Rb: aanrijding tegen overhangend pand, wegbeheerder niet aansprakelijk  

Samenvatting:

Vrachtwagen rijdt op bedrijfsterrein tegen overhangend pand; de eigenaar van de vrachtwagen stelt de gemeente aansprakelijk ex art 6:174 BW. De rechtbank oordeelt dat de gemeente geen rekening behoefte te houden met het gevaar van een aanrijding van een vrachtwagen tegen de westzijde van het overhangende pand en zij behoefde daarom geen waarschuwingen op die weg aan die zijde aan te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat de behept was met een gebrek als bedoeld in artikel 6:174 BW.

BEeECLI:NL:RBROT:2021:4841, Rechtbank Rotterdam, C/10/594911 / HA ZA 20-382 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2021:4841

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

02-06-2021

Datum publicatie

03-06-2021

Zaaknummer

C/10/594911 / HA ZA 20-382

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Aanrijding tegen overhangend pand. Gemeente niet aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW en 6:162 BW. Geen waarschuwingsplicht nu zij op het gevaar niet bedacht hoefde te zijn gelet op het gebruik van het terrein. Geen schending zorgplicht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594911 / HA ZA 20-382

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BODE SCHOLTEN B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

advocaat mr. A.M. den Hollander te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE PAPENDRECHT,

zetelend te Papendrecht,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna Bode Scholten en de Gemeente genoemd worden.

1.De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 2 april 2020, met producties 1 tot en met 16;

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;

spreekaantekeningen van Bode Scholten;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.

Bode Scholten is een onderneming die zich bezighoudt met, onder meer, goederenvervoer over de weg.

2.2.

De [straatnaam] is een openbare weg rond een bedrijfsterrein dat eigendom is van Baggermaatschappij Boskalis B.V.

2.3.

De Gemeente is beheerder van de [straatnaam].

2.4.

Op 24 december 2014 heeft Baggermaatschappij Boskalis B.V. bij de Gemeente een vergunning aangevraagd voor het aanleggen of veranderen van een uitrit. Op het aanvraagformulier is, voor zover van belang, het volgende ingevuld:

“2. Uitrit aanleggen of veranderen

Wat wilt u precies gaan doen? Een bestaande in- of uitrit veranderen

Omschrijf wat u wilt gaan doen. Bestaande uitrit naar links verplaatsen +/- 4 mtr.

Geef eventueel een toelichting op

wat u gaat doen Uitrit verplaatsen zodat deze recht tegenover uitweg

parkeergarage komt.

(…)

Vul de straatnaam in waar de in- of [straatnaam]

uitrit op uitkomt.

5.Provinciespecifieke vragen

Wat is de bestemming van de in/uitrit? Personenauto’s

(…)

Welk type voertuig maakt gebruik Personenauto’s

van de uitweg?”

2.5.

Eén van de kantoorpanden op het bedrijfsterrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. hangt gedeeltelijk over de [straatnaam], op een hoogte van circa 3.60 meter.

2.6.

Op 27 juli 2015 heeft een chauffeur van Bode Scholten met een vrachtwagen goederen afgeleverd op het bedrijfsterrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. De route die de chauffeur die dag heeft gereden, zal hierna onder 2.7 worden beschreven. Zij is ook zichtbaar gemaakt op de onderstaande door Bode Scholten overgelegde afbeelding (afkomstig uit een in opdracht van Achmea opgesteld expertise-rapport).

Speedgate waar de chauffeur zich meldde

Losplaats

Schuifpoort, scheiding tussen publiektoegankelijk gebied, en personeelsparkeerplaats. Behoort dicht te zijn, was die dag toevallig open vanwege bestratingswerkzaamheden op het personeelsparkeerterrein.

Uitgang personeelsparkeerterrein. Westelijk (buiten dit beeld) ligt de ingangspoort van dit parkeerterrein.

2.7.

De chauffeur is via de leveranciersingang het terrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. opgereden (iets rechts van punt A op bovenstaande afbeelding). Op de beoogde losplaats (punt B op de afbeelding) is de chauffeur doorgestuurd naar een andere losplaats omdat zijn lading te groot was om daar te kunnen worden gelost. De chauffeur is met zijn vrachtwagen via een openstaand schuifhek (punt C op de afbeelding) op het achtergelegen personeelsparkeerterrein gereden. Dit schuifhek stond die dag toevallig open vanwege bestratingswerkzaamheden op het personeelsparkeerterrein. In een door hem afgelegde schriftelijke verklaring merkt de chauffeur hierover op “Er stond een hek open en ik heb over een stukje onverhard terrein gereden om daar te komen. Volgens mij was men aan het straten.” De chauffeur heeft zich vervolgens op de nieuwe losplaats gemeld. Na de lading daar te hebben gelost, is de chauffeur naar de dichtstbijzijnde uitrit van het parkeerterrein gereden. Die uitrit komt uit op de [straatnaam] (punt D op de afbeelding). Zij was afgesloten door een schuifpoort, maar deze opende zich automatisch. De chauffeur is door de uitrit naar buiten gereden en linksaf geslagen. De chauffeur kwam daarmee uit op de [straatnaam], die hij oostwaarts richting het overhangende kantoorpand is gereden. Aldaar is de chauffeur met de bovenkant van zijn vrachtwagen, die een hoogte had van vier meter, met een snelheid van ongeveer 25 km/h tegen het overhangende pand (van 3.60 meter hoogte) aangereden.

2.8.

Per brief van 22 januari 2016 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van Bode Scholten de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door Bode Scholten geleden schade als gevolg van de aanrijding.

2.9.

Op 6 juli 2016 heeft de verzekeraar van de Gemeente aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.Het geschil

3.1.

Bode Scholten vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente zal veroordelen tot betaling van:

– de door Bode Scholten geleden schade ten aanzien van de vrachtwagen, te begroten op € 20.850,- vermeerderd met de expertisekosten (van € 225,75), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 27 juli 2015, althans de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

– de door Bode Scholten geleden schade vanwege gederfde winst, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

– de buitengerechtelijke kosten van € 985,75 te vermeerderen met BTW;

– de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

Bode Scholten legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Gemeente heeft verzuimd om voorzorgsmaatregelen te treffen ter voorkoming van het ongeval dat een werknemer van Bode Scholten is overkomen. Dat had wel op de weg van Gemeente, als wegbeheerder van de [straatnaam], gelegen. De gevolgen van de gebrekkige weg komen voor rekening van Gemeente. Subsidiair heeft de Gemeente volgens Bode Scholten haar zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers geschonden door niet voor de geringe hoogte van het over de openbare weg hangende pand van Boskalis te waarschuwen. Hiermee heeft zij onrechtmatig jegens Bode Scholten gehandeld en dient zij de als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden.

3.3.

De Gemeente voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Bode Scholten in de proceskosten. De Gemeente voert aan dat zij op het ontstane ongeval niet bedacht had hoeven zijn, gezien het normale gebruik van de weg en de uiterst geringe kans dat het ongeval zou plaatsvinden. Van een gebrekkige weg is dan ook geen sprake. Van een waarschuwingsplicht is in die situatie geen sprake, zodat haar niet het verwijt kan worden gemaakt die te hebben geschonden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW?

4.1.

Op grond van artikel 6:174 lid 2 BW is een gemeente als wegbeheerder aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een gebrek aan de openbare weg of de weguitrusting. Het gaat om een risicoaansprakelijkheid. De wegbeheerder is aansprakelijk als een weg gebrekkig is en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken, welk gevaar zich ook verwezenlijkt. Van een gebrek is sprake indien de weg, objectief gezien, niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en om die reden een gevaar oplevert voor personen of zaken. Of dit het geval is hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de vraag of de weg met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Hierbij moet mede worden gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming van de weg. Ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs van de gemeente verwacht mogen worden. Anderzijds mag van een weggebruiker ook een zekere mate van oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht.

4.2.

Niet in geschil is dat ten tijde van het ongeval op de [straatnaam] vanaf de plaats en in de richting die de chauffeur heeft gereden, niet werd gewaarschuwd voor gevaar van het overhangende pand. Partijen twisten echter over de vraag of de Gemeente daartoe gehouden was.

4.3.

Vast staat dat de [straatnaam] een doodlopende weg is. Het verkeer dat op de [straatnaam] aan de oostzijde van het overhangende pand rijdt, wordt, als het doorrijdt in de richting van het pand, uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de beperkte doorrijhoogte daarvan door middel van een waarschuwingsbord en een hoogteportaal. De chauffeur van Bode Scholten is niet langs deze route gereden. Hij is via de inrit bestemd voor leveranciers het terrein van Boskalis opgereden. Na aflevering van goederen is hij aan de westzijde van het overhangende pand de [straatnaam] opgereden en in de richting van het overhangende pand gereden. Daar is hij terecht kunnen komen doordat hij op het bedrijfsterrein van Boskalis het personeelsparkeerterrein is kunnen oprijden en dat terrein via de uitrit aan de [straatnaam] heeft verlaten.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde de Gemeente niet te verwachten dat ook vrachtwagens aan de westzijde van het overhangende pand konden komen. Zij mocht ervan uitgaan dat alleen personenauto’s op het personeelsparkeerterrein zouden kunnen komen en dat alleen personenauto’s via de uitrit aan de [straatnaam] daarvan zouden kunnen afrijden. Dat de chauffeur van Bode Scholten met zijn vrachtwagen aan de westzijde van het overhangende pand op de [straatnaam] is kunnen komen, is een gevolg van een niet voor de Gemeente voorzienbare samenloop van omstandigheden, namelijk de omstandigheid dat het hek tussen het voor leveranciers toegankelijke gebied en het personeelsparkeerterrein (dat alleen voor personenautoverkeer van personeel, via de personeelsingang, bereikbaar was), openstond en de omstandigheid dat de chauffeur van Bode Scholten op instructie van personeel van Boskalis of op eigen initiatief daardoorheen is gereden.

4.5.

Ook uit de onder 2.4 aangehaalde vergunningaanvraag volgt dat de uitrit van het personeelsparkeerterrein uitsluitend door personenauto’s gebruikt pleegde te worden. De Gemeente mocht uitgaan van de juistheid van die informatie en hoefde niet bedacht te zijn op daarin opgetreden wijzigingen. De feitelijke situatie ten tijde van het ongeval dat de vrachtwagen vanuit de personeelsuitgang linksaf is geslagen op de [straatnaam], was niet ontstaan als de schuifpoort tussen publieksterrein en het personeelsparkeerterrein, zoals gebruikelijk, dicht stond. In dat geval had de chauffeur niet anders gekund dan dezelfde route terugrijden en was hij niet bij het overhangende pand gekomen. De rechtbank acht van groot belang dat de Gemeente er geen rekening mee hoefde te houden dat de verkeerssituatie op de dag van het ongeval (al dan niet eenmalig) ten opzichte van de vergunningaanvraag en daarmee van het te verwachten gebruik was gewijzigd, waardoor auto’s met een te grote hoogte de [straatnaam] terug zouden kunnen komen rijden. Daarnaast geldt dat de Gemeente geen zeggenschap heeft over het bedrijfsterrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. en de zich op dat terrein bevindende toegangspoorten. Het lag dan ook niet binnen haar invloedsfeer om tegen te gaan dat de chauffeur de route reed die hij heeft gereden.

4.6.

De rechtbank komt tot de volgende conclusie. De Gemeente behoefde met het verwezenlijkte gevaar van een aanrijding van een vrachtwagen tegen de westzijde van het overhangende pand op de [straatnaam] geen rekening te houden en zij behoefde daarom geen waarschuwingen op die weg aan die zijde aan te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat de [straatnaam] behept was met een gebrek als bedoeld in artikel 6:174 BW.

Onrechtmatige daad?

4.7.

De gemeente kan, als wegbeheerder, (ook) aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Hierbij moet het gaan om een schending van haar zorgplicht als wegbeheerder, in die zin dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken dermate in gevaar heeft gebracht dat dit als gevaarzettend moet worden aangemerkt.

4.8.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente geen onrechtmatig handelen kan worden verweten. Ook op die grondslag kan de vordering van Bode Scholten niet worden toegewezen.

Slotsom en proceskosten

4.9.

De slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.10.

Bode Scholten zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Papendrecht worden begroot op:

– griffierecht € 2.042,00

– salaris advocaat € 1.442,00 (2,0 punten × tarief III € 721,00)

Totaal € 3.484,00

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Bode Scholten in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Papendrecht tot op heden begroot op € 3.484,00,

5.3.

verklaart het vonnis ten aanzien van de onder 5.2 gegeven veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door de rolrechter en op 2 juni 2021 uitgesproken in het openbaar.

3268/3152

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey