Rechtbank: Onbruikbare getuigenverklaringen

Samenvatting:

Tijdens een voetbalwedstrijd tussen twee amateurclubs ontstond op het veld een opstootje. Daarbij is eiser gewond geraakt. Volgens eiser heeft gedaagde hem tijdens of vlak na het opstootje (bewust) geslagen. Dat is volgens eiser onrechtmatig en daarom stelt hij gedaagde aansprakelijk voor de schade die eiser als gevolg van dat onrechtmatige handelen heeft geleden. Ter onderbouwing van de gang van zaken tijdens de voetbalwedstrijd wijst eiser op verschillende getuigenverklaringen.

Net als het Gerechtshof in de strafzaak, komt de kantonrechter tot de conclusie dat de tuchtcommissie van de KNVB een sturende rol heeft gehad in het geheel. Door toedoen van de tuchtcommissie zijn de (verklaringen van de) getuigen zodanig ‘besmet’ dat zij onbruikbaar zijn geworden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om alle getuigen nog een keer te horen. Zij zijn al gehoord door de raadsheer-commissaris en hun verklaringen bevinden zich in het dossier. In deze procedure is niet vast komen te staan dat gedaagde degene is geweest die eiser heeft geslagen en dus is niet vast komen te staan dat de door eiser geleden schade het gevolg is van enig handelen van gedaagde.

ECLI:NL:RBLIM:2023:4869

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 16-08-2023
Datum publicatie 23-08-2023
Zaaknummer 10379544 CV 23-884
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Eerste aanleg – enkelvoudig

Tijdens een voetbalwedstrijd tussen twee amateurclubs raakt Eiser gewond. De centrale vraag in deze procedure is of Gedaagde degene is die Eiser heeft geslagen. Het antwoord daarop is volgens de kantonrechter nee. Sinds het incident tijdens de voetbalwedstrijd hebben namelijk veel personen die bij de wedstrijd aanwezig waren verschillende verklaringen afgelegd. Die verklaringen zijn afgelegd in emailberichten, in verhoren door de politie en in verhoren door de raadsheercommissaris van het Gerechtshof in de strafzaak tegen Gedaagde. Gedaagde is in de strafzaak uiteindelijk vrijgesproken, mede gelet op de handelwijze van de KNVB. De kantonrechter moet ondanks die vrijspraak in deze civiele procedure zelf een afweging maken over de aansprakelijkheid.

De verklaringen van de diverse getuigen wezen vlak na de voetbalwedstijd vrijwel allemaal in de richting van een ander persoon [persoon X] die Eiser zou hebben geslagen. Ook Eiser zelf heeft aangifte gedaan tegen [persoon X]. Alleen de scheidsrechter (een clubgenoot van Gedaagde) wees Gedaagde vlak na de wedstrijd aan als degene die Eiser zou hebben geslagen.

Pas na tussenkomst van de tuchtcommissie van de KNVB komt Gedaagde in beeld. Dat is het gevolg van de sturende rol van de tuchtcommissie. De commissie heeft namelijk Eiser tijdens de behandeling bij de KNVB naar buiten gestuurd en de zaak verder besproken met de getuigen, dus zonder aanwezigheid van Eiser. Daarna mocht Eiser weer naar binnen komen. Toen werd hem door de

tuchtcommissie verteld dat hij ten onrechte [persoon X] had aangewezen en dat hij Gedaagde moest aanwijzen. Vanaf dat moment wordt Gedaagde ook door getuigen beschuldigd die eerst duidelijk in de richting van [persoon X] wezen. Zij legden vanaf dat moment verklaringen af die tegenstrijdig waren met de eerder door hen afgelegde verklaringen. Toen de raadsheer-commissaris in het hoger beroep van de strafzaak de getuigen heeft gehoord, bleef van die tegenstrijdige verklaringen nog maar weinig over. Gelet op de hele gang van zaken sinds de voetbalwedstrijd, acht de kantonrechter de getuigen en de door hen tijdens of vlak na de tuchtprocedure bij de KNVB afgelegde verklaringen ongeloofwaardig en onbruikbaar in deze procedure.

In deze civiele procedure is de aansprakelijkheid van Gedaagde ook niet komen vast te staan, mede vanwege de rol die de KNVB heeft gespeeld.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 10379544 \ CV EXPL 23-884 Vonnis van 16 augustus 2023

in de zaak van

[eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. B. Akdikan,

tegen

[gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp.

  • De procedure
    • Het verloop van de procedure blijkt uit:
      • de dagvaarding
      • de conclusie van antwoord
      • de akte wijziging van eis van [eiser] , door de kantonrechter ontvangen op 12 juni 2023
      • het e-mailbericht van de kantonrechter aan partijen van 14 juni 2023
      • de akte wijziging van eis van [eiser] , door de kantonrechter ontvangen op 15 juni 2023
      • de mondelinge behandeling van 20 juni 2023, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijngemaakt
      • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] die tijdens de mondelinge behandelingzijn voorgedragen.
    • Tot slot is vonnis bepaald.
  • De vorderingen van [eiser] en de gronden daarvan
    • Tijdens een voetbalwedstrijd tussen twee amateurclubs ontstond op het veld een opstootje. Daarbij is [eiser] gewond geraakt. Na de wedstrijd is [eiser] geopereerd aan zijn onderkaak. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem tijdens of vlak na het opstootje (bewust) geslagen. Dat is volgens [eiser] onrechtmatig en daarom stelt hij [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van dat onrechtmatige handelen heeft geleden. Ter onderbouwing van de gang van zaken tijdens de voetbalwedstrijd wijst [eiser] op verschillende getuigenverklaringen. Het opgelopen letsel is een direct gevolg van het handelen van [gedaagde] , zodat [gedaagde] volgens [eiser] de daarmee verband houdende schade aan [eiser] moet vergoeden.
    • Gelet hierop vordert [eiser] (na eiswijziging):
      • een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog telijden schade als gevolg van de mishandeling,
      • veroordeling van [gedaagde] om de geleden en nog te lijden schade aan [eiser] te vergoedentot een maximum van € 25.000,00 en nader op te maken bij staat,
      • veroordeling van [gedaagde] om een bedrag van € 9.231,10 als voorschot aan [eiser] te betalen,en
      • een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
    • [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen. Hij betwist dat hij degene is geweest die [eiser] heeft geslagen. [gedaagde] wijst erop dat hij in een strafrechtelijke procedure is vrijgesproken door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch omdat het hof aan de hand van de afgelegde getuigenverklaringen tot de conclusie is gekomen dat niet duidelijk is wie [eiser] heeft geslagen. Verder betwist [gedaagde] dat het door [eiser] gestelde letsel en de gestelde schade het gevolg zijn van enig handelen van [gedaagde] . De omvang van de schade wordt eveneens betwist. Tot slot doet [gedaagde] een beroep op eigen schuld van [eiser] , omdat [eiser] direct betrokken was bij het ontstaan van het opstootje en omdat hij zelf ook geslagen en geschopt heeft.
    • [gedaagde] heeft bovendien bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, omdat deze volgens hem in een te late fase van de procedure en dus in strijd met de goede procesorde is ingediend.
    • De kantonrechter gaat hierna bij het tussenkopje ‘de beoordeling’ verder in op de standpunten van partijen.
  • De feiten
    • De kantonrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Over deze feiten zijn partijen het eens, of de feiten zijn door één partij aangevoerd en de andere partij heeft er niet op gereageerd.
    • Op 9 oktober 2016 vond een voetbalwedstrijd plaats tussen de amateurclubs [naam club 1] en [naam club 2] . [eiser] speelde voor [naam club 2] en [gedaagde] speelde voor [naam club 1] .
    • Tijdens de wedstrijd ontstond een opstootje. De scheidsrechter heeft de wedstrijd eerst stilgelegd en daarna gestaakt. Na afloop van dit opstootje, althans na staking van de wedstrijd, bleek dat [eiser] een bebloed gezicht had. [eiser] is op diezelfde dag naar het ziekenhuis in Maastricht gegaan. Daar is geconstateerd dat sprake was van een mediane mandibulafractuur links. [eiser] is toen door [naam chirurg] , MKA (mond/kaak/aangezicht) chirurg, geopereerd om de kaak te herstellen.
    • Naast de behandeling door de MKA-chirurg, is [eiser] behandeld door een tandarts, door een orthodontist en door een KNO-arts. De behandelingen zijn inmiddels afgerond.
    • Het incident tijdens de wedstrijd heeft geleid tot een behandeling door de tuchtcommissie van de KNVB (Koninklijke Nederlandse Voetbalbond). De tuchtcommissie kwam in een uitspraak van 23 november 2016 tot de volgende conclusie:

“acht bewezen, dat betrokkene [ [gedaagde] , toevoeging van de kantonrechter] zich schuldig heeft gemaakt dat aan het ter gelegenheid van de wedstrijd I [naam club 1] 2 – [naam club 2] gespeeld op 9 oktober 2016 te Maastricht voor/tijdens/na afloop van de wedstrijd niet behoorlijk heeft gedragen door het geven van een elleboogstoot (raak) aan een tegenspeler.”

  • Verder heeft het incident geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding daarvan is

[gedaagde] op 26 januari 2018 door de politierechter veroordeeld wegens mishandeling van

[eiser] . [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen de veroordeling. Het Gerechtshof ’sHertogenbosch heeft [gedaagde] op 6 december 2019 alsnog vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

  • De beoordeling

1.          Vooraf: de eiswijziging

4.1. De kantonrechter staat de eisvermeerdering van [eiser] toe. Een eisvermeerdering kan gelet op artikel 130 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden ingediend totdat eindvonnis is gewezen. In dit geval heeft [eiser] de eisvermeerdering voor de mondelinge behandeling ingediend. De vermeerdering houdt in de kern slechts verband met eventuele toekomstige schade die nu nog niet volledig te voorzien is. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat dit met name schade is als gevolg van de levensduur van de tandkronen en de noodzakelijke vervanging daarvan in de toekomst. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling voldoende kunnen reageren op die vermeerderde eis.

2.          Een kort overzicht van de zaak

4.2. De centrale vraag in deze procedure is, of is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] op 9 oktober 2016 te slaan. Het antwoord daarop is nee en daartoe is het volgende doorslaggevend.

4.3. Sinds het incident op 9 oktober 2016 hebben veel personen die bij de wedstrijd aanwezig waren verklaringen afgelegd. Die verklaringen zijn afgelegd in e-mailberichten, ten overstaan van de politie en ten overstaan van de raadsheer-commissaris van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Die verklaringen wezen vlak na 9 oktober 2016 vrijwel allemaal in de richting van een ander persoon die [eiser] zou hebben geslagen, namelijk [naam 1] . Alleen de scheidsrechter wees [gedaagde]

vlak na de wedstrijd aan als degene die [eiser] heeft geslagen.

4.4. Pas na tussenkomst van de tuchtcommissie van de KNVB, wiens sturende rol in deze kwestie uitgaande van de verklaringen van partijen daarover- onaanvaardbaar is en waarover de kantonrechter hierna nog het een en ander zal opmerken, komt [gedaagde] in beeld. Vanaf dat moment wordt [gedaagde] ook door getuigen beschuldigd die eerst duidelijk in de richting van [naam 1] wezen. Zij legden vanaf dat moment verklaringen af die tegenstrijdig waren met de eerder door hen afgelegde verklaringen. Toen de raadsheer-commissaris in het hoger beroep van de strafzaak de getuigen heeft gehoord, bleef van die tegenstrijdige verklaringen nog maar weinig over. Gelet op de hele gang van zaken sinds 2016, acht de kantonrechter de getuigen en de door hen tijdens of vlak na de tuchtprocedure bij de KNVB afgelegde verklaringen ongeloofwaardig en onbruikbaar in deze procedure.

4.5. De kantonrechter zal een en ander hierna uitgebreider schetsen en aan de hand van de verschillende getuigenverklaringen uiteenzetten.

3.          De (getuigen)verklaringen vlak na het incident op 9 oktober 2016

4.6. In de eerste dagen na het incident op 9 oktober 2016 hebben verschillende getuigen verklaringen afgelegd, per e-mail of ten overstaan van de politie.

4.7. [eiser] zelf heeft een dag na het incident aangifte gedaan bij de politie. Daarbij verklaart hij tegen de politie het volgende:

“Ik draaide mij om ik zag dat een speler van [naam club 1] dicht bij mij stond, ik zag dat hij het nummer 6 op zijn shirt had. Ik zag dat deze jongen met zijn elleboog met kracht in de richting van mijn gezicht bewoog. Ik kon zijn elleboog niet meer ontwijken en ik voelde een enorm harde klap tegen mijn kin en mond. Ik voelde aan mijn gezicht en zag dat mijn handen onder het bloed zaten. Ik voelde direct een hevige pijn aan mijn gezicht. (…)

Ik kan de jongen welke mij deze elleboogstoot gaf als volgt omschrijven, (…) zijn gehele rechterarm is getatoeëerd. (…)

Ik heb op de website van [naam club 1] gekeken en zag bij op teamfoto van het tweede elftal van [naam club 1] de jongen staan welke mij de elleboogstoot gegeven heeft. Ik heb verder van mijn trainer de naam gekregen van deze jongen, de trainer heeft deze naam kunnen achterhalen via het wedstrijdformulier. Op dit formulier stond dat de speler van [naam club 1] met rugnummer 6 genaamd is: [naam 1] . Ik stuur u per email de teamfoto van [naam club 1] waarop deze [naam 1] staat. Tevens stuur ik u een foto van deze [naam 1] welke ik via facebook achterhaald heb. Deze foto’s wil ik graag bij mijn aangifte gevoegd hebben. Ik doe aangifte tegen deze [naam 1] ter zake mishandeling.”

4.8. [naam 2] , de leider van [naam club 1] , verklaart in een e-mailbericht van 27 oktober 2016 dat hij zelf niets heeft waargenomen van de aanleiding voor het opstootje. Over het vervolg verklaart hij:

“Wat heirna gebeurde ging razendsnel voor mij, door grote afstand, nauwelijks te volgen. Er bleken meerdere slaande bewegingen van beide kanten te zijn geweest. Helaas ook door een speler van mijn team. Later bleek dat zijn klap een kaakbreuk had veroorzaakt bij speler van [naam club 2] . Vreselijk natuurlijk voor tegenstander. Onze speler kennende ga ik er absoluut niet van uit dat deze schade aan speler [naam club 2] bewust is toegedaan.”

[naam 2] noemt in zijn verklaring geen namen van spelers.

4.9. [naam 3] , een speler van [naam club 2] , verklaart op 21 november 2016 bij de politie het volgende:

“Ik zag dat er een overtreding op het middenveld plaatsvond. De mid-mid van hun, dat was een jongere gast, volgens mij met nummer 10 werd na ongeveer 20 minuten gewisseld. (…)

Er kwam een andere speler van [naam club 1] het veld in. Dat was de rechtsbuiten van [naam club 1] , ook een jonge jongen. Ik hoorde diverse speler van [naam club 1] vragen wie die speler van hun team eigenlijk heette. Deze speler maakte op een gegeven moment op het middenveld een steviger overtreding die totaal overbodig was. Er was geen aanleiding voor. In de 31e minuut zag ik dat een speler van [naam club 1] genaamd [naam 4] [niet [gedaagde] , opmerking van de kantonrechter] een sliding maakte op mijn teamgenoot [eiser] . (…)

[eiser] duwde [naam 4] weg en ik zag dat een speler van [naam club 1] zich ook ermee kon bemoeien. Ik stond op een afstand van ongeveer 5 a 10 meter van het voorval. Er werd over geduwd en getrokken. Ik zag dat de nummer 6 van [naam club 1] erbij kwam. Dat was de aanvoerder. Ik zag dat er op een gegeven een klap werd uitgedeeld tegen [eiser] . Ik kon niet zien wie die klap uitdeelde. Maar het kan volgens mij niet anders zijn dat de nummer 6 van [naam club 1] die de klap uitdeelde. Op het moment van de klap stonden ongeveer 4 a 5 personen bij elkaar. Dat waren [eiser] en drie andere personen van [naam club 1] namelijk [naam 4] , de nummer 6 en de grensrechter en mogelijk nog een speler van hun. Het ging allemaal zo snel dat ik dat niet allemaal precies kon zien. (…)

Ik zag dat [eiser] hevig bloedde uit zijn mond. (…)

Op een gegeven moment zag ik dat de invaller een flinke sprint trok richting de vechtpartij en ik zag dat die invaller toen hij bij [eiser] was omhoog sprong en [eiser] sloeg.”

4.10. Scheidsrechter [naam scheidsrechter] stuurt op 20 oktober 2016 een verklaring aan de KNVB met de volgende inhoud:

“Een speler van [naam club 1] maakt via een sliding een overtreding op een speler van [naam club

2] . Op het moment dat ik fluit trapt de speler van [naam club 2] na. [naam club 1] speler [gedaagde] bemoeit zich hiermee en slaat [naam club 2] speler [eiser] , deze slaat terug waarna ik beide spelers een rode kaart geef.en de wedstrijd staak.”

4.11. Zoals uit de verklaringen blijkt, heeft vlak na 9 oktober 2016 alleen de scheidsrechter de naam van [gedaagde] genoemd. De andere getuigen noemen [gedaagde] niet. Ook [eiser] zelf heeft aangifte gedaan tegen een ander persoon, namelijk [naam 1] . Die aangifte is gedetailleerd, bevat een eveneens gedetailleerde omschrijving van degene die heeft geslagen en wordt feitelijk ondersteund door de verklaring van [naam 3] . [naam 3] verklaart bovendien dat [eiser] (al) hevig uit zijn mond bloedde nadat de speler met rugnummer 6 ( [naam 1] ) hem sloeg en dat [gedaagde] (de invaller waar [naam 3] van spreekt) op dat moment niet in de buurt van [eiser] stond.

4.12. De kantonrechter merkt op dat uit de uitspraak van de politierechter en het daaropvolgende arrest van het hof blijkt dat voorafgaand aan de strafzaak meer mensen zijn gehoord als getuigen. Die verklaringen bevinden zich echter niet in het dossier van onderhavige procedure. Wel kan uit de getuigenverhoren ten overstaan van de raadsheer-commissaris van sommige getuigen ( [naam 7] , [naam 5] en [naam 6] , wiens verklaringen hierna nog aan de orde komen) worden opgemaakt dat zij eerder een verklaring bij de politie hebben afgelegd en dat zij toen, vlak na het incident, geen herinnering hadden aan de persoon die geslagen heeft.

4.13. De verklaringen die zich wel in het dossier bevinden, wijzen na het incident dus in overwegende mate in de richting van [naam 1] , of in ieder geval niet in de richting van [gedaagde] . Dat wordt anders nadat de tuchtcommissie van de KNVB zich met de zaak bemoeit.

4.          Het ‘onderzoek’ door de tuchtcommissie van de KNVB op 23 november 2016

4.14. Op 23 november 2016 vindt een mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie van de KNVB plaats. Op dat moment heeft [eiser] al aangifte gedaan tegen [naam 1] . In het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is hierover het volgende opgenomen:

“Op 23 november 2016 is de zaak behandeld voor het tuchtcollege van de KNVB. Op het moment dat de aangever de naam van [naam 1] noemde en hem als mogelijke dader aanwees, hoorde hij dat de andere aanwezigen van [naam club 1] reageerden en hoorde dat dit niet waar was en dat het iemand anders was. Aangever moest vervolgens de ruimte verlaten en hoorde daarna flarden van de gesprekken vanwege het dunne glas van de ruimte. Hij hoorde de trainer van [naam club 1] zeggen dat [gedaagde] (hierna: verdachte) de dader zou zijn. Aan aangever is toen, na een korte onderbreking van de zitting van het tuchtcollege door het tuchtcollege medegedeeld dat hij de verkeerde persoon had aangewezen en dat hij dit moest rechtzetten.”

4.15. [eiser] was niet in persoon aanwezig bij de mondelinge behandeling in onderhavige procedure. De kantonrechter heeft aan de gemachtigde van [eiser] gevraagd of hij met [eiser] heeft gesproken over de gang van zaken bij de tuchtcommissie van de KNVB. De gemachtigde bevestigde dat daarover is gesproken en hij bevestigde eveneens de gang van zaken zoals die in het arrest is geschetst en hiervoor is geciteerd. Ook wordt in de uitspraak van de tuchtcommissie van de KNVB als bewijs voor de schuldigverklaring van [gedaagde] opgenomen dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling bij de KNVB het volgende heeft gezegd “Bij deze wil dan mijn excuses aanbieden en zal ik zorg dragen dat ik mijn verklaring jegens speler [naam 1] intrek en de juiste persoon, namelijk speler [gedaagde] , aansprakelijk stel. Ik heb speler [naam 1] wel voorbij zien komen. Dan heb ik dit verkeerd gezien.” De kantonrechter heeft daarom geen reden om te twijfelen aan het verloop van de procedure bij de tuchtcommissie van KNVB.

4.16. Op enig moment heeft de tuchtcommissie van de KNVB [eiser] naar buiten gestuurd en heeft zij de behandeling voortgezet met een heel aantal anderen. Nadat de tuchtcommissie met die anderen over de zaak heeft gesproken, is [eiser] gevraagd weer naar binnen te komen. [eiser] heeft daarna, kennelijk op aandringen van de tuchtcommissie, de in de ogen van de tuchtcommissie ‘juiste’ persoon aangewezen als dader (ditmaal [gedaagde] ). Uit de door de tuchtcommissie weergegeven verklaring van [eiser] blijkt dat [eiser] daarna (schoorvoetend) [gedaagde] als dader aanwijst. Een dergelijke handelwijze is, in ieder geval als de tuchtcommissie nog enige onpartijdigheid wilde betrachten, volstrekt onaanvaardbaar.

4.17. De tuchtcommissie heeft nog dezelfde dag uitspraak gedaan en [gedaagde] schuldig bevonden. Uit de in de uitspraak opgesomde bewijsmiddelen blijkt dat buiten [eiser] alleen [naam 2] (die eerder geen naam noemde) de naam van [gedaagde] noemt. Verder vermelden de bewijsmiddelen dat het bestuur van [naam club 1] heeft verklaard dat [gedaagde] zelf schuld heeft erkend, maar de verklaring van [gedaagde] zelf, zoals door de KNVB opgenomen bij de bewijsmiddelen, vermeldt slechts dat hij “een tegenstander heeft geraakt”. Verder bevindt zich bij de bewijsmiddelen geen verklaring van [naam 1] . Bij de motivering van de bewezenverklaring wordt echter vermeld dat “op basis van de verklaringen van de heren [naam 1] , [naam 2] en betrokkene zelf” de tuchtcommissie overtuigd is dat [gedaagde] de schuldige is. Waar die verklaring van [naam 1] vandaan komt (en overigens ook waar die daarna is gebleven), is onduidelijk.

4.18. Na de mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie van de KNVB en de uitspraak in de tuchtprocedure zijn een aantal getuigen ook anders gaan verklaren.

5.          De strafrechtelijke procedure

4.19. Op 30 november 2016 verklaart [naam 2] , die eerder geen namen van spelers noemde en dat voor het eerst deed bij de tuchtcommissie van de KNVB, bij de politie als volgt:

“Ik zag dat speler [naam 1] van [naam club 1] naar een speler van [naam club 2] liep. Ik zag dat [naam 1] die speler wegduwde. Enkele seconden later zag ik speler [gedaagde] van mijn team naar een speler van [naam club 2] rennen. Ik za dat [gedaagde] een slaande beweging naar een Speler van [naam club 2] maakte. Achteraf hoorde ik dat die speler [eiser] heette. Ik vermoedde dat die [eiser] in zijn gezicht geraakt werd.”

4.20. Tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris in het hoger beroep van de strafzaak tegen

[gedaagde] valt [naam 2] echter weer terug op algemene verklaringen, zonder namen van (eigen) spelers te noemen:

“Ik zag toen een speler van ons aan komen rennen die vervolgens een speler van de tegenpartij, [eiser] , een klap in het gezicht gaf.”

4.21. [naam 5] verklaart op 1 december 2016 (dus vlak na de behandeling bij de tuchtcommissie van de KNVB) het volgende tegenover de politie:

“Ik zag dat [naam 4] van [naam club 1] een sliding maakte op een speler van [naam club 2] . Beiden kwamen ten val. Ik zag dat die spel;er van [naam club 2] agressief reageerde gezien zijn houding richting [naam 4] . Een andere speler van [naam club 1] genaamd [naam 1] leip naar beide spelers toe en ik zag dat [naam 1] die speler van [naam club 2] wegduwde. (…)

Er begonnen zich meerdere spelers van beide partijen met de ruzie te bemoeien. Er werd over en weer getrokken en geduwd. Toen het trek- en duwwerk nagenoeg voorbij was, zag ik speler [gedaagde] hard in de richting van de andere spelers rennen. Ik zag dat [gedaagde] tussen de spelers in spring en vervolgens een speler van [naam club 2] sloeg. Ik weet niet howe [gedaagde] die speler sloeg of dat nou een elleboogstoot of vuistslag was. Ik kon dat niet niet ik stond op een afstand van ongeveer 30 meter van het gebeuren af. Ik heb wel gezien dat [gedaagde] die jongen in zijn gezicht raakte.”

4.22. Uit het arrest van het Gechtshof ’s-Hertogenbosch blijkt dat [naam 5] door de raadsheercommissaris is gehoord. Het proces-verbaal daarvan is niet door [eiser] overgelegd in deze procedure. Uit het arrest volgt echter dat [naam 5] zich bij de raadsheer-commissaris toch desgevraagd niet meer kon herinneren wat [gedaagde] al dan niet heeft gedaan en dat, geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie, hij zich niet herinnert dat (de kantonrechter leest ‘dat’ als: wat hij bij de politie heeft verklaard) te hebben waargenomen.

4.23. [naam 6] verklaart op 29 november 2016 (eveneens vlak na de behandeling bij de tuchtcommissie van de KNVB) bij de politie:

“Ik ag dat op een gegeven moment een speler van ons een tackle maakte op die speler. De speler van ons was [naam 4] . Ik zag dat die speler van [naam club 2] vervolgens natrapte richting [naam

  • . [naam 4] werd tegen zijn rug geraakt. Daarna zag ik dat [naam 1] richting die speler van[naam club 2] rende en hem wegduwde kennelijk om hem duidelijk te maken dat hij verkeerd bezig was. Ik stond daar op een afstand van 2 a 3 meter vandaan. (…)

Vervolgens begonnen meerdere spelers van beide kanten zich met de zaak te bemoeien. Toen het nagenoeg afgelopen was met de ruzie zag ik dat [gedaagde] van mijn team aan kwam gelopen en dat hij die speler van [naam club 2] een klap in zijn gezicht gaf. Ik durf niet te zeggen of Stef die jongen een vuistslag gaf of een elleboogstoot. Daar ging het te snel voor.”

  • Uit het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch blijkt dat ook [naam 6] door de raadsheercommissaris is gehoord. Het proces-verbaal daarvan is, net als voor het proces-verbaal van [naam 5] het geval is, niet door [eiser] overgelegd in deze procedure. Uit het arrest volgt echter dat [naam 6] bij de raadsheer-commissaris verklaart dat hij niet heeft gezien of [gedaagde] iets heeft gedaan tijdens het incident op 9 oktober 2016. Net als [naam 5] had ook [naam 6] na confrontatie met zijn eerder afgelegde verklaring geen herinneringen meer aan wat hij bij de politie heeft verklaard.
  • Scheidsrechter [naam scheidsrechter] heeft bij de raadsheer-commissaris de volgende verklaring afgelegd:

“Ik ben clubscheidsrechter namens [naam club 1] . Tijdens de wedstrijd maakte [naam 4] een sliding op een speler van [naam club 2] . Dat was in mijn ogen een overtreding en ik had mijn gele kaart al in de hand. Op dat moment zie ik die speler van [naam club 2] trappen tegen [naam 4] . Die speler van [naam club 2] geef ik vervolgens de rode kaart. Toen hing alles in elkaar en werd het een grote chaos. De spelers van beide clubs kwamen erbij staan. Er werd vervolgens onderling geduwd en getrokken. Ik heb in deze chaos niet gezien of er klappen zijn uitgedeeld. Ik heb afgeblazen en ben van het veld afgelopen. Ik hoorde later dat de kaak van die speler van [naam club 2] was gebroken.

Toen er geduwd en getrokken werd, draaide ik mij om met de bedoeling om van het veld af te lopen. In die draaiende beweging zag ik vervolgens [gedaagde] een klap geven aan die speler van de [naam club 2] . Hoe die klap werd gegeven, met de vuist of met de hand of anderszins, weet ik niet, omdat ik mij aan het omdraaien was.”

  • [naam 7] verklaart bij de raadsheer-commissaris als volgt:

“Op dat moment zag ik de heer [gedaagde] aan komen rennen en ik zie gem een klap uitdelen aan het slachtoffer. (…)

U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik niet heb gezien wie die jongen geslagen heeft en hoe hij aan het letsel kwam. U vraagt mij of ik bij de politie gelogen heb. Nee, ik heb bij de politie absoluut niet gelogen. Ik denk dat mijn herinnering nu anders is.”

4.27. [naam 3] is kennelijk ook door de raadsheer-commissaris gehoord. Ook zijn verklaring is niet overgelegd. Uit het arrest van het Gerechtshof blijkt echter dat [naam 3] bij zijn oorspronkelijke verklaring is gebleven (die niet [gedaagde] als dader aanwijst, maar speler nummer 6: [naam 1] ). [naam 3] heeft blijkens het arrest aanvullend nog het volgende verklaard:

“Tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 24 juli 2019 heeft hij wederom verklaard over een tweetal momenten, die hij als volgt heeft beschreven: het moment dat iemand aangever vasthoudt en een andere persoon aangever een kaakslag geeft, waarbij hij bijna zeker weet dat het een elleboogslag moet zijn geweest, en het (latere) moment dat van de overkant van het veld een speler (het hof begrijpt: verdachte) komt ‘invliegen’ met een karatetrap, waarbij niemand gewond is geraakt.”

4.28. Uit het arrest blijkt voorts dat [naam 1] is verhoord door de raadsheer-commissaris en dat hij daarbij zijn linker arm heeft laten zien. Het hof omschrijft die linker arm als ‘geheel getatoeëerd’.

4.29. Verder blijkt uit het arrest dat [naam 8] op enig moment een verklaring heeft afgelegd die de aangifte van [eiser] ondersteunt: hij heeft verklaard dat hij een speler van [naam club 1] met nummer 6 in de richting van aangever heeft zien rennen, die met zijn elleboog uithaalde en aangever in zijn gezicht heeft geraakt. [naam 8] is blijkens het arrest door de raadsheercommissaris gehoord en heeft daarbij verklaard dat de persoon die de elleboogstoot uitdeelde een tatoeage op zijn arm had en dat hij goed kon zien wat er gebeurde.

4.30. Tot slot is blijkens het arrest ook [eiser] gehoord door de raadsheer-commissaris. Hij heeft herhaald dat de persoon die de elleboogstoot uitdeelde een tatoeage op zijn arm had.

4.31. Verder verklaren [eiser] en [naam 8] zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris dat de dader een getatoeëerde arm heeft. Zij hebben ook vanaf het begin [naam 1] als dader aangewezen en het door hen genoemde rugnummer van de speler die heeft geslagen stemt overeen met het rugnummer dat [naam 1] op de dag van het incident droeg. De raadsheercommissaris heeft vastgesteld dat de arm van [naam 1] volledig getatoeëerd is. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] slechts een ster aan de binnenkant van zijn onderarm, net boven de hand, heeft. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat [eiser] en [naam 8] daarop doelden in hun verklaringen. [eiser] spreekt zelf immers van een volledig getatoeëerde arm.

4.32. Uit het voorgaande blijkt dat alle getuigen die vanaf het begin [naam 1] (althans de speler met nummer 6, zijnde [naam 1] ) aanwezen als degene die heeft geslagen, bij die verklaring zijn gebleven, ook ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Daartegenover is van de getuigen die op enig moment [gedaagde] hebben aangewezen, enkel scheidsrechter [naam scheidsrechter] bij zijn verklaring gebleven. Alle andere getuigen wisten zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie van de KNVB niet te herinneren wie geslagen heeft. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris bevestigen zij ook dat zij niets hebben gezien. Alleen bij behandeling door de tuchtcommissie van de KNVB en vlak daarna verklaren die getuigen dat zij [gedaagde] hebben zien slaan. De verklaringen die op dat moment zijn afgelegd, zijn echter zodanig door de gang van zaken bij de tuchtcommissie van de KNVB beïnvloed en daarna ook weer ingetrokken, dat daaraan geen enkele waarde kan worden gehecht.

4.33. Er is maar één (resterende) verklaring die in de richting van [gedaagde] wijst, namelijk de verklaring van [naam scheidsrechter] , maar die wordt door een heel aantal andere verklaringen, waaronder de aangifte van [eiser] zelf, tegengesproken. Alles tegen elkaar afwegend, is de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] degene is die [eiser] heeft geslagen.

4.34. De schuldigverklaring in de uitspraak van de tuchtcommissie van de KNVB kan niet in het voordeel van [eiser] worden meegewogen. Gelet op wat hiervoor in overweging 4.17. over die uitspraak is overwogen, is de motivering voor die schuldigverklaring onnavolgbaar.

6.          Conclusie

4.35. Net als het Gerechtshof in de strafzaak, komt de kantonrechter tot de conclusie dat de tuchtcommissie van de KNVB een sturende rol heeft gehad in het geheel. Door toedoen van de tuchtcommissie zijn de (verklaringen van de) getuigen zodanig ‘besmet’ dat zij onbruikbaar zijn geworden.

4.36. De kantonrechter ziet geen aanleiding om alle getuigen nog een keer te horen. Zij zijn al gehoord door de raadsheer-commissaris en hun verklaringen bevinden zich in het dossier. [eiser] heeft niet gesteld dat de getuigen nu meer of anders zouden kunnen verklaren.

4.37. In deze procedure is niet vast komen te staan dat [gedaagde] degene is geweest die [eiser] heeft geslagen en dus is niet vast komen te staan dat de door [eiser] geleden schade het gevolg is van enig handelen van [gedaagde] . De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

7.          Proceskosten

4.38. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 1.058,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 529,00).

  • De beslissing

De kantonrechter

  • wijst de vorderingen van [eiser] af,
  • veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot op heden begroot op € 1.058,00,
  • verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de hierin uitgesproken proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2023.

TD

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey