Rechtbank: Incident in vrijwaring afgewezen

Samenvatting:

Deze zaak betreft een arbeidsongeval op een bouwplaats. In de hoofdzaak stellen de zorgverzekeraar van benadeelde en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever van benadeelde een andere partij (gedaagde) op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk, omdat het ongeval veroorzaakt zou zijn voor een werknemer van gedaagde. Gedaagde probeert daarop de werkgever van benadeelde in vrijwaring op te roepen. Dit slaagt niet.

Gelet op de vordering in de hoofdzaak, moet in de hoofdzaak worden beoordeeld of gedaagde naast werkgever jegens eiser mede (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door eiser geleden schade. Wanneer in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat gedaagde mede aansprakelijk is voor de schade van eiser, kunnen eisers die schade gezien het subrogatieverbod van art. 7:962 lid 3 BW slechts op gedaagde verhalen onder aftrek van het gedeelte dat de werkgever van benadeelde in haar onderlinge verhouding tot gedaagde aangaat. Het voorgaande leidt ertoe dat in de hoofdzaak, als wordt geoordeeld dat gedaagde mede (hoofdelijk) aansprakelijk is, ook moet worden beoordeeld welke interne draagplicht werkgever en gedaagde hebben voor de door eiser geleden schade. Gedaagde kan in de hoofdzaak slechts worden veroordeeld tot betaling van het bedrag dat haar in de onderlinge verhouding tot de werkgever van benadeelde aangaat. In die situatie heeft gedaagde geen regresrecht op werkgever op de werkgever van benadeelde zodat dit niet tot vrijwaring kan leiden.

ECLI:NL:RBGEL:2023:3620

Instantie          Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak         14-06-2023

Datum publicatie        12-07-2023

Zaaknummer   C/05/415338 / HA ZA 23-72

Rechtsgebieden         Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie         Eerste aanleg – enkelvoudig

Incident vrijwaring: afgewezen. Geen rechtsverhouding aanwezig die een verplichting tot vrijwaring kan meebrengen.

Vindplaatsen   Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/415338 / HA ZA 23-72 / 420 / 1787 Vonnis in incident van 21 juni 2023

in de zaak van

  1. de naamloze vennootschap

ZORGVERZEKERING MENZIS N.V., gevestigd te Wageningen,

  1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN,

gevestigd te Apeldoorn, 3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats], eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat: mr. M. Kremer te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]., gevestigd te Barneveld, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. A.K. Sjouw te ‘s-Gravenhage.

Verweerders in het incident zullen hierna gezamenlijk Menzis c.s. worden genoemd. Als zij afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij Menzis, Achmea en [eiser sub 3] worden genoemd. Eiseres in het incident zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1          De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

–           de dagvaarding;

–           de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord; – de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2          Het geschil in de hoofdzaak

2.1. Menzis c.s. stelt dat [eiser sub 3] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was voor [werkgever] In het kader van die overeenkomst voerde [eiser sub 3] op 14 november 2017 werkzaamheden uit op een bouwplaats, bestaande uit het plaatsen en monteren van een staalconstructie. [eiser sub 3] werkte daarbij samen met zijn collega [college A]. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden heeft [eiser sub 3] een arbeidsongeval gehad. Daarbij heeft hij een complete dwarslaesie opgelopen. Als gevolg van het ongeval lijdt [eiser sub 3] schade. [eiser sub 3] heeft zijn werkgever [werkgever] voor de schade aansprakelijk gesteld. [werkgever] heeft aansprakelijkheid niet betwist. Achmea, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [werkgever], heeft daarom een schadebedrag van in totaal € 700.986,12 aan [eiser sub 3] uitgekeerd. Menzis, de zorgverzekeraar van [eiser sub 3], heeft een bedrag van in totaal € 629.957,06 aan [eiser sub 3] uitgekeerd. Dit in verband met medische behandelingen die [eiser sub 3] als gevolg van het

ongeval heeft moeten ondergaan, aldus steeds Menzis c.s.

2.2. Menzis c.s. meent dat het ongeval (mede) is veroorzaakt door gevaarzetting en dus onrechtmatig handelen van [Werknemer van gedaagde], werknemer van [gedaagde]. [werkgever] had voor de uit te voeren werkzaamheden bij [gedaagde] een hijskraan ingehuurd en [Werknemer van gedaagde] bediende de hijskraan ten tijde van het ongeval van [eiser sub 3]. Volgens Menzis c.s. is naast [werkgever] [gedaagde] als werkgever van [Werknemer van gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [eiser sub 3] als gevolg van het ongeval lijdt (artikel 6:170 BW). In de hoofdzaak vorderen Menzis en Achmea daarom beiden een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser sub 3] lijdt en dat [gedaagde] de door Menzis en Achmea aan [eiser sub 3] uitgekeerde en nog uit te keren schadebedragen dient te voldoen, nu zij zijn gesubrogeerd in de vorderingsrechten van [eiser sub 3] (artikel 7:962 lid 1 BW). Ook vorderen Achmea en Menzis betaling door [gedaagde] van de reeds door hen uitgekeerde schadebedragen van respectievelijk € 700.986,12 en € 629.957,06, vermeerderd met rente en kosten. Voor het geval de verzekerde som van [werkgever] bij Achmea niet toereikend blijkt te zijn, vordert [eiser sub 3] een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt.

2.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat [Werknemer van gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Daarom is [gedaagde] ook niet aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Als de rechtbank oordeelt dat [Werknemer van gedaagde] wel onrechtmatig jegens [eiser sub 3] heeft gehandeld, zodat [gedaagde] en [werkgever] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser sub 3] geleden schade, dan dient [werkgever], althans haar aansprakelijkheidsverzekeraar

Achmea, de gehele schade of in elk geval het grootste deel daarvan te dragen, dit naar evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (artikel 6:101 in samenhang met artikel 6:10 BW), aldus [gedaagde]. In dit verband en ook tegenover [eiser sub 3] beroept [gedaagde] zich verder op eigen schuld van [eiser sub 3] (6:101 BW).

3          Het geschil in het incident

3.1. [gedaagde] vordert dat haar wordt toegestaan [werkgever] in vrijwaring op te roepen. Aan deze vordering legt [gedaagde] het volgende ten grondslag. Als komt vast te staan dat [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser sub 3], dan zijn [gedaagde] en [werkgever] voor die schade hoofdelijk verbonden. In dat geval komt [gedaagde] op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht toe op [werkgever]. [gedaagde] heeft er daarom recht en belang bij om [werkgever] in vrijwaring op te roepen.

3.2. Menzis c.s. voert verweer. Zij meent dat Menzis en Achmea van [gedaagde] in de hoofdzaak niet meer kunnen vorderen dan hetgeen [gedaagde] in haar relatie tot [werkgever] aangaat. Voor wat betreft de vorderingen van Menzis en Achmea kan [gedaagde] dus ook geen regres nemen op [werkgever]. Een vrijwaringsprocedure dient in die rechtsverhouding daarom geen enkel inzichtelijk en kenbaar doel. Voor wat betreft de vordering van [eiser sub 3] kan een regresvordering van [gedaagde] op [werkgever] alleen aan de orde zijn wanneer de verzekerde som van [werkgever] bij Achmea niet toereikend zou blijken te zijn en [gedaagde] zou worden veroordeeld tot een hoger bedrag dan haar in de onderlinge verhouding met [werkgever] aangaat, aldus Menzis c.s. Die eventuele regresvordering stuit volgens Menzis c.s. echter af op het volgende. [gedaagde] is voor aansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden.

Aannemende dat er sprake is van dekking onder die verzekering, betreft de regresvordering die [gedaagde] op [werkgever] meent te hebben feitelijk geen eigen regresvordering van [gedaagde] op [werkgever], maar een regresvordering van Nationale Nederlanden op [werkgever]. Nationale Nederlanden kan als verzekeraar van [gedaagde] op grond van artikel 7:962 lid 3 BW echter geen regres nemen op [werkgever] als werkgever van [eiser sub 3].

4          De beoordeling in het incident

4.1. Voor toewijzing van de vordering van [gedaagde] tot oproeping in vrijwaring is vereist dat [gedaagde] zich met redenen omkleed beroept op een rechtsverhouding met [werkgever], die meebrengt dat [werkgever] verplicht is de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing tegen [gedaagde] in de hoofdzaak te dragen (artikel 210 Rv).

4.2. Met betrekking tot de vorderingen van Menzis, de zorgverzekeraar van [eiser sub 3], is de rechtbank van oordeel dat tussen [gedaagde] en [werkgever] bij een veroordelende beslissing geen rechtsverhouding bestaat die voor [werkgever] een verplichting tot vrijwaring kan meebrengen. Daarvoor is het volgende redengevend. De Hoge Raad heeft op 23 november 2012 beslist dat wanneer twee personen op grond van artikel 6:102 BW hoofdelijk verbonden zijn voor de schade die een benadeelde heeft geleden, en de verzekeraar van de benadeelde op grond van artikel 7:962 lid 3 BW geen vordering op één van die personen toekomt, de verzekeraar de schade slechts op de andere persoon kan verhalen onder aftrek van het gedeelte dat die persoon in zijn onderlinge verhouding met de andere persoon aangaat (ECLI:NL:HR:2012:BX5880). Deze situatie doet zich hier voor. Gelet op hetgeen Menzis in de hoofdzaak heeft gevorderd, moet in de hoofdzaak worden beoordeeld of [gedaagde] naast [werkgever] jegens [eiser sub 3] mede (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door [eiser sub 3] geleden schade. Wanneer in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat [gedaagde] mede aansprakelijk is voor de schade van [eiser sub 3], kan Menzis die schade slechts op [gedaagde] verhalen onder aftrek van het gedeelte dat [werkgever] in haar onderlinge verhouding tot [gedaagde] aangaat. Op grond van artikel 7:962 lid 3 BW komt Menzis immers geen vordering toe op [werkgever] als werkgever van haar verzekerde [eiser sub

3]. Het voorgaande leidt ertoe dat in de hoofdzaak, als wordt geoordeeld dat [gedaagde] mede (hoofdelijk) aansprakelijk is, ook moet worden beoordeeld welke interne draagplicht [werkgever] en [gedaagde] hebben voor de door [eiser sub 3] geleden schade. [gedaagde] kan in de hoofdzaak slechts worden veroordeeld tot betaling aan Menzis van het bedrag dat haar in de onderlinge verhouding tot [werkgever] aangaat. In die situatie heeft [gedaagde] geen regresrecht op [werkgever], zodat dit niet tot vrijwaring kan leiden.

4.3. Ook met betrekking tot de vorderingen van Achmea, de aansprakelijkheids-verzekeraar van [werkgever], is de rechtbank van oordeel dat tussen [gedaagde] en [werkgever] geen rechtsverhouding bestaat die voor [werkgever] een verplichting tot vrijwaring kan meebrengen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Gelet op hetgeen Achmea in de hoofdzaak heeft gevorderd, moet in de hoofdzaak worden beoordeeld of [gedaagde] naast [werkgever] jegens [eiser sub 3] mede (hoofdelijk) aansprakelijk is en zo ja, welke interne draagplicht [werkgever] en

[gedaagde] hebben voor de door [eiser sub 3] geleden schade. Achmea kan als verzekeraar van [werkgever] immers slechts dat deel van de door [eiser sub 3] geleden schade op [gedaagde] verhalen dat [gedaagde] in de onderlinge verhouding tot [werkgever] aangaat. [gedaagde] kan in de hoofdzaak dus niet worden veroordeeld tot betaling aan Achmea van een hoger bedrag dan haar in de onderlinge verhouding tot [werkgever] aangaat. In dat geval komt [gedaagde] geen regresrecht toe op [werkgever], zodat dit niet tot vrijwaring kan leiden.

4.4. Met betrekking tot de vordering van [eiser sub 3] oordeelt de rechtbank als volgt. [eiser sub 3] heeft in de hoofdzaak enkel een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door hem ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade. Indien die vordering wordt toegewezen, komt [gedaagde] nog geen regresrecht op [werkgever] toe. Ook met betrekking tot de vordering van [eiser sub 3] bestaat tussen [gedaagde] en [werkgever] bij een veroordelende beslissing dus geen rechtsverhouding die voor [werkgever] een verplichting tot vrijwaring kan meebrengen.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [gedaagde] tot oproeping in vrijwaring zal worden afgewezen.

4.6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Menzis c.s. worden begroot op € 598,00 (1 punt x tarief II € 598,00) aan salaris van de gemachtigde.

5          De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.

5.3. In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen, waarbij van een maximale vrije spreektijd van 20 minuten moet worden uitgegaan. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen niet worden toegestaan.

5.4. Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

6 De beslissing De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit incident, aan de zijde van Menzis c.s. tot op heden begroot op € 598,00, in de hoofdzaak

6.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.J.P. Heijmans in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 – 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.4. bepaalt dat [eiser sub 3] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Zorgverzekering Menzis N.V., Achmea Schadeverzekeringen en [gedaagde]. dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 juli 2023 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2023 tot en met november 2023, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

6.6. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

6.7. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.8. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2023.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey