Hof: inlener niet aansprakelijk ex art 7:658 lid 4 BW, zorg voor veiligheid lag bij werkgever

Samenvatting:

Eiser, werknemer in dienst van (inmiddels gefailleerd) schoonmaakbedrijf, loopt letsel op tijdens schoonmaakwerkzaamheden in bedrijfshal van bakkerij. Hij stelt de bakkerij als inlener aansprakelijk ex art 7: 658 lid 4 BW. Het hof oordeelt dat de inlener niet aansprakelijk is voor de gevolgen van een bedrijfsongeval dat schoonmaker is overkomen. De zorg voor veilig werken (waaronder het verstrekken van veiligheidsschoenen) tijdens die grote schoonmaak berustte in de eerste plaats bij het schoonmaakbedrijf. Gezien de manier waarop het werk was georganiseerd en werd uitgevoerd, had niet de inlener, maar de werkgever vooral invloed op de werkomstandigheden van de schoonmaker. Aan het vereiste dat eiser de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van de inlener is niet voldaan.

 

 

 

 

ECLI:NL:GHARL:2020:10862, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.255.855 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:GHARL:2020:10862

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

29-12-2020

Datum publicatie

27-05-2021

Zaaknummer

200.255.855

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Artikel 7:658 lid 4 BW.

 

Hof oordeelt dat inlener niet aansprakelijk is voor de gevolgen van een bedrijfsongeval dat schoonmaker, in dienst van een (inmiddels gefailleerd) schoonmaakbedrijf is overkomen in de bedrijfshal van inlenend bedrijf. Gezien de manier waarop het werk was georganiseerd en werd uitgevoerd, had niet de inlener, maar de werkgever vooral invloed op de werkomstandigheden van de schoonmaker. Aan het vereiste dat voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van de inlener is niet voldaan.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

 

afdeling civiel recht

 

zaaknummer gerechtshof 200.255.855

 

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7396832)

 

arrest van 29 december 2020

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [A] ,

 

appellant,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [appellant] ,

 

advocaat: mr. I.J. Penning,

 

tegen:

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bakker Schat B.V.,

 

gevestigd te Soest,

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: Bakker Schat,

 

advocaat: mr. D.M. Gouweloos.

 

1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 juni 2020 hier over.

 

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

 

– de akte van [appellant] ,

 

– de antwoord-akte van Bakker Schat.

 

1.3

Bakker Schat heeft de aanvullende processtukken ingediend. Hierna heeft het hof arrest bepaald.

 

2De motivering van de beslissing in hoger beroep

de ontvankelijkheid van het hoger beroep

 

2.1

Naar aanleiding van het tussenarrest heeft [appellant] een kopie van de dagvaarding van de bodemprocedure en een roljournaal van die procedure overgelegd. Daaruit blijkt dat de eerste roldatum van de bodemprocedure 12 december 2018 was. De dagvaarding in hoger beroep dateert van 4 maart 2019. Dat betekent dat het hoger beroep binnen drie maanden na de eerste roldatum is ingesteld. [appellant] is ontvankelijk is het hoger beroep.

 

inleiding

 

2.2

Het gaat in deze zaak om een bedrijfsongeval dat [appellant] in de nacht van 20 op 21 december 2013 is overkomen in het bedrijf van Bakker Schat. [appellant] was toen als schoonmaker in dienst bij Schoonmaakbedrijf [B] , de eenmanszaak van de heer [C] . Bakker Schat had vanaf 1 januari 2013 (tot en met 2016) de schoonmaak van (volgens de opdrachtbevestiging) ‘de gehele bakkerij binnen als buiten inclusief de aanwezige machines’ uitbesteed aan [B] . [B] (en de opvolgend werkgever) is failliet gegaan. Inzet van de procedure is de vraag of Bakker Schat aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval. [appellant] meent dat dat het geval is en baseert zijn vordering op artikel 7:658 lid 4 BW.

 

de beslissing van het hof

 

2.3

Het hof beslist dat Bakker Schat niet aansprakelijk is voor de schade van [appellant] . Het hof licht deze beslissing hierna toe.

 

het beoordelingskader voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 4 BW

 

2.4

Artikel 7:658 BW gaat over de aansprakelijkheid van een werkgever voor de schade die een werknemer lijdt als gevolg van (hier:) een bedrijfsongeval. Dit artikel legt op de werkgever een zorgplicht met als doel ervoor te zorgen dat werknemers veilig kunnen werken: een werkgever moet zijn bedrijf veilig inrichten en veiligheidsmaatregelen treffen. Deze zaak gaat niet over de aansprakelijkheid van de (oude) werkgever [B] , maar over de mogelijke aansprakelijkheid van Bakker Schat voor de schade van [appellant] . Die situatie is geregeld in lid 4 van artikel 7:658 BW. Daarin staat dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf werk laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, aansprakelijk is voor de schade die die persoon lijdt in de uitoefening van de werkzaamheden. Op grond van dit wetsartikel kunnen dus ook niet-werknemers een onderneming bij wie zij werken aansprakelijk stellen voor schade die zij lijden door een bedrijfsongeval, als die schade het gevolg is van het tekortschieten in de zorgplicht door die onderneming. De bedoeling van het artikel is bescherming te bieden aan personen die zich in een met de ‘echte’ werknemer vergelijkbare positie bevinden als het gaat om door de werkgever voor de veiligheid in acht te nemen zorgverplichtingen.

 

2.5

De Hoge Raad heeft in een uitspraak uit 2012 uitgewerkt wanneer een niet-werkgever zoals Bakker Schat op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is. Toegepast op deze zaak is daarvoor nodig:

 

( i) dat de werkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van Bakker Schat, èn

 

(ii) dat [appellant] voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van Bakker Schat. Voor beantwoording van deze laatste vraag gaat het om de omstandigheden van dit geval en moet -onder meer- gekeken worden naar:

 

  1. de feitelijke verhoudingen tussen betrokkenen,

 

  1. de aard van de verrichte werkzaamheden en

 

  1. de mate waarin Bakker Schat, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van [appellant] en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

 

toepassing van het beoordelingskader op deze zaak

 

2.6

Het hof begint met bespreking van het hiervoor onder (ii) genoemde vereiste. Het hof oordeelt dat aan dit vereiste niet is voldaan.

 

2.7

Uit de processtukken en de stellingen van partijen blijkt hoe de verhoudingen tussen de betrokken partijen was en hoe in de praktijk uitvoering werd gegeven aan de schoonmaakopdracht. Bakker Schat besteedt de schoonmaakwerkzaamheden van de bakkerij uit aan een schoonmaakbedrijf. In 2013 was dat [B] . [B] ontving voor deze opdracht van Bakker Schat een bedrag van € 11.500,- exclusief BTW per vier weken. Schoonmakers in dienst van [B] werkten bij Bakker Schat met eigen materialen van [B] . Bakker Schat stelde voor de opslag daarvan een afsluitbare ruimte ter beschikking. In de praktijk werd aldus gewerkt dat doordeweeks iedere ochtend één werknemer van [B] bij Bakker Schat schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. In het weekend, van vrijdagnacht tot ongeveer 15.00 uur op zaterdag vond de zogeheten ‘grote schoonmaak’ plaats. Het productieproces in de bakkerij was dan afgerond en de machines stonden stil. Deze grote schoonmaak werd gedaan in twee ploegen van 15 tot 20 personen onder leiding van een leidinggevende van [B] ( [C] ). De heer [D] , hoofd facilitaire dienst, was de contactpersoon bij Bakker Schat. Hij was soms bij het begin en vaak aan het einde van de grote schoonmaak aanwezig om zo nodig instructies te geven over wat er (eventueel opnieuw) schoongemaakt moest worden en om de schoonmaakwerkzaamheden na afloop te controleren. Het bedrijfsongeval van [appellant] heeft zich voorgedaan in de nacht van vrijdag op zaterdag in het kader van de grote schoonmaak. Het hof zal daarom nader ingaan op de gang van zaken tijdens die werkzaamheden.

 

2.8

Uit de feiten volgt dat de schoonmaak van de bakkerij aldus was georganiseerd, dat Bakker Schat bepaalde wat er schoongemaakt moest worden, maar dat [B] bepaalde hoe dat moest gebeuren, met inachtneming van de geldende (wettelijke) hygiënevoorschriften. [B] stuurde haar werknemers aan op de werkvloer, stelde materialen aan hen ter beschikking en gaf hen instructies. De eigen werknemers van Bakker Schat hielden door de week slechts hun eigen werkplek schoon. Het na het eindigen van het productieproces schoonmaken van de bakkerij (waaronder het nat schoonmaken van de vloer) behoorde tot het werkterrein van [B] . De zorg voor veilig werken (waaronder het verstrekken van veiligheidsschoenen) tijdens die grote schoonmaak berustte dan ook in de eerste plaats bij [B] en Bakker Schat had geen of weinig invloed op de werkomstandigheden van de schoonmakers. Ook als het juist is, zoals [appellant] aanvoert, dat [D] soms rechtstreekse instructies aan de schoonmakers gaf (Bakker Schat betwist dat), doet dat er niet aan af dat de organisatie van het schoonmaakwerk en de aansturing van de schoonmakers was belegd bij [B] èn dat daaraan in de praktijk ook uitvoering werd gegeven. [appellant] noemt als voorbeeld dat hij wel eens van [D] de instructie heeft gekregen zijn ringen af te doen of zijn baard te scheren. Dat zijn echter geen instructie die de zien op (de organisatie van) het schoonmaakwerk als zodanig. Datzelfde geldt voor het feit dat [D] soms vooraf instructies gaf aan [B] over wat er schoongemaakt moest worden.

 

2.9

Dit alles brengt mee dat, gezien de manier waarop het werk was georganiseerd en werd uitgevoerd, niet Bakker Schat maar [B] vooral invloed had op de werkomstandigheden van [appellant] . De verwijten van [appellant] over onvoldoende waarschuwing tegen gladheid, het feit dat hij geen veiligheidsschoenen droeg en dat er niet werd toegezien op naleving van veiligheidsinstructies horen thuis bij [B] en niet bij Bakker Schat. [appellant] was voor zijn veiligheid dus niet (mede) afhankelijk van Bakker Schat. Omdat het werk bij Bakker Schat uitgevoerd werd, zou dat mogelijk anders zijn als er sprake was van een (intrinsiek) gevaarlijke situatie in de bakkerij van Bakker Schat waarvoor zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Bakker Schat kan haar verantwoordelijkheid voor veilige werkomstandigheden namelijk niet ontlopen door werk uit te besteden. Daarvan is echter in dit geval geen sprake. De vloer waarop werd gewerkt voldeed aan de wettelijke vereisten, zo heeft Bakker Schat onbetwist gesteld en het nat schoonmaken van die vloer levert op zichzelf geen gevaarlijke situatie op. [appellant] voert nog aan dat Bakker Schat op grond van wet- en regelgeving verplicht is om ervoor te zorgen dat de bakkerij wordt schoon gemaakt, dat zij daarom verplicht is toezicht te houden op de schoonmaakwerkzaamheden en dat er daarmee per definitie sprake is van feitelijke zeggenschap over de uitoefening van de werkzaamheden. Het hof volgt [appellant] niet op dit punt. Het gaat erom of [appellant] voor de zorg voor zijn veiligheid, gelet op de manier waarop in de praktijk werd gewerkt, (mede) afhankelijk was van Bakker Schat.

 

conclusie

 

2.10

Het hof is het eens met de conclusie van de kantonrechter dat Bakker Schat niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het [appellant] overkomen ongeval, omdat niet is voldaan aan het vereiste zoals genoemd in rechtsoverweging 2.5 onder (ii). Dat betekent dat de vraag of de schoonmaakwerkzaamheden behoren tot de bedrijfsuitoefening van Bakker Schat, het vereiste onder (i), niet meer beantwoord hoeft te worden.

 

3Slotsom

3.1

Het hoger beroep slaagt niet en het hof zal de deelbeschikking bekrachtigen.

 

3.2

[appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Bakker Schat vastgesteld op € 741,- voor griffierecht en € 1.074,- (1 punt tarief II) voor salaris van de advocaat.

 

4De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

bekrachtigt de deelbeschikking van 5 september 2018 van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Amersfoort;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Bakker Schat tot op heden vastgesteld op € 741- voor verschotten en € 1.074,- voor salaris conform het liquidatietarief;

 

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Bakker Schat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf veertien dagen na aanzegging daarvan tot de dag der voldoening;

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af;

 

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, S.C.P. Giesen en P.L.R. Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 december 2020.

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey