Rb: inzet politiehond niet onrechtmatig, politie niet aansprakelijk voor hondenbeet  

Samenvatting:

Eiser wordt bij arrestatie na winkeldiefstal in arm gebeten door politiehond en vordert € 100.000,- schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat benadeelde vooraf voldoende was gewaarschuwd voordat het middel werd ingezet. De hondengeleider mocht naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd ervan uitgaan dat eiser wel een mes bij zich droeg. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Politie niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser.  Vordering afgewezen

 

ECLI:NL:RBAMS:2021:2398

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

12-05-2021

Datum publicatie

21-05-2021

Zaaknummer

C/13/671803 / HA ZA 19-946

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

De inzet van een politiehond bij de aanhouding van een man die een winkeldiefstal pleegde was niet onrechtmatig.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rolnummer: C/13/671803 / HA ZA 19-946

 

Vonnis van 12 mei 2021

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. C. Haddouzi te ‘s-Gravenhage,

 

tegen

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

DE POLITIE (POLITIE-EENHEID AMSTERDAM),

 

zetelend te Amsterdam,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. N.G. Blokland te Arnhem.

 

Partijen worden hierna [eiser] en de Politie genoemd.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 27 augustus 2019, met producties,

 

de conclusie van antwoord, met producties,

 

het tussenvonnis van 27 mei 2020, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

 

het proces-verbaal van comparitie van 19 augustus 2020,

 

het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 18 november 2020 en de daarin genoemde stukken,

 

de op 27 januari 2021 door [eiser] ingediende stukken en

 

de antwoordakte uitlating producties van de Politie.

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2De feiten

2.1.

[eiser] is verdachte geweest van een winkeldiefstal gepleegd op 5 juli 2015 bij de Gamma aan de [adres] te Amsterdam.

 

2.2.

Na een melding bij de Politie door personeel van de Gamma zijn de surveillanten [surveillant 1] (hierna: [surveillant 1] ) en [surveillant 2] (hierna: [surveillant 2] ) ter plaatse gearriveerd. Later arriveerde hondengeleider en verbalisant [verbalisant] (hierna: [verbalisant] ) ter plaatse, met zijn diensthond. [eiser] is toen aangehouden op verdenking van diefstal. De politiehond heeft [eiser] bij zijn aanhouding in zijn rechterarm gebeten.

 

2.3.

Het door [verbalisant] op 5 juli 2015 opgemaakte proces-verbaal van aanhouding vermeldt onder meer het volgende:

 

“(…) Op locatie voornoemd zou personeel achter een winkeldief aanrennen.

 

Onmiddellijk begaf ik mij naar de opgegeven locatie alwaar ik dezelfde dag te 17:45 uur arriveerde. Aldaar hoorde ik van het operationeel centrum dat de verdachte vanuit de Gamma in de richting van de [weg] was gerend en vervolgens de bossage was ingerend. Tevens hoorde ik (…) dat de verdachte in het bezit zou zijn van een mes en dat hij met dat mes ook had gedreigd. (…)

 

Ik (…) heb vervolgens mijn gecertificeerde diensthond Kay kort aangelijnd en ben vervolgens de genoemde bossage ingelopen. (…)

 

Aldaar zag ik op ongeveer 50 meter in de rietkraag de verdachte gehurkt in de rietkraag zitten. Ik zag dat de verdachte volledig voldeed aan het opgegeven signalement.

 

Tevens zag ik dat de verdachte nat was. Kennelijk was hij net uit het water gekomen.

 

Vervolgens heb ik twee maal op duidelijk en niet misverstane wijze gesommeerd:

 

“Hier spreekt de politie, u bent aangehouden, geef u over of anders zal de hond worden ingezet”

 

Ik (…) zag dat de verdachte rechtop ging staan. Ik zag dat de verdachte in mijn richting keek. Ik (…) zag dat de verdachte een paar stappen liep in de richting van de [adres] .

 

Ik verbalisant ben vervolgens naar de verdachte gelopen en ik verbalisant heb twee maal gevorderd dat de verdachte op zijn buik moest gaan liggen teneinde hem op een veilige manier de transportboeien te kunnen aanleggen.

 

Ik hoorde en zag dat de verdachte niet meewerkte. Ik hoorde de verdachte namelijk meerdere malen zeggen

 

“Ik ga niet op de grond liggen”

 

Ik (…) zag dat de verdachte zijn handen omhoog hield. Ik (…) zag dat de verdachte geen mes in zijn handen had. Ik (…) had geen zicht op de voorzijde van zijn broeksband

 

Vervolgens heb ik de verdachte benaderd en heb met mijn hand zijn rechterarm gepakt teneinde hem naar de grond te geleiden. Ik (…) riep op luide toon:

 

“En nu liggen, jij bent aangehouden”

 

Ik zag en voelde vervolgens dat de verdachte opzettelijk en met kracht zijn rechterarm in tegengestelde richting bewoog. Ik hoorde de verdachte schreeuwen “Ik ga niet naar de grond”.

 

Vervolgens heeft mijn gecertificeerde diensthond de verdachte in zijn rechterarm gebeten. (…)”

 

2.4.

Het door [surveillant 1] en [surveillant 2] op 5 juli 2015 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen vermeldt onder meer het volgende:

 

“(…) Vervolgens zagen wij dat de surveillance hondengeleider AD 00.43 ter plaatse was gekomen.

 

Wij zijn hierop samen met de AD 00.43 en zijn surveillance hond in de richting van het water gelopen. Dit aangezien de vermoedelijke verdachte in het bezit zou zijn van een mes. (…)

 

Wij hoorden de AD 00.43 luidkeels roepen dat genoemde manspersoon was aangehouden terzake winkeldiefstal en hij zijn handen moest laten zien. Wij zagen dat de surveillancehond een happende beweging maakte in de richting van het riet. (…)”

 

2.5.

In het op 6 juli 2015 opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [eiser] , waarin [eiser] wordt aangeduid met ‘ [eiser] ’ en de verbalisant met ‘V’ staat onder meer:

 

“(…)

 

[eiser] : Ik had cilinders gestole[n]. (…)

 

V: Waarom pakte u een mes om uzelf de keel door te snijden?

 

[eiser] : Ik heb nooit een mes bij me. Ik kan mij herinneren dat ik de winkel uit was gerend. Daarna was alles in een roes. Ik kwam pas weer bij mijn positieven toen de politieman met zijn politiehond voor mij stond.

 

(…)

 

V: Waarom luisterde u niet toen de hondengeleider u aansprak?

 

[eiser] : Ik kwam langzaam uit mijn roes. Ik deed nog wel mijn armen omhoog. Ik hoorde de agent roepen: “Laat je handen zien”. Ik heb niet gehoord dat hij zei: “Op je buik liggen”.

 

V: Waarom heeft u niet geluisterd toen de hondengeleider zei dat u moest luisteren anders zou de hond op u afgestuurd worden?

 

[eiser] : Ik heb dat niet gehoord. Ik heb alleen gehoord: “Laat je handen zien”. Ik was nog steeds in de roes. Ik vind dit allemaal heftig. (…)”

 

2.6.

[eiser] is na zijn aanhouding in verband met zijn verwondingen naar het ziekenhuis gebracht. In het verslag van de chirurg van het ziekenhuis staat onder meer:

 

“(…)

 

Conclusie

 

Uitgebreide bijtwonden rechterarm (…)

 

Patient is opgenomen met ernstige bijtwonden door hond in onderarm rechts waarvoor lateraal en mediaal geexploreerd, lateraal tand gevonden, deels de fascie gepenetreerd, geen actieve bloedingen (…)

 

2.7.

In het journaal van de huisarts van [eiser] staat op 2 oktober 2015 onder meer genoteerd ‘duidelijk meerdere wonden aan de re arm’.

 

2.8.

De officier van justitie heeft beslist dat wordt afgezien van verdere vervolging van [eiser] vanwege het letsel dat hij heeft opgelopen bij de aanhouding.

 

2.9.

[eiser] heeft de Politie op 9 februari 2017 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. De Politie heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

 

2.10

Verbalisant [surveillant 1] heeft op 29 oktober 2019 onder andere schriftelijk verklaard:

 

“1. Op zondag 5 juli 2015 was ik samen met collega [surveillant 2] werkzaam op de surveillancedienst in Amsterdam [stadsdeel] . Ik kreeg omstreeks 17.40 op de portofoon een melding door van een winkeldiefstal bij de Gamma aan de [adres] , waarbij gebruik gemaakt was van een mes, althans waarbij sprake was van een verdachte die een mes bij zich had en daarmee zou dreigen.

 

(…)

 

  1. Tijdens de aanhouding hadden wij geen zicht op de verdachte. Deze zat in het riet verstopt. Wij hebben wel gehoord dat [verbalisant] voorafgaand aan de inzet van de hond meermaals en hard heeft gewaarschuwd. Wij hebben dit destijds niet benoemd in ons proces-verbaal omdat de waarschuwing niet zag op ons eigen handelen. Ik heb gezien dat de verdachte desondanks niet tevoorschijn kwam en compleet verstopt bleef in de rietkraag. (…)”

 

2.11

Verbalisant [verbalisant] heeft op 5 november 2019 onder andere schriftelijk verklaard:

 

“4. (…) Vanaf ongeveer 10-20 meter afstand heb ik hem [ [eiser] , rb] aangeroepen. Ik heb hem twee keer duidelijk geroepen dat hij zich over moest geven, en dat anders de hond zou worden ingezet. Vervolgens sommeerde ik hem te gaan staan en zijn handen te laten zien. Ik zag dat de verdachte aan mijn aanwijzingen gehoor gaf.

 

  1. We hadden te maken met een vluchtende verdachte. Ik moest voorkomen dat de verdachte weer het water in ging. (…) Ik besloot daarom de verdachte te benaderen en sommeerde hem om te gaan liggen. Ik heb dit zelfs nog in het Engels gezegd. Als hij zou gaan liggen kon ik hem afboeien en wachten op hulp van collega’s.

 

  1. Tot dat moment werkte de verdachte mee. Er was nog geen aanleiding om de hond te sturen. Toen ik vlakbij was heb ik mijn hond bij de halsband gepakt. Zo kon hij niet bij de verdachte komen. De verdachte weigerde op zijn buik te gaan liggen. Ik heb hem nog meermaals bevolen om op zijn buik te gaan liggen. Hij gaf daaraan wederom geen gehoor.

 

  1. Ik heb de verdachte bij zijn rechterarm gepakt om hem naar de grond te geleiden. Op dat moment verzette hij zich door zijn arm krachtig in een tegengestelde richting te bewegen. Ik had geen zicht op de voorzijde van de broekband. Toen ik zijn hand naar zijn broekband zag reiken, heb ik eenmalig het commando ‘vast!’ geroepen. Hierop heeft de hond in de arm van de verdachte gebeten. Toen heb ik de verdachte naar de grond gebracht. Ik heb de hond daarna direct van de verdachte los gemaakt. (…)”

 

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

 

  1. voor recht te verklaren dat de Politie aansprakelijk is;

 

  1. te bepalen dat de Politie een schadevergoeding van € 100.000 betaalt en

 

III. de Politie te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

 

3.2.

Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat de Politie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De inzet van de politiehond was in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk en disproportioneel. Door het onrechtmatig handelen heeft [eiser] schade geleden; verlies van vermogen en psychische schade.

 

3.3.

De Politie voert verweer.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

4.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of de inzet van de politiehond bij de aanhouding van [eiser] op 5 juli 2015 onrechtmatig is geweest. Volgens [eiser] heeft hij zich niet verzet tegen zijn aanhouding en stelde hij zich coöperatief op en had de Politie dus andere, minder ingrijpende, middelen kunnen en moeten inzetten.

 

De rechtbank zal hierna beoordelen of de inzet van de politiehond geoorloofd was. Ook zal de rechtbank beoordelen of het toegepaste geweld al dan niet disproportioneel is geweest. Bij dit alles neemt de rechtbank tot uitgangspunt (hierover zijn partijen het eens) dat [eiser] op 5 juli 2015 een strafbaar feit heeft gepleegd (een winkeldiefstal), dat hij ná de diefstal uit de winkel is gerend richting een sloot en bosje in de buurt van de winkel, dat hij bij zijn aanhouding is gebeten door de politiehond en dat [eiser] daardoor letsel heeft opgelopen.

 

Beoordelingskader

 

4.2.

In artikel 3 van de Politiewet 2012 (hierna: de Politiewet) is bepaald dat de Politie onder meer tot taak heeft te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven. De Politie is bevoegd bij de uitvoering van die politietaak in de rechtmatige uitoefening van haar bediening geweld te gebruiken, zo staat in artikel 7 van de Politiewet. Het gebruik van geweld is echter begrensd. Het gehanteerde geweld moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en daaraan moet zo mogelijk een waarschuwing vooraf gaan. De proportionaliteitseis ziet op de evenredigheid tussen het doel en het gebruikte geweldmiddel. De subsidiariteitseis houdt in dat een bepaald middel enkel mag worden aangewend wanneer het doel niet met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt.

 

4.3.

De inzet van een politiehond is een (zwaar) geweldmiddel. In artikel 15 van de Ambtsinstructie voor de Politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) staat dat het inzetten van een politiehond slechts is geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij (onder meer) de surveillancedienst en dat de begeleider gecertificeerd dient te zijn.

 

Heeft de Politie onrechtmatig gehandeld?

 

4.4.

De Politie mocht [eiser] aanhouden. Dat is niet in geschil. Dat [eiser] niet strafrechtelijk is vervolgd voor het gepleegde feit, is niet relevant voor de beoordeling. Verder is niet in geschil dat aan de voorwaarden van artikel 15 van de Ambtsinstructie (zie 4.3) is voldaan.

 

4.5.

Zoals in artikel 7 van de Politiewet is bepaald dient aan het ingrijpen ‘zo mogelijk een waarschuwing vooraf te gaan’. In het proces-verbaal van [verbalisant] van 5 juli 2015 (2.3) staat dat hij [eiser] tweemaal heeft gesommeerd zich over te geven en dat anders de politiehond zou worden ingezet. Ook staat daarin dat [verbalisant] [eiser] tweemaal heeft aangemaand op zijn buik te gaan liggen. [eiser] heeft tijdens het politieverhoor (2.5) verklaard dat de hondengeleider tegen hem heeft gezegd dat hij zijn handen omhoog moest doen, maar dat hij niet heeft gehoord dat hij op zijn buik moest gaan liggen.

 

Voor zover [eiser] stelt dat aan hem niet of niet voldoende duidelijk een waarschuwing is gegeven, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit het proces-verbaal en de schriftelijke verklaring van [verbalisant] volgt dat [verbalisant] meerdere waarschuwingen heeft gegeven aan [eiser] . Hetgeen [surveillant 1] heeft verklaard, ondersteunt dat (zie 2.4 en 2.10). Verder speelt mee dat [eiser] , zoals hij tijdens zijn verhoor na de aanhouding en bij de mondelinge behandeling in november 2020 heeft verklaard, in een roes verkeerde ten tijde van zijn aanhouding. Hij had een black-out. De rechtbank kent daarom geen doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van [eiser] dat hij niet, of niet voldoende duidelijk, is gewaarschuwd. De rechtbank komt tot de slotsom dat [eiser] in voldoende mate is gewaarschuwd voordat het geweldmiddel werd ingezet door de Politie.

 

4.6.

[eiser] stelt dat hij geen verzet heeft gepleegd bij zijn aanhouding. Hij wilde meewerken. Daarom was de inzet van de politiehond niet nodig.

 

Zoals al is overwogen, zijn aan [eiser] waarschuwingen gegeven. [eiser] gaf er daarna geen blijk van dat hij meewerkte. Uit het proces-verbaal van [verbalisant] kan wordt afgeleid dat [eiser] zich verzette toen [verbalisant] hem bij zijn rechterarm pakte. [eiser] heeft daartegenover niet toegelicht waaruit blijkt dat hij juist coöperatief is geweest. Ook de omstandigheden waaronder de aanhouding plaatsvond, zijn relevant. [eiser] is na de diefstal de winkel uit gerend, volgens de melding had hij een mes bij zich, en [eiser] bevond zich in het riet/de bosjes in of bij een sloot. [eiser] was nat. Het leek erop dat hij in de sloot was gesprongen om weg te komen of zich te verschuilen. Dit alles maakt dat de Politie op dat moment ermee rekening moest houden dat [eiser] aan zijn aanhouding probeerde te ontkomen en dus dat hij niet zou meewerken. Dat rechtvaardigt in beginsel dat de Politie mocht ingrijpen en geweld mocht hanteren om [eiser] te kunnen aanhouden.

 

4.7.

Volgens [eiser] had de Politie andere middelen kunnen kiezen bij de aanhouding. Ten tijde van de aanhouding bestond volgens [eiser] geen gevaar voor de veiligheid van de agenten, omdat hij geen mes bij zich droeg.

 

De hondengeleider mocht naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd ervan uitgaan dat [eiser] wel een mes bij zich droeg. Bij de melding van de diefstal was door het winkelpersoneel meegedeeld dat [eiser] een mes had (zie de verklaringen van de verbalisanten en van de hondengeleider (2.3 en 2.4)). Aangezien [eiser] de winkel uit was gerend en men niet steeds zicht op hem had, kon niet worden gecontroleerd of hij werkelijk (nog steeds) een mes bij zich droeg. Weliswaar toonde [eiser] zijn handen aan de hondengeleider en had hij daarin geen mes, maar niet uitgesloten kon worden dat hij deze in zijn broeksband hield. De hondengeleider heeft verklaard dat hij [eiser] daarheen zag grijpen (zie 2.11). [eiser] heeft geen feiten gesteld voor de conclusie dat de Politie op het moment van de aanhouding in alle redelijkheid moest aannemen dat [eiser] geen mes bij zich droeg. Verder wilde de hondengeleider voorkomen dat [eiser] weer het water in ging. Dit alles maakt dat de Politie ertoe kon besluiten, bij gebrek aan een minder zwaar geweldsmiddel waarmee hetzelfde doel bereikt kon worden, de politiehond in te zetten. Of [eiser] ten tijde van de aanhouding werkelijk een mes bij zich had, is dan niet relevant.

 

4.8.

Vervolgens moet beoordeeld worden of de mate waarin geweld is toegepast buitenproportioneel is geweest. De rechtbank stelt daarbij voorop dat één beet van de hond in dit geval volstond teneinde [eiser] aan te houden en te beheersen en proportioneel was in de gegeven omstandigheden. Het doel was immers dat [eiser] kon worden aangehouden door de Politie. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de hond hem meerdere keren heeft gebeten. De Politie betwist dat gemotiveerd. Volgens de Politie heeft de hond eenmaal gebeten en heeft de hondengeleider de hond zodra [eiser] op de grond lag, direct los gemaakt.

 

4.9.

[eiser] is na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld (aan de hand van medische informatie) schriftelijk toe te lichten dat de hond hem meerdere keren heeft gebeten bij de aanhouding. [eiser] heeft diverse medische stukken ingediend, zonder daarop enige toelichting te geven en te duiden waaruit blijkt dat hij meer dan één keer is gebeten. Zoals ook de Politie heeft uiteengezet, kan de rechtbank uit die stukken opmaken dat [eiser] weliswaar meerdere wonden had (in hetzelfde gebied op zijn rechterarm), maar niet dat de hond [eiser] meermaals heeft gebeten. Daarmee is ook niet vast komen staan dat in verhouding tot het te bereiken doel (de aanhouding) buitensporig geweld is toegepast. Andere stellingen waaruit dit wel kan blijken, zijn niet ingenomen.

 

Slotsom en proces- en nakosten

 

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de Politie niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking. De vorderingen worden afgewezen.

 

4.11.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de Politie tot op heden begroot op:

 

griffierecht € 1.992,00

 

salaris advocaat € 1.970,50 (3,5 punten x tarief € 563)

 

Totaal € 3.962,50

 

De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak het tarief voor zaken van onbepaalde waarde toe te passen en [eiser] , die met een toevoeging procedeert, niet de ‘dupe’ te laten worden van een veel hoger tarief omdat zijn voormalige advocaat in het petitum, vrijwel zonder enige nadere toelichting, een bedrag van een € 100.000 heeft opgenomen.

 

4.12.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden als volgt toegewezen.

 

5De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

wijst de vorderingen af;

 

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Politie tot op heden begroot op € 3.962,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

 

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

 

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.1

 

1type: CEPH

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey