Rb: werkgever niet aansprakelijk voor ongeval na ongeoorloofd gebruik van hijskraan, voldoende instructies en toezicht

Samenvatting:

Werknemer, ervaren steigerbouwer, loopt letsel op bij het verplaatsen van steigermateriaal met een (bovenloop)hijskraan. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Niet in geschil is dat werknemer ermee bekend was dat voor het gebruik van een hijskraan vereist is dat de werknemer beschikt over een hijscertificaat en dat hij daarover niet beschikte. De rechtbank oordeelt dat werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De rechtbank oordeelt op basis van verklaringen dat de werkgever voorafgaande aan de werkzaamheden voldoende instructie heeft gegeven en ook voldoende toezicht heeft gehouden. Het verweer dat werkgever specifiekere instructies had moeten geven en meer toezicht op hem had moeten houden omdat zij wist dat hij een eigenwijze man was wordt verworpen. Werkgever heeft voldoende specifieke instructies gegeven en voldoende toezicht gehouden.

 

 

RBROT 120321 ongeval steigerbouwer bij ongeoorloofd gebruik hijskraan; wg-er niet aansprakelijk, zorgplicht nagekomen

ECLI:NL:RBROT:2021:2769, Rechtbank Rotterdam, 8359567 cv expl 20-7062 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:RBROT:2021:2769

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

12-03-2021

Datum publicatie

02-04-2021

Zaaknummer

8359567 cv expl 20-7062

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Werknemer is een bedrijfsongeval overkomen en spreekt werkgever aan op grond van artikel 7:658 BW. Werkgever is niet aansprakelijk, nu zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8359567 CV EXPL 20-7062

 

uitspraak: 12 maart 2021

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] , hierna ‘ [eiser] ’,

 

wonende te [woonplaats eiser] ,

 

eiser,

 

gemachtigde: mr. J.L.A. de Waard,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

Bilfinger Industrial Services Nederland B.V., hierna ‘Bilfinger’,

 

gevestigd te Brielle,

 

gedaagde,

 

gemachtigde: mr. M.E. Franke.

 

1.Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

 

– de dagvaarding van 21 februari 2020, met producties;

 

– de conclusie van antwoord, met producties;

 

– het tussenvonnis van 16 juli 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

 

– het proces-verbaal van de op 17 augustus 2020 gehouden mondelinge behandeling;

 

– het faxbericht van 11 september 2020 van de gemachtigde van Bilfinger;

 

– de conclusie van repliek, met één productie;

 

– de conclusie van dupliek.

 

1.2

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

 

2.De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

 

2.1

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 6 augustus 2014 als ervaren steigerbouwer in dienst van uitzendbureau X Force Services B.V. gestart met het uitvoeren van werkzaamheden op het fabrieksterrein van de Suikerunie in Dinteloord. [eiser] werd destijds als uitzendkracht ingeleend door Bilfinger. X Force Services B.V. is inmiddels failliet verklaard.

 

2.2

Op 6 augustus 2014 heeft [eiser] als nieuwe medewerker op de locatie Suikerunie de Veilig Werk Verklaring Steigerbouw uitgelegd gekregen en deze verklaring ook ondertekend. In deze verklaring is voor zover thans van belang opgenomen:

 

“(…)

 

Ondergetekende verklaart de hierna vermelde bepalingen volledig te hebben begrepen en er strikt naar te handelen.

 

(…)

 

Het niet onbevoegd uitvoeren van taken of het bedienen van bedrijfsinstallaties, machines en werktuigen

 

(…)”

 

2.3

Op 21 augustus 2014 is [eiser] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval overkomen op het fabrieksterrein van de Suikerunie.

 

2.4

Op de dag van het ongeval heeft [eiser] opdracht gekregen om samen met zijn zoon en de heer [naam persoon 1] (hierna: [naam persoon 1] ) gedemonteerd steigermateriaal dat zich op de derde verdieping bevond naar beneden te transporteren.

 

2.5

Op het moment van het ongeval was [eiser] alleen op de verdieping aanwezig, zijn zoon en [naam persoon 1] waren op dat moment op de begane grond.

 

2.6

Het ongeval vond plaats toen [eiser] bezig was om het laatste onderdeel, een rechthoekig rek, naar beneden te verplaatsen met behulp van een in het pand aanwezige (bovenloop)hijskraan. Vermoedelijk is [eiser] door het rek geraakt, doordat dit vast is komen te zitten achter een reling en daarna losgeschoten is, of doordat het rek is gaan draaien aan de hijskraan.

 

2.7

Naar aanleiding van het ongeval heeft Bilfinger een aantal medewerkerkers gehoord en daarvan schriftelijke verklaringen opgesteld.

 

In de schriftelijke verklaring die op 9 september 2014 is opgesteld van de heer [naam uitvoerder] (hierna: [naam uitvoerder] ), meewerkend voorman bij Bilfinger, is voor zover thans van belang het volgende opgenomen:

 

“(…)

 

Aangekomen op de locatie heb ik een ronde gelopen met [naam meewerkend voorman] (…) Deze ronde was om de steigers en de lopende werkzaamheden te bekijken. Ik ben toen niet langs de plek gelopen waar later het ongeval heeft plaatsgevonden. [naam meewerkend voorman] heeft mij tijdens de ronde verteld dat er een aantal medewerkers waaronder [eiser] (slachtoffer van het ongeval, verder te noemen SO) bezig waren met het naar beneden transporteren van materiaal met de lift. Ik ben vervolgens naar de keet op de locatie gelopen (…) [naam meewerkend voorman] is in de fabriek gebleven.

 

(…)

 

Na afloop van de werkdag ben ik met [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider Bilfinger) naar het ziekenhuis in Roosendaal gegaan. Ik heb in het ziekenhuis met het slachtoffer gesproken (in het Turks). Het SO zei het volgende: “ik heb een fout gemaakt, daar ga ik niet om liegen, liegen heb ik vroeger al genoeg gedaan, ik heb niet geluisterd naar [naam meewerkend voorman] , die heeft mij verteld dat het materiaal met de lift naar beneden moest worden gebracht, ik heb dat met de kraan gedaan.”

 

[naam persoon 1] heeft mij ook verteld dat hij tegen het SO heeft gezegd dat het materiaal met de lift naar beneden gebracht moest worden

 

(…)”

 

In de schriftelijke verklaring die op 10 september 2014 is opgesteld van de heer [naam meewerkend voorman] (hierna: [naam meewerkend voorman] ) is voor zover thans van belang het volgende opgenomen:

 

“(…)

 

Ik heb op donderdag 21 augustus de ploeg bestaande uit [eiser] (slachtoffer), [naam persoon 1] en [naam zoon eiser] na de middag pauze de opdracht gegeven steigers te demonteren op de 3e verdieping, en het materiaal op een rek met de lift naar de begane grond te verplaatsen. (…)

 

[eiser] is met de ziekenwagen naar het ziekenhuis gebracht. Ik ben later met [naam bedrijfsleider] en [naam uitvoerder] daar naartoe gegaan. Ik heb in het ziekenhuis gevraag aan [eiser] “waarom gebruik je de kraan?” [eiser] antwoordde “het is mijn fout”.

 

(…)

 

Ik ben als [naam uitvoerder] niet aanwezig is aangewezen als voorman. Ik zie de ploegen elk half uur wanneer ik een ronde loop. Ik vind dat ik een goed overzicht heb over de ploegen, dit komt omdat het niet zo’n grote locatie is. (…)”

 

2.8

Door de Inspectie SZW is een onderzoek gedaan naar het arbeidsongeval. In het kader van dit onderzoek heeft de inspecteur werknemers gehoord.

 

2.9

Tegenover de arbeidsinspecteur heeft [naam meewerkend voorman] op 25 september 2014, voor zover thans van belang het volgende verklaard:

 

“(…)

 

Op de dag van het ongeval werkte ik op de Suikerfabriek als één van de meewerkende voormannen en was ook aanspreekpunt voor mensen van de Suikerunie. Ik gaf opdrachten aan de mensen die op de dag van het ongeval de steigers moesten afbreken. Het materiaal van de afgebroken steigers werd naar beneden getransporteerd door [eiser] en zijn zoon — en — Ik had hen opdracht gegeven om het steigermateriaal naar beneden te brengen.

 

(…)

 

Ik was samen met [eiser] en zijn zoon — en — op de derde verdieping, daar lag het steigermateriaal wat naar beneden moest. (…) Ik heb heel duidelijk tegen [eiser] en zijn zoon — en — op de derde verdieping aangegeven dat zij de materialen met de naastgelegen grote goederen lift naar beneden moesten brengen. Ik heb heel duidelijk gezegd dat zij de kraan niet mochten gebruiken. (…) [eiser] en zijn zoon — en — wisten donders goed dat zij alleen mochten hijsen als zij een hijscertificaat hadden. In de keet waar wij eten, staat heel duidelijk in verschillende talen, waaronder het Turks en Arabisch, dat je zinder hijsbewijs de kraan niet mag gebruiken. (…)

 

Er waren geen stukken van 6 meter lang die zo zwaar waren. Het langste stuk wat ik heb gezien dat naar beneden moest is drie meter. Het lange materiaal waarover [eiser] sprak, was niet aanwezig bij het steigermateriaal wat naar beneden moest. Alles paste gemakkelijk in de naast gelegen grote goederen lift.

 

(…)

 

Ik moest [eiser] bijna dagelijks aanspreken over veilig werken. [eiser] wist dondersgoed wat hij niet mocht doen.

 

Wat ik verder over hem kan vertellen is dat hij eigenwijs is, hij luisterde slecht en deed het werk op zijn eigen manier. Er waren nauwelijks collega’s die met hen wilde samenwerken. In het verleden zijn er al vaker problemen met hem geweest over veilig werken, hij is al vaker weggestuurd van een werk. Hij draagt dikwijls geen PBM en daar is hij vaak over aangesproken. Ik wees hem vrijwel dagelijks op het feit dat zij rustig en veilig moesten werken.

 

Ik ben vlak voor het ongeval bij de twee jongens, … en … geweest. Dit was (…) op de begane grond. Ik zag dat zij met een karretje steiger materiaal uit de lift reden. Ik dacht toen alles gaat prima, daarna ben ik verder gegaan met mijn werk elders in de fabriek. (…)

 

Nogmaals er was geen enkele reden om de kraan te gebruiken, het naar beneden brengen ging veel sneller via de lift. (…)”

 

2.10

Tegenover de arbeidsinspecteur heeft [naam persoon 1] op 24 oktober 2014, voor zover thans van belang het volgende verklaard:

 

“(…)

 

Ik ben uitgeleend aan Bilfinger (BIS), voor hen werkte ik ongeveer 5 weken bij de Suiker Unie te Dinteloord voordat het ongeval gebeurde.

 

(…)

 

Ik werkte daar als steigerbouwer. Op het moment van het ongeval was ik samen met [eiser] , en zijn zoon — aan het werk.

 

(…)

 

Wij moesten met zijn drieën steigermateriaal naar beneden brengen.

 

(…)

 

V: Hoe moest u deze werkzaamheden verrichten?

 

A: Wij moesten het materiaal met de lift naar beneden brengen. [eiser] was eigenwijs, hij wist dat hij de kraan niet mocht gebruiken omdat hij geen certificaat heeft. Ik heb hem twee keer gewaarschuwd dat hij de lift moest gebruiken, dat had — en — ook tegen hem gezegd. Daarna zijn zij weggegaan naar een andere locatie bij de Suiker Unie waar werkzaamheden verricht moesten worden.

 

(…)

 

V: Was er toezicht op de uitgevoerde werkzaamheden?

 

A: Op het moment van het ongeval was er geen toezicht. Zowel de uitvoerder [naam uitvoerder] als [naam meewerkend voorman] kwamen af en toe langs om te kijken of wij de werkzaamheden goed uitvoerden.

 

(…)

 

V: de heer … verklaarde:

 

(…) Ik heb heel duidelijk gezegd dat zij de kraan niet mochten gebruiken. (…) In de keet waar wij eten, staat heel duidelijk in verschillende talen, waaronder Turks en Arabisch, dat je zonder hijsbewijs de kraan niet mag gebruiken. (…)

 

Wat kunt u hierover zeggen?

 

A: Het klopt wat — heeft gezegd. (…)”

 

2.11

Bij brief van 28 oktober 2014 heeft de arbeidsinspecteur van Inspectie SZW aan Bilfinger te kennen gegeven dat zijn bevindingen naar het ongeval geen aanleiding geven tot het instellen van een volledig onderzoek of het opstellen van een rapport. In de brief is voor zover thans van belang opgenomen:

 

“(…)

 

Uit het onderzoek is gebleken dat het slachtoffer en zijn collega’s meerdere malen op verschillende manieren zijn gewezen op het feit dat zij de kraan niet mogen gebruiken, omdat zij niet in het bezit waren van het benodigde certificaten. Zij moesten voor deze werkzaamheden gebruik maken van de aanwezige goederen lift. Het slachtoffer had op eigen initiatief gebruik gemaakt van de aanwezige kraan, ondanks de verstrekte Voorlichting, Onderricht en Toezicht door en namens de werkgever.

 

(…)”

 

2.12

Bij brief van 7 oktober 2015 heeft [eiser] Bilfinger aansprakelijk gesteld voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden.

 

2.13

[eiser] heeft bij het UWV een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid aangevraagd. Het UWV heeft bij besluit van 9 juli 2016 aan [eiser] een uitkering toegekend op basis van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (klasse 35-80% arbeidsongeschiktheid). Het door [eiser] ingestelde bezwaar tegen die beslissing is afgewezen en de rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

 

2.14

Op verzoek van [eiser] heeft de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor gelast en zowel aan de zijde van [eiser] als aan de zijde van Bilfinger getuigen gehoord.

 

[naam meewerkend voorman] heeft als getuige, op 19 december 2016, voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“(…) In 2014 was ik als steigerbouwer in dienst van uitzendbureau (…). In der tijd was ik meewerkend voorman. Ik gaf aanwijzingen en ik controleerde de jongens regelmatig. (…). In de middag had ik een beugel met steiger materiaal (…) het stond op de derde verdieping en het moest naar beneden. (…) Ik weet honderd procent zeker dat het materiaal niet langer was dan 2,5 meter. Op de bewuste dag gaf ik de opdracht aan dhr. [eiser] die met zijn zoon en nog iemand, [naam persoon 1] genaamd op de derde verdieping aan het werk waren. (..) Mijn opdracht luidde dat de materialen moesten worden opgeruimd en naar beneden moesten worden gebracht. (…) Het vervoer naar beneden moest gebeuren met de lift en niet met de kraan. Ik heb dat nog uitdrukkelijk erbij gezegd. Ik wist dat geen van de drie een hijs certificaat had en daarom zei ik het erbij. (…) U vraagt mij waarom ik het er duidelijk bij gezegd heb als het volkomen duidelijk was dat de mensen zonder hijs certificaat de kraan niet mochten gebruiken. Dhr. [eiser] is best wel een eigenwijze man en voor hem is het wel makkelijk om de kraan te gebruiken. Je kunt dan in een keer de hele beugel met materialen naar beneden hijsen. Op plekken waar een goederenlift in de buurt is gebruiken we die altijd maar op plaatsen waar geen lift is vragen we [naam persoon 2] die in het bezit is van een hijs certificaat of iemand van de Suiker Unie om de kraan te bedienen. (…) Ik was er nog wel bij toen de eerste partij van het steiger materiaal met de goederenlift is vervoerd. Daarna ben ik weggegaan. (…). Iedere dag, nou ja misschien niet echt iedere dag maar heel vaak wees ik erop dat geen gebruik gemaakt mocht worden van de lift. Ik zei dan bijvoorbeeld: we gaan geen gekke dingen doen, dat deed ik voor de zekerheid omdat het misschien leuk is om met de kraan te werken maar het mag gewoon niet. Ik doe dat nog steeds. Ik ben nu voorman (…) Ik ben samen met [naam bedrijfsleider] naar het ziekenhuis gereden (…) Ik heb hem daar nog gesproken. Hij had pijn. Hij was een beetje aan het huilen. Hij zei toen dat het zijn eigen schuld was geweest en dat hij niet had geluisterd. Dat heeft [naam bedrijfsleider] ook gehoord. (…)”

 

[eiser] heeft als getuige, op 13 maart 2017, voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“(…)

 

Die dag moest een steiger worden gedemonteerd en naar buiten worden gebracht. Ik was die dag om 7 uur begonnen met werken en werkte met mijn zoon [naam zoon eiser] en een man genaamd [naam persoon 1] . (…). Ik was werkzaam op de tweede of derde etage toen ik de hijsbak wilde vullen. (…) Ons was verteld dat we de materialen zo snel mogelijk naar buiten moesten brengen. De kleine materialen deed ik via de lift en de grotere via de bak. (…) Ik deed dit werk al 20 jaar. Ik gebruikte de hijskraan met de bak ook al gedurende de week voorafgaande aan het ongeval. (…) De hijskraan wordt door iedereen daar gebruikt. (…) Het is een veel gebruikt object en het was moeilijk om de kraan te bemachtigen. De voorman had er voor gezorgd dat wij uitsluitend de beschikking hadden over de kraan met de bak omdat wij dus moesten opschieten. De voorman heette [naam meewerkend voorman] . Ik weet zijn achternaam niet. Die bak is noodzakelijk omdat grote materialen niet in de lift passen. (…) Om de kraan te kunnen bedienen moet je een bepaald certificaat hebben. Als steigerbouwer heb je dat certificaat niet nodig. Dat certificaat heb ik niet en er is mij nooit gevraagd of ik dat certificaat had. (…)

 

Ik heb eerst de lange materialen van ongeveer 6 meter naar beneden gestuurd. Daarna ben ik met de bak gaan werken. De aller langste materialen passen namelijk niet in de bak. Je moet ze verticaal naar beneden hijsen. Daarna ben ik kleinere materialen gaan hijsen. De hele kleine materialen gingen met de lift. (…)

 

Bij de Suikerunie hebben we geen ‘toolbox-meeting’ gehad waarbij wij wegwijs gemaakt worden op de locatie. Er is ook niet gezegd dat ik niet met de hijskraan mocht werken. Hetzij Bilfinger, hetzij Suikerunie, had mij hier toch op kunnen wijzen. (…)

 

U vraagt mij of het allemaal ook met de lift had gekund. Het moest van de voorman met de kraan. (…)”

 

[naam persoon 3] (hierna: [naam persoon 3] ) heeft, op 13 maart 2017, als getuige voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“Ik ken de heer [eiser] al langer en heb met hem samengewerkt als steigerbouwer. Ik was ten tijde van het ongeval (…) ook bij de suikerunie te werk gesteld. (…). Er was een hijskraan met een afstandsbediening die wij allemaal gebruikten. Het klopt dat je voor het gebruiken van de hijskraan een certificaat nodig hebt. Niemand vraagt je er naar. Ik heb er ook geen. Ik bedien de hijskraan ook. (…) Voor grote klussen komt er bij BIS iemand met een certificaat de hijskraan bedienen. Voor het kleine werk is dat niet zo. (…)

 

Bij de Suikerunie hadden we de eerste dag een uitlegfilm over de veiligheid in de fabriek. Er was niets over hijskranen. Er zitten ook liften in het gebouw. Je mag de liften niet gebruiken. Het materiaal moet met de hijskraan. De lift wordt door mensen gebruikt. Grote stukken kunnen niet in de lift vervoerd worden. Het is verboden om in de liften materiaal te vervoeren. Ook kleine stukken.(…)”

 

[naam persoon 4] (hierna: [naam persoon 4] ) heeft, op 6 november 2017, voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“(…) Ik heb het ongeval niet zien gebeuren. Ik werkte op dat moment niet meer op de locatie. Ik was een aantal weken voor het incident gestopt met werken. (…). Ik heb er ongeveer 2 weken gewerkt, misschien iets langer. Ik werkte ook met steigers. (…) Wij werkte zowel binnen als buiten. Er was een Turkse voorman die [naam meewerkend voorman] werd genoemd. (…) Ik ben er niet lang gebleven want ik vond het onveilig werken. (…) U laat mij nu de foto’s zien. Ik moet zeggen dat ik het vaag herken. Het is erg lang geleden en ik heb op verschillende plekken gewerkt, ook buiten. U wijst mij op een haak aan rails waarmee goederen vervoerd zouden zijn. Dat zegt mij niks. U laat mij een foto zien van de lift, die herken ik. Met die lift heb ik één keer materialen afkomstig van de steiger naar beneden vervoerd. (…) Ik heb buiten meegemaakt dat zij materialen van boven naar beneden lieten vallen. Dat ging bewust om het sneller te laten verlopen. (…) [naam meewerkend voorman] gaf beknopt aanwijzingen. De heer [eiser] was ervaren en hij wist hoe hij een steiger moest losmaken en bouwen. [naam meewerkend voorman] zei gewoon welke steiger moest worden losgemaakt en dan deden wij dat. Hij gaf niet veel nadere informatie of aanwijzingen. (…). Ik ben gestopt met werken op deze locatie vanwege het gooien. (…) [naam meewerkend voorman] gaf aanwijzingen en ging toen rondlopen. Af en toe zag je hem en aan het einde van het werk kwam hij weer tevoorschijn. Hij hield voor zover ik kon nagaan geen toezicht over de werkzaamheden. (…)”

 

[naam zoon eiser] (zoon van [eiser] ) heeft, op 6 november 2017, voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“(…) Ik was net als mij vader (…) werkzaam bij de Suikerunie (…) toen het ongeval plaatsvond. (…) We hadden een bak vol steigermateriaal dat naar beneden moest. Een hoop hebben wij via de lift vervoerd maar stukken die er niet in pasten hebben wij met de hangkraan vervoerd. Er waren spanten van 6 meter die niet in de lift konden. (…). [naam meewerkend voorman] , de voorman had ons opgedragen het steigermateriaal dat boven lag zo snel mogelijk naar beneden te brengen. Hij is toen niet zelf met ons meegegaan om naar de materialen te kijken. Hij heeft niet gezegd hoe de goederen naar beneden moesten worden vervoerd alleen dat het zo snel mogelijk moest. Ik weet niet of de hangkraan door ons bediend mocht worden maar ik heb wel gezien dat het elke dag gebruikt werd. Ik heb gezien dat mijn vader het eerder gebruikt heeft. (…) Ik heb ongeveer één week bij de Suikeruni gewerkt en heb niet één toolbox meegemaakt.

 

(…) Mijn vader werkte al zijn hele leven in de steigerbouw en was niet zo bang dat er wat zou gebeuren. [naam meewerkend voorman] was bang voor zijn veiligheid. (…) Ik heb van [naam meewerkend voorman] nooit instructies gekregen. Hij zei welke steiger wij moesten losmaken en hij kwam om de 2 uur even kijken. (…)”

 

[naam bedrijfsleider] (hierna: [naam bedrijfsleider] ) heeft, op 28 mei 2018, voor zover van belang het volgende verklaard:

 

“Ik werk al vele jaren bij Bilfinger en ik werkte er al toen het bedrijfsongeval van de heer [eiser] plaatsvond. (…) Ik heb geen materialen gezien, behalve het rek, daarvan heb ik begrepen dat het met de lift naar beneden had gemoeten maar dat anders is besloten. (…) Dat het met de lift had gemoeten heb ik van de voorman begrepen. (…).

 

Ik ben op dezelfde dag nog naar het ziekhuis in Roosendaal gereden (…) De heer [naam uitvoerder] , die ook Turks is, reed in zijn auto mee. Wij hebben samen met de zoon van de heer [eiser] met de heer [eiser] gesproken. De heer [eiser] sr . heeft toen verklaard dat hij de waarheid wilde zeggen en dat hij op eigen initiatief de kraan had gebruikt. Ik vroeg in het Nederlands aan de heer [eiser] , die ook Nederlands spreekt, wat er was gebeurd en toen zei hij dat. (…) Mijn conclusie is dat hij toen gezegd heeft dat het zijn eigen schuld was. Hij weet natuurlijk dat hij niet met de kraan mag werken zonder een certificaat. (…)”

 

3.Het geschil

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Bilfinger op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is voor alle door [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval van 21 augustus 2014 geleden en te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Bilfinger in de proceskosten.

 

3.2

Aan de vordering heeft [eiser] naast de vaststaande feiten, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

 

Als gevolg van het bedrijfsongeval dat op 21 augustus 2014 heeft plaatsgevonden heeft [eiser] letsel opgelopen. Bilfinger is voor de schade die [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval heeft geleden aansprakelijk omdat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. In de gegeven omstandigheden is onvoldoende instructie gegeven inzake de te verrichten werkzaamheden en ook is onvoldoende gedaan om te controleren of de instructies werden opgevolgd. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van [naam meewerkend voorman] en [naam persoon 4] . [naam meewerkend voorman] , destijds betrokken als voorman en in die hoedanigheid de eerste verantwoordelijke voor het aansturen van het team van steigerbouwers met [eiser] als aanvoerder van dat team, wist dat [eiser] een ‘eigenwijze man’ was dat bovendien zijn zoon in het team zat (en welke zoon spreekt zijn vader tegen) en geeft ook toe dat hij niet steeds duidelijk maakte dat er geen gebruik gemaakt mocht worden van de kraan waarmee het ongeval is gebeurd. De formulering van [naam meewerkend voorman] bevestigt impliciet dat hij bekend was met de neiging van steigerbouwers om toch dat te doen wat eigenlijk niet mocht: ‘spelen’ met de kraan. [naam meewerkend voorman] heeft als getuige verklaard dat hij tegen de bouwers zei: geen gekke dingen doen, juist omdat het misschien leuk was om met de kraan te werken. [naam persoon 4] heeft als getuige verklaard dat [naam meewerkend voorman] ‘heel beknopt’ instructies gaf en geen toezicht hield op de uitvoer van de opgedragen werkzaamheden. Ook bevestigt [naam persoon 4] dat er soms risico’s werden genomen die onverantwoord waren en dat de voorman daar niet op ingreep of althans onvoldoende deed om te bevorderen dat er veilig werd gewerkt.

 

De belangrijkste schadepost van [eiser] is het verlies aan verdienvermogen. [eiser] heeft sinds het ongeval geen loonvormende arbeid meer kunnen verrichten omdat zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid langzaam aan is verslechterd. Het inkomen dat [eiser] sinds het ongeval heeft, een WIA uitkering, is duidelijk lager dan het inkomen dat hij zonder het ongeval had kunnen verwerven.

 

3.3

Bilfinger heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en heeft daartoe naast de vaststaande feiten, samengevat, het volgende aangevoerd.

 

Primair stelt Bilfinger dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht.

 

Ten eerste blijkt uit de brief van 28 oktober 2014 van de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW dat hij geen schending van de zorgplicht heeft vastgesteld en de arbeidsinspecteur evenmin aanleiding heeft gezien een boete op te leggen of nader onderzoek in te stellen.

In de tweede plaats staat bij Bilfinger de leus “Werk veilig of werk niet” voorop. Hetgeen is vormgegeven in een robuust en gestructureerd veiligheidssysteem waarvan onder meer RI&E, HSEQ alerts, toolboxmeetings, veiligheidsregels, persoonlijke beschermingsmiddelen en controles onderdeel zijn.

 

In de onderhavige kwestie zijn volgens Bilfinger de volgende instructies van belang. Aan alle nieuwe en ingeleende steigerbouwers wordt een Veilig Werk Verklaring Steigerbouw uitgelegd, waarna de werknemer wordt gevraagd deze te ondertekenen. Aan [eiser] is deze verklaring op 6 augustus 2015 uitgereikt en uitgelegd. In deze verklaring is onder meer de bepaling opgenomen dat werknemer niet zal overgaan tot het onbevoegd uitvoeren van taken of het bedienen van bedrijfsinstallaties, machines en werktuigen. Voorts wordt aan alle medewerkers die voor het eerst op de locatie Suikerunie werken een instructie gegeven over de werkzaamheden op het terrein en de veiligheidsvoorschriften die daarbij in acht moeten worden genomen. Deze instructie heeft [eiser] op 6 augustus 2015 gekregen. Daarbij is ook specifiek aandacht besteed aan het onderwerp steigerbouw. Daarnaast is van belang dat [eiser] een ervaren steigerbouwer is en in het bezit is van het diploma VCA Basisveiligheid. In het lesboek van VCA is een apart deel over arbeidsmiddelen met een aparte paragraaf over hijsen. Daarin wordt benadrukt dat de vakbekwaamheid van degene die een hijswerktuig bedient door hem moet worden aangetoond door middel van een hijsbewijs. Uit de basisliteratuur voor het omgaan met machines is voor iedere VCA-gecertificeerde duidelijk wat de algemene risico’s zijn van het omgaan met machines en dat een hijswerktuig alleen bediend mag worden door degene die in het bezit is van de daarvoor vereiste papieren. Uit de verklaringen die zijn afgelegd blijkt dat [eiser] wist dat hij, nu hij geen hijsbewijs had, het hijstoestel niet mocht bedienen.

 

Voorts benadrukt Bilfinger dat de meewerkend voorman [naam meewerkend voorman] concrete aanwijzingen heeft gegeven over de werkzaamheden en ook toezicht heeft gehouden op de uitvoer daarvan. Dit blijkt volgens Bilfinger uit de verschillende verklaringen die van [naam meewerkend voorman] in het geding zijn gebracht en ook uit de verklaring van [naam persoon 1] en [naam bedrijfsleider] . [eiser] heeft zijn stelling dat onvoldoende instructie en toezicht is gehouden onderbouwd met de verklaringen van [naam zoon eiser] en [naam persoon 4] . Deze verklaringen zijn volgens Bilfinger echter ongeloofwaardig. Het was aan [eiser] niet toegestaan de hijskraan te gebruiken en daar is hij uitdrukkelijk op gewezen door [naam meewerkend voorman] . Daarnaast is ook via pictogrammen die in de schaftkeet hangen duidelijk dat een hijskraan alleen mag worden gebruikt door iemand die in het bezit is van een hijscertificaat. Voorts is volgens Bilfinger de verklaring van de getuige . [naam persoon 3] over het gebruik van de kraan en de lift opmerkelijk. Uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt dat de lift twee grote openslaande deuren heeft, dat de lift aan de binnenzijde diverse beschadigingen vertoont als gevolg van het vervoer van zware materialen en dat de lift mede in gebruik is als goederenlift. Dat [eiser] wist dat hij niet met de kraan mocht werken, blijkt ook uit hetgeen hij in het ziekenhuis tegen [naam meewerkend voorman] , [naam uitvoerder] en [naam bedrijfsleider] heeft gezegd en uit de verklaring van [naam persoon 1] .

 

Subsidiair stelt Bilfinger dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiser] omdat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] .

 

Tot slot acht Bilfinger het opmerkelijk dat [eiser] thans nog geen duidelijkheid over zijn schade kan geven en betwist Bilfinger dat er sprake is van een causaal verband tussen de schade en het ongeval. Nu [eiser] voorafgaand aan de werkzaamheden voor Bilfinger al last had van zijn rug, waardoor hij al één of twee maanden niet had gewerkt.

 

4.De beoordeling

4.1

Tussen partijen is in geschil de vraag of Bilfinger op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden en nog zal lijden als gevolg van het bedrijfsongeval dat hem op 21 augustus 2014 is overkomen. Ter zake geldt het volgende op de wet en de rechtspraak gebaseerde toetsingskader.

 

4.2

Artikel 7:658 lid 1 BW eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (zie onder meer HR 11 april 2008, NJ 2008, 465). Bilfinger is als inlenend werkgever van [eiser] op grond van artikel 7:658 lid 1 jo lid 4 BW gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Op grond van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW is de materiële werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt echter geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

4.3

Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast in het kader van artikel 7:658 BW wordt het volgende als uitgangspunt genomen voor de beoordeling:

 

 de werknemer dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook dient te bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is (zie onder meer HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432);

 

 indien komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen indien hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.

 

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op 21 augustus 2014 in de uitoefening van zijn werkzaamheden als steigerbouwer ingeleend door Bilfinger een ongeval is overkomen en als gevolg daarvan schade heeft geleden.

 

4.5

Het geschil tussen partijen gaat om de rechtsvraag of, aangenomen dat [eiser] , naar hij heeft betoogd, aan het bedrijfsongeval substantiële (letsel)schade heeft overgehouden, hij die op Bilfinger kan verhalen danwel dat die vordering, naar Bilfinger primair heeft betoogd, afstuit op het feit dat zij de op haar rustende zorgplicht jegens [eiser] is nagekomen.

 

4.6

Derhalve moet worden beoordeeld of Bilfinger de op haar rustende zorgplicht jegens [eiser] is nagekomen. Daarbij wordt vooropgesteld dat zij als werkgever op grond van artikel 7:658 BW die maatregelen moet nemen en die aanwijzingen moet geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Van een werkgever mag worden verlangd dat hij een hoge mate van zorg betracht, maar die vindt zijn grens in hetgeen redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

 

4.7

Naar vaste jurisprudentie geldt voor de omvang van de zorgplicht als uitgangspunt hetgeen op grond van regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt verwacht. Naast deze geschreven normen wordt de reikwijdte van deze zorgplicht ook bepaald door het ongeschreven recht, meer bepaald de zogeheten ‘Kelderluik-criteria’. Dit komt erop neer dat het antwoord op de vraag of de werkgever zijn zorgplicht is nagekomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten oplettendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van het nemen van maatregelen.

 

4.8

Vaststaat dat [eiser] als steigerbouwer samen met twee collega’s opdracht heeft gekregen om gedemonteerd steigermateriaal van de derde verdieping in een fabriekshal van de Suikerunie naar de begane grond te transporteren. Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden is gebruik gemaakt van de in de fabriekshal aanwezige (goederen)lift en voorts heeft [eiser] in ieder geval voor het laatste onderdeel gebruik gemaakt van de in de fabriekshal aanwezige (bovenloop)hijskraan. Niet in geschil is dat [eiser] bekend was met het feit dat voor het gebruik van een hijskraan vereist is dat de werknemer beschikt over een hijscertificaat en dat [eiser] niet over dat certificaat beschikt. Voorts is niet in geschil dat het ongeval gebeurd is, nadat [eiser] van de (bovenloop)hijskraan gebruik had gemaakt.

 

4.9

Volgens [eiser] heeft Bilfinger in de gegeven omstandigheden onvoldoende instructie gegeven inzake de te verrichten werkzaamheden en heeft Bilfinger ook onvoldoende gedaan om te controleren of de instructies op juiste wijze werden opgevolgd.

 

4.10

Bilfinger heeft gesteld, en met stukken onderbouwd, dat zij aan [eiser] als nieuwe ingeleende steigerbouwer op zijn eerste werkdag op de locatie van de Suikerunie een Veilig Werk Verklaring Steigerbouw heeft uitgelegd, dat [eiser] deze verklaring heeft ondertekend en dat in deze verklaring onder meer de bepaling is opgenomen dat [eiser] niet zal overgaan tot het onbevoegd uitvoeren van taken of het bedienen van bedrijfsinstallaties, machines en werktuigen. Aan de stelling van [eiser] dat het nog maar de vraag is in hoeverre hij deze in de Nederlandse taal opgeschreven verklaring ook heeft begrepen gaat de kantonrechter voorbij. Het had op de weg van [eiser] gelegen nader te concretiseren welke onderdelen van de verklaring voor hem niet duidelijk waren. Bovendien gaat het in onderhavige kwestie met name over het gebruik van de hijskraan, waarvan niet in geschil is dat [eiser] wist dat het zonder hijscertificaat niet was toegestaan om een hijskraan te gebruiken. Ook heeft Bilfinger erop gewezen dat [eiser] op zijn eerste werkdag de instructie nieuwe medewerkers voor de locatie Suikerunie heeft gekregen, waarbij aandacht is besteed aan diverse veiligheidsaspecten waaronder in ieder geval de veiligheidsvoorschriften steigerbouw. Voor zover [eiser] betwist dat hij deze instructie heeft gekregen, gaat de kantonrechter hieraan voorbij, nu uit de ondertekening van het document, dat als productie 11 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht, blijkt dat [eiser] , net als zijn zoon en [naam persoon 4] deze instructie op 6 augustus 2014 heeft gekregen. In rechte moet er daarom vanuit worden gegaan dat [eiser] op zijn eerste werkdag van Bilfinger veiligheidsinstructies heeft gekregen.

 

4.11

Daarnaast heeft Bilfinger benadrukt dat [eiser] in het bezit is van het diploma VCA Basisveiligheid en dat bij deze opleiding aandacht wordt besteed aan verschillende arbeidsmiddelen met onder meer een aparte paragraaf over hijsen waarin wordt benadrukt dat degene die een hijswerktuig wil bedienen moet beschikken over een hijsbewijs en ook wordt ingegaan op de gevaren bij het werken met een hijswerktuig, zoals het binnen de draaicirkel van de kraan door de last of de hijsmiddelen worden geraakt. [eiser] heeft dit niet weersproken, zodat uitgegaan wordt van de juistheid van de stellingen van Bilfinger op dit punt.

 

4.12

Onder verwijzing naar de verklaringen van [naam meewerkend voorman] , [naam persoon 1] , [naam bedrijfsleider] en [naam uitvoerder] heeft Bilfinger gesteld dat [eiser] voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden duidelijke instructies heeft gekregen en ook op de naleving werd gecontroleerd. [naam meewerkend voorman] heeft tegenover de arbeidsinspecteur onder meer verklaard “Ik heb heel duidelijk gezegd tegen [eiser] en zijn zoon — en — dat zij de materialen met de naastgelegen goederenlift naar beneden moesten brengen. Ik heb heel duidelijk gezegd dat zij de kraan niet mochten gebruiken. (…)Ik ben vlak voor het ongeval bij de twee jongens, — en — geweest. Dit was beneden, op de begane grond. Ik zag dat zij met een karretje steiger materiaal uit de lift reden. Ik dacht toen alles gaat prima, daarna ben ik verder gegaan met mijn werk elders in de fabriek. (…)”

 

Tijdens het getuigenverhoor heeft [naam meewerkend voorman] onder meer verklaard: “Op de bewuste dag gaf ik de opdracht aan dhr. [eiser] die met zijn zoon en nog iemand, [naam persoon 1] genaamd op de derde verdieping aan het werk waren. (…) Mijn opdracht luidde dat de materialen moesten worden opgeruimd en naar beneden moesten worden gebracht. (…) Het vervoer naar beneden moest gebeuren met de lift en niet met de kraan. Ik heb dat nog uitdrukkelijk erbij gezegd.”

 

Voorts heeft [naam meewerkend voorman] nog verklaard “Ik ben samen met [naam bedrijfsleider] naar het ziekenhuis gereden (…) Ik heb hem daar nog gesproken. Hij had pijn. Hij was een beetje aan het huilen. Hij zei toen dat het zijn eigen schuld was geweest en dat hij niet had geluisterd”.

 

[naam persoon 1] heeft tegenover de arbeidsinspecteur op de vraag hoe de werkzaamheden uitgevoerd moesten worden, geantwoord “Wij moesten het materiaal met de lift naar beneden brengen. (…) Ik heb hem twee keer gewaarschuwd dat hij de lift moest gebruiken, dat had — en — ook tegen hem gezegd. Daarna zijn zij weggegaan naar een andere locatie bij de Suiker Unie (…)”. Op de vraag of er toezicht was heeft [naam persoon 1] geantwoord: “Op het moment van het ongeval was er geen toezicht. Zowel de uitvoerder [naam uitvoerder] en [naam meewerkend voorman] kwamen af en toe langs om te kijken of wij de werkzaamheden goed uitvoerden.” Voorts heeft [naam persoon 1] tegenover de inspecteur verklaard dat het juist is dat tegen hen is gezegd dat de materialen met de goederenlift naar beneden moest worden gebracht en voorts dat duidelijk is gezegd dat de kraan niet mocht worden gebruikt.

 

[naam bedrijfsleider] heeft tijdens het getuigenverhoor onder meer verklaard: “De heer [eiser] sr. heeft toen verklaard dat hij de waarheid wilde zeggen en dat hij op eigen initiatief de kraan had gebruikt.” Voorts heeft [naam bedrijfsleider] verklaard “De taak van meewerkend voorman [naam meewerkend voorman] was ervoor zorgen dat het opbouwen en afbreken van de steigers volgens plan ging. Hij hoeft er niet de hele tijd bij te staan. Dat kan ook niet want hij heeft meerdere ploegjes aan het werk en loopt dus heen en weer.”

 

[naam uitvoerder] heeft in het kader van het onderzoek dat Bilfinger zelf heeft gedaan onder meer verklaard “Na afloop van de werkdag ben ik met [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider Bilfinger) naar het ziekenhuis in Roosendaal gegaan. Ik heb in het ziekenhuis met het slachtoffer gesproken (in het Turks). Het SO zei het volgende: “ik heb een fout gemaakt daar ga ik niet om liegen, liegen heb ik vroeger al genoeg gedaan, ik heb niet geluisterd naar [naam meewerkend voorman] , die heeft mij verteld dat het materiaal met de lift naar beneden moest worden gebracht, ik heb het met de kraan gedaan.”

 

Gelet op deze verklaringen in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op de conclusie van de arbeidsinspecteur zoals opgenomen in de brief van 28 oktober 2014, en het feit dat [eiser] op zijn eerste dag op de locatie van de Suikerunie veiligheidsinstructies heeft gekregen is de kantonrechter van oordeel dat Bilfinger voorafgaande aan de werkzaamheden voldoende instructie heeft gegeven en ook voldoende toezicht heeft gehouden.

 

4.13

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat onvoldoende instructie is gegeven en toezicht is gehouden verwezen naar de getuigenverklaringen van [naam persoon 3] , [naam persoon 4] en zijn zoon. Hoewel [naam persoon 3] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard “Er was een hijskraan met een afstandsbediening die wij allemaal gebruikten. Het klopt dat je (…) een certificaat nodig hebt. Niemand vraagt je er naar. Ik heb er ook geen. Ik bedien de hijskraan ook.” heeft hij ook verklaard “Je mag de liften niet gebruiken. Het materiaal moet met de hijskraan. De lift wordt door mensen gebruikt.”. Dat laatste deel van de verklaring is niet te rijmen met de verklaringen van zowel [eiser] zelf, zijn zoon alsmede de verklaring van [naam persoon 4] . Zij hebben immers te kennen gegeven dat zij voor het vervoer van steigermateriaal gebruik hebben gemaakt van de lift en alleen voor grote onderdelen van de steiger de kraan hebben gebruikt. Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam persoon 3] kan daarom worden getwijfeld. Nog daargelaten dat uit de verklaring van [naam persoon 3] afgeleid kan worden dat blijkbaar door onbevoegden van de hijskraan gebruik werd gemaakt, kan op basis van zijn verklaring niet worden vastgesteld dat [naam meewerkend voorman] toen hij de opdracht gaf om het steigermateriaal naar beneden te transporteren niet de instructie heeft gegeven om het steigermateriaal met de lift te vervoeren. Ook aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van de zoon van [eiser] kan worden getwijfeld. Weliswaar heeft hij net als [naam persoon 3] verklaard dat hij heeft gezien dat de kraan elke dag gebruikt werd en dat hij ook heeft gezien dat zijn vader de kraan eerder had gebruikt, maar hij heeft ook verklaard: “ik heb ongeveer één week bij de Suikerunie gewerkt en heb niet één tool box meegemaakt.” terwijl uit de ondertekening van het document dat als productie 11 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht blijkt dat ook hij op zijn eerste dag een veiligheidsinstructie heeft gekregen. Overigens kan uit de verklaring dat ‘de kraan elke dag werd gebruikt’ niet worden afgeleid dat dat dagelijkse gebruik waarover de zoon van [eiser] verklaart, onbevoegd was. Immers, zowel Bilfinger als de Suikerunie hadden destijds zelf een werknemer in dienst die beschikte over een hijsbewijs en zoals door verschillende getuigen is verklaard deze werknemers werden ingeschakeld om de benodigde werkzaamheden met de kraan uit te voeren. Uit de getuigenverklaring van [naam persoon 4] blijkt dat hij ongeveer twee weken op de locatie Suikerunie heeft gewerkt en dat hij een en ander vaag herkent. Zijn verklaring “ [naam meewerkend voorman] gaf beknopt aanwijzingen (…) [naam meewerkend voorman] gaf aanwijzingen en ging toen rondlopen. Af en toe zag je hem (…) Hij hield voor zover ik kon nagaan geen toezicht over de werkzaamheden.” overtuigt daarom geenszins. Naar het oordeel van de kantonrechter leggen voornoemde verklaringen aldus onvoldoende gewicht in de schaal om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [naam meewerkend voorman] , [naam persoon 1] , [naam bedrijfsleider] en [naam uitvoerder] .

 

4.14

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat Bilfinger specifiekere instructies had moeten geven en meer toezicht op hem had moeten houden omdat zij wist dat hij een eigenwijze man was. Bilfinger heeft dit bestreden en aangevoerd dat [eiser] als ervaren steigerbouwer heel goed wist wat hij deed, de instructies begreep en dat [eiser] direct is aangesproken als hij regels niet naleefde. De kantonrechter overweegt dat de verantwoordelijkheid voor het geven van duidelijke instructies en het houden van toezicht bij Bilfinger ligt. Gelet op de verklaringen van [naam meewerkend voorman] en [naam persoon 1] heeft Bilfinger voldoende specifieke instructies gegeven en voldoende toezicht gehouden. De verantwoordelijkheid tot het houden van toezicht gaat in dit geval niet zo ver dat van Bilfinger kon worden verlangd dat zij, nadat zij opdracht had gegeven om steigermateriaal met de lift naar beneden te transporteren, continue toezicht hield om te controleren of [eiser] daadwerkelijk uitsluitend gebruik maakte van de lift.

 

4.15

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat Bilfinger ten aanzien van de hijskraan voorzorgsmaatregelen had moeten treffen bestaande uit het onbruikbaar maken of uitzetten van de hijskraan danwel het weghalen of uitzetten van de afstandsbediening zodat werknemers zonder hijsbewijs geen gebruik van de hijskraan zouden kunnen maken. Bilfinger heeft bestreden dat een dergelijke verplichting op haar rust en dat zij in dit geval ook niet de eigenaar van de hijskraan is en aldus ook niet bevoegd was om de hijskraan uit te zetten, onbruikbaar te maken of de afstandsbediening weg te halen en of uit te zetten.

 

De kantonrechter overweegt dat op de werkgever de verplichting rust voorzorgsmaatregelen te treffen, maar dat deze verplichting in dit geval niet zo ver strekt als door [eiser] is betoogd. Een werknemer die de opleiding VCA Basisveiligheid heeft afgerond weet dat hij zonder hijsbewijs geen hijskraan mag bedienen. Hetgeen een duidelijke regel is: ‘heb je geen hijsbewijs dan bedien je geen hijskraan’. Bilfinger heeft [eiser] op zijn eerste werkdag via de veiligheidsinstructies nogmaals gewezen op deze bij hem reeds bekende regel, door nogmaals te benadrukken dat het niet is toegestaan onbevoegd gebruik te maken van werktuigen, machines en bedrijfsinstallaties. Bovendien is door [eiser] niet betwist dat in de schaftkeet op de locatie waar hij aan het werk was met pictogrammen hiervoor nogmaals aandacht werd gevraagd. Daarmee heeft Bilfinger voldaan aan de op haar rustende verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen en mocht Bilfinger ook verwachten dat [eiser] zich aan deze regel zou houden. Het onbruikbaar maken of uitzetten van de hijskraan danwel het weghalen of uitzetten van de afstandsbediening zou bovendien praktisch gezien onmogelijk zijn, nu zoals door [eiser] zelf is aangevoerd de hijskraan ook door veel andere niet Bilfinger werknemers werd gebruikt.

 

4.16

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog gewezen op een tweetal arresten van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2017 en 2 april 2019. Bij gebreke van een nadere toelichting van de zijde van [eiser] vormen die uitspraken voor de kantonrechter geen aanleiding anders te oordelen dan hiervoor vermeld.

 

4.17

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot de conclusie dat Bilfinger heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Het beroep van [eiser] op artikel 7:658 BW slaagt dan ook niet, zodat zijn vordering afgewezen dient te worden.

 

4.18

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bilfinger worden begroot op € 1.119 aan salaris voor de gemachtigde (3 salarispunten van € 373,- per punt).

 

5.De beslissing

De kantonrechter:

 

wijst de vordering af;

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bilfinger vastgesteld op € 1.119,- aan salaris voor de gemachtigde;

 

verklaart dit vonnis, wat de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

 

754

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey