Hof: geen hoger beroep mogelijk tegen toewijzing voorlopig deskundigenbericht door andere deskundige en andere vraagstelling

Samenvatting:

Het hof oordeelt dat het feit dat de rechtbank a. niet is overgegaan tot benoeming van de door verzoeker voorgestelde deskundige, b. de deskundige niet de verzochte gewijzigde IWMD-vraagstelling heeft voorgelegd en c. de stelling van verzoeker dat verweerder met het voorschot moet worden belast heeft verworpen, niet met zich brengt dat de rechtbank het verzoek (al dan niet ten dele) heeft afgewezen als bedoeld in art. 204 lid 2 Rv. Tegen de bestreden beschikking staat in beginsel geen hoger beroep open. Uit het beroepschrift van appellant kan niet een beroep op een of meer doorbrekingsgronden worden afgeleid, zodat dit beroep niet eerder dan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep en dus tardief is gedaan. Volgt niet-ontvankelijkheid.

 

 

 

ECLI:NL:GHAMS:2020:3315

 

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

01-12-2020

Datum publicatie

04-01-2021

Zaaknummer

200.271.359/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Beschikking

Inhoudsindicatie

 

Voorlopig deskundigenbericht. Het feit dat de rechtbank niet is overgegaan tot benoeming van de door verzoeker voorgestelde deskundige, de deskundige niet de verzochte gewijzigde IWMD-vraagstelling heeft voorgelegd en de stelling van verzoeker dat verweerder met het voorschot moet worden belast heeft verworpen brengt niet met zich dat de rechtbank het verzoek (al dan niet ten dele) heeft afgewezen als bedoeld in artikel 204 lid 2 Rv. Tegen bestreden beschikking staat in beginsel geen hoger beroep open. Uit het beroepschrift van appellant kan niet – ook niet impliciet – een beroep op een of meer doorbrekingsgronden worden afgeleid, zodat dit beroep niet eerder dan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep en dus tardief is gedaan. Volgt niet-ontvankelijkheid. Artt. 194, 195, 204, 205, 358 en 359 Rv.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.271.359/01

 

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/282510 / HA RK 18-226

 

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 december 2020

 

inzake

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

advocaat: mr. Z.J. Rittersma te Laag-Keppel,

 

tegen

 

SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ

 

NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 N.V.,

 

gevestigd te Oudkarspel (gemeente Langedijk),

 

geïntimeerde,

 

advocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellant] en NH 1816 genoemd.

 

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen bij de griffie van het hof op 23 december 2019, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 12 december 2019 (hierna: de bestreden beschikking), in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gegeven tussen hem als verzoeker en NH 1816 als verweerster.

 

Bij het beroepschrift heeft [appellant] grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking deels zal vernietigen en alsnog neurochirurg prof. dr. [X] (hierna: [X] ) tot deskundige zal benoemen ten behoeve van een voorlopig deskundigenbericht, zal bepalen dat de deskundige de door [appellant] verzochte variant van de zogenoemde IWMD-vraagstelling ten aanzien van vraag 2c moet beantwoorden (hierna: de gewijzigde IWMD-vraagstelling) en zal bepalen dat NH 1816 de kosten van het verzochte voorlopig deskundigenonderzoek (bij voorschot) moet voldoen, met veroordeling van NH 1816 in de kosten van het hoger beroep.

 

NH 1816 heeft een verweerschrift ingediend, ontvangen bij de griffie van het hof op 12 maart 2020. Zij heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep en subsidiair de verzoeken van [appellant] zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

 

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaten het woord gevoerd, mr. Rittersma aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

 

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald.

2 Beoordeling

2.1

 

Kern van de zaak is de vraag of een andere deskundige dan bij de bestreden beschikking bepaald moet worden benoemd, een aangepaste vraagstelling voor de deskundige moet worden geformuleerd en moet worden bepaald dat NH 1816 het voorschot van de deskundige zal moeten voldoen. Aanleiding tot deze vragen zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

2.2

 

Op 25 april 2014 is [appellant] als inzittende van een auto betrokken geweest bij een verkeersongeval op een snelweg in Duitsland, waarbij de auto waarin hij zat van achteren werd aangereden door een andere auto. NH 1816 behandelt de schade van [appellant] op basis van een schadeverzekering inzittenden (hierna: SVI), die was gesloten voor de auto waarin [appellant] zat.

2.3

 

Partijen verschillen van mening over de gevolgen van de aanrijding en de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Daarop heeft [appellant] de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen, waarbij hij een voorstel voor de persoon van de deskundige en een door hem gewijzigde IWMD-vraagstelling heeft geformuleerd en heeft verzocht te bepalen dat NH 1816 de kosten van het voorlopig deskundigenbericht zal dragen.

2.4

 

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht en benoeming van een deskundige toegewezen. De rechtbank heeft hiertoe prof. dr. [Y] (hierna: [Y] ) benoemd tot deskundige en hem de standaard IWMD-vraagstelling voorgelegd, met vaststelling van de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige op € 4.537,50 (inclusief btw) en bepaling dat dit voorschot ten laste van [appellant] komt. De grieven richten zich tegen deze beslissing en de overwegingen waarop zij berust. [appellant] komt op tegen de keuze voor de persoon van de deskundige, de aan deze voorgelegde vraagstelling en de beslissing dat het voorschot op de kosten van de deskundige door hem dient te worden betaald.

 

Ontvankelijkheid

2.5

 

Het hof stelt voorop dat in artikel 204 lid 2 Rv is bepaald dat voor zover het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht wordt toegewezen, er geen hogere voorziening is toegestaan. Alleen wanneer het verzoek geheel of ten dele is afgewezen is hoger beroep mogelijk krachtens de hoofdregel van artikel 358 Rv. Vraag is of in deze zaak sprake van een gedeeltelijke afwijzing, waarbij mede van belang is dat artikel 194 Rv in verbinding met artikel 205 lid 1 Rv heeft beoogd de rechter beoordelingsvrijheid (marge) te geven bij de benoeming van de deskundige en de formulering van de voor te leggen vragen.

2.6

 

Met betrekking tot de benoeming van de deskundige kent artikel 194 lid 2 Rv een overlegmodel: de rechter benoemt de deskundige na overleg met partijen, maar beslist zelfstandig. Voorts is in artikel 194 lid 2 Rv in verbinding met artikel 205 lid 1 Rv bepaald dat tegen een benoeming van een deskundige geen hogere voorziening openstaat. [appellant] heeft in eerste aanleg als deskundige [X] voorgesteld, waartegen NH 1816 verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft vervolgens deskundige [Y] voorgesteld en partijen in de gelegenheid gesteld zich over benoeming van deze deskundige uit te laten. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, waarna de rechtbank [Y] tot deskundige heeft benoemd. Tegen deze benoeming staat geen hogere voorziening open. Het enkele feit dat de rechtbank niet is overgegaan tot benoeming van de door [appellant] voorgestelde deskundige brengt niet met zich dat de rechtbank het verzoek (al dan niet ten dele) heeft afgewezen als bedoeld in artikel 204 lid 2 Rv.

2.7

 

De formulering van de aan de deskundige voor te leggen vragen is krachtens artikel 194 lid 1 Rv in verbinding met artikel 205 lid 1 Rv aan de rechter overgelaten. [appellant] heeft een op enkele punten gewijzigde IWMD-vraagstelling geformuleerd, tegen welke wijzigingen NH 1816 verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft vervolgens de deskundige de standaard IWMD-vraagstelling voorgelegd en de door [appellant] voorgestelde wijzigingen niet overgenomen. Het feit dat de rechtbank de deskundige niet de verzochte gewijzigde IWMD-vraagstelling heeft voorgelegd, brengt – anders dan [appellant] aanneemt – niet met zich dat de rechtbank het verzoek van [appellant] (al dan niet ten dele) heeft afgewezen als bedoeld in artikel 204 lid 2 Rv. Ook de ongewijzigde IWMD-vraagstelling bestrijkt naar inhoud en strekking de punten waarop het verzoek van [appellant] tot een voorlopig deskundigenbericht betrekking heeft, zodat de rechtbank daarvoor binnen de haar toekomende beoordelingsvrijheid heeft mogen kiezen. Die keuze houdt dus niet een gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht in.

2.8

 

Artikel 195 Rv in verbinding met artikel 205 lid 1 Rv bepaalt dat uitgangspunt is dat de verzoekende partij als voorfinancier van het voorlopig deskundigenonderzoek optreedt, tenzij de rechter in de omstandigheden van het geding aanleiding vindt het voorschot ter zake van de kosten van het onderzoek ten laste van de verwerende partij te brengen (of van beide partijen gezamenlijk).

 

[appellant] heeft verzocht het voorschot ten laste van NH 1816 te brengen, maar daartoe is de rechtbank niet overgegaan omdat NH 1816 niet de aansprakelijke partij voor de gevolgen van het ongeval is. Naar het oordeel van het hof brengt het feit dat de rechtbank de stelling van [appellant] dat NH 1816 met het voorschot dient te worden belast heeft verworpen, evenmin mee dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht gedeeltelijk heeft afgewezen als bedoeld in artikel 204 lid 2 Rv. De kostenbeslissing ter zake van het voorschot dient te worden beschouwd als een nevenveroordeling, die naast de (toewijzende) hoofdveroordeling tot het voorlopig deskundigenbericht kan worden opgelegd. Dat de rechtbank ervoor heeft gekozen het hierboven genoemde wettelijke uitgangspunt toe te passen en [appellant] met het voorschot te belasten, betekent niet dat diens verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht gedeeltelijk is afgewezen. De conclusie is dan ook dat tegen de bestreden beschikking in beginsel geen hoger beroep openstaat.

 

Doorbrekingsgronden

2.9

 

Op grond van vaste jurisprudentie (de zogenoemde ‘doorbrekingsjurisprudentie’) is hoger beroep echter wel mogelijk indien de rechter buiten het toepassingsgebied van een wettelijke bepaling ter zake waarvan geen hoger beroep openstaat is getreden of deze bepaling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel wanneer bij de behandeling zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep aangevoerd dat hij een impliciet beroep heeft gedaan op schending van zodanig fundamentele rechtsbeginselen dat niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak. Daarvan is, zo begrijpt het hof de daarop volgende stellingen, in dit geval sprake omdat [appellant] is veroordeeld tot betaling van het voorschot terwijl hij niet over de financiële middelen beschikt om dat bedrag te voldoen. In dat kader stelt [appellant] dat sprake is van fundamenteel ongelijkwaardige partijen, het in SVI-zaken gebruikelijk is dat deskundigenkosten door de betrokken verzekeraar worden vergoed en NH 1816 misbruik van procesrecht maakt door [appellant] op deze wijze te verhinderen gebruik te maken van zijn recht om met een goed onderbouwd deskundigenrapport zijn schade aan te tonen. Daarnaast heeft [appellant] zich erover beklaagd dat de rechtbank wel de door NH 1816 voorgedragen (niet benoemde) deskundigen heeft benaderd, maar niet de door [appellant] voorgedragen deskundige.

2.10

 

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 1, eerste zin Rv het beroepschrift de gronden dient te bevatten waarop het appel berust. Dit betekent dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden de appellant oordeelt dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Grieven na het beroepschrift zijn in beginsel tardief en dus niet toegelaten. Voor een beroep op een doorbrekingsgrond in een geval waarin, zoals hier, een wettelijk appelverbod van toepassing is, moet hetzelfde worden aangenomen, alleen al omdat het slagen van een zodanig beroep voorwaarde is voor beoordeling van de grieven en het beroep op de doorbrekingsgrond dus aan de grieven vooraf behoort te gaan.

 

Een ander oordeel laat zich bovendien niet rijmen met de eisen van een goede procesorde. Uit het beroepschrift van [appellant] kan niet – ook niet impliciet – een beroep op een of meer doorbrekingsgronden worden afgeleid, zodat dit beroep niet eerder dan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep en dus tardief is gedaan. Ten overvloede merkt het hof op dat ook een tijdig beroep op de doorbrekingsgronden [appellant] niet zou hebben gebaat. Met betrekking tot het voorschot ter zake van de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek heeft de rechtbank de hoofdregel toegepast dat de verzoeker het voorschot moet voldoen en in de omstandigheden van het geding geen aanleiding gevonden om het voorschot ten laste van NH 1816 te brengen (of van beide partijen gezamenlijk). Mede in aanmerking genomen dat het geval bedoeld in artikel 195, derde tot en met vijfde volzin, Rv zich niet voordoet – zo is aan [appellant] geen toevoeging verleend –, stond dit de rechtbank vrij. Met betrekking tot de te benoemen deskundige heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld zich tevoren over deze door de rechtbank voorgenomen deskundige uit te laten, van welke mogelijkheid [appellant] geen gebruik heeft gemaakt. Van schending van zodanig fundamentele rechtsbeginselen dat niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, is derhalve geen sprake.

2.11

 

De slotsom is dat [appellant] niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. De kosten van het hoger beroep komen ten laste van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij.

3 Beslissing

 

Het hof:

 

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NH 1816 begroot op € 760,- aan verschotten en op € 2.148,- voor salaris;

 

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, I.A. Haanappel-van der Burg en W.J.J. Wetzels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey