarop geparkeerde auto’s, waaronder twee hogere personenauto’s. Toen [naam1] op ongeveer 200 meter was genaderd, is [naam2] met haar (lagere) witte Opel Corsa van achter die hogere personenauto’s vanaf of op zo’n parkeervak langzaam achteruit gaan rijden en gestopt1. [naam1] zag de witte Opel Corsa vanachter die hogere personenauto’s tevoorschijn komen en heeft daarop volop geremd, waarop haar auto naar rechts is uitgebroken, vervolgens in een slip is geraakt en, al dan niet uitwijkend, naar links is gereden. Daardoor heeft [naam1] een haar tegemoetkomende zwarte Renault Modus, bestuurd door [naam3] , aangereden op diens weghelft. Als gevolg daarvan hebben [naam3] en [naam1] inzittende echtgenoot [naam4] schade opgelopen, die TVM als WAM-verzekeraar van de blauwe Opel Corsa heeft geregeld en vergoed.

 

3.3

TVM wil deze schade op (Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V., thans) ASR als WAM-verzekeraar van de witte Opel Corsa verhalen. TVM verwijt dat [naam2] als bestuurster van die auto met een verkeersfout en/of onrechtmatig vanaf of op het parkeervak is achteruitgereden toen [naam1] naderde, wat ASR gemotiveerd bestrijdt.

 

TVM heeft van ASR vergoeding gevorderd van het door haar uitgekeerde:

 

“- Aan de heer [naam4] € 4.750,00 letsel

 

– Ottenschot BGK € 3.076,93

 

-Aan de heer [naam3] € 3.300,00 letsel

 

€ 4.040 auto

 

-BGK Letselschade t Gooi € 2.334,43

 

-Medische info de heer [naam3] € 151,98

 

– Expertisekosten CED € 104,96 (auto-expertise [naam3] )

 

Totaal € 17.758,30 ”,

 

vermeerderd met € 952,58 wegens buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proces- en nakosten.

 

Ten slotte heeft TVM nog een verklaring voor recht gevorderd dat ASR op grond van een met haar afgesloten WAM-verzekering aansprakelijk is voor de aanrijding en dat zij alle daaruit voortvloeiende schade die ten laste komt van TVM zal dienen te vergoeden.

 

3.4

In zijn vonnis van 17 juli 2019 heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen en TVM veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter in rov. 2.5 -2.6 overwogen dat [naam2] in haar parkeervak is gestopt op het moment dat [naam1] zou passeren en daarom niet in strijd heeft gehandeld met artikel 54 RVV. Verder heeft de kantonrechter overwogen in rov. 2.9:

 

“Het is niet onverantwoord om een stukje achteruit te rijden in een parkeervak om de weg te kunnen overzien. Dat [naam4] mogelijk zou schrikken van een plotseling achter een andere auto vandaan komende auto was te voorzien, maar niet te voorzien was dat [naam4] daarvan zó zou schrikken dat er als gevolg daarvan een levensgevaarlijke situatie zou ontstaan. Het ongeluk is het gevolg geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, niet van onverantwoord rijgedrag van [naam2] .”

 

3.5

Hiertegen komt TVM op met twee grieven in het principaal hoger beroep. Voor het geval een of beide grieven zijn gegrond, met toewijzing van de vordering als gevolg, heeft ASR met drie grieven voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.

 

4De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[naam2] , de bestuurster van de witte Opel Corsa, was ter plaatse goed bekend en heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard2:

 

“Mijn auto stond ter hoogte van mijn woning aan het [adres] aan overzijde van

 

de weg geparkeerd in een parkeervak.

 

De parkeervakken aan de overzijde van de weg staan haaks op de rijbaan.

 

Mijn auto stond met de achterzijde in de richting van de rijbaan.

 

Toen ik wilde instappen heb ik nog over de weg gekeken.

 

Op ongeveer tweehonderd meter afstand zag ik van rechts (…) een blauw kleurige personenauto komen aanrijden.

 

(…)

 

Vervolgens ben ik in mijn auto gestapt.

 

Ik ben vervolgens een heel klein stukje achteruit gereden om wat zicht over de weg te

 

krijgen.

 

Ik ben niet verder achteruit gereden dan de positie waarin mijn auto nu staat.

 

Ik ben niet de rijbaan opgereden.

 

Ik wist dat er een auto naderde.

 

Plotseling zag ik in mijn binnenspiegel de blauwe auto.

 

Ik zag dat deze auto een soort van slinger beweging maakte.

 

Ik hoorde piepende banden, gevolgd door een enorme harde klap.”

 

4.2

De eerste foto bij een e-mail van TVM van 4 februari 20163 toont de witte Opel Corsa op het parkeervak met in de richting van de weg twee door de politie in blauw aangebrachte ronde markeringen waarboven de achterkant van de auto stilstond (het gaat hier niet om de stand van de achterwielen). Het parkeervak is gestraat met betonklinkers in een apart verband en aan de beide lange zijden onderbroken wit gemarkeerd, welke markeringen naar de geasfalteerde straat worden begrensd door een goot van zeven naast elkaar gelegen klinkerrijen in lengterichting; de breedte per klinker bedraagt 10,5 cm4. Verder is op de foto te zien dat de achterzijde van de witte Opel Corsa op twee tot drie dwars gelegen klinkers buiten het wit gemarkeerde en anders geklinkerde parkeervak stond (31,5 cm) en nog vijf klinkers (circa 52,5 cm) vrijliet tot het begin van het asfalt van de rijbaan. De vierde en vijfde foto van die productie laten zien dat er rechts van de witte Opel Corsa een iets hogere SUV (Nissan Qashqai) stond geparkeerd (onweersproken met donker getint glas) en rechts daarnaast weer een nog wat hogere Volvo. Deze twee hogere personenauto’s benamen het zicht vanuit de witte Opel Corsa naar rechts op de naderende blauwe Opel Corsa en ook andersom.

 

4.3

[naam2] wist dat de blauwe Opel Corsa op ongeveer 200 m naderde. Zij is al vast, voor een beter zicht op het overige verkeer, wat achteruit gereden zodat zij met de achterzijde van de witte Opel Corsa achter de beide hogere personenauto’s vandaan zichtbaar werd voor de blauwe Opel Corsa, en kwam nauwelijks iets buiten het parkeervak in de bakstenen goot tot stilstand. Zij ging stilstaan op nog altijd een afstand van circa 52,5 cm van de geasfalteerde rijbaan. In een uitrijsituatie als deze moest [naam2] op grond van artikel 54 RVV bij haar bijzondere manoeuvre (achteruit uit een parkeervak wegrijden) het overige verkeer, hier de blauwe Opel Corsa, voor laten gaan. Dat wil zeggen: niet slechts de feitelijke ruimte die daarvoor nodig is, vrij laten, maar zodanig naderen dat bij de voorrangsgerechtigde ( [naam1] ) ook het vertrouwen werd gewekt dat haar voorrang werd verleend5. Dat heeft [naam2] gedaan door tijdig en op voldoende afstand van de geasfalteerde rijbaan stil te gaan staan.

 

4.4

Ook [naam1] , de bestuurster van de blauwe Opel Corsa, was ter plaatse goed bekend en heeft tegenover de politie onder meer het volgende verklaard6:

 

“Ik (…) reed op het [adres] (…). Ik reed ongeveer 50 kilometer per uur. (…) Ongeveer ter hoogte van perceelnummer 144, ter hoogte van, ‘natuurgebied Lombok’, zag ik plotseling een wit voertuig, vanuit een parkeervak achteruit rijden. Naast de rijbaan van het [adres] zijn parkeervakken gesitueerd. De genoemde witte auto stond geparkeerd in een van deze parkeervakken. Ik zag dat er voor dit witte voertuig, gezien vanuit mijn richting, neg andere voertuigen geparkeerd stonden. Door deze andere voertuigen had ik niet goed zicht op het witte voertuig. Ik was in de veronderstelling dat de bestuurder van dit witte voertuig de rijbaan van het [adres] op zou rijden. Ik schrok hier erg van en heb direct vol mijn rempedaal ingedrukt. Ik voelde dat mijn voertuig direct hierop ging slippen en

 

tollen. Op dat moment zag ik een voertuig recht op mij afkomen en toen besefte ik dat

 

ik op de rijbaan van het tegemoet komend verkeer was gekomen. (…)

 

Ik had het idee, op het moment dat ik de bestuurder van de witte personenauto een

 

stukje achteruit zag rijden, dat ik wel uit moest wijken omdat ik anders in aanrijding zou komen met de bestuurder van de witte personenauto.”

 

4.5

De veronderstelling van [naam1] dat de witte Opel Corsa de weg op zou rijden, vindt geen steun in de plaats waar de witte Opel Corsa tot stilstand is gekomen. Het rijgedrag van [naam2] in de witte Opel Corsa was niet meer dan een voorbereidende handeling om zicht te krijgen op het [adres] of daar verkeer naderde. Wat had zij anders moeten doen om achter de hogere auto’s naast haar zicht te krijgen op de rijbaan? De wijze waarop zij dat heeft gedaan (zie rov. 4.3) maakt dat daarin geen verkeersfout schuilt. Met haar rijgedrag heeft zij alleen maar beoogd zicht te krijgen. Daarmee heeft zij zich tevens voldoende voorzichtig zichtbaar gemaakt voor de naderende blauwe Opel Corsa. Zij behoefde in redelijkheid niet te verwachten dat haar rijgedrag, zodra zij vanachter de andere geparkeerde hogere auto’s in beeld kwam, bij de bestuurster van de blauwe Opel Corsa, een zo extreme (rem- en/of uitwijk-) reactie zou kunnen oproepen.

 

4.6

Van haar kant had [naam1] de witte Opel Corsa aanvankelijk vanwege de andere geparkeerde hogere auto’s niet gezien, totdat deze daarachter vandaan kwam. Volgens haar verklaring reed [naam1] ongeveer 50 km per uur, de daar geldende maximumsnelheid. Die snelheid was daar binnen de bebouwde kom op een vrij smal deel van het [adres] met aan haar linkerzijde een stoep met daaraan woonhuizen en aan haar rechterzijde een aantal haakse parkeervakken met daarop auto’s, waaronder enkele hogere auto’s, niet voldoende aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse. Zij had kunnen voorzien en er rekening mee moeten houden dat daar auto’s vanuit parkeerstand enigszins achteruit konden komen rijden (en moesten rijden om enig zicht op de rijbaan te krijgen), zoals hier is gebeurd. Door haar te hoge snelheid voor de situatie ter plaatse heeft zij, voor de bestuurster van de witte Opel Corsa in redelijkheid niet te verwachten, in haar schrik extreem gereageerd door vol op het rempedaal te drukken.

 

4.7

Al met al valt aan [naam2] als bestuurster van de witte Opel Corsa geen, rechtens relevant, verwijt te maken van haar korte achteruitrijmanoeuvre. Ze heeft geen verkeersovertreding en ook anderszins geen onrechtmatige daad gepleegd. Er is dus geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.

 

4.8

TVM heeft geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing moeten leiden. Daarom gaat het hof aan haar bewijsaanbod voorbij.

 

5De slotsom

5.1

Het principaal hoger beroep faalt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep komt niet meer aan de orde. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

 

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal TVM worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep.

 

De kosten voor die procedure aan de zijde van ASR zullen worden vastgesteld op:

 

– griffierecht (verschotten) € 2.020

 

– salaris advocaat € 1.114 (1 punt x appeltarief II).

 

5.3

Het hof zal een kostenveroordeling in het incidenteel beroep achterwege moeten laten.

 

6De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

 

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2019;

 

veroordeelt TVM in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ASR vastgesteld op € 2.020 voor verschotten en op € 1.114 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

 

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

 

verstaat dat op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet meer behoeft te worden beslist en dat een kostenveroordeling achterwege blijft.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C.M.E. Lagarde en A.W. Steeg, is ondertekend door de voorzitter en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.

 

1Zie voor haar eindstand de foto’s 01, 02, 03 en 08 bij het proces-verbaal fotorapportage, productie 5 bij dagvaarding voor de kantonrechter en verder de vierde foto van productie 6 bij die dagvaarding.

 

2verhoor bij politie op 17 december 2015, productie 4 bij inleidende dagvaarding

 

3productie 6 bij inleidende dagvaarding

 

4conclusie van dupliek sub 4 en 5

 

5Zie over voorrang verlenen in de Nota van Toelichting op artikel 15 RVV 1990 (Stb. 1990 459, p. 99)

 

6verhoor bij politie op 21 december 2015, productie 4 bij inleidende dagvaarding

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey