Hof: whiplash, causaal verband tussen psychische klachten en ongeval aannemelijk, benoeming verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige

Samenvatting:

Ongeval 2010, eigenaresse restaurant. Het hof acht, na een deskundigenbericht, het causaal verband tussen de klachten en het ongeval voldoende aannemelijk. Het hof komt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van conditio sine qua non verband tussen het ongeval en de door de deskundige vastgestelde psychische klachten. Het hof merkt in dit verband op dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de verhoogde kwetsbaarheid van benadeelde zonder ongeval ook tot de door de deskundige vastgestelde psychische klachten zou hebben geleid.

 

ECLI:NL:GHARL:2021:6789, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.166.295/01 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:GHARL:2021:6789

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

13-07-2021

Datum publicatie

15-07-2021

Zaaknummer

200.166.295/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2018:1661. Letselschade. Het hof acht, na een deskundigenbericht, het causaal verband tussen de klachten en het ongeval voldoende aannemelijk. Deskundigenonderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige is nu de volgende stap.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.166.295/01

 

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/16/347471)

 

arrest van 13 juli 2021

in de zaak van

 

[appellante] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellante,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

 

hierna: [appellante],

 

advocaat: mr. J. Schep, die kantoor houdt te Amersfoort,

 

tegen

 

N.V. Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij,

 

gevestigd te Nijmegen,

 

geïntimeerde,

 

bij de rechtbank: eiseres in conventie en gedaagde in reconventie,

 

hierna: Bovemij,

 

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels, die kantoor houdt te Arnhem.

 

1Het verdere verloop van de procedure bij het hof

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 oktober 2019 hier over.

 

1.2

In aansluiting op dit tussenarrest heeft de door het hof benoemde deskundige een schriftelijk deskundigenbericht opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

 

1.3

Daarna hebben partijen de volgende processtukken ingediend:

– een memorie na deskundigenbericht (met producties) van [appellante] ;

– een antwoordmemorie na deskundigenbericht van Bovemij.

 

1.4

Vervolgens hebben partijen de nog niet eerder overgelegde processtukken overgelegd en heeft het hof een datum vastgesteld waarop het arrest wordt uitgesproken.

 

1.5

Het hof merkt op dat mr. I.M. Clement, die de eerdere tussenarresten in deze zaak heeft meegewezen en die ook deel uitmaakte van de combinatie ten overstaan van wie de comparitie van 18 september 2018 plaatsvond, niet meer aan het hof is verbonden. Haar plaats is ingenomen door mr. M. Willemse. Partijen zijn daarvan op 28 mei 2021 in kennis gesteld, maar hebben het hof niet verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling.

 

2

  1. De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

Stand van zaken tot en met het vorige tussenarrest

2.1 In deze langlopende zaak gaat het om de afwikkeling van de (letsel)schade van [appellante] ten gevolge van een haar in 2010 overkomen verkeersongeval. Partijen hebben tal van geschilpunten en polemiseren over die geschilpunten in de tot nu toe gewisselde processtukken.

 

2.2

In het tussenarrest van 20 februari 2018 is het hof ingegaan op één van de uitgangspunten van [appellante] voor de schadebegroting, dat zij zonder ongeval € 80.000,- netto inkomen per jaar zou hebben behaald met het restaurant dat zij met haar echtgenoot exploiteerde. Het hof heeft dit uitgangspunt verworpen en heeft overwogen dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat de inkomsten uit het restaurant meer dan € 15.000,- bruto hebben bedragen. Het hof overwoog verder dat ervan moet worden uitgegaan dat de inkomsten uit het restaurant gelijk tussen [appellante] en haar echtgenoot werden gedeeld.

Het hof heeft een comparitie van partijen gelast om informatie in te winnen over een ander geschilpunt tussen partijen, het bestaan en de omvang van de klachten van [appellante] .

 

2.3

Nadat deze comparitie had plaatsgevonden, heeft het hof in het tussenarrest van

9 april 2019 overwogen dat ook in deze zaak moet worden getoetst of de, moeilijk te objectiveren, klachten van [appellante] aannemelijk (‘plausibel’) zijn en dat dit doorgaans het geval zal zijn wanneer kan worden vastgesteld dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten.

Omdat in de buitengerechtelijke fase, in 2012, op verzoek van beide partijen een expertise is verricht door de psychiater dr. [de psychiater1] , maar inmiddels geruime tijd is verstreken en zich in die tijd relevante gebeurtenissen hebben voorgedaan (een behandeling door een psycholoog en een psychiater en een nieuw ongeval), is het rapport van dr. [de psychiater1] niet meer up to date. Een in opdracht van [appellante] uitgebracht rapport van psychiater

  1. [de psychiater2] is fundamenteel bekritiseerd door Bovemij. Om die reden heeft het hof behoefte aan een nieuwe expertise door dr. [de psychiater1] , wiens eerdere rapport voor beide partijen acceptabel was en die bereid was een nieuw onderzoek te doen.

 

2.4

Om gezondheidsredenen heeft dr. [de psychiater1] het hof verzocht hem als deskundige te ontslaan. In het tussenarrest van 22 oktober 2019 heeft het hof dat gedaan. In dat arrest heeft het prof. dr. [de deskundige] (hierna: prof. [de deskundige] ) tot deskundige benoemd.

 

Rapport prof. [de deskundige]

2.5 Prof. [de deskundige] heeft [appellante] op 12 december 2019 onderzocht/gesproken en heeft op

24 december 2020 gerapporteerd, nadat hij eerder, op 12 augustus 2020, zijn concept-rapport naar de advocaten van partijen had gestuurd. In het definitieve rapport, gaat hij in op het commentaar van de advocaten van partijen op het concept-rapport.

 

2.6

Het rapport telt, inclusief de reactie op het commentaar van partijen, 48 pagina’s. In de paragraaf ‘samenvatting’ van zijn rapport schrijft prof. [de deskundige] :

 

‘Betrokkene is een gehuwde 41-jarige vrouw, moeder van twee kinderen en voorheen werkzaam als eigenaar van een restaurant, samen met haar echtgenoot.

Echtgenoot lijdt sinds eind jaren negentig aan moeilijk te controleren aanvallen van

 

epilepsie, waardoor betrokkene een episode klachten had van hyperventilatie en stress.

 

Betrokkene overkomt in 2005 een verkeersongeval buiten haar schuld waarbij haar

 

linkerelleboog en linkerzijde van haar lichaam kneuzingen oplopen, waarvan zij een aantal

 

jaren klachten heeft ondervonden.

 

In 2010 overkomt betrokkene een kopstaartbotsing waarna pijnklachten ontstonden c.q

 

sterk verergerden en waarbij zich ook psychische klachten ontwikkelden van

 

overprikkeldheid, slechte concentratie, gevoelens van angst en somberheid, mede als gevolg van het niet meer kunnen functioneren als leidinggevende in het restaurant, waarna een

 

reeks van sociaal-maatschappelijke problemen aanving met verlies van onroerend goed,

 

inkomen, leidend tot schuldsanering.

 

In februari 2015 was er voorts een beknopt gedocumenteerd auto-ongeval, waarbij een

 

verergering van de bestaande klachten wordt gemeld.

 

Betrokkene is gedurende langere episodes behandeld middels een revalidatie benadering,

 

fysiotherapie, een aantal pogingen tot ambulante psychiatrische behandeling,

 

gesprekstherapie en medicatie, zonder dat dit een grote verandering in de ervaren klachten

 

heeft gebracht.’

 

2.7

Prof. [de deskundige] komt tot de volgende ‘diagnostische beschouwing’:

‘Wanneer de dossiergegevens en huidig onderzoek worden beschouwd vanuit diagnostisch

 

perspectief, komt naar voren dat er over meerdere episodes sprake lijkt te zijn van

 

stemmingsklachten die passen in het kader van een depressieve stoornis, licht ernstig,

 

zonder psychotische verschijnselen, wel met aanwijzingen voor psychomotore onrust en

 

enige vitale symptomatologie. Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat de pijnklachten,

 

zoals betrokkene deze ervaart en die haar belemmeren bij activiteiten in het dagelijks leven

 

en in het verleden bij het uitvoeren van werk in haar restaurant, mogelijk een psychische

 

component hebben. Dat wil zeggen dat de pijnbeleving ook een belangrijke rol speelt in de

 

ervaren klachten. Wat betreft klachten in het angstspectrum waarover in het dossier wel in

 

enkele episodes wordt gerept, in het kader van een post traumatische stressstoornis, valt

 

het volgende op te merken. Wanneer bij huidig onderzoek wordt gekeken naar angstklachten, kunnen deze niet in die mate en continuïteit worden vastgesteld dat er op dit moment nog sprake is van een ingrijpende angststoornis. De waargenomen episodes en gevoelens van agitatie en verlaagde drempel voor prikkels, lijken meer samen te hangen met de ontregelde stemming.

 

Wat betreft de persoonlijkheidsmakeup-up bij betrokkene kan er sprake zijn van een sterk

 

eenzijdige coping strategie vanuit de achtergrond. Er zijn geen aanwijzingen dat er ernstige

 

traumatisering heeft plaatsgevonden en ook de emotionele achtergrond lijkt in grote lijnen

 

van voldoende kwaliteit en continuïteit te zijn geweest.

 

De belangrijkste manier om met tegenslagen, spanning of stress om te gaan, voor

 

betrokkene lijkt te zijn geweest nog meer de touwtjes in handen nemen, activiteiten te

 

ontwikkelen en extra hard werken om het dreigend verlies van controle te compenseren.

 

Er zijn aanwijzingen dat dit bij betrokkene geleid kan hebben tot eerdere episodes van

 

psychische klachten; in het dossier zijn hiervoor aanwijzingen rond de episode dat zich bij

 

een druk bedrijf epilepsie van echtgenoot openbaarde hetgeen een verstoorde nachtrust gaf

en ongerustheid, als gevolg waarvan betrokkene hyperventilatieklachten ontwikkelde, zoals

 

in het huisartsdossier wordt beschreven.

 

Deze informatie is vrij summier, slaapklachten en hyperventilatie worden genoemd, geen

 

daadwerkelijke verdere angstklachten in het kader van een meer uitgebreide paniekstoornis

 

of fobische klachten.

 

Vanuit huidig onderzoek en achtergrondinformatie komen geen aanwijzingen naar voren dat

 

er bij betrokkene sprake is geweest van sterk afhankelijke trekken ofwel dwangmatige

 

aanleg, ofwel sterke wisselingen in emotionele bindingen met de mensen om haar heen.

 

In dit opzicht lijkt er aldus geen sprake te zijn van ernstige persoonlijkheidspathologie,

 

premorbide.

 

De wat aangezette, theatrale toon, waarvan wordt gesproken in een aantal onderzoeksverslagen en die ook onderzoeker enigermate vast kon stellen bij huidig

 

onderzoek, past, bij ontbreken van verdere aanwijzing voor ingrijpende

 

persoonlijkheidspathologie, niet bij een cluster B persoonlijkheidsstoornis.

 

Wanneer wordt gekeken naar het beeld van betrokkene vanuit classificerende DSM 5

 

terminologie kan aldus worden gesproken van:

 

Depressieve stoornis, licht tot matig van ernst, met enige vitale symptomatologie,

 

zonder psychotische fenomenologie, zonder psychomotore verschijnselen.

 

Somatische symptoomstoornis met voornamelijk pijn.

 

Geen persoonlijkheidsstoornis, wel persoonlijkheidstrekken, cluster B.

 

Differentiaal diagnostisch werd gedacht aan een posttraumatische stressstoornis.

 

Hiervoor werden bij huidig onderzoek onvoldoende aanwijzingen gevonden, met name is er

 

geen sprake meer van herbelevingen en of vermijding van het traumagebonden prikkels.

 

Voorts werd differentiaal diagnostisch de mogelijkheid van een persisterende depressieve

 

stoornis in vroegere terminologie dysthymie, d.w.z. een stemmingsstoornis die niet voldoet

 

aan de criteria voor een depressieve stoornis, maar wel een chronisch langdurig karakter

 

heeft, en minder incisieve symptomatologie toont. Deze mogelijkheid is, gezien de lange

 

duur en enige stabilisatie van de klachten, aanwezig.

 

Voorts is de mogelijkheid overwogen van een nagebootste stoornis, d.w.z. het voorwenden

 

van lichamelijke en psychische klachten waarbij aantoonbaar sprake is van misleiding,

 

waarbij men zich als ziek/gehandicapt presenteert en waarbij de gedragscomponent niet

 

wordt verklaard door andere psychische stoornissen. Een onmiddellijke directe prikkel, zoals

 

externe beloning is geen wezenlijk onderdeel hiervan, aangezien het gaat om het streven

 

naar de ziekterol. Deze mogelijkheid kan niet geheel worden uitgesloten, gezien de eerder in

 

het dossier vermelde presentatie van de klachten, de legale context van het geheel en

 

inconsistentie bij de anamnese rond ervaren beperkingen en dagelijks functioneren ten

 

opzichte van gedragsobservaties. Tegen deze overweging pleit de duidelijk aanwezige

 

lijdensdruk en het feit dat er bij huidig onderzoek geen sterke aanwijzingen zijn voor de

 

eerder beschreven aggravatie.’

 

2.8

De vraag naar de anamnese beantwoordt prof. [de deskundige] met een verwijzing naar de onderdelen van zijn rapport waarin de anamnese is weergegeven. Hij vat deze paragraven als volgt samen:

‘Kort samengevat ervaart betrokkene na het onderhavige ongeval in 2010 klachten

 

van pijn, verminderde concentratie, verminderd doorzettingsvermogen, episodisch

 

optredende angsten en herbelevingen in de eerste fase, later stemmingsklachten,

 

somberheid, verhoogde irritabiliteit voor emotionele prikkels en voor audio-visuele

 

prikkels en verminderde energie. Betrokkene zelf geeft aan dat zij in veel activiteiten

 

wordt belemmerd door dit klachtenpatroon, ondermeer bij de dagelijkse

 

handelingen, zoals dragen, tillen, boodschappen doen, activiteiten die langduriger

 

concentratie vragen, verder reizen dan in de onmiddellijke omgeving en het

 

uitoefenen van werk. Er zijn geen beperkingen ten aanzien van de persoonlijke

 

verzorging genoemd.’

 

2.9

Het rapport bevat een uitgebreide weergave van de medische voorgeschiedenis, die in antwoord op de vraag naar de medische voorgeschiedenis op psychiatrisch gebied en naar de behandeling, als volgt wordt samengevat:

‘- (…) Kort samengevat: betrokkene heeft geen medische voorgeschiedenis op psychiatrisch terrein in engere zin, voorafgaand aan het ongeval in 2010. Er is wel sprake van eerdere episodes van gevoelens van spanning en hyperventilatie, waargenomen in de eerste lijn en er is sprake van een langduriger verloop van pijnklachten, waarbij een psychische component een rol kan hebben gespeeld na een eerste ongeval in 2005.

 

– Betrokkene is op meerdere wijzen behandeld middels fysiotherapie, revalidatieprogramma’s en een poging tot meer intensieve behandeling van een somatische symptoomstoornis die niet van de grond is gekomen, vanwege een comorbide depressieve stoornis en gebrek aan ziekte-inzicht dan wel vermogens om zich verder dan de pijnklachten te verdiepen in achterliggende gedragspatronen en motieven. Ambulante gesprekken en antidepressieve en dempende medicatie zijn uitgevoerd over langere episodes in GGZ verband.’

 

2.10

Op de vraag of er sprake is van samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen via [appellante] zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij het onderzoek, geeft prof. [de deskundige] het volgende antwoord:

‘Er is op verschillende niveaus sprake van inconsistentie. Vooreerst in de

 

voorgeschiedenis van betrokkene, waarbij zij aangeeft dat het ruim voorafgaand aan

 

het ongeval in 2010, eigenlijk vlekkeloos ging op lichamelijk en psychisch terrein.

 

Evenwel zijn er aanwijzingen dat er toch sprake is geweest van restklachten, de

 

eerste jaren na het ongeval in 2005, en lijkt het ook dubieus of betrokkene volstrekt

 

vrij was van pijnklachten in hetzelfde spectrum voorafgaand aan het ongeval.

 

Betrokkene zelf ervaart een zeer grote cesuur bij de situatie voorafgaand aan het

 

ongeval in 2010 en haar gezondheidstoestand erna.

 

Zij illustreert dit ook met het feit dat zij in 2008 een tweede kind heeft gekregen, gepland, aangezien het in meerdere opzichten goed ging met haar gezondheid.

 

Voorts is er geen volstrekt onbelaste voorgeschiedenis, wanneer wordt gekeken naar het huisartsdossier. Er zijn eerdere fases geweest met stress of angstklachten, waarbij hyperventilatie wordt genoemd in een periode, waarin er ook sprake was van vrij ernstige stressoren in de vorm van de epileptische aanvallen van echtgenoot die hierdoor ook uitviel in het restaurant. Onderzoeker ziet hier een lichte inconsistentie in m.b.t. de beleving van betrokkene die aangeeft dat zij volstrekt gezond was en eigenlijk nooit klachten had op psychisch of fysiek terrein, maar integendeel zeer hard werkte en erg veel energie in de zaak kon steken.

 

Tenslotte is er een inconsistentie m.b.t. het dagverhaal dat betrokkene aangeeft bij eerder onderzoek in het dossier en ook enigermate bij huidig onderzoek en de gedragsobservaties, zoals die zijn verricht waaruit naar voren komt dat betrokkene beter in staat is dan zijzelf inschat, te fietsen, te lopen, te tillen en activiteiten te ontplooien overdag.

Betrokkene verklaart dit door aan te geven dat dit slechts momentopnamen zijn die niet weergeven hoe haar dagen er door de bank genomen uitzien.’

 

2.11

Prof. [de deskundige] komt tot de volgende diagnose:

‘In classificerende DSM 5 terminologie kan aldus worden gesproken van:

 

Depressieve stoornis, licht tot matig van ernst, met enige vitale symptomatologie, zonder psychotische fenomenologie, zonder psychomotore verschijnselen.

 

Somatische symptoomstoornis met voornamelijk pijn.

 

Geen persoonlijkheidsstoornis, wel persoonlijkheidstrekken, cluster B.

 

Voor de differentiaal diagnostische overwegingen mag worden verwezen naar de

 

paragraaf diagnostische beschouwing.’

 

2.12

De vraag naar de beperkingen beantwoordt prof. Stel als volgt:

‘Onderzoeker komt tot de conclusie dat het op twee vlakken aannemelijk is dat er sprake kan zijn van een psychiatrische stoornis, namelijk een somatische symptoomstoornis, met voornamelijk pijn en in de vorm van een depressieve stoornis, licht tot matig van ernst.

 

De beperkingen die hieruit voortvloeien vanuit psychiatrisch perspectief kunnen worden aangegeven in een FML, uitgaande van deze diagnostische overweging.’

Prof. [de deskundige] verwijst naar de volgende FML (Functiemogelijkhedenlijst):

‘De geschatte beperkingen in navolgende FML komen tot stand op grond van psychiatrisch

 

diagnostische overwegingen en zijn geen uitwerking naar functionele beperkingen.

 

Hiervoor is een verzekeringsgeneeskundige inschatting nodig en een arbeidsdeskundige

 

vertaalslag.

 

PSYCHISCHE BELASTBAARHEID: normaal/licht beperkt/matig beperkt/beperkt/sterk

 

beperkt

 

Structuur van de werkzaamheden: normaal

 

Verantwoordelijkheid en afbreukrisico: licht beperkt

 

Tijdsdruk en al dan niet dwingend tempo: licht beperkt

 

Concentratie en verdelen van aandacht: normaal

 

Conflicthantering: licht beperkt

 

Omgang met anderen/leidinggevenden: normaal

 

Emotionele belasting:(problemen van anderen) licht beperkt’

 

2.13

Over het al dan niet bestaan van een eindtoestand merkt prof. [de deskundige] het volgende op:

‘Het is aannemelijk dat er sprake is van een vrij stabiel patroon, gezien het beloop in de afgelopen paar jaar. Verbetering is mogelijk wanneer de sociaal-maatschappelijke situatie van betrokkene zou verbeteren en er voor betrokkene weer gerichte activiteiten mogelijk worden, waarin zij haar ambitie en haar resterende energie kwijt kan, hetgeen kan leiden tot een beter zelfgevoel.

 

Een verslechtering is vanuit de huidige bekende informatie niet aannemelijk.’

 

2.14

Aan prof. [de deskundige] is de vraag voorgelegd of hij onderzoek heeft gedaan naar mogelijke aggravatie of simulatie van klachten door [appellante] en hem is gevraagd op een schaal van 1 tot 10 de mate van de door hem geconstateerde aggravatie vast te stellen. Prof. [de deskundige] heeft deze vragen als volgt beantwoord:

‘Er is zeker gekeken naar de mogelijkheid van aggravatie van klachten door betrokkene. Hiervoor mag ook worden verwezen naar de paragraaf diagnostische beschouwing. Zoals gesteld kan deze mogelijkheid niet volledig worden uitgesloten, en kunnen aspecten van een nagebootste stoornis een rol spelen in het beeld, zeker aangezien het om een juridisch legale context gaat. Simulatie is geen psychiatrische diagnose en is het bewust voorwenden van symptomatologie teneinde direct gewin voor zichzelf te verwerven. Onderzoeker heeft deze mogelijkheid gewogen, mede gezien de inconsistenties bij de eerdere gedragsobservaties doch acht die mogelijkheid nu niet aannemelijk, gezien de hoge lijdensdruk van betrokkene bij onderzoek, en de presentatie.

Het lijkt bij deze vraag [hof: de vraag naar de mate van aggravatie] alsof ‘aggravatie’ een diagnostische term is geworden. Dat is het naar mening van onderzoeker beslist niet. Aggravatie betekent het aanzetten, aandikken van symptomatologie teneinde de ziekterol aan te nemen ofwel met andere doelen.

 

Aggravatie is aldus een zelfstandig naamwoord, komend van aggraveren, aanzetten of versterken. Dit is een term bij psychiatrisch onderzoek en hangt samen met de presentatie van de klachten en geen diagnostische uitspraak.

 

In het dossier wordt op enkele momenten aggravatie genoemd in de psychiatrische expertises. Bij de interpretatie van deze term in die context ziet onderzoeker het als een onderdeel bij psychiatrisch onderzoek, waarbij klachten op een bepaalde manier worden gepresenteerd. Niet meer en niet minder. Bij het onderzoek in deze expertise was er geen sprake van een overdreven sterk aangezette presentatie, anders dan passend in de context en mogelijk ook vanuit de culturele achtergrond van betrokkene.

Onderzoeker is niet bekend met een ‘gevalideerde aggravatieschaal’ en voelt zich niet geroepen dit op een schaal van 1 op 10 aan te geven, aangezien de betekenis daarvan onduidelijk is.’

 

2.15

Op de vraag of er bij [appellante] vóór het ongeval op psychiatrisch gebied klachten bestonden, die ze nu heeft, antwoordt prof. [de deskundige] :

‘Naar inschatting van onderzoeker bestonden er bij betrokkene voorafgaand aan het ongeval klachten en mogelijk ook afwijkingen die in het spectrum liggen van de huidige klachten. Met name de pijnklachten na het eerste ongeval in 2005 overlappen deels met het huidige klachtenpatroon. Zoals eerder aangegeven zouden deze klachten geheel naar de achtergrond zijn gegaan voorafgaand aan 2010, maar bestaat er inconsistentie naar mening van onderzoeker op dit vlak. Voorts is er sprake van spanningsklachten, hyperventilatie, zeer waarschijnlijk op basis van een forse stressor, de ontstane epilepsie van echtgenoot in eerdere fases.

 

Angstsymptomatologie in dit kader heeft zich aldus eerder voorgedaan bij betrokkene, hetgeen zou kunnen betekenen dat zij verhoogd gevoelig is voor het ontwikkelen van klachten in dit spectrum bij externe stressoren. Van belang is dat onderzoeker bij huidig onderzoek, zie ook diagnostische beschouwing, geen aanwijzingen vindt dat angstsymptomatologie in de vorm van een posttraumatische stressstoornis of een angststoornis anderszins op dit moment een belangrijke rol speelt in het beeld.’

Of [appellante] op psychiatrisch gebied klachten heeft die er ook zouden zijn geweest of hadden kunnen zijn wanneer het ongeval haar niet was overkomen, kan prof. [de deskundige] niet aangeven. Over de betekenis van het ongeval in 2015 in dit kader merkt hij op:

‘Ten aanzien van de impact op het gehele beeld en functioneren van het ongeval in 2015 is het niet goed mogelijk een inschatting te maken. Zeer beknopt wordt hiervan melding gemaakt in het huisartsdossier en in de psychiatrische expertise van collega [de psychiater2] , als vermeld. Betrokkene geeft aan dat dit ongeval een relatief licht ongeval betreft en dat er sprake was van verergering van de klachten van voordien.

 

Voor onderzoeker is het niet mogelijk een schatting te geven op grond van deze informatie van de invloed van dit ongeval op het psychiatrisch beeld nu.’

Het is volgens prof. [de deskundige] niet goed aan te geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang zich zonder ongeval psychiatrische klachten zouden hebben ontwikkeld.

 

2.16

De vraag of de ernst en de duur van de vastgestelde klachten van [appellante] een indicatie vormen voor het bestaan van een bijzondere kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van klachten bij tegenslag wordt door prof. [de deskundige] als volgt beantwoord:

‘Zie bovenstaande overwegingen in eerdere episodes van betrokkenes bestaan voorafgaand aan het ongeval in 2005 en na het ongeval 2008-2010.’

 

2.17

Prof. [de deskundige] geeft het volgende advies over de behandeling van [appellante] :

‘Er is een poging gedaan uitgaande vanuit de diagnostische optie dat er bij betrokkene sprake is van een somatische symptoomstoornis met pijn, deels verklaard door psychische aspecten, een meer intensieve behandeling te doen op dit vlak.

 

Betrokkene kwam hiervoor niet in aanmerking, gezien de depressieve symptomatologie die toen aanwezig was, de cognities over de klachten en een mogelijk gebrek aan inzicht in onderhoudende factoren.

 

Een lopende juridische procedure werkt voorts negatief bij het inzetten van een dergelijke op positieve resultaten ingerichte behandeling. Op dit moment lijkt een dergelijke behandeling dan ook niet geïndiceerd en haalbaar. De huidige behandeling in de eerste lijn die een continuering vormt van de door de GGZ ingezette behandeling me een antidepressivum en pijnmedicatie lijkt op zich passend bij de huidige situatie.’

 

Waardering van het rapport van prof. [de deskundige]

2.18 Partijen hebben de deskundigheid van prof. [de deskundige] niet in twijfel getrokken. Zij hebben ook geen kritiek geuit op de procedure rond de totstandkoming van het rapport. Het rapport is logisch opgebouwd, prof. [de deskundige] heeft de hem gestelde vragen beantwoord en heeft zijn antwoorden toegelicht, waarbij hij heeft verwezen naar zijn onderzoeksbevindingen. In zijn onderzoek heeft hij ook de resultaten van eerdere onderzoeken en de informatie uit het medisch dossier van [appellante] betrokken. Prof. [de deskundige] is verder uitvoerig ingegaan op de reactie van partijen op zijn concept-rapport en heeft in dat verband eventuele onduidelijkheden opgehelderd en enkele feitelijke onjuistheden gecorrigeerd. Het rapport voldoet dan ook aan de eisen die aan een dergelijk rapport kunnen worden gesteld, zodat het hof in beginsel van de juistheid van dat rapport kan uitgaan.

In beginsel, omdat het hof zich uiteraard wel rekenschap moet geven van de kritiek van partijen op dat rapport.

 

2.19

Het hof stelt vast dat [appellante] geen kritiek heeft op het rapport. Bovemij heeft op zich ook geen kritiek op het rapport, maar voert wel aan dat aan het rapport maar beperkte betekenis toekomt. De reden daarvoor is dat de in het rapport vastgelegde inzichten van prof. [de deskundige] voor een wezenlijk deel afhankelijk zijn van de anamnese, dus van niet verifieerbare informatie van [appellante] . Het verleden heeft geleerd dat [appellante] enkele malen apert onjuiste informatie heeft verstrekt, zodat – begrijpt het hof de stellingen van Bovemij – er niet (zonder meer) vanuit kan worden gegaan dat ze aan prof. [de deskundige] wel correcte informatie heeft verstrekt. Bovendien is wezenlijke informatie – Bovemij noemt informatie over de status van [appellante] als vluchteling – niet beschikbaar.

 

2.20

Het hof volgt Bovemij niet in dit betoog, dat overigens grotendeels een herhaling is van een in eerdere fase van de procedure ingenomen, en door het hof al verworpen, standpunt.

Allereerst is aan een deskundigenbericht in een ‘medische zaak’, zeker wanneer het gaat om psychiatrische problematiek van de betrokkene, inherent dat het deels is gebaseerd op informatie die afkomstig is van de betrokkene zelf. Dat is nu eenmaal de realiteit, waaraan ook Bovemij niets kan veranderen en waarvoor zij ook geen alternatief naar voren brengt.

Vervolgens kan er niet, en zeker niet a priori, van worden uitgegaan dat indien [appellante] over bepaalde onderwerpen onjuiste informatie heeft verstrekt, zij ook aan prof. [de deskundige] wel onjuiste informatie zal verstrekken. Indien Bovemij meent dat [appellante] onjuiste informatie heeft verstrekt aan prof. [de deskundige] , dient zij die onjuistheden te benoemen. Ze kan niet volstaan met de algemene opmerking dat [appellante] ook aan prof. [de deskundige] wel onjuiste informatie zal verstrekken.

Verder heeft prof. [de deskundige] zich niet alleen gebaseerd op informatie van [appellante] , maar ook op informatie van haar behandelend artsen, op informatie uit andere deskundigenrapporten en op zijn eigen onderzoek van [appellante] . Uit zijn rapport volgt dat prof. [de deskundige] de informatie van [appellante] ook heeft getoetst op inconsistenties en dat hij die inconsistenties ook heeft benoemd. Ook heeft hij de mogelijkheid van aggravatie onderkend en uitdrukkelijk besproken.

Ten slotte heeft prof. [de deskundige] onder ogen gezien dat de informatie over het ‘vluchtelingenverleden’ van [appellante] niet compleet is en dat er op dit punt vragen overblijven. In antwoord op de reactie van Bovemij op dit punt heeft hij aangegeven dat hij dit aspect in zijn bevindingen heeft meegewogen:

‘Onderzoeker heeft dit gewogen en ook in de beschouwing bij de diagnostiek onder kwetsbaarheid naar vermogen geformuleerd. Het punt dat zich ernstige stressoren in iemands leven hebben voorgedaan, hoeft op zich niet te duiden op een verhoogde kwetsbaarheid voor psychische decompensatie op latere leeftijd.’

 

2.21

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het hof uitgaan van de bevindingen van prof. [de deskundige] en van de door hem gegeven antwoorden.

 

De psychiatrische klachten van [appellante]

2.22 Het hof gaat uit van de psychiatrische diagnose die prof. [de deskundige] in zijn antwoord op de vragen 1f. (rov. 2.11) en 1g. (rov. 2.12) heeft gegeven. Daarvan uitgaande is bij [appellante] sprake van een somatische symptoomstoornis met voornamelijk pijn en van een depressieve stoornis, licht tot matig van ernst. Bij het stellen van deze diagnose heeft prof. [de deskundige] de mogelijkheid van simulatie uitdrukkelijk overwogen, maar als niet voldoende aannemelijk verworpen (antwoord op vraag 1l.) en heeft hij ook rekening gehouden met aggravatie (antwoord op vraag 1m.) (rov. 2.14). Ook heeft hij de inconsistenties in de anamnese in aanmerking genomen (antwoord op vraag 1d., rov. 2.10). Het hof merkt in dit verband op dat Bovemij te veel waarde hecht aan de aan het slot van punt 2.7 weergegeven laatste alinea van de diagnostische beschouwing van prof. [de deskundige] . Prof. [de deskundige] geeft daar aan dat simulatie niet kan worden uitgesloten. Vervolgens schrijft hij – samengevat – dat de argumenten tegen simulatie sterk genoeg zijn om toch geen simulatie aan te nemen. Het door hem op vraag 1l. gegeven antwoord ligt in het verlengde daarvan. Bovemij gaat dan ook nogal eclectisch te werk door één aspect uit de beschouwingen van prof. [de deskundige] te belichten en verliest zo de essentie en de context van die beschouwing, en van de daarop geformuleerde conclusie, uit het oog.

 

Causaal verband tussen de psychiatrische klachten en het ongeval

2.23 Zoals Bovemij terecht opmerkt kan, gelet op wat zij noemt de ‘whiplash jurisprudentie’, onder een aantal voorwaarden juridisch causaal verband (conditio sine qua non verband) worden aangenomen. Die voorwaarden zijn dat voor het ongeval geen sprake was van de vastgestelde klachten, dat het ongeval de klachten kan verklaren en dat een (aannemelijke) alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt. Het hof zal nagaan of aan deze voorwaarden is voldaan.

 

2.24

Volgens Bovemij is niet voldaan aan de eerste voorwaarde. Zij wijst in dat verband op het antwoord van prof. [de deskundige] op vraag 2a (rov. 2.15), inhoudende dat er bij [appellante] voorafgaand aan het ongeval klachten en mogelijk ook afwijkingen bestonden ‘die in het spectrum liggen van de huidige klachten’ en dat met name de pijnklachten na het eerste ongeval van 2005 de huidige pijnklachten deels overlappen. Prof. [de deskundige] wijst er daarbij op dat [appellante] heeft aangegeven dat die klachten in 2010 niet meer speelden, maar dat juist op dit vlak sprake is van inconsistenties. Ook wijst hij op pre-existente spanningsklachten en angstsymptomatologie, waarbij hij opmerkt dat daarvan nu geen sprake meer is. Bovemij benadrukt dat de onbetrouwbaarheid van [appellante] zich juist hier – waar prof. [de deskundige] ook inconsistenties heeft vastgesteld – wreekt. Daardoor kan er niet van worden uitgegaan dat voor het ongeval van 2010 geen sprake was van vergelijkbare klachten.

 

2.25

Hoewel er wel wat te zeggen valt voor het betoog van Bovemij, gaat het hof er toch niet in mee. Daarvoor is het volgende redengevend.

Allereerst heeft prof. [de deskundige] niet vastgesteld dat bij [appellante] vóór 2010 sprake was van dezelfde klachten en dat toen ook de diagnose kon worden gesteld die hij heeft gesteld. Prof. [de deskundige] heeft het niet voor niets over klachten die in het spectrum liggen van de huidige klachten en dat die klachten elkaar deels overlappen. Hij relateert de klachten van toen aan spanningen (‘spanningsklachten’). Uit zijn antwoord volgt, dat van ‘angstsymptomatologie’ nu geen sprake meer is. Dat sluit ook aan bij het eerste deel van de in punt 2.7 aangehaalde diagnostische beschouwing, waarin prof. [de deskundige] ook een verband legt tussen pijnklachten uit het verleden en toen bestaande spanningen.

Kort en goed: de pijnklachten die [appellante] in het verleden had, hadden een andere ‘bron’ dan de pijnklachten die ze nu heeftDaarbij komt, aldus prof. [de deskundige] , dat de episodes van stressgerelateerde klachten die zij had, gepaard ging met goed gecompenseerd functioneren.

Vervolgens heeft prof. [de deskundige] in zijn antwoord op de reactie van de advocaat van [appellante] op het concept-rapport een verduidelijking gegeven van de diagnostische beschouwing op dit punt. Gewezen op de informatie van de huisarts uit 2004 en 2005 en op een verklaring van de huisarts uit 2018 inhoudende dat [appellante] voor 2010 de huisarts nauwelijks bezocht (afgezien van een korte periode na het ongeval in 2005) schrijft prof. [de deskundige] :

‘Onderzoeker heeft notie genomen van deze verklaring en heeft deze meegewogen in de uiteindelijke weging met de context van de opmerkingen uit de eerder genoemde journaalregels van de huisarts (…). Hierbij dient tevens te worden opgemerkt dat op basis van huidig onderzoek en achtergrondinformatie geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat er bij betrokkene sprake is geweest van ‘sterk afhankelijke trekken of dwangmatige aanleg, ofwel sterke wisselingen in emotionele bindingen met mensen om haar heen. In dit opzicht lijkt er aldus geen sprake te zijn geweest van ernstige persoonlijkheidspathalogie premorbide.’De weging hierbij is ook geweest dat het ontwikkelen van epileptische aanvallen bij echtgenoot als een ernstige stressor kan worden aangemerkt, waarbij het ontwikkelen van spanning, angstklachten en hyperventilatieklachten niet geduid kan worden als een daadwerkelijke stoornis. Niettemin is wel sprake van enige reactieformatie, c.q. het ontwikkelen van lichamelijke klachten als uiting van stress.’

Even verderop, in antwoord op een volgende opmerking van de advocaat van [appellante] , schrijft prof. [de deskundige] :

 

‘Uw vraag luidt of er sprake is van een episode voorafgaand aan het ongeval in 2010. Zoals eerder geformuleerd is deze informatie gewogen op basis van de eerder genoemde regels in het huisartsjournaal en op basis van de anamnese over de episode waarin echtgenoot van betrokkene epilepsie kreeg.

Naar mening van onderzoeker ontbreken voldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van een daadwerkelijke psychiatrische stoornis voorafgaand aan 2010, maar kan er wel sprake zijn van een hoger dan gemiddelde kwetsbaarheid in dit opzicht, zoals genoemd op voornoemde pagina’s bij de diagnostische beschouwing.’

Uit deze passages volgt ook dat prof. [de deskundige] onvoldoende grond vindt voor het aannemen van pre-existentie ten aanzien van de door hem vastgestelde klachten.

Verder gaat prof. [de deskundige] in zijn antwoord op de reactie van de advocaat van Bovemij in op de door Bovemij in haar memorie na deskundigenbericht ingenomen stelling dat prof. [de deskundige] niet beschikt over alle relevante medische informatie. Prof. [de deskundige] stelt vast dat er geen psychiatrische diagnose is vastgesteld vóór 2010 omdat er geen psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden noch een verwijzing naar een 2e lijns specialist. Hij vervolgt:

‘Onderzoeker heeft een weging gemaakt van deze informatie en het belang hiervan wat betreft premorbide kwetsbaarheid, zoals ook tot uitdrukking komt bij de diagnostiek.’

Uit dit antwoord leidt het hof af dat prof. [de deskundige] zelf vindt dat hij over voldoende medische informatie beschikt om zich een oordeel te vormen over eventuele pre-existenties. Het hof ziet geen reden om prof. [de deskundige] niet te volgen in dit, bij uitstek op het gebied van zijn deskundigheid liggende oordeel. Bovemij heeft trouwens ook niet aannemelijk gemaakt dat meer relevante informatie beschikbaar is.

Ten slotte heeft prof. [de deskundige] ook de door Bovemij vermelde belaste voorgeschiedenis van [appellante] – haar geschiedenis van vluchteling en een situatie van suïcide in de nabije familie – meegewogen in zijn oordeel. Dat komt expliciet naar voren in het antwoord van prof. [de deskundige] op de reactie van de advocaat van Bovemij op het concept-rapport, waar hij schrijft:

‘Punt 3. U refereert aan pagina 24 : ‘dat mevrouw [appellante] als vluchteling naar Nederland is

 

gekomen’ en op pagina 13 wordt aangegeven dat ‘betrokkene naar Nederland is gekomen in

 

1993 aangezien zij als christen niet meer veilig was’.

 

U vraagt zich af of dit verwaarloosbare factoren op psychiatrisch vakgebied zijn.

 

Uiteraard is dit niet het geval. Over het geheel genomen is migratie zeker wanneer er sprake

 

is van dreiging een forse stressor voor een ieder. Dit neemt niet weg dat de mate van

 

adaptatie om met stress en veranderde omstandigheden om te gaan, naast het feit van de

 

migratie zelf, evenzo een belangrijke factor is.

 

Onderzoeker heeft dit gewogen en ook in de beschouwing bij de diagnostiek onder

 

kwetsbaarheid naar vermogen geformuleerd. Het punt dat zich ernstige stressoren in

 

iemand leven hebben voorgedaan, hoeft op zich niet te duiden op een verhoogde

 

kwetsbaarheid voor psychische decompensatie op latere leeftijd.

 

Een suïcide in de familie is in het algemeen zeker van belang bij zeer ernstige

 

stemmingsstoornissen. In het geheel van de diagnostiek wordt dit meegewogen.

 

Naar mening van onderzoeker is dit adequaat gebeurd bij de beschrijving onder

 

diagnostische beschouwing.

 

Punt 4. U vraagt opnieuw naar de rol van mogelijke suïcide in de familie bij vader.

 

Dit is een anamnestisch gegeven en is gewogen in de diagnostiek met betrekking tot de

 

stemmingsklachten en de eventueel aanwezige premorbide kwetsbaarheid.

 

Onderzoeker ziet geen aanleiding op basis van deze informatie tot een andere weging te

 

komen op psychiatrisch gebied.’

Ook hier ziet het hof geen reden om prof. [de deskundige] niet te volgen in diens oordeel; het staat vast dat prof. [de deskundige] de door Bovemij aangedragen feiten en argumenten in zijn oordeel als deskundige, de door hem gemaakte ‘weging’, heeft meegenomen. Bovemij heeft onvoldoende onderbouwd dat prof. [de deskundige] dat op een onjuiste wijze heeft gedaan.

2.26 Al met al is het gelet op het rapport van prof. [de deskundige] voldoende aannemelijk dat de hiervoor vermelde psychiatrische klachten voorafgaand aan het ongeval niet aanwezig waren.

 

2.27

Bovemij heeft niet gemotiveerd weersproken dat deze klachten op zich door het ongeval kunnen ontstaan. Het rapport van prof. [de deskundige] biedt op dit punt ook geen enkele contra-indicatie.

 

2.28

Voor deze klachten zijn op zichzelf alternatieve oorzaken denkbaar. In zijn rapport heeft prof. [de deskundige] ook aandacht gegeven aan deze mogelijke alternatieve oorzaken, zoals decompensatie vanwege de belaste voorgeschiedenis, ernstige stress vanwege overbelasting, de ‘impact’ van de ziekte van de echtgenoot en andere life events, zoals de migratie en de suïcide van een nabij familielid, maar hij concludeert niet dat die een verklaring vormen voor de door hem vastgestelde psychische klachten. In het antwoord op vraag 2c (rov. 2.15) – de vraag of de klachten ook zouden hebben bestaan zonder het ongeval – gaat prof. [de deskundige] alleen in op een andere alternatieve oorzaak, het ongeval van 2015. De beide advocaten verzoeken hem daarom om meer duidelijkheid te geven. In antwoord op de reactie van de advocaat van [appellante] schrijft prof. [de deskundige] dan:

‘4.7 vraag 2 a. Zoals u ook aangeeft is dit aspect van premorbide problematiek uitgebreid

 

aan de orde geweest bij voorgaande punten. Onderzoeker realiseert zich het belang van

 

deze vraag, doch naar diens mening is dit bij de huidige formulering adequaat weergegeven

 

en geïllustreerd bij de beantwoording van de voorgaande punten.

 

4.8.

Er zijn geen harde aanwijzingen dat zich in eerdere fases symptomatologie heeft

 

voorgedaan die voldoende duur en ernst heeft aangenomen om te kunnen spreken van een

 

posttraumatische stress stoornis of angststoornis, gebaseerd op eerdere expertises,

 

dossieronderzoek en anamnese en huidig onderzoek.

 

4.9 2

  1. Idem.’

De advocaat van Bovemij krijgt het volgende antwoord:

‘Punt 5. U vraagt naar een formulering op pagina 25 bij psychiatrisch onderzoek: ‘Lijdensdruk in die zin is aanwezig. Inzicht in mogelijke andere onderhoudende factoren poneer als beperkt’.

 

Bedoeld wordt met deze formulering bij psychiatrisch onderzoek dat betrokkene beperkt in

 

staat is psychische factoren mede te beschouwen in de context van de gehele situatie versus

 

de lichamelijk beleefde klachten. Het gaat hier om psychiatrische terminologie waarbij

 

betrokkene verminderd in staat is om inzicht te hebben in andere onderhoudende factoren,

 

waarbij onvermogen of onwil geen onderscheidende factor is.

(…)

Punt 7. U geeft aan dat bij de beantwoording van de vraag op pagina 32 en 33 2c 2f wordt ingegaan op de gevolgen van het ongeval in 2015.

 

U verzoekt de vragen c t/m f ook te beantwoorden als ware er geen ongeval in 2015 geweest

 

en daar ook de reactie op vraag 8 te betrekken.

 

Onderzoeker is uitgegaan bij de beantwoording van de vragen 2 c t/m 2 f van het ongeval in

 

2010 en heeft een inschatting gemaakt van de impact op het gehele beeld en functioneren

 

van het ongeval in 2015. Zie de laatste alinea: Ten aanzien van de impact op het gehele

 

beeld en functioneren van het ongeval in 2015 is het niet goed mogelijk een inschatting te

 

maken. Zeer beknopt wordt hiervan melding gemaakt in het huisartsdossier en in de

 

psychiatrische expertise van collega [de psychiater2] , als vermeld. Betrokkene geeft aan dat dit

 

ongeval een relatief licht ongeval betreft en dat er sprake was van verergering van de

 

klachten van voordien.

 

Voor onderzoeker is het niet mogelijk een schatting te geven op grond van deze informatie

 

van de invloed van dit ongeval op het psychiatrisch beeld nu.’

 

Dit betekent dat onderzoeker geen antwoord kan geven op de vraag in welke mate het

 

laatste ongeval in 2015 een bijdrage vormt bij het huidige beeld. Met andere woorden: de

 

precieze invloed van het ongeval in 2015 is niet in te schatten door onderzoeker doch wordt

 

als relatief gering ingeschat op basis van de beschikbare informatie in de anamnese en in het

 

dossier.

 

Onder le werd de vraag geformuleerd ‘Vormt de ernst en de duur van de door u

 

vastgestelde klachten van betrokkene een indicatie voor het bestaan van een bijzondere

 

kwetsbaarheid van betrokkene voor het ontwikkelen van klachten bij tegenslag?’

 

Met betrekking hiertoe mag worden verwezen naar de beantwoording van vraag 1 b, eerste

 

deel, waar wordt samengevat: ‘Betrokkene heeft geen medische voorgeschiedenis op

 

psychiatrisch terrein in engere zin, voorafgaand aan het ongeval in 2010. Er is wel sprake van eerdere episodes van gevoelens van spanning en hyperventilatie, waargenomen in de eerste lijn en er is sprake van een langduriger verloop van pijnklachten, waarbij een psychische component een rol kan hebben gespeeld na een eerste ongeval in 2005.’

 

Dit betekent dat er een wat verhoogde premorbide kwetsbaarheid wordt aangenomen bij

 

betrokkene ten aanzien van het ontwikkelen van klachten, voorafgaand aan het ongeval in

 

2005 en evenzo voor het beloop tot het ongeval in 2010. Over de impact van het ongeval in

 

2015 kan , zoals vermeld, geen meer precieze inschatting worden gemaakt, anders dan op

 

basis van het vermelde in het dossier en de auto-anamnese.

 

Onderzoeker gaat er van uit dat het destijds uitgebrachte rapport van [de psychiater2]

 

onderdeel is van het dossier en heeft dit als zodanig meegewogen bij de beantwoording van

 

vraag c.’

Uit deze antwoorden begrijpt het hof dat prof. [de deskundige] wel een verhoogde kwetsbaarheid vaststelt bij [appellante] , maar onvoldoende grond ziet om de factoren die ten grondslag liggen aan die verhoogde kwetsbaarheid als een alternatieve oorzaak voor de door hem vastgestelde psychische klachten te duiden. Het hof volgt prof. [de deskundige] daarin.

 

2.29

Ook het ongeval in 2015 vormt geen alternatieve verklaring, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat de van de nu door prof. [de deskundige] vastgestelde klachten ook in 2015 al sprake was. Dat volgt ook uit het deskundigenrapport van psychiater dr. [de psychiater1] uit 2012 en uit de, ook in het rapport van prof. [A] , aangehaalde informatie van behandelend psychiaters uit 2012, 2013 en (begin) 2015. Het hof merkt in dit verband op dat ook indien de klachten na 2015 mede het gevolg zijn van het ongeval in dat jaar, dit het causaal verband tussen de klachten en het ongeval uit 2010 niet doorbreekt, omdat niet aannemelijk is geworden dat de na 2015 bestaande klachten (deels) alleen het gevolg zijn van het ongeval in 20151.

 

2.30

De conclusie is dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van conditio sine qua non verband tussen het ongeval uit 2010 en de door prof. [de deskundige] vastgestelde psychische klachten. Het hof merkt in dit verband op dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat de verhoogde kwetsbaarheid van [appellante] zonder ongeval ook tot de door prof. [de deskundige] vastgestelde psychische klachten zou hebben geleid2.

 

2.31

De door prof. [de deskundige] vastgestelde psychische klachten kunnen, gelet op de aard van de schade en van de aansprakelijkheid, ook aan dat ongeval worden toegerekend. Dat sprake is van een verhoogde kwetsbaarheid van [appellante] voor vergelijkbare klachten staat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad3, niet aan deze toerekening in de weg. Het hof merkt op dat bij de begroting van de schade eventueel wel rekening kan worden gehouden met deze verhoogde kwetsbaarheid4. In dit verband is van belang dat de verhoogde kwetsbaarheid van [appellante] zich bij [appellante] in de periode vóór het ongeval ook daadwerkelijk heeft gemanifesteerd, doordat zij bij tijd en wijle last heeft gehad van aanmerkelijke spanningsklachten.

 

 

Hoe verder?

2.32 [appellante] meent dat het voor de hand ligt een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige, gevolgd door een onderzoek van een arbeidsdeskundige in te stellen naar respectievelijk de mate waarin zij beperkt is door het ongeval en wat dat betekent voor haar mogelijkheden inkomsten uit arbeid te verwerven, haar zelfwerkzaamheid en haar behoefte aan huishoudelijke hulp.

Bovemij ziet dat anders. Volgens Bovemij is niet aannemelijk dat de door [appellante] geleden en nog te lijden schade meer bedraagt dan het aan haar betaalde voorschot.

 

2.33

Het is weliswaar niet uitgesloten dat uiteindelijk zal worden vastgesteld dat de door [appellante] geleden en nog te lijden schade niet hoger is dan het betaalde voorschot, maar dat is op basis van de nu bekende gegevens niet voldoende aannemelijk om de zaak nu op af te doen. Zoals Bovemij zelf al aangeeft, zou uitgaande van een jaarschade vanwege verlies verdienvermogen van € 7.500,- en een looptijd van 35 jaar deze schadepost (niet gekapitaliseerd – maar kapitalisatie leidt bij de huidige rekenrente niet tot een (aanzienlijke) vermindering van de schade) – € 262.500,- per jaar bedragen. Daar komen dan nog andere schadeposten bij, waarbij het hof mede gelet op het verweer van Bovemij opmerkt dat over diverse door [appellante] gevorderde schadeposten (bijvoorbeeld de schade vanwege huishoudelijke hulp) tal van opmerkingen te maken zijn. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de hiervoor vermelde verhoogde kwetsbaarheid van [appellante] een drukkend effect op de schade heeft. Op dit moment is er dus nog teveel onzekerheid over de omvang van de schade.

 

2.34

Al met al kan er niet aan worden ontkomen om verdere stappen te zetten om de schade van [appellante] te begroten. De benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en vervolgens een arbeidsdeskundige ligt dan het meeste voor de hand. Het heeft de voorkeur van het hof wanneer beide onderzoeken aansluitend plaatsvinden, maar partijen kunnen zich daarover uitlaten. Zij kunnen zich ook uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Het hof merkt in dit verband op dat het wel van belang is dat de verzekeringsgeneeskundige en in zijn/haar voetspoor ook de arbeidsdeskundige onderscheid maken tussen beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval van 2010 en de beperking aan de linker elleboog die het gevolg is van het eerste ongeval.

 

2.35

Het hof zal de zaak dan ook naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door beide partijen.

 

2.36

Het staat partijen uiteraard vrij bij deze stand van zaken, waarin het voor de hand ligt dat voorlopig nog geen eindarrest kan worden gewezen, opnieuw te proberen een schikking te bereiken.

Indien partijen de procedure willen voortzetten, verdient het de voorkeur dat ze met een gezamenlijke voordracht komen betreffende de benoeming van de deskundige(n).

 

3

  1. De beslissing

Het hof:

 

verwijst de zaak naar de rol van 24 augustus 2021 voor akte uitlating deskundigenbericht door beide partijen;

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en M. Willemse en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juli 2021, in aanwezigheid van de griffier.

 

1Vgl. Hof Arnhem 5 april 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AT3339.

 

2Zie Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.10.3 -2.10.5.

 

3Onder meer Hoge Raad 21 maart 1975, NJ 1975/372 en 4 november 1989, NJ 1989/751, herhaald in

Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.10.4.

 

4Hoge Raad 8 februari 1985, NJ 1986/136.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey