HR: mogelijke aansprakelijkheid politie voor letsel benadeelde in cel, afwijzing hof van verzoek om camerabeelden te tonen onbegrijpelijk

Samenvatting:

Benadeelde heeft letsel opgelopen in politiecel door zelfdestructief gedrag. Hij heeft de politie aansprakelijk gesteld, omdat niet adequaat zou zijn gehandeld en niet tijdig is ingegrepen, gelet op de toestand waarin hij verkeerde. Door het hof is het verzoek van eisers om camerabeelden ter zitting te bekijken gepasseerd. Eisers hebben toegelicht dat zij zelf niet beschikken over de camerabeelden en deze dus niet in het geding konden brengen. De vordering in kort geding tot afgifte van een kopie van de beelden was afgewezen en in plaats daarvan is de politie opgedragen de beelden in de hoofdzaak ter zitting te tonen indien de rechter vertoning van de beelden toestaat. De Hoge Raad oordeelt dat de motivering voor de afwijzing door het hof van het verzoek van eisers de camerabeelden op de zitting te tonen onbegrijpelijk is, in het licht van de door eisers gegeven toelichting op hun verzoek en de ter beoordeling voorliggende vraag.

ECLI:NL:HR:2022:274, Hoge Raad, 20/03168 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:HR:2022:274

Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

18-02-2022

Datum publicatie

18-02-2022

Zaaknummer

20/03168

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:784, Gevolgd

In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:5284, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

Rechtsgebieden

Burgerlijk procesrecht

Bijzondere kenmerken

Cassatie

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Procesrecht. Letsel opgelopen in politiecel door zelfdestructief gedrag. Politie aansprakelijk omdat niet adequaat is gehandeld en niet tijdig is ingegrepen? Hof passeert verzoek om camerabeelden ter zitting te bekijken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/03168

Datum 18 februari 2022

ARREST

In de zaak van

  1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

  1. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna: [eisers],

advocaten: J.H.M. van Swaaij en J.M. Moorman,

tegen

DE NATIONALE POLITIE,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de politie,

advocaten: S.A.L. van de Sande en N.E. Groeneveld-Tijssens.

  1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

het vonnis in de zaak C/08/198597 / HA ZA 17-96 van de rechtbank Overijssel van 21 maart 2018;

de arresten in de zaak 200.241.852/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2019 en 7 juli 2020.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 7 juli 2020 beroep in cassatie ingesteld.

De politie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de politie toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser 1] en [eiseres 2] zijn echtgenoten.

(ii) Op 4 mei 2010 heeft [eiseres 2] de politie gebeld omdat door de overspannen toestand van [eiser 1] een levensbedreigende situatie in hun woning was ontstaan.

(iii) Bij aankomst hebben de twee agenten geconstateerd dat [eiser 1] zich agressief gedroeg. Zij hebben hem geboeid en meegenomen naar het politiebureau.

(iv) [eiser 1] werd om 19:14 uur ingesloten in een zogenoemde Riagg-cel. Via de camera die in de cel hing, werd [eiser 1] door agenten geobserveerd. Van de camerabeelden heeft de Rijksrecherche later, op 15 juni 2010, een proces-verbaal opgemaakt.

(v) In het proces-verbaal staat dat [eiser 1] zich om 21:14 uur met zijn hoofd langs de celdeur op de grond heeft laten vallen.

(vi) Omstreeks 21:45 heeft een GGD-arts [eiser 1] bezocht. Tijdens het onderzoek schopte [eiser 1] de GGD-arts in zijn kruis, waarop de aanwezige agenten [eiser 1] onder controle probeerden te krijgen en een worsteling ontstond. De GGD-arts heeft contact opgenomen met de crisisdienst en een psychiatrisch verpleegkundige verzocht om naar het politiebureau te komen om [eiser 1] te beoordelen.

(vii) De psychiatrisch verpleegkundige arriveerde omstreeks 22:30 uur en heeft na het zien van de camerabeelden en na overleg met de GGD-arts de dienstdoende psychiater van de crisisdienst verzocht om te komen.

(viii) [eiser 1] heeft zich tussen 22:20 uur en 23:02 uur verschillende keren tegen de celdeur en -wand aangegooid.

(ix) De psychiater arriveerde omstreeks 23:30 uur en heeft tevergeefs getracht via het observatieluikje contact met [eiser 1] te maken.

(x) [eiser 1] is vervolgens bij herhaling zonder bescherming van zijn handen met zijn hoofd tegen de celdeur en -wand gedoken.

(xi) De psychiater heeft te kennen gegeven dat [eiser 1] ter bescherming van zichzelf en met het oog op noodzakelijk onderzoek en de toediening van medicatie, gefixeerd moest worden.

(xii) Na voorbereiding en oefening van de zogenoemde schildprocedure, zijn de agenten om 00:13 uur de cel binnengegaan om [eiser 1] te fixeren.

(xiii) Tijdens de fixatie staakte [eiser 1] zijn verzet en heeft de GGD-arts [eiser 1] nader onderzocht. De GGD-arts constateerde dat [eiser 1] geen hartslag meer had. [eiser 1] is gereanimeerd en per ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

(xiv) Kort na de gebeurtenissen is bij [eiser 1] acute letale katatonie vastgesteld. In 2012 zijn bij hem blijvende cognitieve stoornissen geconstateerd. [eiser 1] is thans grotendeels aangewezen op dagopvang of zorg door [eiseres 2].

2.2

[eisers] vorderen in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat de politie aansprakelijk is voor de schade van [eisers] als gevolg van onrechtmatig handelen op 4 en 5 mei 2010 en veroordeling van de politie tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Daaraan hebben [eisers], voor zover in cassatie van belang, ten grondslag gelegd dat de politie niet tijdig en niet adequaat heeft opgetreden, niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om letsel te voorkomen en niet heeft ingegrepen toen bleek dat ingrijpen geboden was om verdere schade te voorkomen. Voorts is [eiser 1] door het handelen van de politie verstoken geweest van de tijdige medische hulp waaraan hij behoefte had, aldus [eisers]

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] afgewezen.1

2.4

Nadien, op 14 november 2018, heeft de advocaat van [eisers] de camerabeelden van hetgeen is voorgevallen in de cel op 4 en 5 mei 2010 bekeken op het politiebureau. De politie heeft het verzoek van [eisers] om verstrekking van een kopie van de camerabeelden afgewezen. Vervolgens hebben [eisers] in kort geding afgifte van een kopie van de camerabeelden gevorderd. In die procedure heeft het gerechtshof Den Haag2 de vordering tot afgifte afgewezen, maar de politie wel opgedragen om, indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure vertoning van de camerabeelden toestaat, de camerabeelden, zoals die nu op dvd staan, geheel of het door [eisers] gewenste gedeelte daarvan ter zitting te (laten) vertonen.

2.5

[eisers] hebben, onder verwijzing naar het hiervoor in 2.4 genoemde arrest in het kort geding, het hof verzocht toe te staan dat de camerabeelden op de zitting worden getoond.

2.6

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.3 Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Het hof wijst het verzoek van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden die zijn gemaakt van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel af. Het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat [eisers] een rechtmatig belang hebben bij de camerabeelden omdat [eisers] gemotiveerd hebben gesteld dat er op de beelden meer te zien is dan beschreven in het rapport van de Rijksrecherche. Het oordeel van het gerechtshof Den Haag betrof de vraag of [eisers] recht hebben op verstrekking van de camerabeelden. Die vraag heeft het bevestigend beantwoord. Het is vervolgens aan het hof om te bepalen of het voor de beoordeling van de vordering van [eisers] daadwerkelijk noodzakelijk is de camerabeelden te bekijken. (rov. 4.3-4.6)

Het hof acht het bekijken van de camerabeelden niet noodzakelijk voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] In het proces-verbaal van 15 juni 2010 zijn de beelden van de camera bevestigd in het plafond van de cel en de camera gericht op het portaal vóór de cel omschreven en verwerkt in een gedetailleerd schema waarin nauwkeurig is omschreven wat er in de cel gebeurt en hoe [eiser 1] zich gedraagt. [eisers] hebben op geen enkele wijze toegelicht wat er meer is te zien op de camerabeelden dan in het schema staat en waarom dit voor de beoordeling van hun vorderingen van belang is. [eisers] hebben zelf al de gelegenheid gehad om de camerabeelden te bekijken en hebben dat ook gedaan. Op basis daarvan hadden zij concreet kunnen aangeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Dit had ook van [eisers] verwacht mogen worden ter onderbouwing van het verzoek, maar [eisers] hebben dit nagelaten. Naar het oordeel van het hof voegt het bekijken van de camerabeelden, die volgens de politie ook nog eens – als gevolg van een overzetting – incompleet en niet chronologisch zijn, bij deze stand van zaken niets toe aan de (completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden. Het horen van de rechercheur die het proces-verbaal heeft opgemaakt als getuige wordt om dezelfde reden verworpen. (rov. 4.7)

Het bewijsaanbod van [eisers] om de agenten die [eiser 1] naar het politiebureau hebben meegenomen als getuigen te horen over de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] is onvoldoende specifiek, omdat niet duidelijk is over welke feiten die voor de beslissing van de zaak van belang kunnen zijn, zij kunnen verklaren. (rov. 4.12)

Niet kan worden vastgesteld dat in de periode tot de komst van de GGD-arts het gedrag van [eiser 1] zodanig was dat de politie had moeten ingrijpen. [eiser 1] vertoonde geen zelfdestructief of automutilerend gedrag en de GGD-arts constateerde dat [eiser 1] niet gewond was. (rov. 4.14)

Het enkele feit dat [eiser 1] tijdens de worsteling die is ontstaan om de GGD-arts te ontzetten op zijn hoofd viel, al dan niet bewust, hoefde voor de politie geen aanwijzing te zijn dat [eiser 1] zichzelf zou gaan verwonden en dat ingrijpen geboden was. (rov. 4.15)

Uit de beschrijving van de camerabeelden in het proces-verbaal volgt dat [eiser 1] zich vanaf 22:20 uur anders begon te gedragen. Volgens de beschrijving gooide [eiser 1] zich onder andere meerdere keren (om 22:20 uur, om 22:43 uur, om 22:54 uur en om 23:03 uur) met zijn lichaam tegen de celdeur. Uit de beschrijving van de beelden volgt dat er op dat moment vermoedelijk wondjes op zijn hoofd zijn ontstaan. Dit gedrag van [eiser 1] duurde tot 23:03 uur. (rov. 4.17)

Toen de situatie om 22:20 uur veranderde was de verpleegkundige al onderweg. Onder die omstandigheden kon de politie de komst van de verpleegkundige afwachten, ook al gooide [eiser 1] zich tegen de celdeur. (rov. 4.18)

Toen het gedrag van [eiser 1] rond 23:30 uur zodanig zelfdestructief werd en de inmiddels aanwezige psychiater om 23:33 uur verzocht om in te grijpen, is de politie binnen een redelijk tijdsbestek daartoe overgegaan. De politie had gezien de omstandigheden van het geval in redelijkheid ook niet eerder hoeven ingrijpen of tot actie hoeven overgaan dan nadat zij daartoe de instructie van de psychiater kreeg. Daarvoor was geen sprake van een acute (levens)bedreigende situatie die ingrijpen noodzakelijk maakte. Van een handelen door de politie in strijd met een wettelijke plicht of een subjectief recht is niet gebleken, terwijl evenmin is gebleken dat de politie buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, in de omstandigheden van dit geval. (rov. 4.26)

3Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof (in rov. 1.1 en rov. 4.3-4.7) de beslissingen om de door [eisers] verzochte vertoning van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de Riagg-cel op de zitting niet toe te staan en de bewijsaanbiedingen van [eisers] te passeren, onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het onderdeel wijst erop dat [eisers] ter toelichting van hun verzoek tot het vertonen van de camerabeelden hebben aangevoerd dat de camerabeelden een volledig beeld geven van wat zich op 4 en 5 mei 2010 heeft afgespeeld tijdens het verblijf van [eiser 1] in de cel en dat op de camerabeelden is te zien hoe [eiser 1] en andere betrokkenen, waaronder de politie, zich toen hebben gedragen. [eisers] hebben gewezen op het belang dat het hof de camerabeelden waarneemt, omdat de (on)rechtmatigheid van het handelen van de politie voorligt. Daarbij hebben [eisers] opgemerkt dat in het rapport van de Rijksrecherche een beschrijving van enkele beeldsegmenten is gegeven, maar dat deze beschrijving slechts een selectie van waarnemingen betreft en geen volledig beeld geeft van het handelen en nalaten van de politie. Voorts is het oordeel dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan onbegrijpelijk; alleen hun advocaat heeft de beelden op het politiebureau kunnen bekijken, aldus het onderdeel.

3.1.2

Het gaat in deze zaak om de vraag of de politie anders had moeten handelen en in het bijzonder of zij, gedurende de periode dat [eiser 1] in de cel verbleef, eerder had moeten ingrijpen, gelet op de toestand waarin [eiser 1] verkeerde en het gedrag dat hij vertoonde. [eisers] beschikken niet over de camerabeelden. De vordering van [eisers] in kort geding tot afgifte van een kopie van de beelden is afgewezen en in plaats daarvan is de politie opgedragen de beelden in de hoofdzaak ter zitting te tonen indien de rechter vertoning van de beelden toestaat. [eisers] konden de beelden dus niet zelf als bewijs in het geding brengen.

3.1.3

In het licht van de door [eisers] gegeven toelichting op hun verzoek (zie hiervoor in 3.1.1) en de ter beoordeling voorliggende vraag (zie hiervoor in 3.1.2) is de motivering voor de afwijzing door het hof van het verzoek van [eisers] de camerabeelden op de zitting te tonen onbegrijpelijk. Dat het tonen van de beelden in dit geval van belang is voor de beoordeling van de gebeurtenissen waar om het hier gaat, behoefde niet meer toelichting dan [eisers] bij hun verzoek hebben gegeven. Voorts is, anders dan het hof overweegt, in het kort geding niet geoordeeld dat [eisers] recht hebben op verstrekking van de beelden; de daarop gerichte vordering is in het kort geding juist afgewezen (zie hiervoor in 2.4). [eisers] konden deze beelden dus niet uit eigen beweging in het geding brengen. Om dezelfde reden is onbegrijpelijk het oordeel dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan en dat daarom van hen verlangd mocht worden toe te lichten wat er meer op de beelden te zien is dan in het schema bij het proces-verbaal staat en in hoeverre de beelden afwijken van het proces-verbaal. Indien het hof daarbij het oog heeft gehad op de omstandigheid dat de advocaat van [eisers], nog voor het kort geding, de beelden heeft bekeken op het politiebureau (zie hiervoor in 2.4), kon het hof daaruit niet zonder nadere motivering de conclusie trekken dat [eisers] in staat waren bij hun verzoek verschillen tussen de beelden en het proces-verbaal te specificeren.

Uit het voorgaande blijkt dat de hiervoor in 3.1.1 genoemde klachten slagen.

3.2.1

Onderdeel 2 klaagt dat het hof het aanbod van [eisers] om de rechercheur die het proces-verbaal heeft opgemaakt als getuige te horen, niet toereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2.2

De klacht slaagt. Het hof heeft dit bewijsaanbod “om dezelfde reden” afgewezen als het verzoek tot het tonen van de camerabeelden. Het hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van [eisers] mocht worden verwacht dat zij concretiseren in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en dat, nu [eisers] dat hebben nagelaten, het horen van de rechercheur die het proces-verbaal heeft opgemaakt niets toevoegt aan het proces-verbaal zelf. Die motivering kan de afwijzing van het aanbod de desbetreffende rechercheur als getuige te horen niet dragen, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.1.3 is overwogen.

3.3

De overige klachten van de onderdelen 1 en 2, en de onderdelen 3, 4 en 5 behoeven geen behandeling.

4Beslissing

De Hoge Raad: – vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juli 2020;

– verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

– veroordeelt de politie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 531,65 aan verschotten en € 2.600,– voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de politie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 februari 2022.

1Rechtbank Overijssel 21 maart 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:947.

2Gerechtshof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287.

3Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5284.

ECLI:NL:PHR:2021:784

Instantie

Parket bij de Hoge Raad

Datum conclusie

03-09-2021

Datum publicatie

27-09-2021

Zaaknummer

20/03168

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Bewijsrecht. Geschil over de vraag of de Politie onrechtmatig heeft gehandeld door man in te sluiten in een politiecel, en door niet tijdig en adequaat op te treden toen man in de cel zelfdestructief gedrag vertoonde. Afwijzing verzoek tot het bekijken van camerabeelden van het verblijf van de man in de politiecel. Passeren getuigenbewijsaanbod.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03168

Zitting 3 september 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

  1. [eiser 1]
  1. [eiseres 2]

(hierna afzonderlijk: [eiser 1] respectievelijk [eiseres 2] en gezamenlijk: [eisers] )

eisers tot cassatie

advocaten: mr. J.H.M. van Swaaij en mr. J.M. Moorman

tegen

De Nationale Politie

(hierna: de Politie)

verweerster in cassatie

advocaten: mr. S.A.L. van de Sande en mr. N.E. Groeneveld-Tijssens

In deze zaak gaat het om de vraag of de Politie onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser 1] in te sluiten in een politiecel en door niet tijdig en adequaat op te treden toen [eiser 1] in de politiecel zelfdestructief gedrag vertoonde door zich herhaaldelijk met zijn hoofd en lichaam tegen de celdeur en -wand te werpen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en oordeelt dat de Politie niet eerder of anders heeft hoeven ingrijpen dan zij heeft gedaan. Dit oordeel wordt in cassatie bestreden. Onder meer wordt geklaagd over de beslissing van het hof om de door [eisers] verzochte vertoning ter zitting van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de cel niet toe te staan en over het passeren van de door [eisers] gedane getuigenbewijsaanbiedingen. In het juridisch kader wordt uitvoerig ingegaan op de vraag hoe de rechter moet omgaan met een verzoek om camerabeelden te bekijken.

1Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juli 2020, rov. 2.2 tot en met 2.17.1

1.1

Op dinsdag 4 mei 2010 om 18:34 uur heeft [eiseres 2] gebeld met de politiemeldkamer met het verzoek om naar haar woning te komen, omdat een levensbedreigende situatie was ontstaan door de overspannen toestand van haar man [eiser 1] . [eiser 1] ging door het lint en zou zijn jongste zoon iets hebben willen aandoen.

1.2

De twee agenten, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die ter plaatse arriveerden hoorden van de buurman van [eiser 1] , [betrokkene 3] , dat [eiser 1] vanaf 17:00 uur liep te schreeuwen en zijn zoon had aangevallen. De agenten zijn vervolgens de woning van [eiser 1] binnen gegaan.

1.3

In de woning troffen de agenten [eiseres 2] , [eiser 1] en zijn (destijds 17-jarige) zoon aan. [eiser 1] lag op de bank in de woonkamer. [eiser 1] gedroeg zich agressief en recalcitrant en besloten werd om [eiser 1] in het kader van art. 2 Politiewet (hulpverlening) mee naar het bureau te nemen. De agenten hebben [eiser 1] daartoe geboeid.

1.4

Om 19:14 uur werd [eiser 1] ingesloten in een zogenaamde Riagg-cel. Via de camera die in de betreffende cel hing, werd [eiser 1] door de agenten in de gaten gehouden. Van het opgenomen beeldmateriaal is door de Rijksrecherche een proces-verbaal d.d. 15 juni 2010 opgemaakt (hierna: het proces-verbaal).

1.5

[eiser 1] is omstreeks 21:45 uur door [de GGD-arts] (hierna: de GGD-arts) bezocht in zijn cel. Ter beveiliging van de GGD-arts zijn twee arrestantenverzorgers met hem mee de cel ingegaan. De GGD-arts heeft vastgesteld dat [eiser 1] op dat moment nog geen hoofdwond had. Tijdens het onderzoek schopte [eiser 1] de GGD-arts in het kruis, waarop de aanwezige agenten [eiser 1] onder controle probeerden te krijgen. Op het moment dat de GGD-arts de cel uit wilde lopen greep [eiser 1] hem bij zijn benen, waarop opnieuw een worsteling is ontstaan.

1.6

Na het verlaten van de cel heeft de GGD-arts rond 22:00 uur contact opgenomen met de crisisdienst Dimence te Deventer. De GGD-arts heeft gesproken met sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [de verpleegkundige] (hierna: de verpleegkundige) en haar verzocht om naar het politiebureau te komen om [eiser 1] te beoordelen.

1.7

Om ongeveer 22:30 uur arriveerde de verpleegkundige op het politiebureau. Na het zien van de camerabeelden en overleg met de GGD-arts, heeft zij de dienstdoende psychiater bij de crisisdienst [de psychiater] (hierna: de psychiater) gebeld om te komen zodat zij samen een (IBS-)beoordeling van [eiser 1] konden doen.

1.8

Blijkens camerabeelden (A-G: het hof heeft zich hier kennelijk gebaseerd op de beschrijving van de beelden die is opgenomen in het door de Rijksrecherche opgemaakte proces-verbaal2) heeft [eiser 1] zich tussen 22:20 uur en 23:03 uur meerdere keren tegen de celdeur en -wand aangegooid.

1.9

De psychiater arriveerde rond 23:30 uur. De psychiater heeft overlegd met de verpleegkundige en heeft de camerabeelden bekeken, alvorens hij met agenten en arrestantenverzorgers naar de cel van [eiser 1] ging. Aldaar heeft de psychiater omstreeks 23:33 uur via het geopende observatieluikje meerdere malen geprobeerd om contact met [eiser 1] te maken, maar dat is niet gelukt. [eiser 1] heeft met zijn arm een grijpende beweging gemaakt door het observatieluikje waar de psychiater achter stond.

1.10

[eiser 1] wierp zich vervolgens herhaaldelijk met zijn hoofd en lichaam tegen de celdeur en -wand.

1.11

De psychiater heeft te kennen gegeven dat [eiser 1] ter bescherming van zichzelf en met het oog op noodzakelijk onderzoek en de toediening van medicatie, gefixeerd moest worden.

1.12

Na overleg over de wijze waarop [eiser 1] onder controle gebracht kon worden en het treffen van de nodige voorbereidingen, zijn de agenten om 00:13 uur de cel binnengegaan om [eiser 1] door middel van de zogenaamde schildprocedure te fixeren.

1.13

Tijdens de fixatie is de GGD-arts erbij gehaald om een forse hoofdwond van [eiser 1] te onderzoeken. De GGD-arts vond dat de wond niet verzorgd hoefde te worden. Hij maakte zich wel zorgen over eventuele schade aan de hersenen van [eiser 1] . Toen de GGD-arts de wond beoordeelde, was [eiser 1] nog steeds heel erg onrustig. Hij werd in bedwang gehouden en geboeid. Nadat de GGD-arts de wond had gezien gingen de agenten verder met het boeien van de armen en benen van [eiser 1] .

1.14

Vlak voordat de verpleegkundige klaar stond om [eiser 1] door middel van een injectie Promethazine toe te dienen, werd geconstateerd dat [eiser 1] het verzet staakte. De GGD-arts heeft [eiser 1] pijnprikkels gegeven waarop hij niet reageerde. Het schild werd van [eiser 1] afgehaald zodat de GGD-arts [eiser 1] nader kon onderzoeken. Vervolgens constateerde de GGD-arts dat [eiser 1] geen hartslag meer had. Daarop is men met reanimatie begonnen.

1.15

[eiser 1] is vervolgens met de ambulance afgevoerd richting het Deventer Ziekenhuis. Hij is opgenomen op de Intensive Care en daar in een kunstmatige coma gehouden. Op 12 mei 2010 is acute letale katatonie bij [eiser 1] vastgesteld. In 2012 zijn bij hem blijvende cognitieve stoornissen vastgesteld. In zijn huidige toestand is [eiser 1] grotendeels aangewezen op dagopvang of zorg door [eiseres 2] .

1.16

Bij brief van 21 oktober 2014 is de Politie door [eiser 1] aansprakelijk gesteld voor alle als gevolg van het gebeuren op 4 en 5 mei 2010 door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De Politie heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2Procesverloop

2.1

Bij inleidende dagvaarding van 21 februari 2017 hebben [eisers] de Politie gedagvaard voor de rechtbank Overijssel en gevorderd dat de rechtbank, samengevat:

(i) voor recht verklaart dat de Politie volledig aansprakelijk is voor de schade die [eiser 1] respectievelijk [eiseres 2] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het in de dagvaarding omschreven onrechtmatig handelen door de Politie, althans door medewerkers van de Politie, op 4 en 5 mei 2010;

(ii) de Politie veroordeelt tot vergoeding van alle door [eisers] geleden en te lijden schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen,3 op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

(iii) de Politie veroordeelt in de kosten van het geding.

2.2

Aan deze vorderingen hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij niet eerder en adequaat heeft opgetreden, niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om letsel te voorkomen en niet heeft ingegrepen toen bleek dat ingrijpen geboden was om verdere schade te voorkomen. Volgens [eisers] is [eiser 1] door het handelen van de Politie bovendien verstoken geweest van tijdige medische hulp waaraan hij behoefte had.4 [eisers] noemen daarbij verschillende momenten waarop de Politie – kort gezegd – niet tijdig en adequaat heeft opgetreden en ingegrepen, te weten bij: (1) het vervoer van [eiser 1] per politieauto naar het politiebureau in Deventer, (2) de insluiting van [eiser 1] in een politiecel, (3) het nemen van maatregelen en optreden tegen zelfverwonding, en (4) de toepassing van de schildprocedure.5 [eisers] stellen dat [eiser 1] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Politie blijvend letsel in en aan zijn hoofd heeft opgelopen, waardoor hij niet meer in staat is zelfstandig te functioneren en grotendeels is aangewezen op dagopvang of zorg door [eiseres 2] , waardoor ook [eiseres 2] schade lijdt.6

2.3

De Politie heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

2.4

Bij vonnis van 21 maart 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] afgewezen en [eisers] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.7 Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de Politie in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of een subjectief recht van [eiser 1] , terwijl evenmin is gebleken dat de Politie bij haar beroepsmatige handelen in de omstandigheden van het geval en rekening houdend met de voor haar geldende wet- en regelgeving buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.8

2.5

[eisers] zijn bij appeldagvaarding van 19 juni 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij memorie van grieven, tevens verzoek tot nemen van akte van 18 december 2018 hebben [eisers] het vonnis met zes grieven bestreden en gevorderd – kort gezegd – dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eisers] toewijst, met veroordeling van de Politie in de kosten van het geding in beide instanties. Daarnaast is gevorderd dat het hof [eisers] (op voorhand) toestaat akte houdende productie(s) te nemen ter zake van de camerabeelden die op 4 en 5 mei 2010 zijn gemaakt in en bij de politiecel waarin [eiser 1] verbleef.9 De memorie van grieven vermeldt in dit verband (onder 18 en 20) dat de Politie het verzoek tot verstrekking van de camerabeelden heeft afgewezen,10 dat op korte termijn een kortgedingprocedure zal worden gestart tot verkrijging van de camerabeelden van de Politie, en dat de beelden op een usb-stick bij akte in het geding zullen worden gebracht indien en zodra [eisers] daarover beschikken.

2.6

De Politie heeft bij memorie van antwoord van 23 april 2019 verweer gevoerd.

2.7

Bij tussenarrest van 11 juni 2019 heeft het hof een meervoudige comparitie gelast, met als doel het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. De datum van de zitting is door het hof bepaald op 19 mei 2020.

2.8

Op 3 september 2019 heeft het hof Den Haag uitspraak gedaan in de kortgedingprocedure die [eisers] waren gestart tegen de Politie (hierna: het kortgedingarrest). Inzet van deze procedure was het (ex art. 843a Rv) verkrijgen van een afschrift van de camerabeelden die zijn gemaakt in en voor de cel waarin [eiser 1] verbleef op 4 en 5 mei 2010 (vgl. onder 2.5). Het hof Den Haag heeft de Politie geboden om, indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure vertoning van de camerabeelden toestaat, op eerste verzoek van [eisers] de betreffende camerabeelden, zoals die nu op dvd staan, geheel of het door [eisers] gewenste gedeelte daarvan ter zitting in de bodemprocedure te (laten) vertonen, op straffe van een dwangsom.11

2.9

Bij (in cassatie niet overgelegd) H-formulier, ingekomen bij het hof op 4 mei 2020, hebben [eisers] het hof voorafgaand aan de comparitie verzocht, onder verwijzing naar het kortgedingarrest van het hof Den Haag, toe te staan dat de camerabeelden genoemd in dat arrest zullen worden getoond tijdens een zitting in de onderhavige procedure.12 Het kortgedingarrest is door [eisers] overgelegd bij akte overlegging producties van 19 mei 2020. In deze akte wordt tevens gerefereerd aan het bij H-formulier gedane verzoek tot het tonen van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel en wordt dit verzoek (nogmaals13) toegelicht.

2.10

De door het hof gelaste comparitie is in verband met de maatregelen ter bestrijding van het Covid-19 virus niet doorgegaan. Partijen hebben het hof laten weten te kunnen instemmen met een schriftelijke afdoening van de zaak. Het hof heeft de Politie nog in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te tonen. Dit heeft de Politie gedaan bij antwoordakte van 19 mei 2020.14

2.11

Bij arrest van 7 juli 2020 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het hoger beroep en de nakosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.15

2.12

In het bestreden arrest bespreekt het hof eerst het verzoek van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel (rov. 4.3-4.7). Dit verzoek wordt door het hof afgewezen. Aan het slot van rov. 4.7 overweegt het hof dat het aanbod van [eisers] tot het horen van [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), de inspecteur bij de Rijksrecherche die van de camerabeelden proces-verbaal heeft opgemaakt, als getuige “om dezelfde reden” wordt verworpen.

2.13

Vervolgens beoordeelt het hof de grieven die [eisers] hebben opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat de Politie rechtens geen verwijt valt te maken wat betreft de insluiting van [eiser 1] in een politiecel, het optreden tegen zelfverwonding en de toepassing van de schildprocedure.16 Volgens het hof falen deze grieven. Het hof vat de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen als volgt samen (rov. 4.26):

“4.26 Uit het vorenstaande volgt dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [eiser 1] bij aankomst op het politiebureau op te sluiten in een politiecel maar ook niet door [eiser 1] in de politiecel te houden tot 00:13 uur. De Politie heeft na insluiting, conform het Protocol Insluiting IJsselland, een GGD-arts ingeschakeld om te beoordelen hoe het verder moest. Die GGD-arts liet weliswaar lang op zich wachten, maar dit heeft geen nadelige gevolgen gehad voor [eiser 1] omdat [eiser 1] zich gedurende die periode rustig gedroeg. De GGD-arts heeft vervolgens de crisisdienst ingeschakeld. Toen het gedrag van [eiser 1] rond 23:30 uur zodanig zelfdestructief werd en de inmiddels aanwezige psychiater om 23:33 uur verzocht om in te grijpen, is de Politie – met achtneming van alle belangen – binnen een redelijk tijdsbestek daartoe overgegaan. Dat de uitvoering van de schildprocedure niet juist is geweest of dat in redelijkheid niet voor deze inventiemethode gekozen had kunnen worden, is niet gebleken. De Politie had gezien de omstandigheden van het geval in redelijkheid ook niet eerder hoeven ingrijpen of tot actie hoeven overgaan da[n] nadat zij de instructie daartoe van de psychiater kreeg. Daarvoor was geen sprake van een acute (levens)bedreigende situatie die ingrijpen noodzakelijk maakte. Van een handelen door de Politie in strijd met een wettelijke plicht of een subjectief recht is niet gebleken terwijl evenmin is gebleken dat de Politie buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, in de omstandigheden van dit geval. De grieven falen dan ook.”

2.14

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 7 juli 2020 tijdig17 beroep in cassatie ingesteld. De Politie heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en haar standpunt schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben afgezien van een schriftelijke toelichting. Wel hebben zij bij nota van repliek op de schriftelijke toelichting van de Politie gereageerd. De Politie heeft niet gedupliceerd.

3Juridisch kader

3.1

Het cassatiemiddel stelt onder meer aan de orde of door het hof voorbij mocht worden gegaan aan wat het hof heeft aangemerkt als het “verzoek” van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel, en of het hof de door [eisers] gedane aanbiedingen tot getuigenbewijs van de hand heeft mogen wijzen. Voordat ik op de daarop gerichte cassatieklachten inga, schets ik eerst het toepasselijke juridisch kader.

Uitgangspunt: bewijslevering door alle middelen

3.2

Uitgangspunt is dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 1 Rv). Vanwege de omstandigheid dat met het voortschrijden van de techniek steeds nieuwe bewijsmiddelen ter beschikking komen, heeft de wetgever er bewust van afgezien een opsomming van bewijsmiddelen in de wet op te nemen. Het resultaat is een open systeem van bewijsmiddelen, waarin ook plaats is voor nieuwe (technische) bewijsmiddelen. In de parlementaire geschiedenis van het nieuwe bewijsrecht (1988) is dat als volgt verwoord:18

“Een opsomming heeft te minder nut naarmate de techniek voortdurend nieuwe middelen ter beschikking stelt: foto’s, grammofoonplaten, films, geluidsbanden, bloedproeven enz.”

3.3

De regeling van het bewijsrecht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Boek I, Titel 2, Afdeling 9) bevat voor een aantal bewijsmiddelen specifieke voorschriften, namelijk voor: akten en vonnissen (art. 156 e.v. Rv), het openleggen van boeken, bescheiden en geschriften (art. 162 Rv), bewijs door het horen van getuigen ten overstaan van de rechter (art. 163 e.v. Rv), bewijs door deskundigen (art. 194 e.v. Rv), bewijs door gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging (de ‘descente’; art. 201 Rv), en de voorlopige bewijsverrichtingen (art. 186 e.v. Rv (getuigenverhoor) en art. 202 e.v. Rv (deskundigenonderzoek en descente)).19 Voor de overige bewijsmiddelen bestaat geen wettelijke regeling.

3.4

Uit de parlementaire geschiedenis bij het nieuwe bewijsrecht blijkt dat het opstellen van wettelijke regels voor ‘moderne’ (technische) bewijsmiddelen – waarbij als voorbeelden worden genoemd: foto’s, videobanden en geluidsbanden – niet nodig werd geacht, omdat “vooralsnog de indruk [bestaat] dat de praktijk aan zodanige voorschriften (nog) geen behoefte heeft”. Als mogelijke verklaring hiervoor noemt de parlementaire geschiedenis enerzijds dat “in het burgerlijk proces deze technische produkten nog niet vaak als bewijsmiddelen in het geding worden gebracht” en anderzijds de omstandigheid dat “bij de hantering van deze bewijsmiddelen de op de gangbare bewijsmiddelen betrekking hebbende processuele voorschriften, voor zover deze zich althans daarvoor lenen, reeds naar analogie dan wel rechtstreeks [worden] toegepast”.20

3.5

De wetgever is er dus vanuit gegaan dat nadere regels over het gebruik van technische bewijsmiddelen, zoals camerabeelden, niet nodig zijn omdat de bestaande regels rechtstreeks of naar analogie kunnen worden toegepast.

Getuigenbewijs

3.6

Art. 166 lid 1 Rv bepaalt dat, indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Deze bepaling verankert het (beginsel-)recht op getuigenbewijs van partijen. Dit recht brengt mee dat de rechter een aanbod tot bewijslevering door getuigen alleen op relevante en voldoende gronden mag passeren.21

3.7

Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep als uitgangspunt dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.22

3.8

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt volgens vaste rechtspraak af van de omstandigheden van het geval. De rechter zal daarbij, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. In het algemeen zal echter niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, kan de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn, meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.23 Aangenomen wordt wel dat deze eis ertoe strekt dubbel werk door de appelrechter te voorkomen.24 Bakels, Hammerstein en Wesseling-Van Gent merken op dat het antwoord op de vraag of het daadwerkelijk nodig is dat nader wordt toegelicht wat de getuigen meer of anders kunnen verklaren, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en dat die noodzaak niet snel mag worden aangenomen.25 Als sprake is van een bewijsaanbod tot het horen van nieuwe getuigen, geldt volgens de Hoge Raad dat niet hoeft te worden toegelicht in welk opzicht de verklaringen van deze nog niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen.26

3.9

Een bewijsaanbod is ter zake dienend als het betrekking heeft op feiten die voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering of de gegrondheid van het verweer van belang kunnen zijn.27 Zijn de feiten waarop een bewijsaanbod ziet niet relevant voor de beoordeling van het geschil, dan kan de rechter het aanbod als niet ter zake dienend passeren.28 Een bewijsaanbod is evenmin ter zake dienend indien het ziet op de juridische waardering van feiten, omdat een rechtsoordeel zich niet leent voor bewijslevering.29

3.10

De rechter mag een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs niet van de hand wijzen vanwege een negatieve prognose van het resultaat van de bewijslevering. In een recente beschikking verwoordt de Hoge Raad het aldus, dat “een bewijsaanbod [niet] mag (…) worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de inhoud van de verklaring of de waarde die deze zal blijken te hebben”.30 Dit zogenoemde prognoseverbod, waarvan de ratio door Asser is samengevat als “eerst horen, dan waarderen”,31 is vaste rechtspraak van de Hoge Raad.32 Dit verbod geldt ook indien van de te horen getuigen al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd of wanneer deze getuigen al zijn gehoord.33

Schriftelijk bewijs

3.11

Schriftelijk bewijs is bewijs door geschriften. In de algemeen gangbare definitie wordt onder ‘geschriften’ verstaan: ‘alle zaken die dragers zijn van verstaanbare leestekens, dienende om een gedachte-inhoud te vertolken’.34 In dagvaardingsprocedures35 geldt dat een partij die zich in haar processtukken op schriftelijke stukken beroept, op grond van art. 85 lid 1 Rv (jo. art. 353 lid 1 Rv in hoger beroep) in beginsel verplicht is om een afschrift van de betreffende stukken in het geding te brengen.36 Deze stukken zijn bewijsstukken, ook wel aangeduid als producties. De verplichting van art. 85 lid 1 Rv geldt voor alle vormen van schriftelijk bewijs.37

3.12

Anders dan voor bewijslevering door middel van getuigen, deskundigen of een descente, is voor schriftelijk bewijs dus niet de tussenkomst van de rechter vereist. Een aanbod tot het (alsnog) overleggen van schriftelijke bewijsstukken is derhalve niet nodig.38 Doet een partij toch zo’n bewijsaanbod, dan mag de rechter daar aan voorbijgaan. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter niet is gehouden een partij alsnog in de gelegenheid te stellen schriftelijk bewijs in het geding te brengen. Van een partij die zich beroept op schriftelijk bewijs (waarover zij beschikt39), mag worden verlangd dat zij dit uit zichzelf in het geding brengt, aldus de Hoge Raad.40 De voor getuigenbewijs geldende regel dat de rechter verplicht is een deugdelijk bewijsaanbod te honoreren, geldt dus niet voor schriftelijk bewijs.

3.13

Dat doet er echter niet aan af dat het in het algemeen wenselijk is dat de rechter een aanbod om bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen wél honoreert, namelijk wanneer die stukken informatie bevatten die relevant kan zijn voor een zo correct en volledig mogelijke vaststelling van de feiten waarop het geschil betrekking heeft.41 Dat dat wenselijk is, volgt uit het belang van waarheidsvinding.42 Door de Hoge Raad is dat belang omschreven als ‘het algemene maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt43 ten dienste van een goede rechtsbedeling’.44 Uiteindelijk gaat het dus om een goede rechtsbedeling. Het spreekt wel vanzelf dat dat belang het best wordt gediend als de rechter zich ruimhartig opstelt bij het kennisnemen van alle relevante informatie die beschikbaar is, en niet om procestechnische redenen weigert om kennis te nemen van bepaalde informatie.

3.14

Ahsmann noemt als nader argument om een partij alsnog in de gelegenheid te stellen om bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen ook het belang van procedurele rechtvaardigheid.45 Daarmee wordt bedoeld dat een partij de procedure als minder rechtvaardig zal beschouwen als de rechter weigert gelegenheid te bieden nog bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen als een partij daarom verzoekt.

3.15

De grens ligt hier bij de goede procesorde: als de procedure onredelijk wordt vertraagd of als de wederpartij onredelijk wordt benadeeld kan dat reden zijn om een partij niet meer toe staan om bepaalde schriftelijke stukken alsnog in het geding te brengen. In voorkomende gevallen zou de rechter een partij ook kunnen veroordelen in de extra proceskosten die de wederpartij heeft moeten maken, doordat een extra schriftelijke ronde nodig was.

Bewijs door camerabeelden

3.16

Het bepaalde in art. 152 lid 1 Rv, dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt, brengt als uitgangspunt mee dat ook camerabeelden in de civiele procedure als bewijsmiddel kunnen worden ingezet.

3.17

Anders dat het getuigenbewijs zijn camerabeelden als bewijsmiddel niet in de wet geregeld. Zoals gezegd (zie onder 3.5) is de wetgever er vanuit gegaan dat de bestaande regels voor bewijslevering rechtstreeks dan wel naar analogie kunnen worden toegepast, zodat een specifieke regeling niet nodig is.

3.18

De vraag is dan welke regels zich lenen voor toepassing bij een verzoek van een partij om camerabeelden of andere beeldopnames te bekijken, of geluidsopnames af te luisteren. Om te beginnen zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de regels voor het schriftelijk bewijs. Net als voor schriftelijk bewijs geldt dan de regel dat een partij die zich op beeldopnames (of geluidsopnames) wil beroepen, deze, net als schriftelijk bewijs, uit eigen beweging in het geding moet brengen door het overleggen van een kopie van de opnames of deze ter griffie te deponeren.

3.19

In de rechtspraak van de Hoge Raad (overigens gaat het om één uitspraak) is dit tot nu toe het uitgangspunt: geluidsopnamen moeten net als schriftelijke bewijsstukken door een partij uit eigen beweging in het geding worden gebracht. De consequentie van die benadering is dat een bewijsaanbod om geluidsopnames in het geding te brengen niet door de rechter hoeft te worden gehonoreerd, zo is beslist in een arrest van de Hoge Raad van 19 maart 1999.46 In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat dit uitgangspunt kan worden doorgetrokken naar beeldopnames, zodat ook daarvoor geldt dat een aanbod van een partij om die in het geding te brengen niet hoeft te worden gehonoreerd omdat een partij dat uit eigen beweging had moeten doen.47

3.20

In het arrest van 19 maart 1999 overwoog de Hoge Raad het volgende (rov. 3.7):

“3.7 (…). Voor het in het geding brengen van een geluidsband door een partij door middel van het deponeren daarvan ter griffie met het doel daardoor bewijs te leveren is – evenals voor schriftelijk bewijs – noch toestemming – van de wederpartij, noch een verzoek van de wederpartij, noch een verzoek of opdracht van de rechter vereist. Hoewel het [eiser] dus vrijstond de geluidsband in het geding te brengen, heeft hij dit niet gedaan. Hij heeft in zijn memorie van antwoord in appel slechts toegezegd de geluidsband ‘op eerste verzoek’ ter griffie te deponeren, op voorwaarde dat [verweerster] de instemming van [X] [de geluidsband betrof een gesprek tussen eiser en X, dat zonder instemming van X was opgenomen;48 A-G] in het geding zou brengen. Daarmee heeft [eiser] zelf voor het in het geding brengen van de geluidsband voorwaarden gesteld, die niet uit de wet volgen, en de mogelijkheid om deze band uit eigen beweging over te leggen niet benut. Onder deze omstandigheden was het Hof niet verplicht om [eiser] de gelegenheid te geven de geluidsband alsnog ter griffie te deponeren of om in zijn eindarrest nog terug te komen op de eerder ter sprake gekomen, doch niet in het geding gebrachte geluidsband. Daaraan doet niet af dat het hof [verweerster] in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het door [eiser] in zijn memorie van antwoorde gedane aanbod. Anders dan het middel aanvoert, kwam [eiser] niet het recht toe om zijnerzijds te antwoorden op de reactie van [verweerster]. Het Hof heeft derhalve geen rechtsregel geschonden en is niet tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht.”

Het hof was dus niet verplicht om eiser alsnog de gelegenheid te geven de geluidsband ter griffie te deponeren, omdat eiser dat uit zichzelf had kunnen doen (en de voorwaarden die eiser zelf aan het overleggen had gesteld niet uit de wet volgden).

3.21

Verder kan uit een arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003 worden afgeleid dat bij het in het geding brengen van beeld- of geluidsopnamen, net als bij schriftelijk bewijs, ook de wegwijsplicht geldt.49 Deze wegwijsplicht is vaste rechtspraak van de Hoge Raad en houdt in dat een partij die bewijsstukken overlegt duidelijk moet aangeven welk stuk ter onderbouwing van welke stelling wordt ingebracht en, zeker als het gaat om omvangrijke stukken, welk deel van het stuk precies relevant is.50 De Hoge Raad verwoordde het in 2017 aldus dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren.51

3.22

Het cassatieberoep in die zaak van 31 januari 2003 richtte zich onder meer tegen de overweging van het hof dat geen kennis was genomen van de door eiser gedeponeerde geluidsopnamen en een uitgewerkt gesprek, omdat de advocaat van eiser desgevraagd niet duidelijk had kunnen maken welk belang was gediend met kennisneming van de opnames en het uitgewerkte gesprek, naast de stukken die zich in het dossier bevonden. Dit oordeel blijft in cassatie in stand. De Hoge Raad overweegt dat wanneer een partij zich op (bewijs)materiaal wil beroepen en daartoe bijvoorbeeld geluidsopnamen (en uitgewerkte verslagen daarvan) ter griffie deponeert, de rechter – teneinde de goede procesorde en in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor te waarborgen – gehouden is genoegzame maatregelen te nemen om een adequate kennisneming van het materiaal door hem (de rechter) en de wederpartij mogelijk te maken, zo nodig met de door de deponerende partij te verschaffen technische hulpmiddelen. Daarbij moet de rechter zowel een goed verloop van het geding als de praktische uitvoerbaarheid van de maatregelen in het oog houden. De Hoge Raad vervolgt:52

“3.5 (…). Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal voormelde verplichting hem ertoe nopen de partij die het materiaal in het geding brengt te vragen welk belang gediend is met kennisneming van dat materiaal. De rechter kan het immers geboden achten – gelet op onder meer de omvang van het gedeponeerde, de toegankelijkheid ervan, de positie van de wederpartij en de aard van het geschil – dat ten behoeve van de wederpartij en hemzelf wordt opgehelderd ter toelichting of staving van welke stelling het gedeponeerde materiaal is bedoeld en welk (onder)deel van het gedeponeerde daartoe van belang is. Bij het uitblijven van de gevraagde opheldering of medewerking kan de rechter het gedeponeerde materiaal terzijde laten. (…).”

Uit deze overweging kan worden opgemaakt dat partijen ook bij het in het geding brengen van beeld- of geluidsopnames zullen moeten voldoen aan de wegwijsplicht. Laat een partij dit desgevraagd na, dan kan de rechter de overgelegde opname(s) buiten beschouwing laten.

3.23

De hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad is sinds 1 september 2017 gecodificeerd in art. 22b Rv. Art. 22b Rv bepaalt dat de rechter door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing kan laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is.53 In de wetgeschiedenis is te lezen dat hiermee is aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003.54 Als voor de rechter onduidelijk is wat het doel is van, bijvoorbeeld, het bekijken of afluisteren van beeld- of geluidsmateriaal, kan de rechter daar dus naar vragen. Hoewel de wetsgeschiedenis een andere kant op lijkt te wijzen,55 ga ik ervan uit dat de rechter niet onder alle omstandigheden om opheldering hoeft te vragen, maar alleen als daar aanleiding voor bestaat. Dat sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad uit 2003, waarin is overwogen dat de rechter ‘afhankelijk van de omstandigheden van het geval’ gehouden kan zijn om opheldering te vragen. Vergelijk ook Asser, die het volgende schrijft in zijn noot bij het arrest (mijn onderstreping; cursiveringen overgenomen):56

“Indien de wederpartij klaagt met betrekking tot de omvang, de aard of de relevantie van het materiaal en protesteert tegen de overlegging daarvan, is de rechter verplicht opheldering of medewerking te vragen aan de deponerende partij, bij gebreke waarvan hij het materiaal terzijde kan laten. Hoor en wederhoor is hier immers in het geding. Indien de wederpartij niet klaagt – zij kent bijvoorbeeld het materiaal al – maar de rechter er zelf geen wijs uit kan worden moet de rechter opheldering of medewerking van de deponerende partij vragen als onduidelijk is of het materiaal relevant kan zijn voor de beslissing. De rechter moet immers recht doen op de gedingstukken. Maar hij kan dat nalaten als hij, gelet op de context waarbinnen het materiaal door de deponerende partij is gepresenteerd, zelf al tot het oordeel is gekomen dat het materiaal niet relevant kan zijn voor de beslissing (er wordt bijvoorbeeld op een geheel ander punt beslist dan waarop het materiaal kennelijk betrekking heeft). (…)”

3.24

Als dus direct duidelijk is dat het bewijsmateriaal niet relevant kan zijn, hoeft de rechter geen opheldering te vragen. De rechter zal dat wél moeten doen als wellicht sprake is van bewijsmateriaal dat van belang is voor de feitenvaststelling en daarmee voor de rechterlijke beslising. Vergelijk ook Lindijer, die schrijft dat, gelet op het fundamentele belang van de mogelijkheid voor partijen om bewijs te kunnen leveren van hun stellingen – een mogelijkheid die verband houdt met het recht op hoor en wederhoor en het recht op een effectieve toegang tot de rechter – de rechter niet te snel bewijsmateriaal buiten beschouwing mogen laten, omdat voor hem niet duidelijk was tot bewijs waarvan het materiaal diende of welke onderdelen daarvan tot bewijs dienden.57

3.25

Als we dit doortrekken naar beeld- of geluidsmateriaal, betekent dat enerzijds dat de rechter niet zonder meer gehouden is om beelden te bekijken of geluidsmateriaal af te luisteren. Met name hoeft dat niet als duidelijk is dat het materiaal niet kan bijdragen aan de beslissing. Anderzijds moet echter worden aangenomen dat bij twijfel over het belang van het beeld- of geluidsmateriaal, de rechter een partij eerst om verduidelijking moet vragen, alvorens te beslissen of het materiaal wel of niet moet worden bekeken of afgeluisterd. Vergelijk ook A-G Huydecoper in zijn conclusie voor het arrest van 31 januari 2003:58

“Aan de hand van deze beschouwingen meen ik dat de rechter die ermee geconfronteerd wordt dat een partij zich op bewijsmateriaal in de vorm van bandopnames wil beroepen, niet gehouden is om zonder meer van dat materiaal kennis te nemen. Daarentegen is de rechter, denk ik, verplicht om zich af te vragen hoe kennisneming van dat materiaal kan plaatsvinden op een wijze die recht doet wedervaren aan de behoorlijke procesorde, en in het bijzonder aan het beginsel van hoor en wederhoor. Bij de ‘invulling’ van deze verplichting kan het bepaald aangewezen zijn om van de partij die dit materiaal aandraagt te vragen, welk belang met de kennisneming daarvan gediend is (zoals het hof in de onderhavige zaak heeft gedaan). Door (het antwoord op) die vraag kan de nodige opheldering worden verkregen over de stellingen die aan het betreffende materiaal worden ontleend of die daarmee worden onderbouwd, en wat de kennisneming van het materiaal daartoe kan bijdragen. (…).”

De rechter moet dus eerst om opheldering vragen en pas daarna beslissen over kennisneming.

3.26

Maar met een verwijzing naar het uitgangspunt van de Hoge Raad in het arrest van 19 maart 1999, dat van een partij gevraagd kan worden dat hij uit eigen beweging geluidsmateriaal (en, zoals algemeen wordt aangenomen, dus ook beeldmateriaal) in het geding brengt en dat de rechter een aanbod om een beeld- of geluidsopname in het geding te brengen niet hoeft te honoreren, onder omstandigheden aangevuld met de plicht om opheldering te verzoeken als niet duidelijk is welk belang met kennisneming van het materiaal is gediend conform het arrest van 31 januari 2003, is naar mijn mening is niet alles gezegd.

3.27

Van belang is namelijk dat het bekijken van beeldmateriaal – en in mindere mate het beluisteren van geluidsmateriaal – pas tot zijn recht komt als bewijsmiddel als de rechter dat doet in aanwezigheid van en tezamen met partijen. De partij die zich op de beelden beroept, kan dan onder de aandacht van de rechter brengen wat er precies is te zien op de beelden, waarop gelet moet worden, en wat de beelden betekenen voor haar stellingen. De wederpartij zal uiteraard de gelegenheid moeten worden geboden om zich eveneens uit te laten over de beelden en de genoemde punten. Het doet zich regelmatig voor dat partijen het niet eens zijn over wat er nu precies te zien is op de beelden en dat zij bovendien van mening verschillen over de betekenis van die beelden voor de door hen ingenomen stellingen. Als de rechter tezamen met partijen de beelden bekijkt, kan de rechter daarover vragen stellen en helderheid proberen te krijgen over de bewijswaarde van de beelden.

3.28

Dat beeldmateriaal (en in mindere mate geluidsmateriaal) pas tot zijn recht komt als de rechter hier tezamen met partijen naar kijkt (of luistert), zou ook kunnen worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis van het nieuwe bewijsrecht. Naar aanleiding van vragen van Kamerleden of in de wet een bepaling zou moeten worden opgenomen dat voor ‘overige bewijsmiddelen’ geldt dat een in het geding gebracht bewijsmiddel wordt gewaarmerkt en dat dit gewaarmerkte exemplaar onder de rechter blijft, is in de memorie van antwoord het volgende opgemerkt (mijn onderstrepingen):59

“(…). Voorzover de betreffende in het geding gebrachte objecten zich voor waarmerking lenen, pleegt waarmerking desverzocht te geschieden en deze objecten blijven dan, voorzover zij zich daarvoor lenen, onder de rechter (lees: griffie van het betreffende gerecht) berusten gedurende het geding. Voorzover het betreft technische bewijsmiddelen als geluidsbanden of videobanden, heeft overigens het eventuele waarmerken op de «verpakking» van die middelen op zichzelf niet zoveel zin. Bewijsmiddelen als geluidsbanden en videofilms ontlenen hun waarde eerst aan hun «hantering», dat wil zeggen deze banden zullen zo nodig ter zitting worden afgedraaid of vertoond, waarbij de inhoud zoveel mogelijk op zodanige wijze zal worden vastgelegd in het proces-verbaal dat de mogelijke betekenis van dit bewijsmiddel voldoende vaststaat. Ook is denkbaar dat daartoe een, al dan niet voorlopige, bezichtiging wordt georganiseerd, eveneens met adequate vastlegging in het proces-verbaal. Het punt van nader onderzoek van bijvoorbeeld videoband of geluidsband komt pas bij twijfel over de authenticiteit van deze «informatiedragers» aan de orde. Het ligt dan echter eerder voor de hand dat het gerecht aan door hem benoemde deskundigen een onderzoeksopdracht geeft en deze in hun rapportage een beschrijving van de hoedanigheid en inhoud van de informatiedrager geven, waardoor vervolgens de rechter in staat wordt gesteld over de vraag of het betreffende bewijsmiddel als «echt» moet worden beschouwd een oordeel te geven. Het in het burgerlijk procesrecht geldende beginsel van hoor en wederhoor, brengt met zich mee dat ook indien een partij een technisch bewijsmiddel als videoband of geluidsband in het geding wil brengen, de wederpartij in de gelegenheid moet worden gesteld niet alleen om de vertoning of afdraaiing van die banden ten overstaan van de rechter bij te wonen, maar ook om zich vervolgens daarover uit te laten en zonodig deskundigenonderzoek daarover uit te lokken. Het spreekt daarbij vanzelf dat ter gelegenheid van bedoelde vertoning of bezichtiging of bijvoorbeeld bij gelegenheid van een daaropvolgende comparitie van partijen de resultaten daarvan door partijen kunnen worden besproken, waarbij dan ook overeenkomstig de daarbij in acht te nemen regels partijen elkaar vragen zullen kunnen stellen. Wat betreft de vraag van deze leden of een wederpartij op een zitting ineens met een videoband kan worden geconfronteerd, zal het niet zo vaak voorkomen dat een partij ineens, ter gelegenheid van een processuele verrichting waarbij beide partijen in persoon aanwezig zijn, zijn wederpartij met zo’n band zal kunnen confronteren. Veelal zal de desbetreffende partij deze band reeds in zijn voorafgaande schriftelijke stellingname als mogelijk bewijsmiddel hebben aangekondigd of in het geding hebben gebracht. Indien de rechter vervolgens tot vertoning besluit, zal in ieder geval die vertoning geen afbreuk mogen doen aan het recht van die wederpartij zich daarover vervolgens hetzij direct hetzij eventueel eerst na aanhouding uit te laten.

Voorts kan worden aangenomen dat ook onder het nieuwe artikel 179 (…), waarin het reeds lang aanvaarde beginsel van toelaatbaarheid van alle denkbare (soorten van) bewijsmiddelen is neergelegd, een geluidsband om de redenen zoals vermeld in het door deze leden aangehaalde vonnis van de rechtbank te Groningen van 15 december 1972 (N.J. 1973, nr. 324) kan worden geweigerd. Die redenen hielden immers geen verband met de aard van de geluidsband als technisch bewijsmiddel, maar waren gelegen in de specifieke processuele omstandigheden van het gegeven geval, op grond waarvan de rechtbank blijkbaar het bezigen van die geluidsband als bewijsmiddel niet meer relevant achtte.”60

3.29

Zie ook de volgende passage uit de Handelingen EK:61

(…). Als de rechter in een bepaald geval het afdraaien van een geluidsband in de rechtszaal noodzakelijk acht omdat vaststelling van de daarmee opgenomen gegevens van belang kan zijn voor het te beslissen rechtsgeschil, zal de inhoud zoveel mogelijk adequaat kunnen worden vastgelegd in een proces-verbaal. Daarmee staat dan de mogelijke betekenis van dit bewijsmiddel voldoende vast, behalve als de authenticiteit van de geluidsband wordt betwist. In dat laatste geval kan nader onderzoek van die band gewenst zijn.

Er zijn mij [de Minister van Justitie (Korthals Altes); A-G] geen uitspraken bekend over gevallen waarin de rechter een geluids- of videoband als bewijsmiddel terzijde heeft gelegd, hoewel de daarin vervatte gegevens of een deel daarvan wel rechtens relevant geacht werden. (…).”

3.30

Uit deze passages komt naar voren dat de wetgever ervan uitgaat dat videobeelden of geluidsbanden ten overstaan van de rechter worden vertoond of afgeluisterd, omdat zij hun waarde als bewijsmiddel ontlenen aan hun ‘hantering’. Dit is in lijn met de praktijk: als de rechter achter zijn of haar bureau camerabeelden gaat bekijken, is het bijzonder moeilijk om op waarde te schatten wat er nu precies te zien is op de beelden en dus wat de bewijswaarde (‘de betekenis’) daarvan is voor de stellingen die een partij inneemt. Dit geldt in feite ook al voor foto’s; ook die bekijkt de rechter bij voorkeur – en dat is ook praktijk – op de zitting, in aanwezigheid van partijen.

3.31

Als de rechter buiten aanwezigheid van partijen beelden bekijkt, bestaat bovendien het risico dat het beginsel van hoor en wederhoor in het gedrang komt, doordat de wederpartij niet de gelegenheid heeft om zo nodig de rechterlijke perceptie van de beelden bij te stellen.62 Dat risico is moeilijk van te voren te ondervangen door het becommentariëren van de beelden in een schriftelijk processtuk, omdat de wederpartij niet weet waar het oog van de rechter precies op zal vallen. Vandaar ook de aanbeveling aan de rechter in de parlementaire geschiedenis om in het proces-verbaal vast te leggen wat er te zien is op de beelden of is te horen op de geluidsbanden, en de wederpartij in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten (zie onder 3.28-3.29).63 Met andere woorden, om recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor (maar ook vanuit het oogpunt van waarheidsvinding) moet kennis worden genomen van de beelden in een contradictoire setting. In zoverre kan een parallel worden getrokken met de gerechtelijke plaatsopneming: de rechter gaat in aanwezigheid van partijen ter plaatse kijken en doet dat natuurlijk nooit in zijn of haar eentje.

3.32

Voor het gebruik als bewijsmiddel van een geluidsopname van een gesprek kan het hiervoor geschetste probleem nog worden ondervangen door het woordelijk uitschrijven van de opname, en dat verslag als bewijsmiddel bij te voegen. In samenhang met de hiervoor genoemde wegwijsplicht zal dan wel duidelijk zijn om welke passages het precies gaat en kunnen partijen daarover in hun processtukken (of ter zitting) discussiëren. Voor beelden (foto’s of video-opnames) is dit veel lastiger, omdat het moeilijk is, zo niet onmogelijk, om in extenso in woorden te omschrijven wat er op de beelden is te zien.

3.33

Het voorgaande betekent dat het inzetten van beeldopnames als bewijsmiddel zich tot op zekere hoogte óók laat vergelijken met het getuigenverhoor, omdat voor beide vormen van bewijslevering geldt dat tussenkomst van de rechter nodig is. Hoewel het – in beginsel – mogelijk is dat een partij als bijlage bij haar processtuk beeldopnames in het geding brengt, net als zij dat doet met schriftelijke bewijsstukken, geldt dat de beeldopnames als bewijsmiddel pas tot hun recht kunnen komen als de rechter die gezamenlijk met partijen bekijkt. Een partij die gebruik wil maken van beeldopnamen is in dit opzicht afhankelijk van de rechter: zonder toestemming kan een partij immers op de zitting geen beeldopnames laten zien.

3.34

Dit pleit er m.i. voor dat de rechter zich bij een verzoek van een partij om beeldopnames te bekijken, ook rekenschap geeft van de regels die gelden voor het getuigenbewijsaanbod. Als de beelden relevant kunnen zijn voor de feitenvaststelling en kunnen bijdragen aan de beslissing van de zaak, zal de rechter in beginsel een verzoek tot het vertonen van beeldmateriaal moeten honoreren. Uit de slotpassage van het hiervoor weergegeven citaat uit de memorie van antwoord en uit de passage in de Handelingen EK is af te leiden dat het ontbreken van relevantie een valide reden kan zijn om geen toestemming te geven voor het bekijken van beeldopnames. Het ligt echter in de rede dat als de beeldopnames wél relevant kunnen zijn voor de onderbouwing van een stelling, de rechter het verzoek om beeldopnames te bekijken moet honoreren. Als een partij zelf niet heeft toegelicht wat de relevantie is, zal de rechter daarnaar moeten vragen, tenzij direct duidelijk is dat de beeldopnames elke relevantie missen.

3.35

De ratio van deze benadering is primair het belang van waarheidsvinding (vgl. onder 3.13). Het rechterlijk onderzoek naar de feiten moet erop gericht zijn om de feiten zo volledig mogelijk en zoveel mogelijk in overeenstemming met de werkelijke gang van zaken in kaart te brengen. Beeldopnames kunnen daarvoor bij uitstek geschikt zijn. Het is inmiddels ook dagelijkse praktijk dat een partij op haar telefoon een filmpje heeft staan dat zij als bewijsmiddel aan de rechter wil laten zien. Een weigering van de rechter om die beelden te bekijken wekt de indruk dat de rechter liever een redenering opbouwt op basis van een papieren werkelijkheid, dan dat hij of zij kennisneemt van wat er beschikbaar is aan bewijsmateriaal. Hiermee komt het belang van waarheidsvinding in het gedrang.

3.36

Maar ook vanuit een oogpunt van procedurele rechtvaardigheid is moeilijk te aanvaarden dat de rechter weigert beeldopnames te bekijken, wanneer die betrekking hebben op het feitencomplex waarop de procedure naar de kern genomen betrekking heeft. Toegespitst op de onderhavige zaak: hoe is aan partijen uit te leggen dat de rechter geen kennis wil nemen van een bewijsmiddel (camerabeelden) dat kan bijdragen aan het verkrijgen van duidelijkheid over wat zich precies heeft afgespeeld in de politiecel? De Greve maakt dit punt ook in zijn noot onder het kortgedingarrest in de art. 843a Rv-procedure over het ter beschikking stellen van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel:64

“Ontdaan van juridische franje gaat het in deze zaak om de vraag wat er nu exact is gebeurd in de Riagg-cel. Voorzienbare vragen dringen zich daarbij op: Hoe zag het gedrag van de man er uit? Hoe is de schildprocedure in dit geval feitelijk uitgevoerd? Hoe lang en met hoeveel man hebben de agenten met het schild boven op de man gezeten? Waren dat grote en zware agenten? In welke mate stribbelde de man tegen? Hoe lang heeft het geduurd voordat de man ophield met tegenstribbelen? Hoe lang hebben de agenten vervolgens het schild nog op de man gedrukt en in welke mate? Wat waren de omstandigheden toen de politie uiteindelijk constateerde dat de man niet meer ademde en geen hartslag meer had? Was de man daarvoor of pas daarna met armen en benen geboeid? Wat deed men vervolgens? Hoeveel druk is uitgeoefend door de politie? Als rechter zou je toch de intrinsieke interesse moeten hebben om de gehele feitelijke situatie zo helder en zo compleet als mogelijk boven water te krijgen. In het kader van de materiële waarheidsvinding is het in een dergelijk geval toch een godsgeschenk dat er camerabeelden voorhanden zijn. Het valt aan de rechtzoekenden niet uit te leggen dat de rechter geen kennis heeft genomen van de camerabeelden, terwijl vast staat dat die bestaan én daarop te zien is wat er in die Riagg-cel is gebeurd. Dichter bij de waarheid kan men niet komen, zo zou je zeggen. Laten we niet vergeten dat rechtspraak maatschappelijk alleen geaccepteerd is indien recht wordt gedaan op basis van correcte en volledige feiten, dus op basis van de materiële waarheid. Meermalen heeft de Hoge Raad benadrukt dat het gegeven dat de waarheid aan het licht komt van zwaarwegend maatschappelijk belang is [noot: HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421, NJ 2009/451 (Telegraaf c.s./De Staat)]. (…).”

Hier geldt dus hetzelfde als Ahsmann opmerkte ten aanzien van het passeren van een aanbod van een partij om bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen (zie onder 3.14): een partij zal de procedure als minder rechtvaardig beschouwen als de rechter weigert gelegenheid te bieden nog bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen als een partij dat verzoekt.

3.37

Het vertonen van beeldmateriaal kan bovendien bij uitstek een geschikt bewijsmiddel zijn voor een partij om aan de rechter – en de wederpartij – te laten zien wat er (volgens die partij) feitelijk is voorgevallen. De uitdrukking ‘één beeld zegt meer dan duizend woorden’65 is er niet voor niets: beelden kunnen soms veel krachtiger iets duidelijk maken dan een beschrijving in woorden. De kracht van de camerabeelden van de gebeurtenissen in deze zaak, is ook onderkend door de Politie: uit het kortgedingarrest dat gewezen is in de art. 843a-procedure, blijkt dat de Politie daarin een argument zag om de beelden níet af te geven aan [eisers] Zie de volgende overweging van het hof Den Haag (onderdeel van rov. 26, zie voor het gehele citaat hierna onder 4.8):

“Het gestelde risico dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na aanschouwing van de camerabeelden een mede door emotie bepaalde beslissing neemt, is niet onderbouwd.”

Nog los van de vraag wat er eigenlijk mis is met ‘een mede door emotie bepaalde beslissing’ onderkent de Politie hiermee in feite dat de beelden iets over kunnen brengen wat niet wordt overgebracht door de beschrijving van de beelden in het proces-verbaal, die in de visie van de Politie immers óók een volledig beeld geeft van het incident (zie hierna onder 4.6 en 4.10), maar waarbij kennelijk níet gevreesd hoeft te worden dat die beschrijving ‘tot een mede door emotie bepaalde beslissing’ leidt.

3.38

Ten slotte is nog het volgende van belang. Het in het geding brengen van beeldmateriaal door de partij die zich daarop wil beroepen is niet altijd een kwestie van eenvoudig een usb-stick aan een processtuk hechten. Zo zijn er gevallen waarin een partij zelf de beelden niet heeft, en deze alleen bij de wederpartij of een derde ter beschikking zijn. Dat deed zich ook voor in de zaak die hier voorligt: er was een kortgedingprocedure nodig om de Politie te dwingen de beelden ter beschikking te stellen (zie onder 2.8 en hierna onder 4.7-4.8). Ook kan het zich voordoen dat privacybelangen van de wederpartij of derden in het gedrang komen door het vertonen van de beelden, waardoor een partij aarzelt over het in het geding brengen van de beelden en om die reden volstaat met het aanbod dat zij desgewenst de beelden kan laten zien. Het is ook mogelijk dat er hoge kosten zijn verbonden aan het verkrijgen of bewerken van de beelden om deze voor vertoning geschikt te maken. Gelet op deze gerechtvaardigde belangen van een partij om te volstaan met een aanbod om beelden in het geding te brengen, ligt het in de rede dat de rechter met partijen bespreekt wat het belang van het bekijken van de beelden is en hoe eventueel tegemoet kan worden gekomen aan gerechtvaardigde belangen van de wederpartij of derden (vgl. de regeling in art. 22b Rv). In de uitspraak die is besproken onder 3.2066 is dit aspect naar mijn mening onderbelicht gebleven.

3.39

Deze benadering – het met partijen bespreken van de mogelijkheden om bewijs te leveren en in samenspraak met hen bekijken wat de beste manier is voor bewijslevering – sluit ook aan bij de in het wetsvoorstel Modernisering bewijsrecht neergelegde regeling voor het verzoek voorlopige bewijsverrichtingen. Onderdeel van die regeling is dat de rechter zo nodig met partijen bespreekt wat de meest effectieve manier is om bewijs te leveren.67 De rechter moet hier regie voeren, zo is vermeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel:68

“De regierol van de rechter is in deze fase er vooral op gericht de informatiegaring en bewijsverzameling voorafgaand aan een procedure zo efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden. De voor de ontvankelijkheid van het informatieverzoek vereiste kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft, biedt de rechter de mogelijkheid adequaat sturing te geven aan de behoefte aan informatie en het vinden van een oplossing van het geschil. Daarbij kan de rechter proberen om door enige inkadering van het dreigende of ontstane geschil te voorkomen dat het geschil onnodig wordt gejuridiseerd of tussen partijen escaleert. Ook in deze voorfase van de procedure geldt dat de rechter steeds de partijautonomie moet respecteren. Met inachtneming hiervan kan de rechter in samenspraak met partijen overleggen wat de meest passende bewijsverrichting is voor het verkrijgen van de nog ontbrekende informatie of het vastleggen van bepaald bewijsmateriaal. Als de rechter van oordeel is dat ook op een andere, minder bezwaarlijke wijze de verzochte informatie kan worden verkregen of veiliggesteld, kan hij dit aan partijen voorleggen. De verzoeker kan de suggestie van de rechter overnemen of volharden in de door hem verzochte bewijsverrichting.”

3.40

De rechter beslist dus niet ‘digitaal’ toewijzend of afwijzend op een verzoek om bewijs te leveren, maar bespreekt met partijen wat in een concreet geval de meest passende bewijsverrichting is. Zo betoogt ook Asser dat bewijslevering op een andere manier zou moeten worden benaderd. Hij bepleit dat “een systematisch stelsel van case management wordt ingevoerd met betrekking tot bewijsaanbieding”. In zo’n systeem bespreekt de rechter met partijen hoe de door hen gewenste informatie zo snel en goedkoop mogelijk kan worden verkregen, in plaats van de huidige praktijk, waarin “als uitgangspunt” wordt gehanteerd “dat tijdrovende en kostbare bewijsverrichtingen zo veel mogelijk moeten worden vermeden”.69

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen de afwijzing van wat het hof heeft aangemerkt als “het verzoek” van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel (rov. 1.1, 4.3-4.7). Onderdeel 2 klaagt over het passeren van een getuigenbewijsaanbod (rov. 4.7). Onderdeel 4 ziet op het oordeel van het hof dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [eiser 1] bij aankomst op het politiebureau op te sluiten in een politiecel en [eiser 1] daar te houden tot 00:13 uur (rov. 4.26). De onderdelen 3, 5 en 6 bevatten voortbouwklachten. Voor het geval de voortbouwklacht van onderdeel 5 niet zou slagen, werpt onderdeel 5 nog een klacht op tegen het oordeel van het hof dat de noodzaak tot ingrijpen pas rond 23:30 uur ontstond (rov. 4.21).

Onderdeel 1

4.2

Onderdeel 1 klaagt dat de beslissing van het hof om het verzoek van [eisers] tot het ter zitting bekijken van de camerabeelden af te wijzen (rov. 4.5-4.7), onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Deze klacht wordt uitgewerkt in vier subonderdelen, die alle verschillende rechts- en motiveringsklachten bevatten.

4.3

Bij bespreking van de klachten is het volgende voorop te stellen.

4.4

Bij de inleidende dagvaarding hebben [eisers] het proces-verbaal overgelegd dat door de Rijksrecherche is opgemaakt van de gebeurtenissen op 4 en 5 mei 2010.70 Een van de bijlagen bij dit proces-verbaal is een relaas proces-verbaal, opgemaakt door [betrokkene 4] , inspecteur bij de Rijksrecherche, waarin is beschreven (soms van minuut tot minuut, soms met tussenpozen van een aantal minuten) wat er op de camerabeelden te zien is. In de conclusie van antwoord heeft de Politie ook verwezen naar dit relaas. In eerste aanleg is door [eisers] niet verzocht om inzage in dan wel afgifte van de camerabeelden.

4.5

In de memorie van grieven hebben [eisers] het volgende aangevoerd met betrekking tot de camerabeelden:

“17. Er zijn camerabeelden beschikbaar bij en veiliggesteld door de Politie waarop is te zien wat er op 4 en 5 mei 2010 is gebeurd in de cel waarin [eiser 1] verbleef. (…).

  1. De Politie is verzocht om de beelden aan de advocaat van appellanten te verstrekken in het kader van de onderhavige procedure (…). Hierop werd namens de Politie kenbaar gemaakt dat de beelden uit privacy-overwegingen niet aan appellanten of hun advocaat worden verstrekt (…).

“19. De camerabeelden kunnen bijdragen aan de vaststelling wat er precies op 4 en 5 mei 2010 is gebeurd en dienen in beginsel als relevant bewijsmateriaal te worden gekwalificeerd. Mede gelet op het tussen partijen op dit punt gevoerde debat in eerste aanleg over (onder meer) de vraag hoe vaak [eiser 1] zich precies met zijn hoofd tegen de celdeur en -wand heeft geworpen, wanneer ingrijpen door de Politie geïndiceerd was en of de Politie al hetgeen heeft gedaan wat van haar kon worden gevergd, dient het voor rekening en risico van de Politie te komen indien zij deze beelden niet verstrekt. Eventuele nadelige (procesrechtelijke) gevolgen hiervan mogen niet op appellanten worden afgewenteld.

  1. Namens [eiser 1] zal op korte termijn een kort geding procedure worden gestart tot verkrijging van de camerabeelden. Appellanten zullen de beelden op een usb-stick bij akte in het geding brengen indien en zodra zij over deze beelden beschikken. Zij verzoeken u Edelgrootachtbaar college op voorhand ze toe te staan een dergelijke akte houdende nadere productie(s) te nemen.[71]
  1. Uit de beelden blijkt dat [eiser 1] zich met grote kracht met zijn hoofd tegen de celdeur gooide en/of zich met zijn gezicht vol op de grond liet vallen, zonder enige bescherming van zijn handen. Geen weldenkend en pijn voelend mens is tot dergelijk handelen in staat. [eiser 1] was duidelijk buiten zitten en bracht zichzelf in (levens)gevaar. Onder invloed van hetgeen bij hem zijn opwindingstoestand veroorzaakte, stond ook binnenin zijn lichaam zijn gezondheid ernstig op het spel.
  1. Dat [eiser 1] in (levens)gevaar verkeerde, was wel duidelijk. Was dit niet al het geval bij diens insluiting, dan was dit wel op het moment dat zijn (zelfbeschadigende gedrag) zich in de cel (verder en heviger) manifesteerde.”

Verder is in de memorie van grieven (p. 10), voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“III. Bewijsaanbod

Uitsluitend voor zover op appellanten ingevolge artikel 150 Rv een bewijslast rust, en zonder hiermee onverplicht bewijslast op zich te nemen, bieden appellanten aan bewijs te leveren door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van het navolgende:

– Camerabeelden gemaakt in de nacht van 4 op 5 mei 2010 van en bij cel 17 (de Riagg-cel) van het politiebureau te Deventer;

– (…);”

4.6

In de memorie van antwoord heeft de Politie zich (onder 23-30) op het standpunt gesteld dat de camerabeelden niets meer toevoegen aan de zeer nauwkeurige uitwerking van de beelden in het proces-verbaal. Volgens de Politie is deze uitwerking vanwege de technische mogelijkheden en onmogelijkheden veel preciezer en veel uitvoeriger dan de camerabeelden zelf. De dvd waarop de beelden door de beheerder van de apparatuur zijn overgezet nadat deze door [betrokkene 4] waren bekeken, bevat niet alle camerabeelden (er mist ‘een veelheid van beeldfragmenten’ die wel in het proces-verbaal zijn beschreven). Noch de datum noch de tijd die op de beelden op de dvd is te zien, klopt met de werkelijkheid op 4 en 5 mei 2010. Nu de beelden én geen compleet beeld geven van hetgeen er op 4 en 5 mei is voorgevallen én een onjuiste tijdlijn bevatten, zijn ze in feite niet erg bruikbaar. Het Rijksrechercheonderzoek geeft wel een compleet beeld, ook van hoe het gedrag van [eiser 1] was ten tijde van de insluiting en hoe dat gedrag zich in de loop van de avond heeft ontwikkeld, aldus steeds de Politie.

4.7

Vervolgens hebben [eisers] een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag, waarin zij op de voet van art. 843a Rv hebben gevorderd dat de Politie wordt geboden op verbeurte van een dwangsom een afschrift te verstrekken van alle camerabeelden met betrekking tot het incident. Na een aanvankelijke niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vordering door de voorzieningenrechter,72 heeft het hof Den Haag bij arrest van 3 september 201973 de vordering aldus toegewezen:

“gebiedt de Politie om, indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure tussen [appellant] c.s. en de Politie vertoning van de camerabeelden toestaat, op eerste verzoek van [appellant] c.s. de camerabeelden gemaakt tussen 4 mei 2010 om 19:14 uur en 5 mei 2010 om 00:54 uur in en voor cel [nummer] van het politiebureau aan [het adres] te [plaatsnaam], zoals die nu op de dvd staan, geheel of het door [appellant] c.s. gewenste gedeelte daarvan ter zitting in genoemde bodemprocedure te (laten) vertonen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere keer dat de Politie niet voldoet aan een verzoek van [appellant] c.s. de betreffende beelden ter zitting in de bodemprocedure te vertonen terwijl de rechter vertoning toestaat.”

4.8

Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen (rov. 26, mijn onderstrepingen):

“26. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] c.s. een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv. [Appellant] c.s. heeft tijdens het pleidooi in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat er op de beelden meer te zien is dan beschreven in het rapport van de Rijksrecherche. De enkele stelling van de Politie dat de camerabeelden niets toevoegen, faalt bij gebrek aan onderbouwing. Met de stelling dat het gedrag van [appellant] niet ter discussie staat en daarvan geen bewijs nodig is, miskent de Politie dat [appellant] c.s. met de beelden zijn stelling wil onderbouwen dat de situatie en de gesteldheid van [appellant] ten tijde van het incident dusdanig waren dat de Politie eerder had moeten ingrijpen. De stelling van de Politie over het toetsingskader van de Wpg faalt op de gronden als overwogen in rovv. 18-19. Het gestelde risico dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na aanschouwing van de camerabeelden een mede door emotie bepaalde beslissing neemt, is niet onderbouwd. Het door de Politie genoemde bezwaar dat verstrekking van een kopie van de beelden aan [appellant] c.s. ertoe kan leiden dat de beelden “een eigen leven gaan leiden” kan worden ondervangen door geen afgifte van de beelden te bevelen, maar te bepalen dat de Politie de beelden tijdens een zitting in de bodemprocedure moet (laten) vertonen. Op die wijze heeft de Politie ook een voldoende ruime tijdspanne om de beelden desgewenst te anonimiseren en te bewerken om te zorgen dat het beeld niet doorloopt terwijl de tijd stilstaat, er geen herhaling van dezelfde beelden is en de chronologie zoveel mogelijk kloppend wordt gemaakt. De (eerstvolgende) zitting vindt immers pas plaats op 19 mei 2020. Aldus wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de belangen van beide partijen. [Appellant] c.s. heeft tijdens de comparitie in het onderhavige beroep overigens ook verklaard te kunnen instemmen met deze wijze van “verstrekking”. Het hof zal met toepassing van artikel 843a lid 2 Rv de vordering in die zin toewijzen. Om geschillen over de bewerking van het beeldmateriaal te voorkomen, zal het hof bepalen dat de Politie de camerabeelden zoals die nu op de dvd staan, dus ongeanonimiseerd en onbewerkt, moet tonen tijdens de zitting in de bodemprocedure, indien en voor zover de rechter in de bodemprocedure dat toestaat. Desgewenst kan de Politie aanbieden om daarnaast of in plaats daarvan een geanonimiseerde en/of bewerkte versie te laten zien. Het is aan de rechter in de bodemprocedure om te bepalen of de beelden daadwerkelijk worden getoond en, zo ja, in welke versie(s).”

4.9

Vervolgens hebben [eisers] bij H-formulier, dat in cassatie niet is overgelegd, het hof verzocht de camerabeelden ter zitting te mogen tonen (zie rov. 1.1 van het bestreden arrest). [eisers] hebben dit verzoek in hun akte overlegging producties van 19 mei 2020, waarmee het kortgedingarrest van het hof Den Haag in het geding is gebracht, herhaald en van de volgende toelichting voorzien:

“4. [eiser 1] heeft u Edelgrootachtbaar college middels een H-formulier d.d. 3 mei 2020 verzocht voornoemde vertoning toe te staan.

  1. De camerabeelden geven een volledig beeld van wat zich heeft afgespeeld in de cel gedurende het verblijf van [eiser 1] aldaar op 4 en 5 mei 2010. Op de camerabeelden is te zien hoe [eiser 1] zich gedroeg tijdens zijn verblijf in de cel. Tevens is hierop te zien hoe andere betrokkenen, waaronder de Politie althans haar medewerkers, zich gedurende dat verblijf gedroegen.
  1. Het is dan ook van groot belang dat u Edelgrootachtbaar college de beelden waarneemt omdat de (on)rechtmatigheid van het handelen van de Politie aan u ter beoordeling voorligt.
  1. In een rapport van de Rijksrecherche is een beschrijving van enkele beeldsegmenten gegeven, maar deze beschrijving betreft slechts een selectie van waarnemingen en geeft geen volledig beeld van het handelen en nalaten van de Politie.
  1. Het is om voornoemde redenen dat [eiser 1] u heeft verzocht toe te staan dat de beelden worden vertoond.”

4.10

Bij antwoordakte van 19 mei 2020 heeft de Politie hierop gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat het tonen van de camerabeelden ter zitting niet zinvol is. De Politie herhaalt het in de memorie van antwoord gevoerde betoog en voegt daaraan toe dat het tonen van de beelden ter zitting ook hierom niet zinvol is, dat het gedrag van [eiser 1] en de ontwikkeling daarin op de avond van 4 mei 2010 tussen partijen niet ter discussie staat.

4.11

In het bestreden arrest heeft het hof het verzoek om de camerabeelden te bekijken afgewezen (rov. 4.5). Het hof stelt daarbij onder meer voorop dat de vraag of [eisers] recht hebben op verstrekking van de camerabeelden in het kortgedingarrest van het hof Den Haag bevestigend is beantwoord, en dat het, zoals ook met zoveel woorden is overwogen in dat kortgedingarrest, vervolgens aan dit hof is om te bepalen of het voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] daadwerkelijk noodzakelijk is om de camerabeelden te bekijken (rov. 4.6). Vervolgens overweegt het hof, samengevat, als volgt (rov. 4.7):

(i) Het bekijken van de camerabeelden is niet noodzakelijk voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] ;

(ii) Door de Rijksrecherche is op 15 juni 2010 een proces-verbaal opgemaakt waarbij de camerabeelden zijn omschreven en verwerkt in een schema. Het betreft een gedetailleerd schema waarin nauwkeurig is omschreven wat er in de politiecel gebeurt en hoe [eiser 1] zich gedraagt;

(iii) [eisers] hebben op geen enkele wijze toegelicht wat er meer te zien is op de camerabeelden dan in het schema staat en waarom dit voor de beoordeling van hun vorderingen van belang is;

(iv) [eisers] hebben zelf al de gelegenheid gehad om de camerabeelden te bekijken en hebben dat ook gedaan. Op basis daarvan hadden [eisers] concreet kunnen aangeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Dit had ook van [eisers] mogen worden verwacht ter onderbouwing van hun verzoek, maar zij hebben dit nagelaten;

(v) Het bekijken van de camerabeelden, die volgens de Politie ook nog eens – als gevolg van een overzetting – incompleet en niet chronologisch in tijd zijn, voegt bij deze stand van zaken niets toe aan de (completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden.

4.12

Subonderdeel 1.1 houdt in dat indien het hof met het gebruik van het woord “verzoek” in rov. 1.1 en 4.3-4.7 als zijn oordeel tot uiting zou hebben gebracht dat [eisers] niet een bewijsaanbod zouden hebben gedaan dat is gericht op het aan het hof tonen van de camerabeelden, dit oordeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Volgens het subonderdeel ziet het hof er in dat geval aan voorbij dat [eisers] een voldoende specifiek en relevant bewijsaanbod tot het bekijken van de camerabeelden hebben gedaan.

4.13

Het subonderdeel faalt. Het enkele feit dat het hof met betrekking tot het bekijken van de camerabeelden spreekt van ‘het verzoek van [eisers] ’, terwijl het – zoals het subonderdeel aanvoert – in rov. 4.12 met betrekking tot het horen van politieagenten als getuigen wel het woord ‘bewijsaanbod’ gebruikt, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof van oordeel is geweest dat geen sprake zou zijn van een bewijsaanbod.

4.14

De overige subonderdelen richten zich tegen de redenering die het hof in rov. 4.7 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken moet worden afgewezen.

4.15

Bij de bespreking van deze subonderdelen is voorop te stellen dat het hof niet heeft geoordeeld dat het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken, moet worden afgewezen omdat [eisers] uit eigen beweging die beelden in het geding hadden moeten brengen. Dat kón het hof ook niet oordelen, omdat [eisers] niet beschikten over de camerabeelden. Vaststaat dat [eisers] de beelden niet in hun macht hebben. Het door het hof Den Haag in de kortgedingprocedure opgelegde gebod aan de Politie om de beelden ter beschikking te stellen (in die zin dat de Politie de beelden op eerste verzoek van [eisers] ter zitting in de bodemprocedure moet (laten) vertonen), bevat immers het voorbehoud “indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure tussen [eisers] en de Politie vertoning van de camerabeelden toestaat” (zie onder 4.7); aan die voorwaarde is niet voldaan.74

4.16

Dat betekent dat de onder 3.20 besproken uitspraak van de Hoge Raad, op basis waarvan kan worden aangenomen dat de rechter een aanbod om camerabeelden te bekijken niet hoeft te honoreren omdat een partij die beelden eigener beweging al in het geding had kunnen brengen, hier niet relevant is. [eisers] konden de camerabeelden niet uit eigen beweging in het geding brengen. De Politie had dat wel kunnen doen, maar heeft daarvan afgezien.

4.17

Subonderdeel 1.4 bevat verschillende klachten, die zich voornamelijk richten tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.7 dat [eisers] op geen enkele wijze hebben toegelicht wat er meer te zien is op de camerabeelden dan in het schema staat en waarom dit voor de beoordeling van hun vorderingen van belang is, dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan, dat zij op basis daarvan concreet hadden kunnen aangeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling, en dat dit ook van hen had mogen worden verwacht ter onderbouwing van hun verzoek. Subonderdeel 1.4.1 klaagt over de overweging van het hof in rov. 4.6 dat de vraag of [eisers] recht hebben op verstrekking van de camerabeelden door het hof Den Haag in zijn kortgedingarrest van 3 september 2019 bevestigend is beantwoord. Het subonderdeel stelt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat het kortgedingarrest zich niet anders laat verstaan dan dat het hof daarin die vraag niet bevestigend heeft beantwoord. Subonderdeel 1.4.2 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.7, dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan.

4.18

Beide subonderdelen slagen. Het staat vast dat [eisers] zélf de beelden nooit hebben kunnen bekijken en ook nooit hebben bekeken. De Politie heeft de camerabeelden immers niet willen afgeven. Alleen hun advocaat heeft één keer (op 14 november 2018) de gelegenheid gekregen om de beelden op het politiebureau te bekijken. De Politie was toen niet bereid de advocaat op haar verzoek een kopie van de beelden te verstrekken, zo blijkt uit rov. 10 van het kortgedingarrest van het hof Den Haag.75 Daarmee is de overweging van het hof dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan, onbegrijpelijk. De overweging dat het hof Den Haag de vraag of [eisers] recht hebben op verstrekking van de camerabeelden bevestigend heeft beantwoord, is onbegrijpelijk als het hof daarmee heeft bedoeld dat [eisers] een onvoorwaardelijk recht hebben gekregen om de camerabeelden te bekijken; het hof heeft dit recht immers toegekend onder de voorwaarde ‘indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure tussen [eisers] en de Politie vertoning van de camerabeelden toestaat’. In zoverre slaagt ook subonderdeel 1.4.1.

4.19

Als zou moeten worden aangenomen dat het hof ervan uit is gegaan dat het eenmalig op het politiebureau bekijken van de camerabeelden door de advocaat van [eisers] gelijk gesteld kan of moet worden met het bekijken van die beelden door [eisers] zelf, dan is dat een onjuist uitgangspunt. Het recht op kennisname van stukken in de procedure komt immers toe aan een partij; het recht van de advocaat van een partij om eveneens kennis te nemen van die stukken is een daarvan afgeleid recht. Dat sprake is van een recht van de partij zelf, blijkt bijvoorbeeld uit art. 22a Rv, waarin is geregeld dat de rechter kan bepalen dat de kennisneming van stukken is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is (dan wel een gemachtigde die daarvoor bijzondere toestemming van de rechter heeft gekregen), indien de vrees bestaat dat kennisneming van die stukken door een partij de lichamelijke of geestelijke gezondheid van die partij zou schaden (lid 1) of de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden (lid 2). Indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim onevenredig zou schaden, kan de rechter op grond van art. 22a Rv voorts bepalen dat die kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen (lid 3). Hiermee geeft art. 22a Rv bijzondere regels, in afwijking van het uitgangspunt dat partijen recht hebben op de inzage van de processtukken Ook in het kortgedingarrest van het hof Den Haag is ervan uitgegaan, zo blijkt uit rov. 26 en het dictum van het arrest (zie hiervoor onder 4.7 en 4.8), dat het gaat om een recht op verstrekking van de beelden aan [eisers] Vergelijk ook rov. 19 van het kortgedingarrest, waarin (naar aanleiding van het beroep van de Politie op de geheimhoudingsplicht van art. 7 Wet politiegegevens) wordt overwogen dat het in de onderhavige zaak gaat “om verstrekking aan de betrokkene zelf” en dat daarmee “vanzelfsprekend geen inbreuk [wordt] gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer”.

4.20

Tegen de achtergrond van het feit dat [eisers] zelf de beelden nooit hebben bekeken en ook nooit hebben kunnen bekijken (en hun advocaat deze slechts één keer op het politiebureau heeft kunnen bekijken maar geweigerd is haar een kopie van de beelden te geven), ontvalt de basis aan de overweging van het hof dat [eisers] ‘op basis daarvan’ concreet hadden kunnen aangeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Zij hebben immers juist níet de gelegenheid gekregen om de beelden te bekijken en hebben dus juist níet concreet kunnen aangeven in hoeverre de beelden afwijken van de beschrijving daarvan in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Het enkele, eenmalig, bekijken door hun advocaat van de camerabeelden kan dat niet ‘compenseren’ (zo dit de gedachte van het hof is geweest).

4.21

Het voorgaande betekent dat het oordeel van het hof dat het verzoek om het bekijken van de camerabeelden moet worden afgewezen, geen stand houdt. Dat oordeel berust immers geheel op de overweging dat [eisers] , omdat zij zelf al de gelegenheid hebben gehad om de beelden te bekijken en dit ook hebben gedaan, “concreet [hadden] kunnen aangegeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling”, en dat “dit ook van [eisers] verwacht [had] mogen worden ter onderbouwing van het verzoek, maar [eisers] [dit] hebben (…) nagelaten”. In de hierop volgende overweging is weliswaar vermeld dat “het bekijken van de camerabeelden, die volgens de Politie ook nog eens – als gevolg van een overzetting – incompleet en niet chronologisch in tijd zijn, bij deze stand van zaken niets [toevoegt] aan de (completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden”, maar uit de woorden ‘bij deze stand van zaken’ blijkt duidelijk dat met deze overweging wordt teruggegrepen op de vorige zinnen, waarin is vermeld, kort gezegd, dat [eisers] ten onrechte hebben nagelaten om concreet aan te geven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Met andere woorden, de overweging van het hof dat het bekijken van de camerabeelden niets toevoegt is geheel gebaseerd op de constatering over het nalaten van [eisers] op dit punt.

4.22

Op te merken is nog dat niet duidelijk is waarop het hof baseert dat sprake is van een “(completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden” (mijn onderstreping). In het kortgedingarrest van 3 september 2019 heeft het hof Den Haag de (enkele) stelling van de Politie dat de camerabeelden niets toevoegen juist als niet onderbouwd terzijde geschoven (rov. 26). Het verzoek van [eisers] om de beelden te bekijken is natuurlijk juist gedaan om na te gaan óf de beschrijving compleet is en om, samen met de rechter en de wederpartij, vast te stellen wat er precies te zien is op de beelden. Overigens denk ik dat zelfs als er een volledige beschrijving van beelden beschikbaar is, een partij nog steeds een gerechtvaardigd belang kan hebben bij een verzoek aan de rechter om beelden te bekijken (zie onder 3.37).

4.23

Nu de subonderdelen 1.4.1 en 1.4.2 slagen, kan subonderdeel 1.4 voor het overige onbesproken blijven. Dit geldt strikt genomen ook voor de overige klachten van onderdeel 1. Volledigheidshalve zal ik daar toch nog kort iets over zeggen.

4.24

De klachten die zijn vervat in de subonderdelen 1.2 en 1.3 gaan ervan uit dat het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken moet worden gekwalificeerd als een bewijsaanbod en behandeld moet worden volgens de regels die gelden voor het aanbod van getuigenbewijs. Dat betekent volgens de klachten dat zo’n verzoek moet worden toegewezen als het voldoende specifiek is en kan bijdragen aan de beslissing van de zaak. Voorts zou het tot gevolg hebben dat de rechter het verzoek niet mag afwijzen op grond van een prognose van wat er op de beelden is te zien (vgl. onder 3.6-3.10). Concreet houden de klachten van de subonderdelen in, kort samengevat, dat het hof het verzoek om de camerabeelden te bekijken niet had mogen afwijzen, omdat deze beelden van belang zijn voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] , waarbij immers centraal staat wat zich precies heeft afgespeeld in de cel waarin [eiser 1] was opgesloten. Het argument van het hof dat het bekijken van de beelden niet noodzakelijk is omdat in het proces-verbaal (completer en) gedetailleerd is beschreven wat er op de camerabeelden is te zien, is onbegrijpelijk, omdat zonder het bekijken van de beelden niet kan worden beoordeeld wat er op de beelden is te zien, en dus ook niet of die iets toevoegen aan de beschrijving van de beelden in het proces-verbaal, aldus de klachten.

4.25

Het aanbod (verzoek) van een partij om camerabeelden aan de rechter te laten zien, kan niet in zijn algemeenheid gelijkheid gesteld worden aan een aanbod om getuigenbewijs te leveren. Zoals hiervoor is besproken (zie onder 3.18-3.20), moet als uitgangspunt worden genomen dat een partij die beeldopnames (of geluidsopnames) – in beginsel – zélf in het geding kan (en moet) brengen, dus zonder dat daarvoor tussenkomst van de rechter nodig is.

4.26

Dat betekent dat een aanbod (verzoek) om camerabeelden (of andere beeldopnames) aan de rechter te laten zien in zoverre op één lijn kan worden gesteld met het aanbod om schriftelijk bewijs in het geding te brengen. Volgens vaste rechtspraak hoeft de rechter dat niet te honoreren (zie onder 3.12 en 3.18-3.20).

4.27

Er zijn echter ook verschillen tussen een aanbod (verzoek) van een partij om camerabeelden (of andere beeldopnames) aan de rechter te laten zien en het aanbod om schriftelijk bewijs in het geding te brengen. Anders dan voor schriftelijk bewijs geldt namelijk dat het gebruik van camerabeelden als bewijsmiddel pas goed tot zijn recht komt en op zijn bewijswaarde kan worden geschat, als de rechter de beelden bekijkt in aanwezigheid van partijen (zie onder 3.27-3.32). Dat is een belangrijk argument om aan te nemen dat de rechter een verzoek tot het bekijken van camerabeelden in beginsel moet honoreren, als er aanknopingspunten zijn dat de beelden relevant kunnen zijn voor de feitenvaststelling en kunnen bijdragen aan de beslissing van de zaak.

4.28

Het rechterlijk onderzoek naar de feiten moet erop gericht zijn om de feiten zo volledig mogelijk en zoveel mogelijk in overeenstemming met de werkelijke gang van zaken in kaart te brengen. Het belang van waarheidsvinding brengt met zich mee dat de rechter zich bij het onderzoek naar de feiten open moet stellen voor alle informatie die beschikbaar is (binnen de grenzen van een goede procesorde). Beeldopnames kunnen daarvoor bij uitstek geschikt zijn (zie onder 3.37). Bovendien pleiten argumenten van procedurele rechtvaardigheid voor het bekijken van camerabeelden, als een partij daarom verzoekt (zie onder 3.36).

4.29

Voor de voorliggende zaak leggen deze argumenten meer dan genoeg gewicht in de schaal om het verzoek om de camerabeelden te bekijken toe te wijzen. Het argument van een goede rechtsbedeling weegt zwaar omdat de camerabeelden precies betrekking hebben op één van de kernvragen die het hof moest beoordelen, namelijk of de Politie adequaat heeft gereageerd op het gedrag van [eiser 1] in de uren dat hij in de cel was ingesloten en zelfdestructief gedrag vertoonde. Het argument van procedurele rechtvaardigheid weegt extra zwaar, nu [eisers] afzonderlijk hebben moeten procederen om het zo ver te krijgen dat de Politie inzage geeft in de camerabeelden. In het kader van die art. 843a-procedure is door het hof Den Haag geoordeeld dat [eisers] een rechtmatig belang hebben bij inzage in de beelden en zijn alle argumenten van de Politie dat inzage niet nodig was, van tafel geveegd. Wel heeft het hof ervan afgezien om de Politie te gebieden de beelden aan [eisers] af te geven en heeft het volstaan met een gebod om de beelden te vertonen, indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure vertoning van de beelden toestaat. Deze formulering, waarmee [eisers] hebben ingestemd (zie rov. 26 van het kortgedingarrest, hiervoor onder 4.8 geciteerd), is kennelijk ingegeven door het betoog van de Politie dat de beelden anders ‘een eigen leven gaan leiden’. Dat de rechter in de bodemprocedure vervolgens oordeelt dat het niet nodig is om de beelden te bekijken, is dan wel heel een hard gelag voor [eisers] Daar komt nog bij dat [eisers] eerst bijna een jaar ‘in de wacht’ zijn gezet voor een zitting, en vervolgens – in verband met de beperkingen als gevolg van het Covid-19 virus – die zitting geen doorgang heeft gevonden (waarmee zij overigens kennelijk hebben ingestemd; zie rov. 1.1 van het bestreden arrest).

Onderdeel 2

4.30

Onderdeel 2, dat uit drie subonderdelen bestaat, komt op tegen het passeren van het bewijsaanbod van [eisers] om [betrokkene 4] als getuige horen. Dit bewijsaanbod, dat is opgenomen in de memorie van grieven (p. 10), luidt als volgt:

“III. Bewijsaanbod

Uitsluitend voor zover op appellanten ingevolge art. 150 Rv een bewijslast rust, en zonder hiermee onverplicht bewijslast op zich te nemen, bieden appellanten aan bewijs te leveren door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van het navolgende:

– (…);

– Verklaring van [betrokkene 4] , ten tijde van het onderzoek naar het incident inspecteur van politie, als getuige ter zake zijn bevindingen van de in het door Rijksrecherche uitgevoerde onderzoek genaamd “Lille” beschikbare stukken, waaronder de camerabeelden in en bij cel 17 van het cellencomplex in het politiebureau in Deventer op 4 en 5 mei 2010;

– (…);”

4.31

Het hof heeft dit getuigenbewijsaanbod aan het slot van rov. 4.7 gepasseerd met de overweging dat “het horen van [betrokkene 4] als [getuige] (…) om dezelfde reden [wordt] verworpen”. Dit oordeel is volgens het onderdeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

4.32

Volgens subonderdeel 2.1 geldt hetgeen waarover onderdeel 1 klaagt ook ten aanzien van de door onderdeel 2 bestreden beslissing.

4.33

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof art. 166 Rv en het daarin besloten liggende prognoseverbod heeft miskend, althans dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het als getuige horen van [betrokkene 4] niets zou toevoegen.

4.34

Subonderdeel 2.3 betoogt dat voor zover het bestreden oordeel inhoudt dat [eisers] hun getuigenbewijsaanbod onvoldoende hebben gespecificeerd, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. [eisers] hebben voldoende concreet gesteld waarop hun bewijsaanbod ziet en zij hebben bovendien vermeld wie daarover een verklaring kan afleggen, aldus het subonderdeel.

4.35

Ik begrijp het oordeel van het hof zo, dat de afwijzing van het aanbod om [betrokkene 4] als getuige te doen horen is gebaseerd op dezelfde redenering als die waarop de afwijzing van het verzoek om de camerabeelden te bekijken is gegrond. Vermeld is immers dat het aanbod ‘om dezelfde reden’ wordt verworpen. Nu hiervoor is besproken dat die redenering geen stand kan houden, sneuvelt daarmee ook de weigering om [betrokkene 4] als getuige te horen. Daarmee slaagt in zoverre subonderdeel 2.1.

4.36

De subonderdelen 2.2 en 2.3 kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.37

De afwijzing van het aanbod ‘om dezelfde reden’ is overigens wel heel kort door de bocht. Als gezegd berust de redenering van het hof om het verzoek om de camerabeelden te bekijken af te wijzen, in de kern op het oordeel dat van [eisers] mocht worden verwacht dat zij concreet hadden aangegeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling (zie onder 4.21). Het is niet direct duidelijk dat en hoe dit argument zich één-op-één laat doortrekken naar het als getuige doen horen van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] is de inspecteur bij de Rijksrecherche die de gebeurtenissen op 4 en 5 mei 2010 heeft onderzocht en daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt. Hij heeft gesproken met betrokkenen en hij is ook degene die de camerabeelden heeft bekeken en daarvan een beschrijving heeft gemaakt. Ook als wordt aangenomen dat van [eisers] had mogen worden verwacht dat zij concreet hadden aangegeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling van hun vorderingen, kan het horen van [betrokkene 4] als getuige relevant zijn, bijvoorbeeld door hem voor te leggen of het beeldmateriaal voor hem integraal beschikbaar is geweest en of hij dit volledig en chronologisch heeft kunnen bekijken (naar aanleiding van het betoog van de Politie dat het beeldmateriaal inmiddels beperkt toegankelijk is, zie onder 4.6). Ook over de andere bevindingen van [betrokkene 4] zou hij als getuige kunnen worden bevraagd.

4.38

Wellicht is de redenering van het hof een andere geweest, namelijk dat [eisers] onvoldoende concreet hebben gesteld waarover [betrokkene 4] als getuige zou kunnen verklaren. Als daar vanuit zou worden gegaan (maar het staat er niet), meen ik dat de afwijzing van het bewijsaanbod nog steeds geen stand houdt. Nu volstrekt duidelijk is wat de inzet is van de stellingen van [eisers] – in de woorden van het hof Den Haag: “dat de situatie en de gesteldheid van [eiser 1] ten tijde van het incident dusdanig waren dat de Politie eerder had moeten ingrijpen” (zie onder 4.8) – ligt het vanuit het perspectief van waarheidsvinding bepaald voor de hand dat een van de personen die het incident heeft onderzocht en die de camerabeelden heeft bekeken (de voorgedragen getuige dus) daarover door partijen en de rechter kan worden bevraagd. Dat geldt ook als niet in detail is aangegeven wélke vragen [eisers] willen stellen.

4.39

Ervan uitgaande dat de subonderdelen 1.4.1 en 1.4.2 van onderdeel 1 slagen en de verwijzingsrechter alsnog de camerabeelden zal moeten bekijken, ligt het temeer voor de hand om [betrokkene 4] als getuige te horen, nu er kennelijk discussie kan ontstaan over de staat waarin de beelden zich thans, na overzetting op dvd, bevinden.

Onderdeel 3

4.40

Onderdeel 3 bevat een voortbouwklacht, die inhoudt dat hetgeen waarover de onderdelen 1 en 2 klagen, ook raakt aan al hetgeen waarmee het hof voortbouwt op de door deze onderdelen bestreden overwegingen. Daaronder vallen volgens de klacht alle oordelen in rov. 4.8-4.26, omdat het hof tot deze oordelen is gekomen met voorbijgaan aan het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken (door het onderdeel aangeduid als het ‘camerabeeldenbewijsaanbod’) en het aanbod van [eisers] om [betrokkene 4] als getuige te horen.

4.41

Het onderdeel lijkt ervan uit te gaan dat het feit dat het hof alvorens de grieven te bespreken eerst het verzoek en het betreffende bewijsaanbod beoordeelt (vgl. rov. 4.3), met zich brengt dat álle overwegingen van het hof die volgen op deze beoordeling bij het slagen van de daartegen gerichte onderdelen 1 en 2 niet in stand kunnen blijven. Dat lijkt mij niet het geval. Een slagen van de onderdelen 1 en 2 kan slechts aan de daarop volgende overwegingen van het hof raken indien en voor zover deze overwegingen verband houden met het passeren van het verzoek om camerabeelden te bekijken en het aanbod om [betrokkene 4] als getuige te horen. Met betrekking tot de rechtsoverwegingen die het subonderdeel met name noemt (rov. 4.8-4.26) betekent dit concreet het volgende.

4.42

De rechtsoverwegingen 4.9-4.1176 hebben betrekking op de vraag of de Politie tot insluiting van [eiser 1] in een politiecel heeft kunnen overgaan. Het hof is bij de beantwoording van die vraag uitgegaan van de door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden (zie rov. 4.10), maar verbindt daaraan – anders dan [eisers] – niet de conclusie dat de Politie in verband met de toestand van [eiser 1] niet had mogen besluiten tot insluiting in een politiecel (rov. 4.11). Deze rechtsoverwegingen hebben dus betrekking op de periode tot het moment van insluiting, waarbij geldt dat de in dat verband door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden niet ter discussie staan (zie ook hierna, onder 4.52). Ook rov. 4.12, waarin het bewijsaanbod van [eisers] om twee agenten als getuige te horen ter zake de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] wordt gepasseerd, heeft op deze periode betrekking. De rechtsoverwegingen 4.13-4.25 zien op de periode dat [eiser 1] in de politiecel was ingesloten. De slotsom waartoe het hof in rov. 4.26 komt, heeft betrekking op beide periodes.

4.43

Het slagen van de subonderdelen 1.4.1 en 1.4.2 kan alleen gevolgen hebben voor de overwegingen van het hof die zien op de periode dat [eiser 1] in de politiecel was ingesloten; de camerabeelden betreffen immers het verblijf van [eiser 1] in de cel. Van de door het onderdeel genoemde overwegingen (rov. 4.8 t/m 4.26) gaat het daarbij om rov. 4.13-4.25 en een deel van rov. 4.26. Hetzelfde geldt voor het slagen van subonderdeel 2.1. Ook als zou moeten worden aangenomen dat het aanbod om [betrokkene 4] als getuige te horen betrekking heeft op meer dan alleen de camerabeelden, zoals subonderdeel 2.3 (slot) voorstaat, geldt dat het slagen van subonderdeel 2.1 niet kan raken aan rov. 4.9-4.11, nu het hof daar de door [eiser 1] gestelde feiten onverkort tot uitgangspunt neemt, zodat bewijslevering ter zake niet aan de orde is (vgl. ook hierna, onder 4.50-4.52). Ook het passeren door het hof van het getuigenbewijsaanbod in rov. 4.12 wordt niet geraakt, evenmin als rov. 4.26 voor zover dat betrekking heeft op de periode tot het moment van insluiting.

4.44

De voortbouwklacht slaagt dus gedeeltelijk, namelijk voor zover deze betrekking heeft op de overwegingen van het hof over de verwijten die [eisers] de Politie maken met betrekking tot de periode dat [eisers] zich in de politiecel bevond, en de daarop gebaseerde afwijzing van de vorderingen van [eisers] (waaronder de overwegingen in rov. 4.13-4.25 en een deel van de overwegingen in rov. 4.26).

Onderdeel 4

4.45

Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.26 (onder het kopje “Conclusie”) dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [eiser 1] in de politiecel te houden tot 00:13 uur, in het bijzonder voor zover dit oordeel inhoudt dat de Politie in het tijdvak van 22:20 uur tot 23:03 uur steeds niet hoefde in te grijpen. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Deze klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in drie subonderdelen.

4.46

Nu rov. 4.26 de slotsom bevat van het oordeel van het hof over de verwijten die [eisers] de Politie in deze procedure maakt, kan dit oordeel niet in stand blijven voor zover het gaat om het in rov. 4.13-4.25 neergelegde oordeel over (de afwezigheid van) het gevaarzettend handelen door de Politie in de periode dat [eiser 1] zich in de politiecel bevond. Daarmee bestaat er grotendeels geen belang meer bij een bespreking van de klachten van onderdeel 4. Na het bekijken van de camerabeelden en het zo nodig daarover horen van getuige [betrokkene 4] zal opnieuw moeten worden beoordeeld of de Politie al dan niet gevaarzettend heeft gehandeld door niet tijdig of niet op de juiste manier in te grijpen naar aanleiding van het zelfdestructieve gedrag van [eiser 1] in de politiecel.

4.47

Wel moet nog aandacht worden besteed aan de klachten van subonderdeel 4.2.2 en subonderdeel 4.2.3, die gericht zijn tegen rov. 4.12. Daarin heeft het hof het bewijsaanbod van [eisers] om twee agenten te horen over de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] naar het politiebureau gepasseerd.

4.48

Subonderdeel 4.2.2 klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eisers] hun bewijsaanbod meer zouden hebben moeten specificeren, althans dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het bewijsaanbod onvoldoende specifiek zou zijn. [eisers] hebben alleen in punten 6 (1e gedachtestreepje) en 11 van de memorie van grieven stellingen betrokken over de rol van de agenten bij de aanhouding van [eiser 1] en zijn overbrenging naar het politiebureau, en het bewijsaanbod betrof derhalve onmiskenbaar die stellingen, aldus het subonderdeel.

4.49

Subonderdeel 4.2.3 werpt een rechtsklacht en een motiveringsklacht op voor het geval het hof in rov. 4.12 het getuigenbewijsaanbod zou hebben gepasseerd op de grond dat het aanbod niet ter zake dienend zou zijn. De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.50

In het door de subonderdelen genoemde punt 11 van de memorie van grieven77 hebben [eisers] het volgende betoogd:

“11. Vóórdat [eiser 1] werd ingesloten in een cel waren de agenten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die als eerste op de melding waren afgekomen, door buurman [betrokkene 3] op de hoogte gesteld van een zeker verleden van [eiser 1] . Eén van die agenten gaf door aan de andere agenten die naar de woning op weg waren, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , dat zij de woning van [eiser 1] zonder zwaailichten en sirenes moesten benaderen. De agenten werden door de dochter van [eiser 1] geïnformeerd dat [eiser 1] zich meermaals op zijn achterhoofd had laten vallen. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] beoordeelden ter plaatse zelf ook het gedrag van [eiser 1] als sterk afwijkend. [eiser 1] toonde zich agressief, volgde geen instructies op, sloeg complete wartaal uit en riep met grote herhaling “grapje”. Er was geen contact met hem te krijgen. Toen hij gesommeerd werd om te staan, liet hij zich slap met zijn hoofd voorover op de grond vallen. Hij verzette zich hevig tegen elke poging om hem in bedwang te krijgen. Eenmaal in de politieauto geplaatst, trapte hij daarvan de autoruit kapot. In de politieauto gaf agent [betrokkene 2] [eiser 1] een elleboogstoot tegen zijn hoofd.”

4.51

Het hier aan de orde zijnde getuigenbewijsaanbod is opgenomen in hoofdstuk III van de memorie van grieven. Het aanbod houdt in, samengevat, dat [eisers] bewijs aanbieden door middel van een verklaring van [betrokkene 1] respectievelijk [betrokkene 2] , beide destijds agent bij de regiopolitie, als getuigen “ter zake de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] op 4 en 5 mei 2010”.78

4.52

Het hof heeft de feiten en omstandigheden die [eisers] in punt 11 van de memorie van grieven hebben aangedragen, in samenvatting weergegeven in rov. 4.10. Bij de daarop volgende beoordeling van het betoog van [eisers] dat de Politie vanwege de toestand van [eiser 1] niet had kunnen besluiten tot insluiting in een politiecel, gaat het hof van deze feiten en omstandigheden uit (rov. 4.11). Aangenomen dat het bewijsaanbod “ter zake de aanhouding en overbrenging” van [eiser 1] inderdaad, zoals subonderdeel 4.2.2 stelt, betrekking heeft op de feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd in punt 11, geldt dat beide subonderdelen bij deze stand van zaken niet tot cassatie kunnen leiden. De feiten en omstandigheden waarop dit bewijsaanbod ziet, worden immers door het hof onverkort tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van voornoemd betoog van [eisers] Bovendien wordt de verwerping van dit betoog in cassatie (anders dan als voortbouwklacht van de onderdelen 1 en 2) niet bestreden. Zowel subonderdeel 4.2.2 als subonderdeel 4.2.3 stuiten hierop af.

Onderdeel 5

4.53

Onderdeel 5 omvat twee subonderdelen.

4.54

Subonderdeel 5.1 houdt een voortbouwklacht in over de overwegingen die ook door onderdeel 4 worden bestreden. Deze klacht slaagt voor zover het gaat om de verwijten die aan de Politie worden gemaakt met betrekking tot de periode dat [eiser 1] in de politiecel was ingesloten.

4.55

Subonderdeel 5.2 wordt voorgesteld voor het geval het oordeel van het hof in rov. 4.21, dat de noodzaak om in te grijpen pas rond 23:30 uur ontstond, niet reeds door de voortbouwklacht van subonderdeel 5.1 wordt geraakt. Het subonderdeel betoogt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom er tot 23:30 uur nog geen noodzaak zou zijn geweest om in te grijpen, en die noodzaak er pas om 23:30 uur wel opeens was. De overwegingen van het hof in rov. 4.17 dat [eiser 1] nadat de GGD-arts zijn cel had verlaten rustig was en geen destructief gedrag vertoonde en dat de situatie om 22:20 uur veranderde, laten zich niet anders begrijpen dan dat [eiser 1] reeds vanaf 22:20 uur79 destructief gedrag vertoonde. Het valt dan ook niet in te zien waarom de noodzaak om in te grijpen er pas om 23:30 uur zou zijn geweest, aldus het subonderdeel.

4.56

Nu het bestreden oordeel van het hof in rov. 4.21 geraakt wordt door het slagen van de subonderdelen 1.4.2 en 2.1, kan het geen stand houden. Daarmee wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Onderdeel 6

4.57

De voortbouwklacht van onderdeel 6 houdt in dat de voorgaande klachten ook de geldigheid aantasten van de oordelen waarin het hof voortbouwt op de door de betreffende klachten bestreden overwegingen. Deze klacht slaagt voor zover het gaat om het eindoordeel van het hof met betrekking tot de verwijten aan de Politie in de periode dat [eiser 1] in de cel was ingesloten, en de daarop gebaseerde afwijzing van de vorderingen van [eisers]

5Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5284, JA 2020/116.

2Het proces-verbaal van de Rijksrecherche is opgenomen als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding. Bijlage 33 bij dit proces-verbaal bevat het proces-verbaal waarin is beschreven wat er op de beelden is te zien. Zie p. 17 van het proces-verbaal van de Rijksrecherche voor een samenvatting.

3[eiser 1] vordert vergoeding van vermogensschade (art. 6:96 BW) en immateriële schade (art. 6:106 lid 1, onder b BW); [eiseres 2] vordert vergoeding van materiële schade (kosten van bezoeken aan de dagopvang en van de verzorging van [eiser 1] thuis) op grond van art. 6:107 BW. Zie de inleidende dagvaarding, onder 92-95.

4Inleidende dagvaarding, onder 90. Zie ook het vonnis van de rechtbank van 21 maart 2018, rov. 3.2.

5Zie het vonnis van de rechtbank van 21 maart 2018, rov. 3.2. Zie ook het bestreden arrest, rov. 4.1.

6Inleidende dagvaarding, onder 69-71, 92-95.

7Rb. Overijssel 21 maart 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:947, JGz 2018/33 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

8Aldus de samenvatting van de rechtbank in rov. 4.28 van het vonnis van 21 maart 2018.

9Memorie van grieven, petitum onder II. Zie ook punt 20 van de memorie van grieven.

10Het verzoek tot verstrekking van de camerabeelden is door de Politie bij besluit van 23 november 2018 (overgelegd als prod. 26 bij memorie van grieven) afgewezen op de grond dat art. 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) niet verplicht tot het verstrekken van afschriften van de documenten waarin verwerkte politiegegevens zijn opgenomen. Zie ook de uitspraken van de voorzieningenrechter respectievelijk het gerechtshof in de kortgedingprocedure waarin [eisers] op de voet van art. 843a Rv verstrekking van de camerabeelden door de Politie hebben gevorderd: rb. (vzr.) Den Haag 20 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2730, rov. 4.3 (overgelegd als prod. 2 bij memorie van antwoord) en hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613, rov. 11 (overgelegd door [eisers] bij akte overlegging producties van 19 mei 2020).

11Hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613. Zie over dit arrest T.R.B. de Greve, ‘Bespiegelingen over bewijs en waarheidsvinding naar aanleiding van een voorval in een politiecel’. In: JBPr 2020/1.

12Dit volgt uit rov. 1.1 van het bestreden arrest. Zie daarnaast ook de door [eisers] genomen akte overlegging producties van 19 mei 2020, onder 4.

13Of het H-formulier waarbij [eisers] het verzoek tot het tonen van de camerabeelden hebben gedaan (reeds) een toelichting op dit verzoek bevat, kan niet worden vastgesteld nu het desbetreffende formulier in cassatie niet is overgelegd. Dit volgt ook niet uit de processtukken in cassatie. Vgl. de schriftelijke toelichting van de Politie, onder 20: “Bij een formulier “H-16: Niet geregeld verzoek” hebben [eisers] onder verwijzing naar het arrest van 3 september 2019 verzocht de beelden te mogen tonen tijdens een zitting. In de akte overlegging producties hebben [eisers] hun verzoek toegelicht, althans hebben zij de toelichting op hun aankondiging om de beelden in het geding te brengen herhaald.”

14Bestreden arrest, rov. 1.1.

15Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5284, JA 2020/116.

16[eisers] hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, de Politie met het in een politieauto vervoeren van [eiser 1] naar het politiebureau in Deventer niet onrechtmatig heeft gehandeld. Zie het bestreden arrest, rov. 4.2.

17De procesinleiding is op 7 oktober 2020 in het webportaal van de Hoge Raad ingediend.

18Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 50 (MvT-RO) en p. 100 (MvA TK). Zie hierover D.J. Beenders, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 152 Rv, aant. 2, onder a (online, actueel t/m 01-01-2021); Asser Procesrecht/Asser 3 2017/52-54; Pitlo/Rutgers & Krans, Bewijs 2014/54.

19Vgl. Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 2021/7.3.1; G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 152 Rv, aant. 1.1 (online, actueel t/m 01-09-2019); Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 50 (MvT-RO) (“Al is het dus onnodig de bewijsmiddelen gespecificeerd te vermelden, toch kunnen voorschriften betreffende een aantal daarvan niet worden gemist.”).

20Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 53 en 104 (MvA EK; citaten), p. 105 (Algemene beraadslaging EK). Vgl. ook de conclusie van A-G Bakels voor HR 19 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2874, NJ 1999/496, onder 2.3.

21HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2922, NJ 1999/694 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7. Zie ook C.J.J.C. van Nispen, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 166 Rv, aant. 1 en 2 (online, actueel t/m 01-01-2021).

22Zie het standaardarrest van 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser (OZ/ […]), rov. 3.6 en daarnaast o.m. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, rov. 3.5; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, RvdW 2016/147, rov 3.4.1; en HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, rov. 3.2.1.

23Dit volgt uit (onder meer) de in de noot 22 genoemde rechtspraak.

24Asser Procesrecht/Asser 3 2017/221; A.M. van Aerde, ‘Bewijsaanbod’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 267.

25Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/212, onder verwijzing naar HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512 m.nt. H.B. Krans en HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2986, JBPr 2017/8 m.nt. J.J. van der Helm.

26HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, rov. 3.6.

27Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/209; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/220; en G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/62.

28Vgl. HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1562, JBPr 2003/41 m.nt. CJMK, rov. 3.6.

29Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/62 en Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/207, beide verwijzend naar HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1177, NJ 1994/192. Zie ook A.M. van Aerde, ‘Bewijsaanbod’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 248.

30HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:646, RvdW 2021/497, rov. 3.2, met verwijzing naar HR 14 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1235, NJ 1994/333, rov. 3.4.

31Asser Procesrecht/Asser 3 2017/226.

32Zie naast de in noten 22 en 30 genoemde rechtspraak bijv. HR 20 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2613, NJ 1999/693 m.nt. H.J. Snijders onder NJ 1999/694, rov. 3.5; HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2117, NJ 2010/61 m.nt. M.H. Wissink, rov. 4.1; HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7925, NJ 2006/5, rov. 3.4; HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506, NJ 2016/195 m.nt. C.E. du Perron, rov. 4.2.6; HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, RvdW 2012/323, rov. 4.1.6; en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, JBPr 2020/44 m.nt. T. van Malssen, rov. 3.5.2. Zie nader over het prognoseverbod J.M.I Vink & R.H. de Bock, in: Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 166 Rv, onder 3.2.3 (online, bijgewerkt tot 12 februari 2020); A.M. van Aerde, ‘Bewijsaanbod’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p. 262-263; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/225-226; en G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/70-71.

33Zie de in noot 22 genoemde rechtspraak.

34Asser Procesrecht/Asser 3 2017/154 en J.G. Gräler, Schriftelijk bewijs (BPP nr. 23) 2020/1.2. Vgl. ook Pitlo/Rutgers & Krans, Bewijs 2014/70. Voor een nadere bespreking van deze definitie, afkomstig uit Asser/Anema/Verdam, Van bewijs, 1953, p. 99, en de verhouding ervan tot elektronische gegevens verwijs ik naar genoemde publicaties.

35Zie over het in het geding brengen van stukken in verzoekschriftprocedures de conclusie van A-G Lückers voor HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:534, RvdW 2018/454, onder 2.8 (met verdere verwijzingen).

36Art. 85 lid 1 Rv vermeldt dat deze verplichting niet geldt indien al eerder een afschrift van het betreffende stuk is overgelegd, en evenmin indien de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen.

37M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 63. Zie voorts R.H. de Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 85 Rv, aant. 1 (online, actueel t/m 01-06-2021) en m.b.t. de gelijkluidende voorloper van het huidige art. 85 lid 1 Rv Asser Procesrecht/Asser 3 2017/211 (“schriftelijke en andere ‘tastbare’ bewijsmiddelen”) en 213.

38Zie M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 63 en m.b.t. het gelijkluidende art. 85 lid 1 Rv (oud) Asser Procesrecht/Asser 3 2017/210-211; A.I.M. van Miero & J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (BPP nr. 1) 2011/657, 680-681.

39Vgl. HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174, rov. 3.5: “(…) dat van een partij die zich beroept op correspondentie waarover zij beschikt, verlangd mag worden dat zij die correspondentie uit zichzelf in het geding brengt, (…).”. Deze toevoeging ontbreekt in HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, waarin de Hoge Raad de hier aan de orde zijnde regel herhaalt, onder verwijzing naar genoemd arrest uit 2012.

40HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453 m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2015/454, rov. 3.5.4, verwijzend naar HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174 (rov. 3.5).

41M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 63. Zie ook mijn commentaar op art. 85 Rv in GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 4 (online, actueel t/m 01-06-2021).

42Zie daarover uitvoerig R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, 2011, p. 41-81. Zie ook R.H. de Bock, ‘Feitenonderzoek tijdens de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot & H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 183-248.

43Zie meest recent HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, RvdW 2020/492, rov. 3.2.2 (in het kader van het verschoningsrecht van advocaten en notarissen).

44De zinsnede ‘ten dienste van een goede rechtsbedeling’ heeft de Hoge Raad voor het laatst gebezigd in het kader van de getuigplicht van art. 165 lid 1 Rv, te weten in HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen (Verschoningsrecht mediator), rov. 3.3.

45M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 63.

46HR 19 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2874, NJ 1999/496.

47Asser/Asser Procesrecht 3 2017/211, voetnoot 1; A.I.M. van Mierlo & J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (BPP nr. 1) 2011/681; en V. Lindijer, De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/211.

48Zie rov. 3.2 van het arrest van 19 maart 1999 en punten 1.7 en 1.9 van conclusie van A-G Bakels voor het arrest.

49HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48 m.nt. W.D.H. Asser. Zie hierover ook M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 65-66.

50Vgl. mijn commentaar op art. 85 Rv in GS Burgerlijk Procesrecht, aant. 3 (online, actueel t/m 01-06-2021) alsmede V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/214; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, 2020, p. 64-65; conclusie A-G Lückers voor HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:534, RvdW 2018/454, onder 2.9.

51HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, rov. 3.3.2 onder verwijzing naar HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342. De Hoge Raad voegt daar onder verwijzing naar HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686 m.nt. M.M. Mendel aan toe dat de rechter slechts heeft te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en dat de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, niet impliceert dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept

52HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.5. Ook de hiervoor weergegeven overwegingen zijn afkomstig uit rov. 3.5.

53Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT), p. 32, 58-59. De bepaling is ingevoerd bij Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht, Stb. 2016, 288. Zie m.b.t. de inwerkingtreding ervan het Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017, 174, art. I lid 1, eerste gedachtestreepje.

54Zie de volgende passages uit de memorie van toelichting bij art. 22b Rv (Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3) (p. 32): “Bezien is of in de wet zou moeten worden opgenomen dat een partij verplicht is om aan te geven welk deel van een omvangrijk stuk relevant is. De verplichting om duidelijk te maken waarom een productie wordt bijgevoegd en aan te geven waar relevante delen zijn te vinden, bestaat echter reeds op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad. Wel wordt in de wet verduidelijkt dat de rechter verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing kan laten als partijen op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens en bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daarvan daartoe van belang is (vgl. artikelen 22, tweede lid, Rv en 8:32a Awb)” en (p. 58-59): “Voor de indiener van een digitaal stuk is het relatief eenvoudig om bijvoorbeeld een stuk van enorme omvang, een grote hoeveelheid stukken of verwijzingen naar websites in te dienen. Om die reden bepaalt [art. 22 Rv] (…). Dit [artikel] codificeert jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien een partij ook na een verzoek van de rechter om opheldering «ter toelichting of staving van welke stelling het gedeponeerde materiaal is bedoeld en welk (onder)deel van het gedeponeerde daartoe van belang is», onvoldoende heeft voldaan aan de substantiëringsplicht, «de rechter het gedeponeerde materiaal terzijde [kan] laten» (HR 31 januari 2003, NJ 2004, 48). De rechter zal dus na ontvangst van dergelijk materiaal zonder substantiëring, de indiener in de gelegenheid moeten stellen alsnog aan te geven waartoe die stukken dienen en welke passages relevant zijn. Voldoet indiener daar niet aan, dan mag de rechter het materiaal buiten beschouwing laten.”

55Zie de volgende passage in de memorie van toelichting bij art. 22b Rv (Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 58-59): “De rechter zal dus na ontvangst van dergelijk materiaal zonder substantiëring, de indiener in de gelegenheid moeten stellen alsnog aan te geven waartoe die stukken dienen en welke passages relevant zijn. Voldoet indiener daar niet aan, dan mag de rechter het materiaal buiten beschouwing laten.”

56W.D.H. Asser, noot bij HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48, onder punt 10.

57V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/214. Idem M.A.J.G. Janssen, ‘De substantiërings- en wegwijsplicht bij overleggen producties’. In: JBPr 2017/912, onder 6 en de conclusie van A-G Lückers voor HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:534, RvdW 2018/454, onder 2.9. Vgl. ook W.D.H. Asser, noot bij HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48, onder punt 12: “Bij dit alles past nog een coda. De partij die moeilijk toegankelijk en/of omvangrijk materiaal bij de griffie nederlegt (ik zal niet spreken over neerkwakken) is in de eerste plaats vanuit haar verplichting tot loyaal en behoorlijk procederen ten opzichte van de wederpartij en de rechter, gehouden ervoor te zorgen dat zonder al te veel problemen tot dit materiaal door wederpartij en rechter kan worden doorgedrongen. Maar de keerzijde van de medaille is dat als die partij dat niet voldoende aan die verplichting heeft voldaan, de rechter niet meteen de bijl laat vallen maar het nodige onderneemt om het wederpartij en hemzelf mogelijk te maken het materiaal op zijn merites te beoordelen. Daartoe mogen wederpartij en rechter de deponerende partij houden aan haar zojuist genoemde verplichtingen. Ik zou menen dat de Hoge Raad in zoverre regels heeft gegeven die passen bij een moderne benadering van het proces.”

58Conclusie A-G Huydecoper voor HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48 m.nt. W.D.H. Asser, onder 11.

59Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 53 (MvA EK). Zie idem p. 104-105.

60In de zaak die leidde tot het bedoelde vonnis had eiser een getuige doen horen en voorts bij pleidooi verzocht om een bandopname van een gesprek tussen hem en deze getuige te mogen afdraaien. Dit verzoek, door de rechtbank opgevat als een verzoek om de bandopname als bewijsmiddel te mogen bezigen, werd afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat eiser niet uitdrukkelijk had gesteld dat uit de bandopname zou kunnen blijken dat de verklaring van de getuige op belangrijke punten onjuist is. Zie Rb. Groningen 15 december 1972, ECLI:NL:RBGRO:1972:AC5279, NJ 1973/324.

61Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 57 (Algemene beraadslaging EK). Zie idem p. 107.

62Vgl. ook de noot van W.D.H. Asser bij HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48, onder punt 11.

63Zie ook mijn conclusie van 4 december 2020 in de zaak Metrobestuurder/GVB, ECLI:NL:PHR:2020:1153, onder punt 3.9.

64T.R.B. de Greve, ‘Bespiegelingen over bewijs en waarheidsvinding naar aanleiding van een voorval in een politie-cel’. In: JBPr 2020/1, onder 13.

65Deze uitdrukking wordt algemeen toegeschreven aan Fred R. Barnard, zie <https://nl.wikipedia.org/wiki/E%C3%A9n_beeld_zegt_meer_dan_duizend_woorden>.

66HR 19 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2874, NJ 1999/496.

67Zie het voorgestelde art. 199 Rv en de toelichting daarop in de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 55 en 62.

68Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 62.

69Asser Procesrecht/Asser 3 2017/244.

70Zie prod. 1 bij inleidende dagvaarding.

71Vgl. ook het petitum van de memorie van grieven, aanhef en onder II waar [eisers] het hof verzoeken het bestreden vonnis van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende “[a]ppellanten toe te staan akte houdende productie(s) te nemen ter zake de camerabeelden gemaakt in het politiebureau te Deventer in en bij cel 17 op 4 en 5 mei 2010.”

72Rb. (vzr.) Den Haag 20 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2730. Volgens de voorzieningenrechter hadden [eisers] de bestuursrechtelijke weg moeten volgen en hadden zij beroep moeten instellen tegen het besluit van de Politie om hun verzoek tot verstrekking van de camerabeelden af te wijzen (zie hiervoor, onder 2.5 en noot 10). De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat niet ter discussie staat dat de camerabeelden politiegegevens betreffen als bedoeld in art. 1 aanhef en onder a van de Wet Politiegegevens (Wpg), dat de Politie het verzoek van [eisers] terecht heeft aangemerkt en afgehandeld als een verzoek ex art. 25 Wpg, en dat de Wpg (voor wat betreft de mogelijkheid om kennis te nemen van politiegegevens) als lex specialis geldt en niet kan worden doorkruist door de algemene regeling van art. 843a Rv.

73Hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613.

74Men kan zich afvragen hoe gelukkig deze voorwaarde is. Dit laat ik verder rusten, nu [eisers] kennelijk hebben ingestemd met de voorwaarde. Dat blijkt uit rov. 26 van het kortgedingarrest: “[Appellant] c.s. heeft tijdens de comparitie in het onderhavige beroep overigens ook verklaard te kunnen instemmen met deze wijze van “verstrekking”.

75Zie ook het besluit van de Politie van 23 november 2018 (overgelegd als prod. 26 bij memorie van grieven), waarover noot 10 hiervoor. Dat de advocaat de beelden heeft bekeken volgt ook uit een e-mail van 15 november 2018, waarin de advocaat onder meer schrijft “[b]en ik in de gelegenheid gesteld om (een selectie van) die camerabeelden te bekijken. Van die mogelijkheid heb ik gisterenochtend gebruik gemaakt”. De e-mail is door [eisers] overgelegd als prod. 25 bij de memorie van grieven.

76Rov. 4.8 behelst slechts een samenvatting van overwegingen van de rechtbank waartegen [eisers] hebben gegriefd.

77De subonderdelen noemen ook punt 6, 1e gedachtestreepje, van de memorie van grieven, dat (slechts) een feitenweergave inhoudt. Uit de procesinleiding blijkt niet dat hetgeen onder het 1e gedachtestreepje is aangevoerd ten grondslag is gelegd aan het betoog van [eisers] met betrekking tot de aanhouding en de overbrenging van [eiser 1] .

78Memorie van grieven, p. 10.

79Het subonderdeel noemt hier het tijdstip van 22:00 uur. Uit de nota van repliek (voetnoot 9) blijkt dat dit een vergissing is en dat is bedoeld het tijdstip van 22:20 uur.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey