Rb: regresverbod art. 99 WIA bij samenwonen, moment ontstaan vordering UWV is bepalend, niet moment ongeval

Samenvatting:

Regresprocedure van het UWV tegen WAM verzekeraar o.g.v. art 99 WIA. Verzekeraar stelt dat dat regres niet mogelijk is, omdat slachtoffer en veroorzaker ten tijde van het ongeval ongehuwd samenwoonden. De rechtbank oordeelt dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van samenwonen niet mag worden uitgegaan van de datum van het ongeval. Op het moment van het ongeval was immers van een vordering van het UWV nog geen sprake. Die vordering is pas ontstaan op het moment dat het UWV uitkeringen is gaan doen; veroorzaker was toen al overleden. De rechtbank vindt hierbij steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1987.

 

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2021:1567&showbutton=true

 

ECLI:NL:RBGEL:2021:1567

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

31-03-2021

Datum publicatie

03-05-2021

Zaaknummer

C/05/377301 / HZ ZA 20-383

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Regresprocedure van het UWV tegen WAM verzekeraar. Wanneer ontstaat de regresvordering en op welk moment moet zijn voldaan aan de samenwoonexceptie?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

 

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Zutphen

 

zaaknummer / rolnummer: C/05/377301 / HZ ZA 20-383

 

Vonnis van 31 maart 2021

 

in de zaak van

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),

 

zetelend te Amsterdam,

 

eiser,

 

advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te ‘s-Gravenhage,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te Apeldoorn,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

 

Partijen zullen hierna het UWV en Achmea worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het tussenvonnis van 9 december 2020

 

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 9 februari 2021.

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

Op 23 juni 2006 is mevrouw J.C. [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1] ) in Duitsland een ongeval overkomen terwijl zij achterop zat op de motor bij haar toenmalige vriend, de heer L. [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2] ). [betrokkene2] is op 12 juli 2006 aan de gevolgen van het ongeval overleden.

2.2.

 

[betrokkene1] heeft bij het ongeval zwaar letsel opgelopen en is sindsdien volledig arbeidsongeschikt. Zij ontvangt sinds 23 juni 2008 van het UWV een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Wegens de permanente verzorging die zij nodig heeft, wordt die betaald naar 100% van het dagloon.

2.3.

 

Achmea is de WAM-verzekeraar van de motor van [betrokkene2] (WAM: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen).

2.4.

 

Op 31 mei 2007 heeft de schaderegelaar van Interpolis/Achmea een expertiserapport uitgebracht naar aanleiding van een gesprek met [betrokkene1] , haar dochter en schoonzoon en de personeelsmanager van haar werkgever. In dat rapport (productie 1 bij antwoord) staat onder meer vermeld dat [betrokkene1] en [betrokkene2] elkaar op 1 januari 2006 hebben leren kennen en na enige maanden besloten te gaan samenwonen. De woning van [betrokkene1] is te koop aangeboden en er is een voorlopige koopakte getekend. [betrokkene1] is ingetrokken bij [betrokkene2] en heeft haar inboedel naar zijn woning verhuisd. Een week later vond het ongeval plaats, aldus nog steeds het rapport. [betrokkene1] stond op dat moment nog niet op het adres van [betrokkene2] ingeschreven in het bevolkingsregister.

2.5.

 

Bij brief van 15 augustus 2008 (productie 2-1 bij dagvaarding) heeft het UWV Achmea aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van het ongeval. Volgens de brief heeft het UWV op grond van artikel 99 WIA het recht de aan [betrokkene1] verstrekte uitkeringen te verhalen op degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen van de door zijn of haar schuld veroorzaakte arbeidsongeschiktheid. Dat is – aldus het UWV – in dit geval Achmea, omdat [betrokkene2] het ongeval heeft veroorzaakt en hij ten tijde van het ongeval bij Achmea was verzekerd.

2.6.

 

Bij e-mail van 22 juni 2009 (productie 1 bij dagvaarding) heeft Achmea aansprakelijkheid erkend, maar zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vordering van het UWV niet voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens Achmea is regres op grond van artikel 99 WIA op haar als WAM-verzekeraar niet mogelijk, omdat [betrokkene1] en [betrokkene2] ten tijde van het ongeval ongehuwd samenwoonden.

3 Het geschil

3.1.

 

Het UWV vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

 

een verklaring voor recht dat het UWV jegens Achmea recht heeft op verhaal van de door hem op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen met ingang van 23 juni 2008 ten behoeve van [betrokkene1] gemaakte kosten, binnen de grenzen die de WIA stelt;

 

de veroordeling van Achmea tot vergoeding van de onder (i) bedoelde kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW);

 

de veroordeling van Achmea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis;

 

de veroordeling van Achmea in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 157,00.

 

3.2.

 

Het UWV legt aan zijn vorderingen ten grondslag, samengevat, dat hem op grond van artikel 90 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en artikel 99 WIA een regresrecht toekomt en dat hij daarom voor de gemaakte kosten verhaal heeft op de aansprakelijke persoon die naar burgerlijk recht verplicht is de schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de WIA. Gelet op artikel 6 WAM richt dit verhaal zich op Achmea.

3.3.

 

Achmea voert verweer en concludeert kort gezegd tot afwijzing van de vorderingen, hetzij door het UWV daarin niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door hem deze vorderingen te ontzeggen, één en ander met veroordeling van het UWV in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.4.

 

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4 De beoordeling

De kern van het geschil

4.1.

 

Het geschil draait om de vraag of het UWV een regresvordering heeft jegens Achmea met betrekking tot uitkeringen die zijn gedaan aan [betrokkene1] naar aanleiding van het ongeval waarbij zij ernstig gewond raakte en [betrokkene2] om het leven is gekomen. Volgens Achmea is dit niet het geval, omdat [betrokkene1] en [betrokkene2] ten tijde van het ongeval samenwoonden en regres in gezinsverband – dus op de aansprakelijke partner – op grond van de WIA en de WAM is uitgesloten. Het UWV meent echter dat geen sprake was van samenwonen ten tijde van het ongeval en dat dit bovendien niet van belang is, omdat het UWV pas is gaan uitkeren op het moment dat van samenwonen geen sprake meer was. [betrokkene2] was toen immers al geruime tijd overleden, aldus het UWV. De “samenwoonexceptie” is daarom volgens het UWV niet van toepassing.

4.2.

 

Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van het UWV juist en heeft het UWV in dit geval een regresvordering op Achmea. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

 

Het toetsingskader

4.3.

 

In geval van arbeidsongeschiktheid door ziekte kan primair de benadeelde aanspraak maken op verschillende voorzieningen, afhankelijk van de periode van arbeidsongeschiktheid waarin hij zich bevindt. Na de eerste periode van arbeidsongeschiktheid (met loondoorbetaling gedurende de wachttijd) kan de arbeidsongeschikte aanspraak maken op loon vervangende uitkeringen krachtens de WAO of de WIA. De WIA heeft per 29 december 2005 de WAO vervangen en is van toepassing op mensen die op of na 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en een beroep doen op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zowel de WIA als de WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

4.4.

 

De regresregeling is opgenomen in artikel 90 WAO en artikel 99 WIA. Op grond van artikel 99 WIA heeft het UWV voor de kosten die hij heeft gemaakt op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen verhaal op de persoon, die naar burgerlijk recht verplicht is de schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet. Gelet op artikel 6 WAM richt dat verhaal zich in dit geval op Achmea, aldus het UWV. Op grond van artikel 6 WAM heeft de benadeelde een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt. Deze aansprakelijkheid is tussen partijen in deze zaak niet in geschil.

4.5.

 

Op grond van de jurisprudentie geldt voor een aantal socialezekerheidswetten dat de omstandigheid dat de aansprakelijke persoon een gezinslid is van de primair benadeelde, aanleiding kan zijn om verhaal uit te sluiten. Daaraan ligt ten grondslag dat de primair benadeelde zelf (in de regel) niet zou zijn overgegaan tot het aanspreken van het betreffende gezinslid. Daarbij is met name een financieel argument van belang. Voeren de gezinsleden een gezamenlijke huishouding, dan zal het regres op het aansprakelijke gezinslid er in de regel toe leiden dat de uitkering die met de ene hand wordt gegeven, met de andere (het regres) weer wordt weggenomen: de “vestzak-broekzak”-situatie. Het te verhalen bedrag zal immers worden voldaan uit de gezamenlijke inkomsten, waarvan ook de uitkering van de primair benadeelde deel is gaan uitmaken. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1987 (ECLI: NL:HR:1987:AG5632, Nieuw Rotterdam/Bedrijfsvoering), in welke zaak eveneens sprake was van een verkeersongeval. Bijna twee jaar na dat ongeval zijn de bestuurder van de auto en zijn passagier, die bij het ongeval gewond raakte als gevolg waarvan zij arbeidsongeschikt werd, met elkaar gehuwd. De bedrijfsvereniging van de werkgever van de vrouw zocht op de voet van artikel 90 WAO met een beroep op artikel 6 WAM verhaal op de WAM-verzekeraar van de man voor de kosten – uitkeringen en voorzieningen – die zij op grond van de WAO ten behoeve van de vrouw had gemaakt. De Hoge Raad overwoog dat een redelijke toepassing van de WAO meebrengt dat, wanneer op het tijdstip van het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid het slachtoffer en de aansprakelijke persoon met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, aan de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht op de voet van artikel 90 WAO toekomt jegens de aansprakelijke echtgenoot en daarom ook niet jegens diens WAM-verzekeraar. Een andere opvatting zou volgens de Hoge Raad, nu zowel de schuld van de aansprakelijke echtgenoot aan de bedrijfsvereniging als de uitkeringen aan de andere, arbeidsongeschikte echtgenoot in de wettelijke gemeenschap van goederen zouden vallen, in strijd met de strekking van de WAO ertoe leiden dat de arbeidsongeschikte echtgenoot in feite zou worden verstoken van hetgeen hem krachtens de WAO toekomt, terwijl bij de aanspraken op grond van deze wet noch het huwelijk, noch aansprakelijkheid voor de gebeurtenis die tot de arbeidsongeschiktheid leidt, een rol speelt.

4.6.

 

Ten aanzien van ongehuwd samenwonenden heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 25 januari 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0121, ABP/ [partij arrest] ) in vergelijkbare zin geoordeeld. In deze zaak voerden het slachtoffer en de aansprakelijke partner al vóór het ongeval een gemeenschappelijke huishouding. De Hoge Raad overwoog onder meer:

 

“(…)

 

In een geval als het onderhavige, waarin de aansprakelijke persoon en de ambtenaar (…) samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren ‘in het kader van een ongehuwd samenwonen’, gelden de overwegingen waarvan de Hoge Raad is uitgegaan ten aanzien van echtgenoten (…) in gelijke mate, aangezien ook hier de uitkeringen aan het slachtoffer in feite zullen worden aangewend ter bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, terwijl anderzijds hetgeen de aansprakelijke partner schuldig zou worden aan het ABP als regel in feite zou worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten, waaronder de uitkeringen, zodat het slachtoffer in feite zou worden verstoken van zijn uitkeringen. (…)”

 

Toegepast op het geschil in deze zaak

4.7.

 

Achmea stelt zich met een beroep op de bovengenoemde jurisprudentie op het standpunt dat regres op grond van artikel 99 WIA op haar als WAM-verzekeraar niet mogelijk is, omdat [betrokkene1] en [betrokkene2] ten tijde van het ongeval ongehuwd samenwoonden. Volgens het UWV was toen van samenwoning tussen [betrokkene1] en [betrokkene2] (nog) geen sprake en doet dat ook niet ter zake, omdat [betrokkene2] al geruime tijd was overleden op het moment dat het UWV uitkeringen aan [betrokkene1] ging verstrekken.

4.8.

 

Partijen verschillen dus van mening over de vraag naar welk moment moet worden beoordeeld of in dit geval sprake is van samenwonen: de datum van het ongeval (zoals Achmea aanvoert) of de datum waarop het slachtoffer een uitkering ontving (zoals het UWV betoogt).

4.9.

 

De vordering waarom het hier gaat, is de (vermeende) regresvordering van het UWV op Achmea. Regres is een eigen, aan het UWV toekomend recht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom – anders dan Achmea meent – voor de beoordeling van de vraag of sprake is van samenwonen niet worden uitgegaan van de datum van het ongeval. Op het moment van het ongeval was immers van een vordering van het UWV nog geen sprake. Die vordering is pas ontstaan op het moment dat het UWV uitkeringen aan [betrokkene1] is gaan doen, oftewel op 23 juni 2008, 104 weken na het ongeval.

4.10.

 

De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het hierboven onder 4.5 genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1987. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat aan de bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht toekwam op de WAO-uitkeringen waarop het slachtoffer ná het huwelijk recht had gekregen. Het peilmoment van het samenwonen was dus het moment waarop de vrouw een uitkering ontving, en niet het moment van het ongeval. Het huwelijk, dat een kleine twee jaar na het ongeval plaatsvond, zou in de beoordeling van de Hoge Raad immers niet relevant zijn geweest indien het moment van het ongeval als peilmoment van het samenwonen zou zijn gehanteerd.

4.11.

 

De rechtbank verwijst verder naar het onder 4.6 genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 januari 1991, meer in het bijzonder naar de daarin weergegeven rechtsoverweging 4.6 van het arrest van het hof ’s Hertogenbosch, dat in cassatie in stand bleef:

 

“Gelet op de wijze waarop de HR zijn voormelde beslissing [in het arrest van 26 juni 1987 – rechtbank] heeft gemotiveerd, is het hof van oordeel dat ingeval van ongehuwd samenleven ten aanzien van het ABP, optredend als voormeld, moet worden geoordeeld dat aan deze geen verhaalsrecht toekomt, indien en voor zover dat verhaalsrecht betrekking heeft op uitkeringen, waarop de ambtenaar ( [partij 2 arrest] ) recht heeft verkregen in de periode dat deze feitelijk een gemeenschappelijke huishouding voerde met de aansprakelijke partner ( [partij arrest] ), en die ter bestrijding van de kosten van deze gemeenschappelijke huishouding zijn aangewend.”

 

Ook in die zaak is dus het moment waarop het slachtoffer recht verkreeg op uitkeringen – en niet het moment van het ongeval – aangemerkt als het peilmoment van het samenwonen.

4.12.

 

Gelet hierop geldt dat voor de beoordeling of sprake is van samenwonen van [betrokkene1] en [betrokkene2] moet worden uitgegaan van het moment waarop het UWV uitkeringen ging doen aan [betrokkene1] . Vanaf dat moment zou [betrokkene1] die uitkeringen hebben kunnen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zo ver is het echter nooit gekomen, omdat [betrokkene2] op het moment dat het UWV uitkeringen aan [betrokkene1] ging doen al geruime tijd was overleden. Er was toen dus geen sprake (meer) van samenwonen.

4.13.

 

Omdat ten tijde van het doen van de uitkering geen sprake was van samenwonen, heeft een “vestzak-broekzak”-situatie (zie 4.5) zich niet voorgedaan. Voor een regresverbod bestaat daarom in dit geval geen grond. Dit betekent dat de vordering onder (i), die kort gezegd strekt tot een verklaring voor recht dat het UWV jegens Achmea recht heeft op verhaal, toewijsbaar is.

4.14.

 

Wat partijen in het kader van de regresvordering meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

4.15.

 

De vordering onder (ii) strekt kort gezegd en onder meer tot veroordeling van Achmea tot vergoeding van de in de vordering onder (i) bedoelde kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De reden hiervoor is dat partijen verwachten dat zij, wanneer over het verhaalsrecht is beslist, wel tot overeenstemming zullen komen wat betreft de omvang van de vordering, maar dat het UWV de schadestaatprocedure achter de hand wil hebben. Verwijzing naar de schadestaatprocedure is dan niet aan de orde. De rechtbank zal de vordering onder (ii) in zoverre dan ook afwijzen.

 

Buitengerechtelijke kosten

4.16.

 

De vordering onder (ii) strekt daarnaast tot veroordeling van Achmea tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Ook deze vordering zal de rechtbank afwijzen, nu het UWV – mede in het licht van de betwisting door Achmea – onvoldoende heeft onderbouwd dat zij voorafgaand aan de procedure werkzaamheden heeft verricht waarvoor een eventuele proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten.

 

Proceskosten en nakosten

4.17.

 

Achmea wordt ten aanzien van het principiële geschilpunt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van het UWV op:

 

– dagvaarding € 100,89

 

– griffierecht 656,00

 

– salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

 

Totaal € 1.842,89

4.18.

 

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als vermeld onder de beslissing.

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

verklaart voor recht dat het UWV jegens Achmea recht heeft op verhaal van de door hem op grond van de WIA en de daarop berustende bepalingen met ingang van 23 juni 2008 ten behoeve van [betrokkene1] gemaakte kosten, binnen de grenzen die de WIA stelt, en veroordeelt Achmea tot vergoeding hiervan,

5.2.

 

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van het UWV tot op heden begroot op € 1.842,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

 

veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

 

verklaart de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

 

JE/St

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey