Rb: vaststelling omvang schade wegens niet afsluiten van behoorlijke verzekering ex art 7:611 BW, welke verzekeringen bestonden op moment ongeval?

Samenvatting:

Werkneemster loopt letsel op bij fietsongeval in 2017 tijdens werk. Aansprakelijkheid ex art 7:611 BW voor de vermogensschade die werkneemster lijdt door het niet afsluiten van een behoorlijke verzekering is erkend. Het gaat nu ‘alleen’ om de omvang van de schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat bij de huidige stand van het partijdebat nog geen antwoord kan worden gegeven op de vraag, of de door werkneemster gestelde schade gedekt zou zijn als werkgever destijds wel in een behoorlijke verzekering zou hebben voorzien en, als voorvraag, wat destijds (de dekking van) een behoorlijke verzekering zou zijn geweest. Alvorens te beslissen of eventueel een deskundige op verzekeringsrechtelijk gebied te benoemen, acht de kantonrechter het geraden dat partijen zich uitlaten over deze (voor)vragen. Daarbij dient door partijen in ieder geval in aanmerking te worden genomen de in 2017, bestaande verzekeringsmogelijkheden, waarbij mede van belang is of een verzekering kon worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kon worden gevergd, en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen. De kantonrechter kan zich voorstellen dat partijen – bij voorkeur gezamenlijk – informatie inwinnen bij een aantal grote verzekeraars en ten minste een vijftal polisbladen in het geding brengen.

ECLI:NL:RBROT:2022:4180, Rechtbank Rotterdam, 9340564 \ CV EXPL 21-23862 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2022:4180

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

13-05-2022

Datum publicatie

31-05-2022

Zaaknummer

9340564 \ CV EXPL 21-23862

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Fietsongeval werkneemster. Schadevergoeding. Aansprakelijkheid werkgever ex artikel 7:611 BW voor niet hebben behoorlijke verzekering. Dekking verzekering? Directe actie ex artikel 7:954 BW jegens verzekeraar niet mogelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9340564 \ CV EXPL 21-23862

uitspraak: 13 mei 2022

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2021,

gemachtigde: mr. J. van der Stel te Schiedam,

tegen

1.de stichtingStichting Sint Franciscus Vlietland Groep,

gevestigd te Rotterdam,

  1. de Onderlinge Waarborgmaatschappij CentraMed B.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagden,

gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

Partijen worden hierna ‘[eiseres]’, ‘SFVG’ en ‘CentraMed’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bevat de volgende (proces)stukken:

het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 32;

de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;

het tussenvonnis van 18 oktober 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

de aanvullende producties 33 tot en met 42 van de zijde van [eiseres];

de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling, die op 1 februari 2022 heeft plaatsgevonden;

de tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen pleitnota van mr. De Ridder;

de akte van de zijde van [eiseres] met productie 43;

de antwoordakte van de zijde van SFVG en CentraMed.

2.De feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 juli 1976 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van SFVG. Haar laatste functie was Arbo-coördinator tegen een salaris van € 4.335,00 bruto per maand, vermeerderd met vakantiebijslag en overige emolumenten. [eiseres] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk vanaf haar huisadres en op verschillende locaties van SFVG.

2.2.

Op 24 januari 2017 omstreeks 07:30 uur heeft [eiseres] thuis ingelogd om e-mails te verwerken. Omstreeks 10:00 uur is [eiseres] met de elektrische fiets vanaf haar huisadres naar een locatie van SFVG in Rotterdam gereden. Onderweg naar die locatie is [eiseres] een eenzijdig fietsongeval overkomen.

2.3.

Op 2 april 2018 heeft de gemachtigde van [eiseres] het volgende aan SFVG geschreven:

“(…)

Cliënte acht het ziekenhuis aansprakelijk op basis van twee wettelijke grondslagen. Enerzijds heeft cliënte letsel opgelopen tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden zodat het ziekenhuis op grond van het beginsel van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Voor zover cliënte bekend is, heeft het ziekenhuis geen behoorlijke verzekering afgesloten voor werknemers die in de uitoefening van hun werkzaamheden aan het verkeer deelnemen. Mocht er wel sprake zijn van een deugdelijke verzekering dan verneem ik dit uiteraard graag. Anderzijds stelt cliënte dat het achterwege laten van een CT-scan als een beroepsfout van de behandelend arts moet worden gekwalificeerd. Er is aanvullende schade geleden als gevolg van het uitblijven van juiste diagnose en een deugdelijke behandeling.

Cliënte heeft als gevolg van het ongeval en/of de beroepsfout schade geleden en zij lijdt nog steeds schade. Deze schade bestaat uit materiële schadeposten (waaronder verlies arbeidsvermogen, medische kosten, verlies zelfredzaamheid etc.) en immateriële schadeposten (smartengeld). Middels deze brief stel ik namens cliënte het ziekenhuis aansprakelijk voor de door cliënte geleden en nog te lijden schade. Ik zeg bij deze de buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en verhaal van de schade uitdrukkelijk aan. Tevens zeg ik bij deze de wettelijke rente over alle schadeposten uitdrukkelijk aan.

(…)”

2.4.

Op 24 oktober 2018 heeft CentraMed, als verzekeraar van SFVG, het volgende geschreven aan de gemachtigde van [eiseres]:

“(…)

Met excuses voor de vertraging kan ik u berichten dat ik akkoord kan gaan met het feit dat er bij uw cliënte sprake was van werk-werkverkeer en dat dientengevolge op de werkgever de verplichting van een behoorlijke verzekering rust. Nu er, naast de dekking voor werkgeversaansprakelijkheid bij centramed, geen andere verzekering is afgesloten, is er sprake van aansprakelijkheid ex art. 7:611 BW en zullen wij de schade van uw cliënte op dit grond in behandeling nemen.

(…)”

2.5.

Partijen hebben aan het einde van het tweede ziektejaar van [eiseres] een regeling getroffen, die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Ingevolge die regeling is de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2019 geëindigd en heeft SFVG een bedrag ter hoogte van € 40.779,45 netto (€ 81.000,00 bruto) ten titel van transitievergoeding aan [eiseres] betaald. Per 1 februari 2019 is een eindafrekening opgemaakt ter zake van vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Niet opgenomen contract-, verlof- en PLB-uren zijn in december 2018 uitbetaald. Blijkens die vaststellingsovereenkomst hebben partijen elkaar finale kwijting verleend, echter met het uitdrukkelijke voorbehoud aan de zijde van [eiseres] ter zake van al haar vorderingen op SFVG uit hoofde van schadevergoeding – in de breedste zin van het woord – ten gevolge van het onderhavige fietsongeval.

2.6.

In december 2018 heeft CentraMed aan [eiseres] het verzochte voorschot van

€ 25.000,00 betaald.

2.7.

Bij besluit van 3 december 2018 heeft het UWV aan [eiseres] met ingang van 22 januari 2019 een IVA-uitkering toegekend ten bedrage van € 3.114,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

2.8.

[eiseres] heeft sinds circa 2014 naast haar werkzaamheden bij SFVG als ZZP‘er werkzaamheden verricht ten behoeve van haar eigen bedrijf. Het handelt daarbij om administratieve werkzaamheden ten behoeve van bedrijven die zich bezighouden met reparaties aan zeecontainers. [eiseres] is daar destijds mee in contact gekomen via het werk van haar man, die inmiddels met pensioen is. Na het fietsongeval heeft de dochter van [eiseres] besloten haar moeder te helpen met die werkzaamheden en met ingang van 1 januari 2018 hebben [eiseres] en haar dochter [naam bedrijf] (hierna: ‘[naam bedrijf]’) opgericht. Beiden zijn vennoot van die vennootschap onder firma.

3.De vordering

3.1.

[eiseres] heeft – na eisvermindering – gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. SFVG en CentraMed te veroordelen hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 343.627,21, bestaande uit:
  1. directe materiële schade ten bedrage van € 164,00
  1. medische kosten ten bedrage van € 20.457,00
  1. verlies arbeidsvermogen ten bedrage van € 190.747,00
  1. pensioenschade ten bedrage van € 22.513,00
  1. schade huishoudelijke hulp ten bedrage van € 53.968,00
  1. verlies zelfwerkzaamheid ten bedrage van € 7.559,00
  1. reis- en parkeerkosten ten bedrage van € 451,00
  1. buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 7.768,21
  1. vergoeding immateriële schade ten bedrage van € 40.000,00

een en ander vermeerderd met:

– wettelijke rente over posten 1 tot en met 8 vanaf 1 januari 2021, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

– wettelijke rente over post 9 vanaf 24 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

en een en ander verminderd met reeds aan [eiseres] onder algemene titel betaalbaar gesteld voorschot ten bedrage van € 25.000,00;

  1. SFVG en CentraMed te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] heeft die vorderingen samengevat op het volgende gebaseerd.

SFVG is aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van het fietsongeval op 27 januari 2017 heeft geleden en nog zal lijden. De schade van [eiseres] bestaat uit de posten 1 tot en met 9, een en ander zoals nader toegelicht in haar processtukken. CentraMed is als verzekeraar van SFVG gehouden de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade te dekken.

3.3.

Op hetgeen [eiseres] verder naar voren heeft gebracht, wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil teruggekomen.

4.Het verweer

4.1.

SFVG en CentraMed hebben geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] in haar vorderingen dan wel haar deze te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.

SFVG en CentraMed hebben daartoe het volgende naar voren gebracht.

SFVG is niet aansprakelijk voor het optreden van het ongeval op 24 januari 2017 en is ook niet tekortgeschoten in de verplichtingen van artikel 7:658 BW. Het eenzijdig fietsongeval is gebeurd vanaf huis op weg naar het werk. SFVG is ‘slechts’ aansprakelijk voor het niet voorzien in een behoorlijke verzekering. De verplichting tot schadevergoeding bestaat uit het ontbreken van een dergelijke verzekering. Strikt genomen gaat het dan ook niet om vergoeding van letselschade, maar om vergoeding van vermogensschade die bestaat uit het mislopen van een verzekeringsuitkering.

Alle toerekenbare schade is met de betaling van een bedrag ter hoogte van € 25.000,00 aan [eiseres] en de verstrekte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van in totaal € 8.603,15 vergoed. Met uitzondering van post 1 (directe materiële schade) en post 7 (reis- en parkeerkosten), worden de door [eiseres] gevorderde posten uitdrukkelijk betwist.

4.3.

Op hetgeen SFVG en CentraMed verder naar voren hebben gebracht, wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil teruggekomen.

5.De beoordeling

De vorderingen ten aanzien van SFVG

5.1.

Het gaat in deze zaak niet om aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:658 lid 2 BW voor de gevolgen van een ongeval van de werknemer, maar om aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:611 BW voor het niet behoorlijk verzekeren van de werknemer voor schade als gevolg van een ongeval. Volgens vaste rechtspraak brengt de eis van goed werkgeverschap mee dat in bepaalde categorieën van (verkeers)ongevallen, die niet onder het bereik van artikel 7:658 BW vallen, van de werkgever kan worden gevergd dat hij zorg draagt voor een behoorlijke verzekering ten behoeve van de werknemer.1 Een van die categorieën is een eenzijdig fietsongeval van de werknemer dat heeft plaatsgevonden in de uitoefening van diens werkzaamheden.2

5.2.

In deze zaak heeft CentraMed namens SFVG aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW voor het geheel niet hebben voorzien in een verzekering ten behoeve van [eiseres] erkend (zie r.o. 2.4). De aansprakelijkheid van SFVG voor de vermogensschade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt en/of zal lijden (het mislopen van een verzekeringsuitkering) staat dus vast. Het gaat daarom nu ‘alleen’ om de omvang van de schadevergoeding.

5.3.

Bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding in een zaak als deze geldt dat de werkgever niet aansprakelijk is voor (alle) schade als gevolg van het ongeval, maar ‘slechts’ voor de schade die het gevolg is van het niet hebben voorzien in een behoorlijke verzekering ten behoeve van de werknemer.3 Dat betekent dat de omvang van de schadevergoeding afhankelijk is van de hoogte van de uitkering die de werknemer bij een behoorlijke verzekeringsdekking zou hebben ontvangen. Daarbij kan de mate waarin de door de werknemer gestelde schadeposten het gevolg zijn van het ongeval een rol spelen, alsmede factoren als opzet, bewuste roekeloosheid en eigen schuld van de werknemer. Ook moet rekening worden gehouden met enig voordeel dat voor de werknemer, naast de schade, is voortgevloeid uit de schadeveroorzakende gebeurtenis (in deze zaak: het fietsongeval).

5.4.

Het is volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling als bepaald in artikel 150 Rv aan de werknemer om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat hij de door hem gestelde vermogensschade lijdt. De stelplicht en bewijslast ter zake rust dus op [eiseres].

Dekking van schade door een behoorlijke verzekering

5.5.

Gelet op het hiervoor in r.o. 5.3 tot en met 5.4 geschetste juridisch kader, moet, om te kunnen beoordelen of de diverse door [eiseres] gestelde schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen, eerst de vraag worden beantwoord of de door [eiseres] gestelde schade zou zijn gedekt als SFVG destijds wel in een behoorlijke verzekering zou hebben voorzien en, als voorvraag, wat destijds (de dekking van) een behoorlijke verzekering zou zijn geweest.

5.6.

Bij de huidige stand van het partijdebat, kan nog geen antwoord worden gegeven op de hiervoor in r.o. 5.5 opgeworpen vraag, te weten of de door [eiseres] gestelde schade gedekt zou zijn als SFVG destijds wel in een behoorlijke verzekering zou hebben voorzien en, als voorvraag, wat destijds (de dekking van) een behoorlijke verzekering zou zijn geweest. Buiten één overgelegde pagina met summiere informatie over de dekking van een WEGAS-verzekering (productie 39 bij de e-mail van 20 januari 2022 van de gemachtigde van [eiseres]) zonder enige toelichting daarop, heeft [eiseres] niets concreets naar voren gebracht over de vraag of de door haar gestelde schade destijds zou zijn gedekt door een behoorlijke verzekering en evenmin wat destijds een behoorlijke verzekering zou zijn geweest.

5.7.

Alvorens te beslissen of eventueel een deskundige op verzekeringsrechtelijk gebied te benoemen, acht de kantonrechter het geraden dat partijen zich uitlaten over de in r.o. 5.5 opgeworpen (voor)vragen. Daarbij dient door partijen in ieder geval in aanmerking te worden genomen de in de betrokken tijd, te weten 2017, bestaande verzekeringsmogelijkheden voor een onderneming met een aard en omvang als SFVG, waarbij mede van belang is of een verzekering kon worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kon worden gevergd, en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen.4

De kantonrechter kan zich voorstellen dat partijen – bij voorkeur gezamenlijk – informatie inwinnen bij een aantal grote verzekeraars ten aanzien van voornoemde vragen en ten minste een vijftal polisbladen in het geding brengen. De kantonrechter zal eerst [eiseres] in de gelegenheid stellen zich uit te laten en de procedure daartoe verwijzen naar de lopende zakenrol als vermeld in het dictum van beslissing. Daarna zal SFVG in de gelegenheid worden gesteld zich eveneens schriftelijk uit te laten op een nader te bepalen rolzitting.

5.8.

Mede aan de hand van de nadere informatie van partijen zal vervolgens beslist moeten worden over de omvang van de eventueel aan [eiseres] toekomende schadevergoeding. Daarbij is in ieder geval het volgende van belang.

5.9.

Het partijdebat, in het bijzonder het debat tijdens de mondelinge behandeling op 1 februari 2022, heeft zich met name toegespitst op de vraag of voldoende causaal verband bestaat tussen het fietsongeval en de klachten die [eiseres] stelt te hebben. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat partijen zich nader over de medische causaliteit dienen uit te laten, waarbij partijen ook is verzocht om zich uit te laten over de noodzaak van eventueel verder medisch onderzoek om die medische causaliteit te kunnen vaststellen. Ter uitvoering van die afspraak heeft [eiseres] een uitgebreide akte genomen, waarin zij primair heeft gesteld dat voor nader medisch onderzoek geen aanleiding bestaat. Zij heeft aan de hand van de eerder door haar overgelegde medische rapportages gemotiveerd gesteld dat voldoende causaal verband bestaat tussen het fietsongeval en het bij haar geconstateerde letsel. In reactie op de gemotiveerde stellingen van [eiseres] hebben SFVG en CentraMed te kennen gegeven dat zij het primaire standpunt van [eiseres] onderschrijven en dat ook zij geen aanleiding zien om nader medisch onderzoek te verrichten naar het letsel als gevolg van het ongeval. Wel hebben SFVG en CentraMed bij die akte de door [eiseres] gestelde schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen betwist, in het bijzonder ten aanzien van de inkomensschade van [naam bedrijf], terwijl SFVG tevens heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden met de door haar betaalde transitievergoeding van € 81.000,- bruto. Gelet op de nadere stellingen van partijen na de gehouden mondelinge behandeling moet naar het oordeel van de kantonrechter worden geconcludeerd dat de huidige medische klachten van [eiseres] een gevolg zijn van het onderhavige fietsongeval en dat de medische causaliteit niet langer een twistpunt is tussen partijen.

5.10.

Verder is van belang dat de door [eiseres] gevorderde – ten aanzien van sommige onderdelen – forse vergoedingen gemotiveerd betwist door SFVG. Niet uit te sluiten valt dat op dat punt verdere bewijsvoering dient plaats te vinden, waarbij in beginsel geldt dat de bewijslast ter zake op [eiseres] rust zoals hiervoor ook al is vermeld. Juist om een ellelange procedure te voorkomen, verdient het wellicht aanbeveling dat partijen bij elkaar te rade gaan om te overleggen over een eventuele minnelijke regeling. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de zitting ook geschorst om partijen in staat te stellen te overleggen over een eventuele minnelijke regeling, doch partijen hebben toen geen overeenstemming kunnen bereiken. Mogelijk is dat nu anders, omdat nu ook meer duidelijkheid bestaat over het pad dat bewandeld moet worden alvorens in deze zaak door de kantonrechter einduitspraak kan worden gedaan.

5.11.

In dit stadium van de procedure wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

ten aanzien van de vorderingen jegens CentraMed

5.12.

[eiseres] betrekt CentraMed als verzekeraar van SFVG in rechte op grond van de directe actie als bedoeld in artikel 7:954 lid 1 BW. De directe actie bestaat echter alleen bij schade door dood of letsel en is dus uitgesloten bij zaakschade en zuivere vermogensschade. Aangezien het in deze zaak gaat om zuivere vermogensschade (namelijk: de misgelopen verzekeringsuitkering), kan [eiseres] CentraMed niet op grond van de directe actie aanspreken. [eiseres] is daarom niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens CentraMed.

5.13.

Aangezien er ten aanzien van de vorderingen jegens SFVG nog geen eindvonnis kan worden gewezen, wordt ook ten aanzien van de vorderingen jegens CentraMed iedere beslissing in dit stadium van de procedure aangehouden, juist ook om te voorkomen dat ten aanzien van CentraMed sprake is van een deelvonnis met alle mogelijke complicaties in een eventuele appelprocedure van dien.

6.De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van de vorderingen jegens SFVG

verwijst de procedure naar de rolzitting van donderdag 16 juni 2022 om 14:30 uur, opdat [eiseres] zich bij akte kan uitlaten over het gestelde in r.o. 5.7;

bepaalt dat de te nemen akte uiterlijk de dag voor genoemde rolzitting om 12:00 uur ter griffie ontvangen moet zijn;

bepaalt tevens dat SFVG vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld zich over de nadere stellingen van [eiseres] uit te laten op een later te bepalen rolzitting;

houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van de procedure aan;

ten aanzien van de vorderingen jegens CentraMed

houdt iedere beslissing in dit stadium van de procedure aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.

34286

1HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767 (Kooiker/Taxi Nijverdal), HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175 (Maasman/Akzo) en HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf).

2HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf).

3HR 11 november 2011, ECLI:NL:2011:BR5215 (TNT/Wijenberg).

4HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767 (Kooiker/Taxi Nijverdal), HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175 (Maasman/Akzo).

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey