Rechtbank: causaal verband kan niet worden aangenomen. Nader deskundigenonderzoek noodzakelijk.

Samenvatting:

Verzoeker botste met zijn scooter tegen verweerder die op zijn fiets reed en zonder zijn hand uit te steken linksaf sloeg. Hierdoor zijn verweerder en verzoeker ten val gekomen. Partijen zijn overeengekomen dat de verzekeraar van verweerder 75% van de schade van verzoeker als gevolg van het ongeval draagt. In deze procedure bestaat er discussie over het causaal verband tussen de knieklachten van verzoeker en het ongeval, de hoogte van de schade en de buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank stelt vast dat er geen causaal verband kan worden aangenomen. Het standpunt van de medisch adviseur van de verzekeraar en het standpunt van de medisch adviseur van verzoeker staan namelijk haaks op elkaar. Het lag daarom in de rede eerst een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. Omdat er geen causaal verband kan worden aangenomen zijn er ook onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om voldoende aannemelijk te achten dat de schade van verzoeker de aan hem verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek tot nadere bevoorschotting wordt afgewezen. De vorder tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt wel toegewezen, nu de rechtbank aanneemt dat de schadeafwikkeling gecompliceerd was.

ECLI:NL:RBDHA:2023:9108

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-06-2023
Datum publicatie 19-07-2023
Zaaknummer C/09/642830 / HA RK 23-61
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Beschikking

deelgeschil – letsel na verkeersongeval – causaal verband? – nader

deskundigenonderzoek noodzakelijk – nadere bevoorschotting schade afgewezen nadere bevoorschotting BGK toegewezen – kosten deelgeschilprocedure

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2023-0365

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/642830 / HA RK 23-61

Beschikking van 22 juni 2023

in de zaak van

[verzoeker] te [plaats], verzoeker, advocaat: mr. D.J. Ladrak te Warmond, tegen

1 [verweerder 1] te [plaats],

  1. ASR SCHADEVERZEKERING N.V. te Utrecht, verweerders, advocaat: mr. H. Boone te Ermelo.

Verzoeker wordt hierna [verzoeker] genoemd. Verweerders worden respectievelijk [verweerder 1] en ASR genoemd.

  • Inleiding: waar gaat deze zaak over?
    • [verzoeker] is op 6 oktober 2020 in Leiden betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij reed op zijn scooter achter [verweerder 1] die op zijn fiets reed. Zij reden in dezelfde richting. [verweerder 1] sloeg op een gegeven moment linksaf zonder zijn hand uit te steken. Hierdoor botste [verzoeker] tegen de afslaande [verweerder 1] aan waarna [verzoeker] en [verweerder 1] ten val zijn gekomen. [verzoeker] heeft hierbij letsel opgelopen. Partijen zijn het erover eens dat ASR, als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder 1], 75% van de schade van [verzoeker] draagt. Tussen partijen bestaat nu discussie of de knieklachten van [verzoeker] het gevolg zijn van het ongeval. Daarnaast verschillen partijen van mening over de hoogte van de schade en over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten.
    • De beschikking is als volgt opgebouwd. De rechtbank bespreekt eerst welke stukken door partijen zijn ingediend en hoe de procedure is verlopen. Dan volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn en waar partijen het over eens zijn. Daarna volgt een opsomming van de verzoeken die [verzoeker] heeft gedaan en de juridische argumenten die hij daarvoor gebruikt, gevolgd door een beoordeling van die argumenten en van de verzoeken. De beschikking wordt afgesloten met de beslissing op de verzoeken.
  • De procedure
    • De rechtbank heeft de volgende stukken van partijen ontvangen:
      • het verzoekschrift, ingekomen op 15 februari 2023, met producties 1 tot en met 25;
      • het verweerschrift met producties 1 tot en met 14;
      • het e-mailbericht van 9 mei 2023 van de zijde van [verzoeker], met producties 26 tot en met 29; – het e-mailbericht van 10 mei 2023 van de zijde van [verweerder 1] en ASR, met productie 15.
    • Op 11 mei 2023 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:
      • [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Ladrak voornoemd en zijn dochter [naam 1]; – namens [verweerder 1] en ASR: mevrouw [naam 2] (letselschadebehandelaar), bijgestaan door mr. Boone voornoemd.
    • Ten slotte is een datum voor het geven van een beschikking bepaald.
  • De feiten
    • [verzoeker] is op 6 oktober 2020 in Leiden betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij reed op zijn scooter achter [verweerder 1] die op zijn fiets reed. Zij reden in dezelfde richting. [verweerder 1] sloeg op een gegeven moment linksaf zonder zijn hand uit te steken. Hierdoor botste [verzoeker] tegen de afslaande [verweerder 1] aan waarna [verzoeker] en [verweerder 1] ten val zijn gekomen. [verzoeker] heeft hierbij letsel opgelopen.
    • ASR heeft, als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder 1], aangegeven 75% van de schade van [verzoeker] te willen vergoeden. Hierbij heeft zij een beroep gedaan op 25% eigen schuld aan de kant van [verzoeker]. [verzoeker] heeft hierin berust.
    • [verzoeker] heeft drie klachten tegen de afwikkeling van de schade door ASR ingediend.
    • ASR heeft tot op heden in totaal € 13.653,78 aan voorschotten aan [verzoeker] betaald: een bedrag van € 7.000 als voorschot op de persoonlijke schade en een bedrag van € 6.653,78 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.
    • [verzoeker] heeft op 24 augustus 2021 opnieuw een ongeval met zijn scooter gehad, dit keer betrof het een eenzijdig ongeval.
  • Het geschil
    • [verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
      1. te bepalen dat bij de verdere schaderegeling als uitgangspunt heeft te gelden dat [verzoeker] door het ongeval een getraumatiseerde gonartrose van de rechterknie heeft opgelopen;
      2. ASR te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot op de schade van € 10.000;
      3. ASR te veroordelen tot betaling van aanvullende buitengerechtelijke kosten ten bedrage van €

7.344,24;

  1. de kosten van de procedure te begroten op het bedrag dat volgt uit de als productie 29 overgelegde declaratie.
  • [verweerder 1] en ASR voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de verzoeken.
  • Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
  • De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure

5.1. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de verzoeken zich lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv.

5.2. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid om in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschil moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief

af te ronden.

Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter steeds van geval tot geval te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Aldus moet de investering in tijd, geld en moeite worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. In het algemeen zal de aard van deze procedure zich daarom verzetten tegen (uitvoerige) bewijsvoering.

5.3. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat geschillen over het causaal verband tussen ongeval en schade en aanvullende bevoorschotting in een deelgeschilprocedure aan de orde kunnen komen. ASR heeft erop gewezen dat het causaal verband tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval nog niet vast staat en dat er onderzoek door een onafhankelijke deskundige nodig is om dat verder te kunnen beoordelen. Daarover is nog onvoldoende overleg geweest om van een patstelling in de onderhandelingen te kunnen spreken en als partijen daar onderling niet uitkomen kan daarover een beslissing worden gevraagd in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht.

5.4. De rechtbank is het met ASR eens dat [verzoeker] zijn stelling dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en zijn klachten niet voldoende heeft onderbouwd. De door hem ingeschakelde medisch adviseur heeft een ander standpunt ingenomen over het bedoelde causaal verband dan de medisch adviseur van ASR en bij die stand van zaken ligt het in de rede dat een onafhankelijke (medisch) deskundige onderzoek doet en daarover een rapport uitbrengt. Als partijen het onderling niet eens kunnen worden over de vraag wat voor soort arts als deskundige moet worden gevraagd, wie dat moet zijn en welke vragen moeten worden voorgelegd, dan kan daarvoor een verzoek worden ingediend bij de rechtbank. In de wet is daarvoor een specifieke regeling opgenomen. Een deelgeschilprocedure is daar niet voor bedoeld. [verzoeker] vordert weliswaar in deze zaak niet dat de rechtbank een deskundige benoemt, maar dat is in de gegeven omstandigheden wel de weg die hij zou moeten bewandelen als hij daarover met ASR niet tot overeenstemming kan komen. Dat hij in de eerste plaats vordert dat een uitspraak wordt gedaan over het causaal verband tussen het ongeval en zijn klachten maakt dat niet anders. [verzoeker] wordt bijgestaan door een ervaren advocaat en dat bij deze stand van zaken niet zonder meer een uitspraak wordt gedaan over causaal verband en eerst deskundigenonderzoek moet plaatsvinden is gebruikelijk en zozeer voorzienbaar dat dit hem ervan had moeten weerhouden om de verzoeken op dit punt in deze vorm in een deelgeschil voor te leggen. De rechtbank zal hieronder eerst nog verder ingaan op het partijdebat over het causaal verband en vervolgens op de verzoeken met betrekking tot verdere bevoorschotting en de (verdere) vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Causaal verband ongeval en knieklachten

5.5. Partijen verschillen van mening over de vraag welke schade ten gevolge van het ongeval voor [verzoeker] is ontstaan. Met name bestaat discussie over het antwoord op de vraag of een latente artrose aan de rechterknie van [verzoeker] symptomatisch is geworden door het ongeval, zoals [verzoeker] stelt. Als uitgangspunt geldt dat [verzoeker] moet stellen en (zo nodig) moet bewijzen dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de door hem gestelde klachten (en daaruit voortvloeiende schade).

5.6. [verzoeker] stelt dat hij thans forse knieklachten heeft waardoor hij niet of nauwelijks in staat is om normaal te functioneren en zonder krukken te lopen. [verzoeker] stelt dat de klachten direct na het ongeval zijn ontstaan en daardoor ook kunnen zijn veroorzaakt. Hij wijst daarbij op het advies van zijn medisch adviseur.

5.7. ASR stelt zich op het standpunt dat op basis van de op dit moment beschikbare informatie geen causaal verband kan worden aangenomen tussen de door [verzoeker] gepresenteerde klachten

en het ongeval. Er is sprake van uitgebreide pre-existente factoren, waaronder schouder- en knieklachten voor het ongeval. Daarnaast komt de informatie van de orthopedisch chirurg (dat [verzoeker] na het ongeval niet meer zonder krukken kon lopen) niet overeen met de waarnemingen van de neuroloog na het tweede ongeval dat sprake is van een normaal looppatroon. Volgens ASR is een onafhankelijke medische expertise nodig om de causaliteitsvraag te kunnen beantwoorden

5.8. Zoals hiervoor al opgemerkt kan op basis van de beschikbare (medische) stukken, waaronder de informatie van de behandelend orthopeed en de verschillende medische adviezen, geen causaal verband worden aangenomen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] te bepalen dat bij de verdere schaderegeling als uitgangspunt heeft te gelden dat hij door het ongeval een getraumatiseerde gonartrose van de rechterknie heeft opgelopen, niet kan worden toegewezen.

Nadere bevoorschotting op de schade

5.9. Voor toewijzing van een nader voorschot op de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade moet voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het ongeval en dat de omvang van de daaraan toe te rekenen schade de reeds door ASR verstrekte voorschotten te boven gaat. Verder moet in de afweging van de belangen van partijen de vraag naar het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling worden betrokken. Dit risico kan bijdragen tot weigering van het voorschot.

5.10. Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat zij op basis van de op dit moment beschikbare (medische) stukken geen causaal verband kan aannemen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Dit betekent dat er evenmin voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om voldoende aannemelijk te achten dat de schade van [verzoeker] de al aan hem verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek tot nadere bevoorschotting op de schade zal daarom worden afgewezen.

Verdere bevoorschotting buitengerechtelijke kosten

5.11. [verzoeker] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. ASR is van mening dat het reeds op de buitengerechtelijke kosten betaalde voorschot volstaat. Zij voert hiertoe onder meer aan dat de zaak tot op heden niet erg complex of bewerkelijk is geweest. Voorts meent ASR dat het uurtarief van € 245 niet redelijk en niet marktconform is. Een uurtarief van € 220 acht zij adequaat. Tot slot stelt ASR dat met kantoorkosten geen rekening mag worden gehouden, omdat deze kosten door digitalisering relatief beperkt zijn.

5.12. Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Of buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit houdt in dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk moet zijn en ook dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de behandeling van de zaak.

5.13. Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets is onder meer van belang de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook als uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan. Verder is van belang dat ook in relatief eenvoudige zaken of in zaken met een

(vaak pas achteraf vast te stellen) relatief gering (financieel) belang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd moeten worden.

5.14. Nu nog onduidelijk is of en zo ja welke schade ASR dient te vergoeden en de schadeafhandeling nog niet tot een einde is gekomen, is een vaststelling van een deel van de buitengerechtelijke kosten in het licht van het toetsingskader in dit stadium nog niet mogelijk. De rechtbank kan slechts beoordelen of de verzekeraar gehouden is tot aanvullende bevoorschotting.

5.15. De rechtbank stelt voorop dat ASR in deze kwestie reeds een bedrag van € 6.653,78 aan buitengerechtelijke kosten heeft vergoed. Dat is een substantieel bedrag, maar dit betekent nog niet dat in dit stadium geen aanspraak op verdere vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten kan bestaan.

5.16. Uit de bij het verzoekschrift overgelegde nota’s blijkt dat mr. Ladrak in de periode van oktober 2020 tot en met november 2022 in totaal 43,2 uren aan deze kwestie heeft besteed. Deze tijdsbesteding lijkt wellicht fors, afgezet tegen de complexiteit van deze kwestie, maar in deze zaak zijn er omstandigheden aangevoerd die de afwikkeling van de schade compliceren, waaronder de moeilijke communicatie met [verzoeker], en daarnaast is gebleken dat de opstelling van ASR tot extra werkzaamheden van mr. Ladrak heeft geleid, waaronder het voeren van drie klachtenprocedures, waarbij [verzoeker] deels in het gelijk is gesteld. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de vraag of aanvullende bevoorschotting aan de orde coulancehalve uitgaan van de door mr. Ladrak opgegeven tijdsbesteding en uurtarief. Tevens gaat de rechtbank uit van de kosten van inwinning van medische informatie van € 153,78 (verschotten onbelast) en de kosten van medisch advies van in totaal € 540 te vermeerderen met 21% btw (verschotten belast hoog). De rechtbank ziet echter geen aanleiding om rekening te houden met kantoorkosten, nu deze worden geacht te zijn begrepen in het uurtarief.

5.17. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van een totaalbedrag aan tot op heden gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 13.613,82. Nu ASR voor 75% aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade van [verzoeker], dient te worden uitgegaan van een bedrag van € 10.210,37. Omdat ASR reeds een bedrag van € 6.653,87 aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald, ziet de rechtbank aanleiding ASR te veroordelen tot betaling van een nader voorschot van € 3.000 in verband met reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten.

5.18. Partijen beschikken nog niet over een onafhankelijke medische beoordeling en zij zijn het er beiden over eens dat – in geval het causaal verband tussen het ongeval en de klachten nog niet vaststaat – een of meer medische expertises moeten plaatsvinden. Omdat van de zijde van [verzoeker] hiervoor ook buitengerechtelijke kosten zullen moeten worden gemaakt, zal de rechtbank ASR tevens veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot op de buitengerechtelijke kosten van € 2.000 in verband met hiermee te maken kosten.

Kosten deelgeschil

5.19. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt begroot. Ook hierbij wordt de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet eveneens redelijk zijn.

5.20. [verzoeker] heeft de kosten van dit deelgeschil begroot op € 5.561,17 in totaal. Hij gaat daarbij uit van een tijdsbesteding van 17 uur en 42 minuten tegen een uurtarief van € 245 exclusief btw en te vermeerderen met een bedrag van € 314 aan griffierecht.

5.21. Primair meent ASR dat er geen plaats is voor begroting van de kosten van deze procedure. Het inbrengen van het volledige geschil is immers in strijd met het doel van de deelgeschilprocedure. ASR maakt verder ook bezwaar tegen deze kostenopgave. Volgens haar moet het aantal aan de zaak bestede uren worden gematigd tot 16 uur. Hiertoe stelt zij dat de zaak niet zodanig complex is dat deze een ruimere tijdsbesteding rechtvaardigt. Daarnaast acht ASR een uurtarief van € 220 meer dan redelijk.

5.22. Nu het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten deels wordt toegewezen, kan niet worden gesteld dat deze procedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank zal de kosten dan ook in redelijkheid begroten.

5.23. Mede gelet op de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat deze wordt behandeld door een advocaat met expertise op het gebied van letselschade, acht de rechtbank de door de advocaat van [verzoeker] opgegeven tijdsbesteding vrij fors. De rechtbank acht het, uitgaande van een uurtarief van € 245 redelijk om het aantal aan de zaak bestede uren te matigen tot 15 uur. Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet bovenmatig.

5.24. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 4.760,75 (15 uur x € 245 te vermeerderen met 21% btw en met het betaalde griffierecht van € 314).

5.25. Aangezien ASR voor 75% aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden, zal ASR worden veroordeeld tot betaling van 75% van het hiervoor begrote bedrag, oftewel een bedrag van € 3.570,56.

  • De beslissing De rechtbank:
    • veroordeelt ASR tot betaling van € 5.000 als aanvullend voorschot ter zake buitengerechtelijke kosten van [verzoeker] mede ten behoeve van een te starten medische expertise;
    • begroot de kosten van deze deelgeschilprocedure aan de zijde van [verzoeker] op € 4.760,75 en veroordeelt ASR om € 3.570,56 (zijnde 75% hiervan) aan [verzoeker] te betalen;
    • wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2023.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey