HR: sport- en spelsituatie, geen aansprakelijkheid voor zware blessure tijdens voetbalwedstrijd (art 81 RO)

Samenvatting:

Eiser tot cassatie loopt tijdens een voetbalwedstrijd een zware blessure op, die uiteindelijk leidt tot het verlies van het linker onderbeen. Het hof oordeelde, net als de rechter in het deelgeschil, dat de blessure is veroorzaakt door een overtreding van verweerder, maar dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep dat tegen het arrest van het hof is ingesteld zonder nadere motivering (art 81 RO).

 

 

ECLI:NL:HR:2021:857, Hoge Raad, 20/01157 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:HR:2021:857

Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

11-06-2021

Datum publicatie

11-06-2021

Zaaknummer

20/01157

Formele relaties

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:40, Gevolgd

In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:319, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Artikel 81 RO-zaken

Cassatie

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Sport- en spelsituatie. Aansprakelijkheid voor schade als gevolg van sliding tijdens voetbalwedstrijd?

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

 

CIVIELE KAMER

 

Nummer 20/01157

 

Datum 11 juni 2021

 

ARREST

 

In de zaak van

 

[eiser],

wonende te [woonplaats],

 

EISER tot cassatie,

 

hierna: [eiser],

 

advocaat: K. Aantjes,

 

tegen

 

  1. [verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

 

  1. VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

voorheen genaamd REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V,

gevestigd te Amstelveen,

 

VERWEERDERS in cassatie,

 

hierna gezamenlijk: [verweerders],

 

advocaat: K. Teuben.

 

  1. Procesverloop

 

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

 

de beschikking in de zaak C/18/161509 HA RK15-383 van de rechtbank Noord-Nederland van 11 maart 2016;

 

het vonnis in de zaak C/18/179560 HA ZA 17-236 van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2017;

 

de arresten in de zaak 200.231.728/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2019, 14 januari 2020 en 3 maart 2020.

 

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 14 januari 2020 beroep in cassatie ingesteld.

 

[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

 

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

 

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

 

De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

 

2Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

 

3Beslissing

De Hoge Raad:

 

verwerpt het beroep;

 

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

 

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 11 juni 2021.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey