Hof: werkgever niet aansprakelijk ex art. 7:658 BW en art. 7:611 BW voor beroerte op het werk

Samenvatting:

Werknemer krijgt beroerte op zijn werk en stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art. 7:658 BW en art. 7:611 BW. 1. Het hof oordeelt dat de beroerte (mogelijk) tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is opgetreden maar niet in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in art.  7:658 BW. Het hof is daarom van oordeel dat art. 7:658 BW in deze situatie toepassing mist. 2.  Het hof oordeelt dat de werkgever evenmin aansprakelijk is o.g.v. art. 7:611 BW nu niet redelijkerwijs voor de werkgever duidelijk had moeten zijn dat werknemer acute medische hulp nodig had toen de werkgever hem naar huis stuurde.

 

ECLI:NL:GHSHE:2020:3759

 

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

08-12-2020

Datum publicatie

01-01-2021

Zaaknummer

200.247.795_01

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5617

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Het toevallig krijgen van een beroerte op het werk valt niet onder schade geleden in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW.

 

Geen aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:611 BW nu niet redelijkerwijs voor de werkgever duidelijk had moeten zijn dat werknemer acute medische hulp nodig had toen de werkgever hem naar huis stuurde.

Wetsverwijzingen

Burgerlijk Wetboek Boek 7 658

Burgerlijk Wetboek Boek 7 611

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Team Handelsrecht

 

zaaknummer 200.247.795/01

 

arrest van 8 december 2020

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

hierna aan te duiden als [werknemer] ,

 

advocaat: mr. N.P.J. Frijns te Maastricht,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als [werkgever] ,

 

advocaat: mr. A.H.M. Booijink te ‘s-Hertogenbosch,

 

op het bij exploot van dagvaarding van 3 september 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 juni 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [werknemer] als eiser en [werkgever] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6344844 CV EXPL 17-7281)

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding in hoger beroep;

 

de memorie van grieven;

 

de memorie van antwoord met producties;

 

het proces-verbaal van de op 11 november 2020 gehouden comparitiezitting, waarbij [werkgever] spreekaantekeningen in het geding heeft gebracht.

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

 

In r.o. 2.1 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. In de memorie van grieven heeft [werknemer] deze vaststelling voorafgaand aan de genummerde grieven gedeeltelijk bestreden. Het hof zal hierna een overzicht geven van de niet (voldoende) betwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Voor zover de bezwaren van [werknemer] tegen de feitenvaststelling daarin niet zijn meegenomen, zullen deze bij de boordeling van de grieven aan de orde komen.

3.1.1.

 

[werknemer] was vanaf 7 augustus 1980 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [werkgever] . Op dinsdag 24 januari 2012 had [werknemer] een vrije dag omdat hij de avond ervoor een carnavalsactiviteit had gehad. Op woensdag 25 januari 2012 is [werknemer] , voordat hij naar zijn werk ging, rond 09:00 uur naar de tandarts geweest voor een controle. Aansluitend is hij op zijn scooter naar [werkgever] gereden. Aldaar heeft hij tussen 9:30 en 10:00 uur een gesprek gevoerd met zijn direct leidinggevende [direct leidinggevende] en tussen 10:00 en 10:30 uur een zogenoemd cementoverleg gevoerd met de heren [collega 1] en [collega 2] , beiden collega’s van [werknemer] .

3.1.2.

 

[werknemer] is die ochtend langs geweest bij de bedrijfsarts [bedrijfsarts] voor het zetten van een vaccinatie.

3.1.3.

 

Om 12:00 uur is [werknemer] samen met collega [collega 3] naar de kantine gegaan om te gaan lunchen.

3.1.4.

 

Al snel na de lunch vroeg [direct leidinggevende] aan [werknemer] of het wel goed met hem ging omdat [werknemer] zich volgens [direct leidinggevende] niet goed verstaanbaar kon maken dan wel anderszins afwijkend gedrag vertoonde. [werknemer] is toen, nadat [direct leidinggevende] hem herhaaldelijk had gevraagd of hij zich wel goed voelde en of hij niet beter naar huis kon gaan, om 12:40 uur uitgeklokt en zelf op zijn scooter naar huis gegaan. Het aanbod van [direct leidinggevende] en [collega 3] om hem naar huis te brengen heeft [werknemer] afgeslagen.

3.1.5.

 

[collega 3] en [direct leidinggevende] hebben vervolgens via personeelszaken bij de bedrijfsarts laten navragen of [werknemer] wellicht last had van de vaccinatie in combinatie met het tandartsbezoek. De bedrijfsarts gaf aan dat haar geen verband bekend was en adviseerde [werknemer] te vertellen dat hij contact moest opnemen met zijn huisarts om een en ander voor te leggen.

3.1.6.

 

[direct leidinggevende] heeft [werknemer] rond 13:15 uur gebeld op zijn mobiele [werkgever] -telefoon en [werknemer] heeft toen ook de telefoon opgenomen.

3.1.7.

 

Tussen 17:00 en 17:30 uur is de echtgenote van [werknemer] , mevrouw [echtgenote] , thuis gekomen. Zij merkte op dat [werknemer] verward was. Zij heeft toen iets voor 18:00 uur [direct leidinggevende] en [collega 3] gebeld om te vragen of die wisten wat er met [werknemer] aan de hand was. Zij hebben toen verteld wat er in hun visie die ochtend was gebeurd. Daarna heeft de echtgenote van [werknemer] de huisartsenpost van het ziekenhuis gebeld en gevraagd of zij zo snel mogelijk een arts wilden sturen omdat er duidelijk iets mis was met [werknemer] . Ongeveer 10 minuten later waren een arts en een verpleegkundige ter plekke en zij hebben besloten, na een kort lichamelijk onderzoek van hem, om [werknemer] per ambulance te laten ophalen en naar het ziekenhuis te brengen. Daar bleek dat [werknemer] een CVA (cerebrovasculair accident, ook wel ‘beroerte’) had.

3.1.8.

 

In het zogenaamd SEH-formulier dat het ziekenhuis na binnenkomst heeft opgemaakt staat onder meer het volgende:

 

“Hetero-anamnese echtgenote:

 

Meneer is vanmorgen naar de tandarts geweest en vervolgens gaan werken. Op het werk heeft hij vandaag een DKTP injectie gehad. Vanaf ongeveer 11 uur viel het collega’s op dat hij vreemd, onbegrijpelijk sprak en dat zijn handschrift niet te lezen was. Hij is om 13 uur naar huis gebracht en heeft daar op bed gelegen en in een stoel. Toen zijn echtgenote om 17 uur thuis kwam viel haar op dat hij erg suf en verward was. Hij praatte onbegrijpelijk. Onduidelijk of het kwam door woordvindstoornis of dysartrie. Meneer heeft thuis wel rondgelopen en avondeten opgegeten.

 

Anamnese patiënt: (…) Spraak is verstaanbaar, maar erg spaarzaam en verward. (…)”

3.1.9.

 

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door de kantonrechter bij beschikking van 29 maart 2013 met ingang van 1 augustus 2013 ontbonden wegens bedrijfseconomische redenen onder toekenning aan [werknemer] van een vergoeding op grond van het Sociaal Plan.

 

De procedure bij de rechtbank

3.2.1.

 

In eerste aanleg vorderde [werknemer] :

 

primair:

 

– te verklaren voor recht dat [werkgever] zich jegens [werknemer] niet heeft gedragen als een goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW en deswege aansprakelijk is voor (een deel) van de door hem geleden en nog te lijden schade;

 

subsidiair:

 

– te verklaren voor recht dat [werkgever] op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door [werknemer] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade;

 

primair en subsidiair:

 

– de veroordeling van [werkgever] tot betaling van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2012;

 

– de veroordeling van [werkgever] tot betaling van een voorschot van € 50.000,00;

 

– de veroordeling van [werkgever] tot betaling van de kosten van het griffierecht van het deskundigenbericht en de taxe van € 299,00 en de door [werknemer] ingeschakelde deskundige ad € 4.727,68, te vermeerderen met de wettelijke rente;

 

– de veroordeling van [werkgever] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.210,00,

 

een en ander onder veroordeling van [werkgever] in de proceskosten.

3.2.2.

 

Aan deze vordering heeft [werknemer] kort samengevat ten grondslag gelegd [werkgever] hem op woensdag 25 januari 2012 als werkgever niet naar huis had mogen sturen en in plaats daarvan meteen de nodige medische hulp had moeten inschakelen.

3.2.3.

 

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [werknemer] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat de gestelde schade niet is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW (r.o. 4.2.). Verder heeft de rechtbank overwogen dat [direct leidinggevende] als leidinggevende van [werknemer] in het kader van een aansprakelijkheid ex artikel 7:611 BW als werkgever aan te merken is (r.o. 4.8). Volgens de rechtbank blijkt uit de verklaringen, die tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd rond de feitelijke gang van zaken, niet dat voor [direct leidinggevende] redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat [werknemer] acute medische hulp nodig had toen hij [werknemer] op 25 januari 2012 naar huis stuurde (r.o. 4.9. e.v.).

3.3.1.

 

[werknemer] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten.

3.3.2.

 

Voorafgaand aan de genummerde grieven heeft [werknemer] in de memorie van grieven aangevoerd dat een aantal stellingen ten onrechte niet is meegenomen in de feitenvaststellingdoor de rechtbank. Voor zover het hof deze feiten niet alsnog heeft vastgesteld in r.o.. 3.1 betreft dit de volgende stellingen:

 

 

[werknemer] is die ochtend tweemaal bij de bedrijfsarts geweest voor een inenting. Toen hij de eerste keer vóór de lunch zag dat er een aantal wachtenden was heeft hij tegen de bedrijfsarts gezegd dat hij later wel terug zou komen, hetgeen hij direct na zijn lunch om 12:00 uur heeft gedaan;

 

[collega 3] heeft geconstateerd dat [werknemer] even na 11 uur zwalkend over straat liep en dat koppelde aan door hem verondersteld drankgebruik van [werknemer] tijdens een feestje dat hij de avond tevoren zou hebben gehad;

 

Ten tijde van het naar huis sturen was sprake van een situatie waarin het absoluut onverantwoord was om een werknemer zonder voorafgaand medisch onderzoek en zonder begeleiding naar huis te sturen;

 

Niet juist is dat [direct leidinggevende] rond 13:15 uur heeft gebeld met [werknemer] en evenmin dat [werknemer] ook meteen de telefoon heeft opgenomen.

 

3.3.3.

 

Met de grieven I en V betoogt [werknemer] dat sprake was van dermate afwijkend gedrag, dat [direct leidinggevende] hem niet naar huis had mogen sturen, zeker nu een bedrijfsarts aanwezig was, en dat – als [werknemer] niet zomaar naar huis zou zijn gestuurd en binnen 3 á 4 uur behandeld zou zijn met trombolyse – de kans op blijvende schade zeer klein zou zijn geweest.

 

Met grief II betoogt [werknemer] dat het in artikel 7:658 BW bedoelde vereiste dat de schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden ruim moet worden uitgelegd en dat daarvan in dit geval sprake is. Volgens de grieven III, IV en V heeft de rechtbank de getuigenverklaringen niet op juiste wijze gewogen en ten onrechte meegewogen dat de verklaringen dateren van bijna twee jaar of meer na 25 januari 2012.

 

Uit de schriftelijke verklaring van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) blijkt dat [werknemer] na de lunch nogmaals naar de bedrijfsarts is geweest. Uit hetgeen mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) aan mevrouw [echtgenote appellant] (hierna: [echtgenote] ) en aan mr. Frijns heeft verteld volgt volgens [werknemer] dat hij zwalkend liep en onverstaanbaar sprak. Hieruit volgt weer dat [naam 2] [werknemer] heeft gezien en gesproken vlak nadat [direct leidinggevende] hem naar huis had gestuurd. [werknemer] verkeerde toen [direct leidinggevende] hem naar huis stuurde dus al in een toestand waarin hij niet naar huis gestuurd had mogen worden. Dit wordt volgens [werknemer] bevestigd door het SEH-formulier waarin staat dat op het werk is geconstateerd dat [werknemer] onbegrijpelijk sprak en dat zijn handschrift niet te lezen was. Dit kan [echtgenote] alleen maar van [collega 3] en [direct leidinggevende] hebben vernomen. De kantonrechter heeft ten onrechte het bewijsaanbod om [naam 2] en [naam 1] te doen horen en om [direct leidinggevende] en [collega 3] nogmaals te doen horen gepasseerd.

 

Grief VI richt zich tegen de proceskostenveroordeling.

3.3.4.

 

[werknemer] heeft in hoger beroep aangeboden [collega 3] en [direct leidinggevende] opnieuw te doen horen als getuigen en mr. Frijns en [echtgenote] te doen horen over hetgeen [naam 2] , die inmiddels is overleden, aan hen heeft verklaard. Daarnaast wil [werknemer] dat [naam 1] wordt gehoord in verband met het feit dat [werknemer] na de lunch nogmaals langs de bedrijfsarts is geweest.

 

Ter zitting heeft [werknemer] nader toegelicht dat [werkgever] als werkgever uit hoofde van artikel 7:611 BW aansprakelijk is voor de gedragingen van [direct leidinggevende] als leidinggevende en [collega 3] als BHV-er en voor het feit dat er geen beleid gold om te voorkomen dat een werknemer ziek naar huis wordt gestuurd zonder eerst een arts in te schakelen.

3.3.5.

 

[werkgever] heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [werknemer] in de kosten van het geding. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

 

De beoordeling

3.4.1.

 

Vaststaat dat het ontstaan van de beroerte bij [werknemer] op geen enkele wijze verband houdt met het uitoefenen van zijn werkzaamheden bij [werkgever] . De beroerte is (mogelijk) tijdens de uitoefening van de werkzaamheden opgetreden maar niet in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW. Het hof is daarom van oordeel dat artikel 7:658 BW in deze situatie toepassing mist. Het enkele feit dat [werknemer] de beroerte (ook) op het werk zou hebben gehad, zoals [werknemer] stelt, is daartoe onvoldoende.

 

Daarmee faalt grief II.

3.4.2.

 

Voor het antwoord op de vraag of [werkgever] als werkgever uit hoofde van artikel 7:611 BW aansprakelijk is voor de gedragingen van [direct leidinggevende] en [collega 3] is van belang of voor [direct leidinggevende] en/of [collega 3] redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat voor [werknemer] direct medische hulp diende te worden ingeschakeld om gezondheidsschade te voorkomen. De rechtbank heeft dit overwogen in r.o. 4.9. van het vonnis waarvan beroep en daartegen heeft [werknemer] geen grief gericht. Bij deze beoordeling zal het hof, mede aan de hand van de getuigenverklaringen, eerst vaststellen welke (uiterlijke) kenmerken [werknemer] vertoonde op het moment dat [direct leidinggevende] hem herhaaldelijk vroeg of hij niet beter naar huis kon gaan.

 

Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] in de ochtend op het werk arriveerde met een dikke wang.

 

Ook staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat [werknemer] wat afwezig was en niet goed uit zijn woorden kon komen. Daarbij hecht het hof met name waarde aan de getuigenverklaring van de bedrijfsarts van [werkgever] waaruit blijkt wat haar namens [collega 3] en [direct leidinggevende] is medegedeeld: “Ik begreep van de doktersassistente dat de heer [werknemer] tijdens het eten op het werk wat afwezig was en niet goed uit zijn woorden kon komen”.

 

Verder gaat het hof ervan uit dat de notitie die [werknemer] maakte van een telefoongesprek op het werk niet goed te lezen was. Dit blijkt uit het SEH-formulier dat het ziekenhuis bij de intake van [werknemer] heeft opgemaakt naar aanleiding van hetgeen [echtgenote] heeft verteld enkele uren nadat zij [collega 3] en [direct leidinggevende] telefonisch had gesproken. Dat [echtgenote] dit in de hectiek van dat moment zou hebben verzonnen acht het hof niet goed voorstelbaar.

 

Dat [werknemer] geen sigaret kon draaien is gezien de tegenstrijdige getuigenverklaringen daarover niet vast komen te staan.

 

Dat [werknemer] zwalkend liep toen [direct leidinggevende] hem vroeg of hij niet beter naar huis kon gaan, is naar het oordeel van het hof evenmin vast komen te staan. De (indirecte) verklaring van [naam 2] acht het hof op dit punt onvoldoende relevant nu vaststaat dat zij [werknemer] pas heeft gezien nadat hij was vertrokken bij [direct leidinggevende] en [collega 3] . Dat er slechts enkele ogenblikken zaten tussen het moment dat [werknemer] naar huis vertrok vanaf [collega 3] en [direct leidinggevende] en het moment dat hij met [naam 2] sprak, maakt dat niet anders. In enkele ogenblikken kunnen de (uiterlijke) kenmerken die [werknemer] vertoonde immers zijn veranderd. Zo verklaart de getuige [collega 4] , de enige andere collega naast [collega 3] en [naam 2] die stelt [werknemer] zelf naar de uitgang te hebben zien lopen, dat hem niets opviel aan de manier waarop [werknemer] liep.

Verder neemt het hof in aanmerking dat [collega 3] en [direct leidinggevende] noch aan [echtgenote] , noch aan de bedrijfsarts melding hebben gemaakt van zwalkend lopen en dat dit (dus) ook niet staat vermeld in het SEH-formulier. Ook de bedrijfsarts, waar [werknemer] naar eigen zeggen vlak daarvoor nog was geweest, heeft verklaard dat haar tijdens het bezoek van [werknemer] niets bijzonders opviel, [werknemer] normaal binnenkwam, normaal communiceerde en zijn arm vrijmaakte voor de vaccinatie.

Of [werknemer] eenmaal of tweemaal naar de bedrijfsarts is geweest acht het hof gezien het voorgaande voor de beoordeling niet van belang.

 

Tot slot acht het hof de verklaring van [naam 2] minder betrouwbaar nu [werkgever] heeft aangetoond dat zij om 12.01 uur heeft uitgeklokt, terwijl zij (indirect) verklaart [werknemer] tussen 12:30 en 13:00 uur te hebben gezien en gesproken. Het hof passeert de stelling van [werknemer] dat [naam 2] alleen voor de pauze zou hebben uitgeklokt als onvoldoende onderbouwd, ook omdat uit de administratie van [werkgever] blijk dat zij die middag niet meer heeft ingeklokt en alleen in de ochtend heeft gewerkt.

 

Het hof passeert voorts het beroep op de verklaring van [naam 3] dat [collega 3] tegen hem heeft gezegd dat [werknemer] bij terugkomst van de bedrijfsarts zwalkend over straat liep en dat hij er op dat moment vanuit ging dat dit te wijten was aan het feestje met drankgebruik dat [werknemer] de avond tevoren zou hebben gehad. Allereerst verklaart [collega 3] zelf [werknemer] te hebben nagekeken toen hij van de afdeling naar zijn scooter liep en dat hij daaraan niets bijzonders zag. Daarbij strookt het feit dat [collega 3] en [direct leidinggevende] via personeelszaken bij de bedrijfsarts hebben laten navragen of [werknemer] wellicht niet lekker was geworden van de vaccinatie in combinatie met het tandartsbezoek, niet met de verklaring van [naam 3] dat [collega 3] ervan uitging dat [werknemer] dronken was.

 

Dat [werknemer] zijn scooter niet van de standaard kreeg en dat [direct leidinggevende] dit voor hem zou hebben gedaan, is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan. Naast [direct leidinggevende] en [collega 3] verklaart ook [collega 4] dat dit niet juist is. Hij verklaart [direct leidinggevende] niet te hebben gezien toen hij rond 12:30 uur [werknemer] naar de uitgang zag lopen.

 

Anders dan [werknemer] betoogt, hecht het hof geen bijzondere waarde aan de omstandigheid dat [direct leidinggevende] [werknemer] eerder die ochtend ook had gezien en hem vlak na de lunch herhaaldelijk vroeg of hij niet beter naar huis kon gaan, zonder te kunnen verklaren waarin het gedrag of het uiterlijk van [werknemer] verschilde ten opzichte van die ochtend. De constatering dat een medewerker die ‘s ochtends niet lekker oogde na enkele uren nog steeds op dezelfde wijze niet lekker oogt, vormt naar het oordeel van het hof geen ongeloofwaardige verklaring voor het alsnog erop aandringen om naar huis te gaan.

 

Dat [collega 3] aan een beroerte zou hebben gedacht en de tekenen van een beroerte zou hebben herkend, is onvoldoende gesteld of gebleken en daarmee niet vast komen te staan. Deze stelling is bovendien strijdig met hetgeen [collega 3] zelf heeft verklaard en strookt niet met het feit dat [collega 3] bij de bedrijfsarts heeft nagevraagd of de combinatie van het tandartsbezoek en de vaccinatie de oorzaak van het zich niet goed voelen door [werknemer] zou kunnen zijn. [werknemer] beroept zich op de getuigenverklaring van de heer [naam 4] waarin staat dat [collega 3] aan een beroerte heeft gedacht. De verklaring van de heer [naam 4] is echter op meerdere onderdelen tegenstrijdig met die van andere getuigen. Zo verklaart [naam 4] dat [collega 4] hem had verteld dat hij [werknemer] met zijn been had zien trekken, terwijl [collega 4] zelf heeft verklaard dat hij [werknemer] heeft zien lopen en hem niet bijzonders opviel. Verder verklaart [naam 4] dat portier [portier] heeft gezien dat [werknemer] door twee man op zijn scooter werd geholpen, terwijl deze portier ( [portier] ) als getuige heeft verklaard [werknemer] die dag niet naar huis te hebben zien gaan en dat [werknemer] gebruik maakt van een andere ingang dan waar zijn portierloge is.

 

Het hof acht aannemelijk wat de getuige [naam 5] (hierna: [naam 5] ) heeft verklaard, namelijk dat het verhaal wat er met [werknemer] is gebeurd dagenlang rond gonsde op de afdeling en dat het verhaal steeds groter werd. [naam 5] verklaart dat hij bij vlagen steeds meer informatie kreeg die hij wat vreemd vond en dat hij niet meer weet of hij bepaalde informatie op 25 januari 2012 heeft meegekregen, of dat hij dat later heeft gehoord.

 

Aan hetgeen [werknemer] heeft verklaard zich te herinneren hecht het hof minder waarde, omdat hij op dat moment naar eigen zeggen een beroerte had en zijn herinneringen in elk geval op meerdere onderdelen niet juist blijken te zijn.

3.4.3.

 

Het hof stelt samengevat vast dat [werknemer] de volgende (uiterlijke) kenmerken vertoonde. [werknemer] had een dikke wang, die door zijn collega’s [collega 3] en [direct leidinggevende] in verband werd gebracht met het tandartsbezoek eerder die ochtend. [werknemer] heeft niet gesteld aan [collega 3] en/of [direct leidinggevende] te hebben gemeld dat hij bij de tandarts geen verdoving heeft gehad zodat bij [collega 3] en [direct leidinggevende] geen aanleiding bestond om aan dat verband te twijfelen.

 

[werknemer] was tijdens de lunch en daarna wat afwezig was en kon niet goed uit zijn woorden komen. Een notitie die [werknemer] maakte van een telefoongesprek op het werk was niet te lezen.

3.4.4.

 

Nadat [direct leidinggevende] [werknemer] herhaaldelijk had gevraagd of hij niet beter naar huis kon gaan, heeft [werknemer] daarmee in tweede instantie ingestemd. [direct leidinggevende] en [collega 3] hebben aangeboden [werknemer] naar huis te brengen, waarop [werknemer] aangaf op zijn scooter naar huis te willen gaan, hetgeen hij heeft gedaan.

 

Vervolgens hebben [direct leidinggevende] en [collega 3] bij de bedrijfsarts geverifieerd of de combinatie van het tandartsbezoek met de vaccinatie niet de oorzaak van het niet welbevinden van [werknemer] zou kunnen zijn. Het hof stelt tevens vast dat [direct leidinggevende] vervolgens [werknemer] heeft gebeld en het advies heeft doorgegeven dat hij het beste langs de huisarts kon gaan. [direct leidinggevende] heeft dit verklaard en [werknemer] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Ter zitting in hoger beroep heeft [werknemer] desgevraagd toegelicht bij thuiskomst zijn jas aan de kapstok te hebben gehangen en zijn telefoon in de zak van deze jas te hebben gelaten, waarna hij de hele middag in bed is gaan slapen zodat hij niet kan hebben gebeld. Het hof gaat voorbij aan dit betoog omdat het niet strookt met het feit dat [werknemer] om 13:51 uur zijn voicemail heeft gebeld en om 14:16 uur naar Tripels advocaten heeft gebeld, hetgeen blijkt uit het overzicht van Vodafone van de gegevens van zijn bedrijfstelefoon.

3.4.5.

 

Het hof is van oordeel dat het onder deze omstandigheden aandringen om naar huis te gaan niet in strijd is met goed werkgeverschap. Van omstandigheden waardoor het [direct leidinggevende] en/of [collega 3] redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat voor [werknemer] direct medische hulp diende te worden ingeschakeld om (verdere) gezondheidsschade te voorkomen, was naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat in het gebouw een bedrijfsarts aanwezig was en dat [werknemer] niet eerder in zijn lange loopbaan bij [werkgever] naar huis was gegaan omdat hij zich niet goed voelde, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.

3.4.6.

 

Anders dan [werknemer] betoogt, geldt voor een werkgever niet de verplichting om steeds een arts te (laten) raadplegen alvorens een zieke werknemer naar huis te sturen. Het al dan niet raadplegen van een arts in geval van ziekte valt naar het oordeel van het hof in beginsel onder de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer, nog daargelaten dat een werkgever niet de bevoegdheid heeft om een werknemer zonder diens toestemming door een huisarts laten onderzoeken.

 

Dat er geen beleid gold om te voorkomen dat een werknemer ziek naar huis wordt gestuurd zonder eerst een arts in te schakelen, kan om die reden niet leiden tot aansprakelijkheid van [werkgever] .

3.4.7.

 

Het hof passeert het bewijsaanbod van [werknemer] . [werknemer] heeft niet (voldoende) toegelicht wat [collega 3] en [direct leidinggevende] bij opnieuw horen meer of anders kunnen verklaren ten opzichte van hetgeen zij al eerder hebben verklaard. Dat [werknemer] hoopt dat ze iets anders zullen verklaren acht het hof in dit kader onvoldoende. Daarbij heeft het hof reeds overwogen de tegenstrijdigheid die [werknemer] in de verklaring van [direct leidinggevende] leest niet te zien (zie overweging 3.4.2.).

 

Het horen van mr. Frijns en [echtgenote] over hetgeen [naam 2] heeft verklaard en het horen van [naam 1] over de stelling dat [werknemer] tweemaal naar de bedrijfsarts is geweest kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Het hof verwijst naar hetgeen hieromtrent is overwogen in overweging 3.4.2.

 

Het bewijsaanbod rond de stelling dat [werknemer] een grote kans had gehad dat hij geen blijvend letsel had opgelopen als hij naar een arts was gestuurd passeert het hof nu niet vast is komen te staan dat [werkgever] aansprakelijk is.

 

Slotsom

3.4.8.

 

Op grond van het voorgaande falen alle grieven, ook de ongenummerde. Het hof zal bestreden vonnis bekrachtigen en [werknemer] veroordelen in de proceskosten.

4 De uitspraak

 

Het hof:

 

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

 

– veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [werkgever] op € 1.978,- aan griffierecht en op € 2.148,- aan salaris advocaat.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, A.L. Bervoets en

 

R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 december 2020.

 

griffier rolraadsheer

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey