Hof: bulkwagen kantelt op erf, appellant aansprakelijk wegens gebrekkig opstal en gevaarzetting 

Samenvatting:

Chauffeur van veevoederbedrijf (geïntimeerde) rijdt met bulkwagen over betonnen plaat op erf van appellant. Op het terrein hadden sloopwerkzaamheden plaats gevonden. Bij het manoeuvreren met de bulkwagen op betonnen plaat begeeft een stalmuur het, waardoor de bulkwagen kantelt en beschadigd raakt. 1. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank dat appellant aansprakelijk is o.g.v. art. 6:174 BW (gebrekkig opstal) en o.g.v. art 6:162 BW, omdat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting. 2. Geen eigen schuld van geïntimeerde. Chauffeur had  redelijkerwijs niet bedacht had hoeven zijn op de mogelijkheid van onderkeldering en daarmee de ongeschiktheid van het rijpad voor zijn bulkwagen.

 

 

ECLI:NL:GHARL:2021:3614

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

13-04-2021

Datum publicatie

15-04-2021

Zaaknummer

200.266.117/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Aansprakelijkheid voor gebrekkige opstel (artikel 6:174 BW) en onrechtmatige gevaarzetting (artikel 6:162 BW).

 

Geen eigen schuld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.266.117/01

 

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 162328)

 

arrest van 13 april 2021

 

in de zaak van

 

[appellant] , h.o.d.n. Pluimveehouderij,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

 

bij de rechtbank: gedaagde,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter, die kantoor houdt te Zwolle,

 

tegen

 

[geïntimeerde] Mengvoeders B.V.,

 

gevestigd te [B] ,

 

geïntimeerde,

 

bij de rechtbank: eiseres,

 

hierna: [geïntimeerde],

 

advocaat: mr. R. van Eck, die kantoor houdt te Deventer.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

 

Het hof neemt de inhoud over van het tussenarrest van 24 maart 2020, waarin een

 

comparitie van partijen is bepaald.

1.2

 

Op 15 maart 2021 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. De beide

 

advocaten hebben een toelichting gegeven aan de hand van comparitie- respectievelijk spreekaantekeningen. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal, met daaraan gehecht de genoemde aantekeningen, maakt deel uit van het procesdossier.

1.3

 

Op de comparitie heeft het hof arrest bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

 

In geschil is of [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] op 7 augustus 2017 aan haar bulkwagen op het terrein van [appellant] heeft geleden. [geïntimeerde] meent dat dat het geval is, primair op grond van artikel 6:174 BW, subsidiair op grond van artikel 6:162 BW.

 

[appellant] wijst aansprakelijkheid van de hand: van een gebrekkige opstal is geen sprake, terwijl evenmin onrechtmatig is gehandeld. [appellant] wijst op de eigen schuld van de (beroeps)chauffeur van [geïntimeerde] .

2.2

 

De rechtbank heeft in het vonnis van 3 april 2019 geoordeeld dat sprake was van een gebrekkige opstal, zodat [appellant] op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] . Volgens de rechtbank is [appellant] tevens aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW omdat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting. Eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] heeft de rechtbank niet aangenomen. De vordering van [geïntimeerde] , bestaande uit betaling van het bedrag van € 45.550,13 aan reparatie- en onderzoekskosten vermeerderd met rente en kosten, is toegewezen.

2.3

 

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden toegewezen. Het vonnis van de rechtbank van 3 april 2019 zal worden bekrachtigd. [appellant] moet de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep betalen. Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot dat oordeel is gekomen. Het hof is daarvoor uitgegaan van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 De feiten

3.1

 

[appellant] heeft in april 2016 het perceel plaatselijk bekend [a-straat 1] in [A] van zijn vader gekocht om daar een pluimveehouderij te exploiteren. Met het oog hierop moest het perceel, waar op dat moment nog een varkenshouderij was gevestigd, eerst worden gesaneerd. [appellant] heeft daarom op het perceel enkele voormalige varkensstallen afgebroken en grond afgegraven.

3.2

 

De stallen van de voormalige varkenshouderij op het perceel van [appellant] waren begin augustus 2017 allemaal gesloopt. De onder de stallen gelegen kelders, die gebruikt werden voor de opslag van mest en water voor de varkenshouderij, waren nog niet allemaal gesloopt. Op het terrein lag op diverse plaatsen puin van de gesloopte bebouwing. [appellant] had een toegangspad aangelegd (dan wel heeft dat in stand gehouden) dat hij goed onderhield ten behoeve van verkeer van en naar zijn bedrijf.

3.3

 

Naast saneringswerkzaamheden was [appellant] ook begonnen met nieuwbouw op het terrein. Op 7 augustus 2017 was al een grote schuur gebouwd voor de pluimveehouderij. Voor de schuur waar het pluimvee wordt gehouden stonden twee silo’s voor de opslag van het diervoer. De woning van [appellant] was op dat moment nog in aanbouw.

3.4

 

[geïntimeerde] is een producent van diervoeder en de vaste leverancier van [appellant] .

3.5

 

In opdracht van [appellant] is een chauffeur van [geïntimeerde] op 7 augustus 2017 met een bulkwagen (truck met oplegger) naar het terrein van [appellant] gereden om daar circa 32 ton diervoer af te leveren. De chauffeur van [geïntimeerde] was nog niet eerder op het terrein van [appellant] geweest.

 

Hij is vanaf de openbare weg vooruit het toegangspad naar het erf van [appellant] opgereden. Andere chauffeurs van [geïntimeerde] die het terrein eerder hadden bezocht kwamen doorgaans vanaf de openbare weg achterwaarts het terrein opgereden.

3.6

 

De chauffeur van [geïntimeerde] is met de bulkwagen voor de silo’s naar rechts gedraaid op een betonnen plaat. Hij wilde daarna achteruit richting de silo’s rijden om het diervoer te lossen en om vervolgens vooruit het erf te verlaten.

3.7

 

Bij het manoeuvreren met de bulkwagen – die inclusief het voer een gewicht van circa 48 ton had – op/bij de hiervoor bedoelde betonnen plaat heeft één van de stalmuren onder de plaat het begeven en is de plaat ingezakt. De wielen van de bulkwagen zijn (bezien vanaf de achterkant van de wagen) naar rechts weggezakt en de wagen is gekanteld. Hierbij is schade ontstaan aan de bulkwagen.

3.8

 

De betonnen plaat betrof de bovenkant van een voormalige mestkelder, die zich onder een stal bevond (anders gezegd: het betrof een voormalige stalvloer). Bij het slopen van de stal heeft [appellant] ervoor gekozen om de kelder met daarboven de stalvloer vooralsnog in stand te laten. De plaat werd daarna gebruikt als erfverharding, ook voor zwaar materieel. Naast de plaat lag zand en puin.

3.9

 

In opdracht van de verzekeraar van [geïntimeerde] heeft Dekra Claims and Expertise B.V. (hierna: Dekra) onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Dekra is op

 

8 september 2017 ter plaatse geweest. Dekra heeft toen enkele foto’s gemaakt van het terrein en heeft gesproken met [appellant] en met zijn vader. Uit het onderzoeksrapport van

 

15 februari 2018 blijkt verder dat Dekra telefonisch heeft gesproken met de chauffeur van [geïntimeerde] . In het rapport is een weergave van dat gesprek opgenomen en zijn, naast de hiervoor genoemde foto’s, enkele foto’s opgenomen die direct na het ongeval zijn gemaakt. Als conclusie is opgenomen;

 

“Of er sprake is van nalatigheid aan de zijde van de heer [appellant] vinden wij moeilijk te beoordelen. Hem zou verweten kunnen worden dat hij geen waarschuwings maatregelen heeft genomen. Aan de andere kant was het hem ook niet bekend dat de muur van de kelder op deze wijze opzij geduwd kon worden. Er werd met werkmaterieel ook over het terrein en ook over de betonvloeren gereden.

 

Volgens de heer [appellant] had de chauffeur gewoon achteruit het terrein moeten oprijden. Dan was er niets gebeurd. De toegangsweg is altijd goed berijdbaar. (…)”

3.10

 

[geïntimeerde] heeft de bulkwagen laten repareren. Hiermee was een bedrag van € 44.502,13 (exclusief btw) gemoeid. Daarnaast is een bedrag van € 1.048,- (exclusief btw) besteed aan de kosten van het onderzoek naar de schadeoorzaak en -omvang.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

4.1

 

[appellant] heeft vier grieven tegen het vonnis van de rechtbank van 3 april 2019 opgeworpen. De grieven, gericht tegen verschillende onderdelen van het vonnis, hebben de strekking om de vraag naar de aansprakelijkheid van [appellant] in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

 

Opstalaansprakelijkheid

4.2

 

De rechtbank heeft in navolging van partijen geoordeeld dat het erf met de betonvloer en de daaronder gelegen kelder een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW. Tegen dit oordeel is geen grief gericht, zodat het hof hiervan uitgaat.

4.3

 

[appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gebrekkige opstal.

 

Voor dat oordeel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 het juridisch kader weergegeven:

 

“Of de opstal voldoet aan de daaraan te stelle eisen, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, zoals de aard en de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden. Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar en de mogelijkheid en de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.”

 

De juistheid van deze overweging is in hoger beroep niet bestreden. Ook voor het hof is dit uitgangspunt.

4.4

 

In dit geval staat vast dat [appellant] ten tijde van het ongeval een pluimveehouderij op het erf exploiteerde. Er was een grote pluimveeschuur op het terrein aanwezig en voor de schuur stonden twee silo’s voor het diervoer. De stallen die voorheen in gebruik waren ten behoeve van de voormalige varkenshouderij waren gesloopt. De vloeren van die stallen met daaronder gelegen kelders, die gebruikt werden voor de opslag van mest en water voor de varkenshouderij, waren nog niet allemaal gesloopt. Ter plaatse waar de chauffeur van [geïntimeerde] de betonnen plaat c.q. de voormalig stalvloer is opgereden, was niet zichtbaar dat zich onder die plaat een kelder bevond. De betonnen plaat was ook niet herkenbaar als een onbegaanbaar stuk van het terrein. Integendeel, naast de betonnen plaat lag weliswaar zand en puin maar de plaat zelf zag eruit als een erf- of terreinverharding en was ook als zodanig in gebruik: de vloer lag in een rijpad, niet verdiept of daar uitstekend, en daarop werd daadwerkelijk gereden, blijkens de bandensporen ook met zwaar materieel. Dit volgt uit de overgelegde foto’s en de van het terrein gegeven beschrijvingen (onder andere van [appellant] zelf) ten tijde van het ongeval.

4.5

 

Verder is van belang dat [appellant] meermalen diervoer bij [geïntimeerde] had besteld; [geïntimeerde] was al geruime tijd de vaste leverancier van [appellant] voor diervoer. [geïntimeerde] moest het voer in de silo’s bij de pluimveeschuur afleveren en had dat eerder ook steeds zo afgeleverd. [appellant] wist dat [geïntimeerde] het diervoer telkens met een grote en zware bulkwagen bij de silo’s kwam afleveren. Gelet hierop was van een besloten terrein – zoals [appellant] betoogt – geen sprake en diende [appellant] er redelijkerwijs op bedacht te zijn dat een chauffeur van [geïntimeerde] het rijpad zou volgen bij zijn rit naar of vanaf de silo’s.

 

Dat wordt niet anders omdat andere chauffeurs die diervoer hebben afgeleverd achterwaarts het toegangspad zijn opgereden en (daarom) niet dit rijpad hebben gebruikt. Gelet hierop is evenmin van belang dat, zoals [appellant] stelt, het niet mogelijk is om met een bulkwagen te keren op het terrein zoals de chauffeur van [geïntimeerde] van plan was.

4.6

 

Redelijkerwijs mag in deze situatie niet worden verwacht dat de chauffeur van [geïntimeerde] bedacht had moeten zijn op de mogelijkheid dat onder de betonnen plaat c.q. voormalige stalvloer een kelder aanwezig was. Nu het mogelijk is gebleken dat de vloer is verzakt/gebroken en de bulkwagen van [geïntimeerde] daardoor is gekanteld, moet worden aangenomen dat de vloer het gewicht van de wagen niet kon dragen.

 

Het maakt daarbij niet uit of – zoals [geïntimeerde] stelt – de keldervloer is doorgezakt, dan wel – zoals [appellant] betoogt – de keldervloer is verzakt doordat de chauffeur van [geïntimeerde] met de rechterwielen (net) naast de keldervloer heeft gereden en de wielen die door het zand reden dieper zakten dan de wielen die over de keldervloer reden, waardoor de wand onder de keldervloer is gezwicht en de keldervloer is gebroken. In beide gevallen is de keldervloer gebrekkig omdat [appellant] deze liet gebruiken als rijpad voor zwaar materieel over zijn terrein en deze daartoe kennelijk niet geschikt was. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, diende [appellant] er daarbij rekening te houden dat een vrachtwagen enigszins langs de aanwezige sporen zou rijden.

4.7

 

[appellant] had bovendien op eenvoudige wijze en tegen geringe kosten kunnen waarschuwen om het rijpad, of het desbetreffende gedeelte van het terrein, niet met zwaar materiaal te berijden. Het pad had afgezet kunnen worden met een rood-wit lint of alleen voor slopers vrijgehouden kunnen worden met een (waarschuwings)bord. Ook had bij het toegangshek een bord geplaatst kunnen worden waarbij chauffeurs van zwaar materiaal werden gewezen op het gevaar bij het verlaten van het toegangspad dan wel specifiek voor het gebruik van het rijpad. [appellant] had in ieder geval bij opgave van de bestelling [geïntimeerde] op het risico kunnen wijzen, zodat [geïntimeerde] haar chauffeurs had kunnen instrueren. [appellant] heeft dit nagelaten.

4.8

 

Al met al oordeelt het hof net als de rechtbank dat de betonvloer met de daaronder gelegen kelder niet voldeed aan de (veiligheids)eisen die men in de gegeven omstandigheden aan een erf/terreinverharding op een agrarisch bedrijf, dat wordt bezocht door zwaar verkeer zoals bulkwagens met diervoer, mocht stellen. Er is sprake van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW, waarvan [appellant] de bezitter is. [appellant] is dan ook aansprakelijk voor de schade van [geïntimeerde] .

 

Onrechtmatige daad: gevaarzetting

4.9

 

[appellant] keert zich ook tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Het hof stelt voorop dat indien sprake is van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW, aansprakelijkheid ook op artikel 6:162 BW kan worden gebaseerd. In het kader van de toetsing op grond van artikel 6:162 BW is dan van belang of is voldaan aan de zogenaamde ‘Kelderluikcriteria’. Toepassing van die criteria op de onderhavige situatie leidt tot het oordeel dat [appellant] , zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met het in stand houden van de voormalige stalvloer en de daaronder gelegen kelder een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen. [appellant] heeft deze namelijk als erfverharding in het rijpad laten gebruiken, terwijl hij wist of kon weten dat dit rijpad ook gebruikt zou kunnen worden als onderdeel van de route naar de voersilo’s door bulkwagens. [appellant] had voor het risico van dit gebruik moeten en eenvoudig kunnen waarschuwen, wat hij heeft nagelaten.

 

Eigen schuld

4.10

 

[appellant] heeft nog een beroep gedaan op eigen schuld van (de chauffeur van) [geïntimeerde] om zijn aansprakelijkheid te beperken. Het feit dat de chauffeur van [geïntimeerde] vooruit het erf is opgereden en vervolgens gebruik heeft gemaakt van het rijpad, en daarbij mogelijk naast het pad in het zand terecht is gekomen – zoals [appellant] stelt, maar [geïntimeerde] betwist -, levert echter geen eigen schuld op, nu de chauffeur van [geïntimeerde] redelijkerwijs niet bedacht had hoeven zijn op de mogelijkheid van onderkeldering en daarmee de ongeschiktheid van het rijpad voor zijn bulkwagen.

 

Bewijsaanbod

4.11

 

Omdat [appellant] geen feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, passeert het hof het door hem gedane (algemene) bewijsaanbod. Het hof ziet ook geen noodzaak om de situatie ter plaatse te bekijken.

5 De slotsom

5.1

 

De conclusie is dat [appellant] volledig aansprakelijk is, zowel op grond van artikel 6:174 BW wegens een gebrekkige opstal als op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatige gevaarzetting. De hoogte van de schadevergoeding alsmede de verschuldigdheid van rente en kosten heeft [appellant] niet betwist. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] dan ook terecht toegewezen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

 

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 2.020,- voor verschotten (het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht) en € 4.062,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV à € 2.031,-).

6 De beslissing

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden van 3 april 2019;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.020,- voor verschotten en op € 4.062,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

 

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, J. Smit en W.P. Sprenger en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey