Rb: bedrijf niet aansprakelijk voor val over parkeerbeugel op parkeerterrein

Samenvatting:

Eiser struikelt over parkeerbeugel op een parkeerplaats van een bedrijf en stelt het bedrijf aansprakelijk o.g.v. art. 6:174 lid 1 BW en art 6:162 BW. De rechtbank oordeelt dat van gebrekkige opstal in de zin van art. 6:174 lid 1 BW geen sprake is. Evenmin is gebleken dat het bedrijf een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen.  Hij was dus ook niet gehouden om in dat kader veiligheidsmaatregelen te treffen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat in het algemeen van een voetganger op een parkeerterrein mag worden verwacht dat hij rekening houdt met geplaatste afscheidingen en obstakels.

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2020:6744

 

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

23-12-2020

Datum publicatie

22-01-2021

Zaaknummer

C/13/676108 / HA ZA 19-1247

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Eiser wil schadevergoeding nadat zij over een parkeerbeugel is gestruikeld. De vordering is afgewezen, omdat de parkeerbeugel geen gebrekkige zaak (6:174 BW) is en evenmin een gevaarlijke situatie (6:162 BW) creëert. Aan 6:181 BW wordt niet toegekomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

 

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rolnummer: C/13/676108 / HA ZA 19-1247

 

Vonnis van 23 december 2020

 

in de zaak van

 

[eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. A. Ombre te Amsterdam,

 

tegen

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

URBI INVESTMENT 2 SUB B B.V.,

 

gevestigd te Amsterdam,

 

  1. de naamloze vennootschap

 

MS AMLIN INSURANCE SE,

 

gevestigd te Brussel (België),

 

gedaagden,

 

advocaat mr. D.C.A. van den Dungen te Amsterdam,

 

en

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

ZEKER FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V.

 

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene] ,

 

gevestigd te Almere,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. K. Hoesenie te Rotterdam.

 

Partijen worden hierna [eiseres] , Urbi Investment, Amlin en [betrokkene] genoemd.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de gelijkluidende dagvaardingen van 19 november 2019, met producties;

 

de conclusie van antwoord van Urbi Investment en Amlin, met één productie;

 

de conclusie van antwoord van [betrokkene] , met producties;

 

het tussenvonnis van 8 juli 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

 

het proces-verbaal van de op 11 november 2020 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken;

 

de brief van mr. Van den Dungen met daarin opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

Op 6 februari 2017 is [eiseres] ten val gekomen op het parkeerterrein dat is gelegen voor de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte), waar zij als unitmanager bij Tupperware een door [betrokkene] georganiseerde bijeenkomst bezocht (hierna: het ongeval).

2.2.

 

Urbi Investment had ten tijde van het ongeval het recht van erfpacht op het perceel waar de bedrijfsruimte en het genoemde parkeerterrein zijn gelegen. Amlin is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Urbi Investment.

2.3.

 

[betrokkene] dreef onder de naam [naam onderneming] een onderneming die gericht was op de distributie van Tupperware. In dat kader huurde zij ten tijde van het ongeval de bedrijfsruimte van Urbi Investment.

2.4.

 

Het parkeerterrein voor de bedrijfsruimte bestaat uit vier naast elkaar gelegen parkeervakken. Deze parkeervakken zijn herkenbaar aan een donkere betegeling en worden afgescheiden door een rand met lichter gekleurde tegels. Op het rechts gelegen parkeervak is, in het midden van de korte zijde van het parkeervak, een grijze parkeerbeugel bevestigd. Op onderstaande foto zijn het parkeerterrein en de parkeerbeugel afgebeeld. De auto op de foto is niet de auto van [eiseres] .

2.5.

 

Op de avond van het ongeval heeft [eiseres] haar auto vooruit ingeparkeerd in het parkeervak dat direct grenst aan het parkeervak met de parkeerbeugel. Op enig moment is zij vanaf de bestuurderszijde van de auto achter de auto langs gelopen, met als doel om de tas die zij droeg aan de passagierskant in de auto te plaatsen. Daarbij is zij gestruikeld over de parkeerbeugel in het aangrenzende parkeervak.

3 Het geschil

3.1.

 

[eiseres] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

 

een verklaring voor recht dat primair Urbi Investment krachtens artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair Urbi Investment en/of [betrokkene] krachtens artikel 6:162 BW en meer subsidiair [betrokkene] krachtens artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW aansprakelijk te houden is/zijn voor de uit het ongeval voortvloeiende schade van [eiseres] ,

 

(hoofdelijke) veroordeling van primair Urbi Investment en Amlin, subsidiair Urbi Investment, Amlin en [betrokkene] en meer subsidiair [betrokkene] om aan [eiseres] te vergoeden de nader bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de tijdstippen waarop de schade is geleden en opeisbaar is,

 

(hoofdelijke) veroordeling van Amlin en Urbi Investment en/of [betrokkene] in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen nadat deze bedragen verschuldigd zijn geworden tot aan de dag der algehele voldoening.

 

3.2.

 

[eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat de parkeerbeugel niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Omdat de parkeerbeugel niet of onvoldoende zichtbaar was, ontstond een gevaarlijke situatie en dat gevaar heeft zich met de val van [eiseres] verwezenlijkt, als gevolg waarvan zij schade heeft geleden en/of lijdt. Het had op de weg van primair Urbi Investment als bezitter van de parkeerbeugel in de zin van artikel 6:174 BW, subsidiair van Urbi Investment en/of [betrokkene] ter voorkoming van gevaarzettend handelen in de zin van artikel 6:162 BW, of meer subsidiair van [betrokkene] als bedrijfsmatig gebruiker van de parkeerbeugel in de zin van artikel 6:181 BW gelegen om veiligheidsmaatregelen treffen of voor dat gevaar te waarschuwen. Nu zij dit niet heeft/hebben gedaan, is/zijn zij aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade, aldus steeds [eiseres] .

3.3.

 

Urbi Investment en Amlin betwisten – kort gezegd – dat de parkeerbeugel gebrekkig was en niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen. Evenmin heeft Urbi Investment gevaarzettend gehandeld. De omstandigheid dat [eiseres] is gestruikeld is te wijten aan het feit dat zij haar auto deels buiten het parkeervak en te dicht naar de parkeerbeugel had geparkeerd. Urbi Investment hoefde dan ook geen nadere veiligheidsmaatregelen te treffen. Dit geldt te meer omdat de kans op een ongeval als dat van [eiseres] en de ernst van de gevolgen daarvan zeer klein zijn, aldus steeds Urbi Investment en Amlin.

3.4.

 

[betrokkene] betwist – kort gezegd – dat zij een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen, omdat [eiseres] is gestruikeld doordat zij haar auto deels buiten het parkeervak heeft geparkeerd. Daar komt bij dat de kans dat over een parkeerbeugel wordt gestruikeld (en daardoor schade wordt geleden) klein is, zodat [betrokkene] niet gehouden was om daarvoor te waarschuwen of veiligheidsmaatregelen te treffen. Daarnaast is niet gebleken dat [eiseres] schade heeft geleden en zou dat anders zijn, dan is die schade het gevolg van onvoorzichtig handelen van [eiseres] zelf. Verder betwist [betrokkene] dat de parkeerbeugel gebrekkig was. Voor zover wordt geoordeeld dat de parkeerbeugel wel gebrekkig was, geldt dat [betrokkene] niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:181 lid 1 BW omdat tussen het gestelde gebrek en de bedrijfsuitoefening door [betrokkene] geen verband bestond, aldus steeds [betrokkene] .

3.5.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

 

Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerbeugel een opstal is in de zin van artikel 6:174 lid 4 BW. Wel bestaat discussie over het antwoord op de vraag of de parkeerbeugel een gebrekkige opstal is zoals omschreven in artikel 6:174 lid 1 BW.

4.2.

 

Een gebrekkige opstal is ingevolge voornoemde bepaling een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. De invulling van het begrip “gebrek” geschiedt deels op basis van de Kelderluikcriteria. Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn.

4.3.

 

Niet is gesteld of gebleken dat de parkeerbeugel beschadigd was of anderszins onbruikbaar voor het doel waarmee deze was geplaatst, te weten de mogelijkheid om het parkeervak af te sluiten en/of te reserveren. Het gebrek is er volgens [eiseres] in gelegen dat de parkeerbeugel – met een hoogte van ongeveer zeven centimeter – op een plek was bevestigd waar men geen parkeerbeugel behoefde te verwachten. Daarnaast was volgens [eiseres] de parkeerbeugel bij avond niet zichtbaar, doordat de verlichting op het parkeerterrein niet werkte en op de parkeerbeugel geen reflecterende sticker zat.

4.4.

 

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het ongeval heeft kunnen ontstaan doordat de parkeerbeugel niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen. Daarvoor is het hiernavolgende redengevend.

4.5.

 

Het parkeervak met de parkeerbeugel ligt naast het parkeervak waarin [eiseres] op de avond van het ongeval haar auto heeft geparkeerd. Op de foto’s van het parkeerterrein die [eiseres] en Urbi Investment en Amlin hebben overgelegd, is zichtbaar dat de parkeerbeugel zich bevindt in het midden van de korte zijde van dat parkeervak. De rechtbank gaat ervan uit dat tussen twee parkeervakken voldoende ruimte bestaat om in en uit een auto te stappen. Uit de door [eiseres] en Urbi Investment en Amlin overgelegde foto’s kan immers niet worden afgeleid dat de parkeervakken smaller zijn dan gebruikelijk. Zo is op de hiervoor onder 2.4 weergegeven foto een auto zichtbaar van een normale omvang, die geheel binnen zijn parkeervak lijkt te staan. [eiseres] heeft geen aanknopingspunten gegeven die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Dat brengt met zich dat tussen de – in het midden van het parkeervak gelegen – parkeerbeugel en het naastliggende parkeervak ook voldoende ruimte bestaat om veilig rondom de (in het parkeervak) geparkeerde auto te lopen zonder dat moet worden uitgeweken voor de parkeerbeugel. Dit wordt niet anders in de situatie waarin de persoon die om de auto heen loopt, zoals in dit geval [eiseres] , een (grote) tas in haar hand houdt. Het feit dat [eiseres] over de parkeerbeugel is gestruikeld, is dan ook een aanwijzing dat haar auto niet recht in het naastliggende parkeervak stond geparkeerd.

4.6.

 

Dat [eiseres] haar auto niet recht in haar parkeervak had geparkeerd, vindt bevestiging in de door haar overgelegde verklaring van de heer [naam] , die niet bij het ongeval aanwezig was, maar na afloop van [eiseres] had gehoord dat “een stukje van de parkeerbeugel niet was opgeruimd”. Vaststaat dat de parkeerbeugel intact was en dat deze niet gedeeltelijk was verwijderd. Indien slechts een stukje van de parkeerbeugel zichtbaar was, zoals die verklaring impliceert, is dat een sterke aanwijzing dat een auto gedeeltelijk daaroverheen stond geparkeerd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in het parkeervak met de parkeerbeugel geen – andere – auto geparkeerd stond. Dat laat dus alleen de mogelijkheid open dat [eiseres] zelf gedeeltelijk over de parkeerbeugel geparkeerd had en dat haar auto dus buiten de kaders van het parkeervak stond.

4.7.

 

Hiervoor is geoordeeld dat tussen de parkeerbeugel en het parkeervak waar [eiseres] haar auto parkeerde voldoende afstand was om rondom een (juist) geparkeerde auto te kunnen lopen zonder daarbij te struikelen over de parkeerbeugel, maar dat [eiseres] haar auto deels buiten haar parkeervak heeft geplaatst. Dat zij vervolgens over de parkeerbeugel is gestruikeld, is dan ook niet te wijten aan een gebrek van de parkeerbeugel. Evenmin waren Urbi Investment en/of [betrokkene] gehouden om veiligheidsmaatregelen te treffen, omdat bij een juiste wijze van inparkeren in het naastliggende parkeervak geen gevaarlijke situatie bestond, laat staan dat die werd veroorzaakt door de geplaatste parkeerbeugel.

4.8.

 

Bij die conclusie kan in het midden blijven of de verlichting op het parkeerterrein (deugdelijk) werkte en of op de parkeerbeugel een reflecterende sticker zichtbaar was. Urbi Investment en/of [betrokkene] hoefde(n) er namelijk geen rekening mee te houden dat een auto dusdanig ver buiten het parkeervak zou worden geparkeerd dat daardoor de parkeerbeugel op de looproute rondom die auto zou komen te liggen. Voor bewijslevering door [eiseres] in dit verband bestaat dan ook geen aanleiding.

4.9.

 

Ten overvloede wordt opgemerkt dat in het algemeen van een voetganger op een parkeerterrein mag worden verwacht dat hij rekening houdt met geplaatste afscheidingen en obstakels. De aanwezigheid van een parkeerbeugel op een parkeerterrein (en in het midden van een parkeervak) is naar algemene ervaringsregels niet als ongebruikelijk aan te merken. Van [eiseres] had dus mogen worden verwacht dat zij een zekere mate van oplettendheid in acht zou nemen toen zij achter de auto langs naar de passagierszijde van de auto liep. Dit geldt temeer nu [eiseres] heeft gesteld dat tussen haar en de auto enige ruimte was vanwege de tas (met Tupperware) die zij in haar linkerhand droeg, hetgeen kennelijk een tas van aanzienlijke omvang was die haar mogelijk belemmerde om eventuele obstakels op het parkeerterrein waar te nemen.

4.10.

 

Uit het voortgaande vloeit voort dat van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW geen sprake is. Evenmin is gebleken dat Urbi Investment en/of [betrokkene] een gevaarlijke situatie in het leven heeft/hebben geroepen of deze in stand heeft/hebben gelaten door het plaatsen dan wel het niet verwijderen van de parkeerbeugel. Zij was/waren dus ook niet gehouden om in dat kader veiligheidsmaatregelen te treffen. Dat betekent dat zowel de primaire, subsidiaire als meer subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen. Bij die stand van zaken behoeft de vraag of [betrokkene] kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW geen bespreking meer.

4.11.

 

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

 

De kosten aan de zijde van Urbi Investment en Amlin worden tot op heden begroot op:

 

– griffierecht € 639,00

 

– salaris advocaat 1.086,00 (twee punten × tarief € 543,00)

 

Totaal € 1.725,00

 

De kosten aan de zijde van [betrokkene] worden tot op heden begroot op:

 

– griffierecht € 81,00

 

– salaris advocaat 1.086,00 (twee punten × tarief € 543,00)

 

Totaal € 1.167,00

 

De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

4.12.

 

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

wijst de vorderingen af,

5.2.

 

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Urbi Investment en Amlin tot op heden begroot op € 1.725,00 en aan de zijde van [betrokkene] tot op heden begroot op € 1.167,00,

5.3.

 

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

 

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey