Rb: medische aansprakelijkheid, tussentijds hoger beroep van beschikking deelgeschil toegestaan

Samenvatting:

In beschikking in deelgeschilprocedure is beslist dat de verloskundigenpraktijk voor 3,6% aansprakelijk is voor het overlijden van de foetus en dat aan eiser sub 2 geen vergoeding wegens shockschade toekomt. De rechtbank overweegt dat hiermee beslissingen zijn gegeven over de materiele rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in art. 1019cc lid 1 Rv. Nu de rechter in de bodemprocedure in beginsel gebonden is aan de in het deelgeschil gegeven beslissingen en eisers te kennen hebben gegeven zich met deze beslissingen niet te kunnen verenigen, ziet de rechtbank om redenen van proceseconomische aard aanleiding tussentijds hoger beroep toe te staan.

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2021:2973, Rechtbank Amsterdam, C/13/701140 / HA ZA 21-414 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBAMS:2021:2973

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

09-06-2021

Datum publicatie

15-06-2021

Zaaknummer

C/13/701140 / HA ZA 21-414

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

verlof hoger beroep tegen beschikking deelgeschil (ECLI:NL:RBAMS:2020:5297)

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2021-0515

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

 

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rolnummer: C/13/701140 / HA ZA 21-414

 

Vonnis van 9 juni 2021

 

in de zaak van

 

1[eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. [eiser sub 2],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eisers,

 

advocaat mr. M.G.F. de Graaff-Bosch te Utrecht,

 

tegen

 

  1. de maatschap

 

[verloskundigenpraktijk] ,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

  1. [gedaagde sub 2],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. [gedaagde sub 3],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. [gedaagde sub 4],

 

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. [gedaagde sub 5]

 

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. de naamloze vennootschap

 

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te Utrecht,

 

gedaagden,

 

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

 

Eisers zullen hierna, voor zover afzonderlijk bedoeld, [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid met eisers. Gedaagden worden hierna gezamenlijk gedaagden genoemd.

 

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 13 april 2021, met producties, tevens houdende verzoek verlof hoger beroep deelgeschil;

 

e-mail van mr. De Ridder, namens gedaagden, van 4 mei 2021, met bericht van geen bezwaar.

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2De beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 29 oktober 2020 in de deelgeschilprocedure met zaaknummer /

 

rolnummer C/13/679634 / HA RK 20-50 heeft deze rechtbank onder meer bepaald dat de verloskundigenpraktijk en de maten van de maatschap voor 3,6% aansprakelijk zijn voor het overlijden van de foetus. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat aan [eiser sub 2] geen vergoeding wegens shockschade toekomt.

 

2.2.

Bij dagvaarding hebben eisers onder meer de rechtbank verzocht toe te staan dat zij in hoger beroep mogen komen van voornoemde beschikking van 29 oktober 2020. Gedaagden hebben de rechtbank bij e-mail van 4 mei 2021 bericht dat zij geen bezwaar hebben tegen het gedane verzoek tot het openstellen van hoger beroep.

 

2.3.

Tegen de beslissing op een verzoek in de deelgeschilprocedure staat op grond van

 

artikel 1019bb van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), onverminderd artikel 1019cc derde lid Rv geen voorziening open. In artikel 1019cc eerste lid Rv wordt de deelgeschilbeschikking voor de bindende kracht van daarin opgenomen beslissingen over geschilpunten die de materiële rechtsverhouding betreffen, gelijkgesteld met (eind)beslissingen in een tussenvonnis. Op grond van het derde lid van artikel 1019cc Rv kan in de bodemprocedure hoger beroep worden ingesteld tegen de beschikking in het deelgeschil, althans tegen de daarin opgenomen bindende eindbeslissingen over de materiële rechtsverhouding van partijen, als van een tussenvonnis. Daartoe is verlof van de bodemrechter nodig, ingevolge artikel 1019cc derde lid en onder a Rv. De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot verlof tijdig is gedaan.

 

2.4.

In de beschikking in de deelgeschilprocedure is onder meer beslist dat de verloskundigenpraktijk en de maten van de maatschap voor 3,6% aansprakelijk zijn voor het overlijden van de foetus. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat aan [eiser sub 2] geen vergoeding wegens shockschade toekomt. Hiermee zijn beslissingen gegeven over de materiele rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc eerste lid Rv. Nu de rechter in de bodemprocedure in beginsel gebonden is aan de in het deelgeschil gegeven beslissingen en eisers te kennen hebben gegeven zich met deze beslissingen niet te kunnen verenigen en dit aan een hogere instantie te willen voorleggen, ziet de rechtbank om redenen van proceseconomische aard aanleiding tussentijds hoger beroep toe te staan van de beschikking van 29 oktober 2020.

 

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat is gesteld noch gebleken dat – kort gezegd –

 

sprake is van nieuwe feiten of een juridische misslag op grond waarvan de (bodem)rechter

 

terug zou kunnen komen van de in het deelgeschil gegeven beslissing. Het toestaan van

 

hoger beroep zal leiden tot een efficiëntere rechtsgang, hetgeen uiteindelijk in het belang

 

van beide partijen zal zijn.

 

2.5.

De zaak zal in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure worden

 

verwezen naar de parkeerrol voor akte uitlating beide partijen, opdat partijen aan de rechtbank kunnen meedelen of en, zo ja, hoe zij verder wensen te procederen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

 

3De beslissing

De rechtbank

 

3.1.

staat tussentijds hoger beroep toe van de op 29 oktober 2020 onder zaaknummer / rolnummer C/13/679634 / HA RK 20-50 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure;

 

3.2.

verwijst de zaak in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol van 6 oktober 2021 voor akte uitlating beide partijen;

 

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.1

 

1type: CLdR

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey