Rb: verzoek om voorlopig deskundigenbericht toegewezen; bezwaren verzekeraar tegen voorgestelde niet op voorhand ongegrond, dus andere deskundige   

Samenvatting:

Werknemer heeft arbeidsongeval gehad waarbij kastje op hoofd is gevallen; daarna heeft hij herseninfarct gekregen. Partijen verschillen van mening over het causaal verband tussen het herseninfarct en het ongeval. De kantonrechter wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een neuroloog toe. Verzekeraar heeft tegen beide voorgestelde deskundigen bezwaar gemaakt. Die bezwaren zijn niet op voorhand ongegrond en daarom zal een andere geschikte deskundige worden gezocht.

 

 

ECLI:NL:RBOBR:2021:5611, Rechtbank Oost-Brabant, 9356324 EJ 21-438 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBOBR:2021:5611

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

22-10-2021

Datum publicatie

03-11-2021

Zaaknummer

9356324 EJ 21-438

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Tussenbeschikking

Inhoudsindicatie

voorlopig deskundigenonderzoek letselschade; bevoegdheid; maatstaf

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

 

Zittingsplaats Eindhoven

 

Zaaknummer: 9356324 / EJ VERZ 21-438

 

Beschikking van 22 oktober 2021

 

in de zaak van:

 

1[verzoekster sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

  1. MS Amlin Insurance SE,

 

gevestigd te Brussel,

 

verzoeksters,

 

gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen en mr. A.S. Bloo-Kroes,

 

tegen:

 

[verweerder] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verweerder,

 

gemachtigde: mr. L.A.M. van Vlerken.

 

Partijen zullen hierna “verzoeksters” en “ [verweerder] ” worden genoemd. Verzoeksters afzonderlijk zullen worden genoemd “ [verzoekster sub 1] ” en “Amlin”.

 

1Het verloop van het geding

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

 

 het verzoekschrift met bijlage 1 tot en met 7;

 

 het verweerschrift met bijlage 1 tot en met 15;

 

 het e-mailbericht van 15 september 2021 van de zijde van [verweerder] met aanvullende producties 1 en 2;

 

 de brief van 17 september 2021 van de zijde van [verweerder] met een aanvullende productie.

 

1.2.

Op 21 september 2021 heeft (in verband met het Covid-19 virus) middels een Skype-verbinding een zitting plaatsgevonden, ten behoeve waarvan mr. L.A.M. van Vlerken spreekaantekeningen heeft toegezonden. De griffier heeft van de zitting aantekeningen gemaakt.

 

1.3.

Tot slot is bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.

 

2Het verzoek en het verweer

2.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de kantonrechter een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. Verzoeksters leggen daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

 

2.2.1.

[verweerder] heeft op 18 juni 2015 een arbeidsongeval gehad tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [verzoekster sub 1] . Hij was op dit moment als uitzendkracht bij [verzoekster sub 1] werkzaam. [verweerder] heeft die dag een keukenkastje op zijn hoofd gekregen maar heeft die dag gewoon doorgewerkt. Op 19 juni 2015 kreeg hij uitvalverschijnselen waarna hij naar het ziekenhuis is gegaan. Op de CT-scan waren die dag geen afwijkingen te zien. Vervolgens is op 24 juni 2015 door middel van een MRI-scan vastgesteld dat [verweerder] een herseninfarct heeft gehad maar ook dat er sprake was van pre-existente herseninfarcten. De medisch adviseur van de Inspectie SZW heeft op 25 mei 2016 geconstateerd dat de causaliteit tussen het arbeidsongeval en het letsel niet duidelijk is. Amlin heeft haar aansprakelijkheid voor het ongeval namens [verzoekster sub 1] erkend maar betwist dat er causaal verband bestaat tussen het ongeval en het herseninfarct. Partijen hebben ieder afzonderlijk een eigen medisch adviseur ingeschakeld.

 

2.2.2.

Partijen en hun medisch adviseurs zijn het niet eens over de vraag of het herseninfarct dat [verweerder] heeft gehad in causaal verband staat met het arbeidsongeval. Omdat de causaliteitsdiscussie in een impasse is geraakt, vinden verzoeksters het noodzakelijk dat een voorlopig deskundigenonderzoek plaatsvindt. Verzoeksters verzoeken de deskundige de vragen voor te leggen zoals opgesomd op pagina 7 tot en met 9 van het verzoekschrift, die aansluiten bij de meest recente versie van de zogeheten IWMD-vraagstelling1.

 

2.4.

[verweerder] heeft verweer gevoerd en verzoekt:

 

  1. dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, met verwijzing van de verdere behandeling naar de rechtbank Oost-Brabant;

 

  1. primair

 

de gevraagde deskundigenbenoeming af te wijzen;

 

subsidiair

 

de zaak aan te houden teneinde:

 

  1. Amlin in de gelegenheid te stellen alsnog de door [verweerder] gevraagde (voorschot)betalingen ten behoeve van medisch adviseur en advocaat uit te voeren, althans om die kosten van [verweerder] alsnog behoorlijk te bevoorschotten zodat vervolgens,

 

  1. de medisch adviseur van [verweerder] , mevrouw [A] (hierna: [A] ), in de gelegenheid wordt gesteld inhoudelijk te reageren op de medische aspecten van het deskundigenverzoek (middels een aanvullend medisch adviesrapport);

 

meer subsidiair

 

te bepalen dat Amlin de kosten van de expertisearts(en) betaalt.

 

2.5.

[verweerder] stelt dat de absolute bevoegdheid om op het onderhavige verzoek te beslissen bij de rechtbank ligt en niet bij de kantonrechter. Immers, zijn vordering gaat de bevoegdheidsgrens van € 25.000,00 ver te boven en is niet gericht tegen [verzoekster sub 1] maar tegen haar verzekeraar Amlin aangezien [verweerder] zijn vordering op artikel 7:954 lid 1 BW baseert.

 

Mocht de kantonrechter zich toch bevoegd achten dan zijn er zwaarwegende redenen om het verzoek van verzoeksters af te wijzen. Verzoeksters zijn de procedure nodeloos gestart waardoor de zaak onnodig ingewikkelder is gemaakt en er extra advocaatkosten zijn veroorzaakt. De procedure is bovendien rauwelijks aanhangig gemaakt omdat Amlin kort daarvoor nog expliciet heeft aangestuurd op het bereiken van overeenstemming over de expertise door vervolgwerk van de wederzijdse medisch adviseurs. De door verzoeksters voorgestelde deskundige [deskundige A] (hierna: [deskundige A] ) staat in brede kring van slachtoffer-belangenbehartigers bekend als goedgezind jegens letselschade-verzekeraars en is als expertise-arts voor [verweerder] niet geschikt en onacceptabel. [verweerder] verwijst hiervoor naar een vijftal internetpublicaties, overgelegd bij brief van 17 september 2021.

 

Het is niet op zijn plaats dat in deze zaak een neurologische expertise wordt bepaald zoals in het verzoekschrift wordt voorgesteld. Een neurologisch expert kan onvoldoende inschatten welke invloed het tijdsverloop op de opgetreden schade heeft gehad. [verweerder] heeft de dag van het ongeluk namelijk doorgewerkt en is pas later naar het ziekenhuis gegaan. Verder ontbreken er diverse, belangrijke vragen in de door verzoeksters geformuleerde concept- onderzoeksopdracht. Zo ontbreken de gebruikelijke en passende vragen of het nodig is dat betrokkene door een arts van een andere discipline wordt beoordeeld en zo ja, van welke discipline. Daarnaast moet worden bepaald of een neuroloog de meest geschikte expertise-arts is en/of dat het onderzoek beter in combinatie met/door een andere expertise-arts kan gebeuren. Ook zijn verdere specifieke vragen over de hypothetische gezondheidssituatie zonder het ongeval passend. Verder noopt het belangrijke aspect, dat [verzoekster sub 1] diverse kansen heeft gemist op het voorkomen (althans beperken van de ernst) van de voor [verweerder] ingetreden gezondheidsgevolgen, tot toevoeging/herformulering van de vragen. De neuroloog [deskundige A] en de subsidiair voorgedragen neuroloog [deskundige B] (hierna: [deskundige B] ) zijn niet onafhankelijk en niet geschikt om als deskundige op te treden. Verder zal ook [A] in de gelegenheid moeten worden gesteld te rapporteren en aanvullend onderzoek te doen. Het is in beginsel aan de te benoemen expertise-arts om te bepalen aan welke aanvullende medische gerelateerde info behoefte bestaat. Het gaat te ver om de deskundige op te dragen het volledige huisartsjournaal op te vragen.

 

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

 

3De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

 

3.1.

Ingevolge artikel 203 lid 1 Rv wordt een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht

gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.

 

3.2.

Tussen partijen staat vast, dat (nog) geen bodemzaak aanhangig is. Dat betekent dat (de grondslag van) de vordering in een eventueel nog aanhangig te maken geding zal bepalen welke rechter bevoegd is te oordelen over het onderhavige verzoek. In dit geval is niet de partij die meent een vordering te hebben op zijn wederpartij degene die het voorlopig deskundigenonderzoek verzoekt, maar degene die zich tegen die vermeende vordering wenst te verweren. Dit heeft tot gevolg dat het verzoekschrift niet de aard en het beloop van de vordering bevat zoals artikel 203 lid 2 sub a Rv voorschrijft. [verweerder] meent dat zijn (nog niet in rechte ingestelde) vordering tot de bevoegdheid van de rechtbank behoort omdat hij die vordering baseert op de zogenoemde ‘directe actie’ als bedoeld in artikel 7:954 lid 1 Rv en het beloop van die vordering de competentiegrens van de kantonrechter overschrijdt. Overeenkomstig genoemd artikel is zijn vordering dan ook gericht tegen de verzekeraar van [verzoekster sub 1] zodat Amlin zijn wederpartij is en niet [verzoekster sub 1] . De destijds bestaande (abeids-)relatie tussen [verzoekster sub 1] en [verweerder] doet volgens [verweerder] dan ook niet ter zake voor de absolute bevoegdheid.

 

3.3.

Zoals al ter zitting is besproken acht de kantonrechter zich desalniettemin bevoegd omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden terwijl [verweerder] als uitzendkracht bij [verzoekster sub 1] aan het werk was. Het keukenkastje is immers op het hoofd van [verweerder] gevallen toen hij bezig was met de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [verzoekster sub 1] . In zaken die betrekking hebben op een arbeidsverhouding is de kantonrechter op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd om over het verzoek te oordelen. De stelling van [verweerder] dat zijn eventueel nog in te stellen vordering uitsluitend tegen Amlin gericht zal zijn en niet (mede) tegen [verzoekster sub 1] doet hier niet aan af.

 

Overigens valt niet goed in te zien welk belang [verweerder] heeft bij het door hem opgeworpen onbevoegdheidsverweer: mocht een eventuele bodemprocedure bij de rechtbank worden aangebracht of naar de rechtbank worden verwezen, dan verzet de wet zich er niet tegen dat in die procedure een door de kantonrechter bevolen deskundigenbericht wordt ingebracht. Het is niet aannemelijk dat de rechtbank een deskundigenrapport buiten beschouwing zal laten om de enkele reden dat de deskundige niet door haar maar door de kantonrechter is benoemd.

 

Het voorlopig deskundigenonderzoek

 

3.4.

Op grond van artikel 202 lid 1 Rv kan voordat een zaak aanhangig is een voorlopig deskundigenbericht worden bevolen op verzoek van een belanghebbende. Een voorlopig deskundigenbericht strekt ertoe partijen in de gelegenheid te stellen te beoordelen welke kansen zij hebben in een eventueel nog aanhangig te maken procedure. Bij de beoordeling van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht op grond van voornoemd artikel komt de rechter in beginsel geen discretionaire bevoegdheid toe, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met een voorlopig deskundigenbericht bewezen kunnen worden. Het verzoek kan worden afgewezen indien het strijdig is met de goede procesorde, van het middel misbruik wordt gemaakt of omdat het afstuit op grond van een ander door de rechter als zwaarwichtig beoordeeld bezwaar. Ook kan een voorlopig deskundigenbericht op grond van artikel 3:303 BW worden afgewezen als de verzoeker onvoldoende belang heeft bij toewijzing daarvan.

 

3.5.

Als zwaarwegend bezwaar tegen het verzoek voert [verweerder] aan dat Amlin weigert het door hem gevraagde voorschotbedrag te betalen waardoor hij niet in staat is de kosten van zijn medisch adviseur te betalen. [A] kan haar werkzaamheden daardoor niet voortzetten als gevolg waarvan een juridisch verantwoorde schadebehandeling en afwikkeling redelijkerwijs niet mogelijk is, aldus [verweerder] . Verder meent hij dat de procedure nodeloos is gestart omdat Amlin eerder heeft aangestuurd op het verkrijgen van expertise-overeenstemming middels vervolgwerk door de wederzijdse medisch adviseurs. Volgens [verweerder] stuurt Amlin er kennelijk op aan om zonder verdere bemoeienis van [A] een voor Amlin welgevallig en eenzijdig gestuurd expertiserapport te verkrijgen. Gezien deze omstandigheden had Amlin in redelijkheid niet tot indiening van het verzoek kunnen komen en is er daarom sprake van misbruik van bevoegdheid dan wel zijn er zwaarwegende redenen het verzoek af te wijzen.

 

3.6.

Amlin bestrijdt de kosten voor de medisch adviseur van [verweerder] niet te willen vergoeden, zij heeft [verweerder] hiervoor immers al € 3.000,00 betaald. Voor het overige is het door [verweerder] gewenste voorschotbedrag veel te hoog.

 

3.7.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

 

3.8.

Het feit dat tussen partijen onenigheid bestaat over de betaling van de medische expertisekosten, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW, levert geen misbruik van bevoegdheid op en kan niet worden aangemerkt als een zwaarwichtige reden om het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af te wijzen. De discussie over de kosten staat namelijk geheel los van de inhoudelijke discussie over de aan- of afwezigheid van oorzakelijk verband tussen het arbeidsongeval en het herseninfarct. Het feit dat Amlin eerder heeft geprobeerd gezamenlijk tot overeenstemming te komen over de benodigde expertise voor de beantwoording van de causaliteitsvraag betekent niet dat Amlin geen recht meer toekomt om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken. Juist nu partijen al jaren met elkaar in discussie zijn over de causaliteit (en het partijen al die tijd niet is gelukt tot overeenstemming te komen) is een voorlopig deskundigenbericht op zijn plaats. Aan het argument van [verweerder] dat Amlin een expertiserapport wenst te verkrijgen dat eenzijdig gestuurd is wordt voorbij gegaan nu het juist de bedoeling van een voorlopig deskundigenonderzoek is om een onafhankelijk en onpartijdig oordeel van een deskundige te krijgen.

 

3.9.

Nu niet is gebleken van een afwijzingsgrond dient te worden beoordeeld of hetverzoek kan bijdragen tot oplossing van het geschil en voldoende concreet is. Dat is hier het geval. Tussen partijen bestaat een verschil van mening over het bestaan van causaal verband tussen het arbeidsongeval en het herseninfarct dat [verweerder] heeft gehad en dat meningsverschil is in een impasse geraakt. Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in art. 202 lid 1 Rv kan hier meer duidelijkheid over verschaffen. De discussie over de kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid is ook geen reden het verzoek aan te houden. Los daarvan wordt opgemerkt dat Amlin ter zitting heeft toegezegd eventuele aanvullende kosten die [verweerder] dient te maken in het kader van het voorlopig deskundigenonderzoek (waaronder kosten voor [A] ), naar redelijkheid te zullen vergoeden.

 

3.10.

Door verzoeksters is primair verzocht [deskundige A] , verbonden aan het [naam 1] , als deskundige te benoemen en subsidiair [deskundige B] , verbonden aan [naam 2] . [verweerder] heeft tegen beide deskundigen bezwaar gemaakt. Die bezwaren zijn niet op voorhand ongegrond en daarom zal een andere geschikte deskundige worden gezocht. De kantonrechter is van oordeel dat kan worden volstaan met het benoemen van een neuroloog als expertise-arts, omdat uit de adviezen van zowel de medisch adviseur van Amlin als van [verweerder] vooralsnog moet worden afgeleid dat de discussie omtrent de causaliteit neurologisch van aard is. Mocht de deskundige tijdens het onderzoek concluderen dat tevens onderzoek van een deskundige van een andere discipline noodzakelijk is, dan kan daartoe alsnog worden besloten.

 

3.11.

De geformuleerde vragen zijn toelaatbaar. Aan wie civiel bewijs wil leveren dient, binnen redelijke marge, vrijheid te worden gelaten om te bepalen wat hij voor het te leveren bewijs nodig heeft, zodat alleen evident irrelevante of onredelijke vragen kunnen worden verhinderd. Van dergelijke vragen is geen sprake. Wel heeft de kantonrechter, gelet op het verweer van [verweerder] , de vragen op enkele punten geherformuleerd en aangevuld, zoals hieronder in het kopje “de beslissing” is weergegeven.

 

3.12.

Zodra een deskundige is gevonden die bereid is het onderzoek te verrichten, en deze deskundige een begroting van de kosten heeft opgegeven, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de persoon van de deskundige en de begroting van de kosten.

 

3.13.

Er is, mede gelet op de referte van verzoeksters, geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Verzoeksters dienen voor de betaling van dit voorschot gebruik te maken van de nota die zij, na de benoeming van de deskundige, ontvangen van het LDCR (het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak), onder vermelding van het betaalkenmerk van die nota.

 

3.14.

Partijen worden erop gewezen dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Deze verplichting is nader uitgewerkt in de beslissing. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan dat consequenties hebben in het nadeel van de desbetreffende partij.

 

3.15.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

 

3.16.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

 

4De beslissing

De kantonrechter:

 

4.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

 

1De situatie met ongeval

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

 

  1. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop

 

van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze

 

behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden

 

desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw

 

vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene

 

dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

 

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

 

Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

 

  • de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

 

  • de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat

 

daarvan.

 

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR)

 

Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel

 

hulponderzoek?

 

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

 

Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

 

Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de

 

reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke

 

conclusies u daaruit trekt?

 

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)

 

Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische

 

overweging geven?

 

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en 2.2.18)

 

Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven op het beperkingenformulier (zie productie 7) en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

 

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)

Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de

 

blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

 

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

 

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel

 

verslechtering verwacht?

 

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben

 

voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

 

Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw

 

vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de

 

American Medical Association (AMA-guides, zesde druk), en de (eventuele richtlijnen) van uw eigen beroepsvereniging?

 

2De situatie zonder ongeval

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e)

 

met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt

 

geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u

 

op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden

 

(aanbeveling 2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

 

  1. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw

 

vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

 

Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling

 

2.2.18

RMSR) en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze

 

klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en

 

afwijkingen voortvloeien?

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

 

Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn

 

geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de

 

onderzochte niet was overkomen?

 

Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

 

Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) en welk percentage functionele invaliditeit uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

 

Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

 

Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

 

Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel () verslechtering verwacht?

 

Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben

 

voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

 

Overig (aanbeveling 2.2.11 RMSR)

 

Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

 

Aanvullende vragen

 

Acht u een beoordeling van een arts van een andere discipline nodig en zo ja, van welke discipline? Kunt u daarbij aangeven waarom u dit wel of niet noodzakelijk acht?

 

Kunt u beoordelen of het feit dat na het arbeidsongeval is doorgewerkt (en pas de volgende dag het ziekenhuis is bezocht) van invloed is geweest op het ontstaan van het letsel zoals u dat heeft geconstateerd en zo ja, kunt u deze invloed beschrijven?

 

Had (de ernst van) het letsel zoals u die heeft geconstateerd beperkt kunnen worden met het (eerder) nemen van maatregelen? Zo ja, kunt u omschrijven welke maatregelen er genomen hadden kunnen worden en in welk stadium en voorts in hoeverre het letsel in dat geval (bij het bijtijds nemen van die maatregelen) beperkt had kunnen worden?

 

4.2.

bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijke beschikking zal worden benoemd,

 

het voorschot

 

4.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

 

– de nog te benaderen deskundige zal een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,

 

– de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,

 

– partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,

 

– indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,

 

– indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

 

4.4.

bepaalt dat verzoeksters het voorschot ter griffie dienen te deponeren en wel binnen twee weken na een daartoe strekkend betalingsverzoek van het Landelijk dienstencentrum voor de Rechtspraak,

 

4.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

 

het onderzoek

 

4.6.

bepaalt dat verzoeksters hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,

 

4.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

 

4.8.

wijst de deskundige er op dat:

 

– de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

 

– de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

 

– de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

 

– de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

 

– indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,

 

4.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

 

het schriftelijk rapport

 

4.10.

draagt de deskundige op om binnen de in de volgende beslissing vast te stellen termijn een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

 

4.11.

wijst de deskundige er op dat:

 

– uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

 

– de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

 

4.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

 

overige bepalingen

 

4.13.

bepaalt dat de zaak wordt aangehouden totdat een deskundige bereid is gevonden de benoeming als deskundige te aanvaarden, voor benoeming van de deskundige en voor de vaststelling van de hoogte van het voorschot,

 

4.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op vrijdag 22 oktober 2021.

 

1IWMD = Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey