Hof: ongeval slingerende fietser en inhalende snorfietser, niet iedere slingerbeweging is zonder meer onrechtmatig

Samenvatting:

Snorfietser (geïntimeerde) haalt fietser (appellant) in op een fietspad en komt daarbij ten val. Snorfietser stelt dat de fietser, toen zij hem wilde gaan inhalen, plotseling begon te slingeren, terwijl hij bezig was met een mobiele telefoon die hij in zijn hand hield. Terwijl zij hem passeerde, botste hij door het slingeren tegen schouder. Het hof oordeelt dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de fietser een beweging naar links maakte en bezig was met zijn telefoon. Het hof overweegt dat niet iedere slingerbeweging zonder meer onrechtmatig is. Het gaat erom of er sprake is geweest van een uitzonderlijke slingerbeweging, waarmee andere weggebruikers geen rekening hoefden te houden. Het hof oordeelt dat de snorfietser onvoldoende gemotiveerd heeft uiteengezet waarom het handelen van de fietser onrechtmatig jegens haar was.

 

ECLI:NL:GHSHE:2021:2845, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 200.272.834_01 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:GHSHE:2021:2845

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

14-09-2021

Datum publicatie

28-09-2021

Zaaknummer

200.272.834_01

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Verkeersongeval. Snorfietser haalt fietser in op een fietspad en komt daarbij ten val. Fietser zou geslingerd hebben, waardoor snorfiets fietser geschampt zou hebben en uit koers is geraakt. Onvoldoende is gebleken dat fietser door onrechtmatig handelen het ongeval heeft veroorzaakt.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

 

zaaknummer 200.272.834

 

arrest van 14 september 2021

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant in het principaal appel,

 

geïntimeerde in het incidenteel appel,

 

advocaat mr. M.M. van der Marel,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

geïntimeerde in het principaal appel,

 

appellante in het incidenteel appel,

 

advocaat mr. S.E.C. Veldhof,

 

op het bij exploot van dagvaarding van 13 januari 2020 ingeleide hoger beroep tegen het onder rolnummer 18-807 gewezen eindvonnis van 11 december 2019 van de rechtbank ’sHertogenbosch, zittingsplaats Eindhoven, tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde. In incidenteel appel is door [geïntimeerde] tevens beroep ingesteld tegen het vonnis in incident van 13 februari 2019.

 

1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 341029 rolnummer 18-807)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor bedoelde vonnissen van 13 februari 2019 en 11 december 2019.

 

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding in hoger beroep;

 

de memorie van grieven met 13 producties;

 

de memorie van antwoord, tevens houdende eis in incidenteel appel;

 

de memorie van antwoord in het incidenteel appel.

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

 

3De beoordeling

3.1.

In deze zaak gaat het om het volgende. Op 2 september 2014 reed [geïntimeerde] rond 16:30 uur op een snorfiets van het merk Piaggio over het fietspad langs de [straat] in [plaats] . Dit fietspad is ingericht voor eenrichtingsverkeer en is blijkens de overgelegde foto’s 7 trottoirtegels breed, dus circa 2,10 meter. Voor haar reed [appellant] op een fiets in dezelfde richting. Hij had op dat moment oordopjes in, waarmee hij muziek luisterde. Ter hoogte van een bushalte die zich vanuit hun rijrichting gezien aan de linkerzijde van het fietspad bevond, is [geïntimeerde] [appellant] gaan inhalen. Daarbij zijn zij met elkaar in aanraking gekomen. Als gevolg daarvan verloor [geïntimeerde] haar evenwicht, waarna zij met haar linkerschouder de links van het fietspad staande metalen paal van de bushalte heeft geraakt en vervolgens ten val is gekomen. [geïntimeerde] heeft daarbij letsel aan haar schouder opgelopen.

 

3.2

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] , toen zij hem wilde gaan inhalen, plotseling begon te slingeren, terwijl hij bezig was met een mobiele telefoon die hij in zijn hand hield. Terwijl zij hem passeerde, botste hij door het slingeren tegen haar rechterschouder. Daardoor verloor zij haar evenwicht en week zij met haar snorfiets uit naar links, waarna zij met haar schouder de paal van de bushalte raakte en viel.

 

3.3

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] onoplettend en onvoorzichtig aan het verkeer heeft deelgenomen waardoor zij is gevallen en schade heeft geleden. Daarmee heeft hij onrechtmatig jegens haar gehandeld. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevraagd, inhoudende dat [appellant] volledig aansprakelijk is voor het ongeval, althans voor een door de rechtbank te bepalen percentage, met veroordeling van [appellant] tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade.

 

3.4

Bij het bestreden eindvonnis van 11 december 2019 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellant] jegens [geïntimeerde] voor 50% aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade en hem veroordeeld tot vergoeding van 50% van die schade, nader op te maken bij staat. Bij het in incidenteel appel ook bestreden vonnis in incident van 13 februari 2019 heeft de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op de schadevergoeding, afgewezen.

 

3.5

In het principaal appel komt [appellant] met twee grieven op tegen het oordeel van de rechtbank. De grieven betreffen het oordeel dat beide partijen voor 50% tot de schade hebben bijgedragen, en dat daarop geen billijkheidscorrectie wordt toegepast. Het incidenteel appel van [geïntimeerde] is gericht tegen het oordeel dat [appellant] maar 50% van haar schade dient te dragen. Zij betoogt met haar eerste twee grieven dat hij die schade volledig dient te dragen. De derde incidentele grief is gericht tegen het vonnis in incident van 13 februari 2019 en het afwijzen van een voorschot op haar schade.

 

3.6

Het verweer van [appellant] komt erop neer dat hem geen fout valt te verwijten. Hij heeft niet zodanig geslingerd dat hij aansprakelijk zou zijn voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Hij betwist dat hij zijn telefoon in de hand had ten tijde van het ongeval; die zou hij in zijn zak hebben gehad. [geïntimeerde] had volgens [appellant] haar rijgedrag, onder meer haar snelheid, moeten aanpassen aan de situatie.

 

3.7

De rechtbank is niet afzonderlijk ingegaan op de vraag waaruit het onrechtmatig handelen van [appellant] heeft bestaan, maar uit de overwegingen met betrekking tot de vraag wat ieders bijdrage aan het ongeval is geweest, valt te begrijpen dat het slingeren van [appellant] terwijl hij oordopjes inhad en daardoor [geïntimeerde] niet hoorde aankomen, als onrechtmatig handelen is aangemerkt.

 

3.8

In eerste aanleg zijn in een voorlopig getuigenverhoor getuigen gehoord. Uit de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en een ooggetuige van het ongeval, [getuige] , volgt dat [appellant] een beweging naar links maakte en ten tijde van het ongeval bezig was met zijn telefoon, die hij in zijn hand had. Maar ook als daar van wordt uitgegaan, betekent dat naar het oordeel van het hof nog niet zonder meer dat [appellant] als fietser onrechtmatig jegens de hem inhalende [geïntimeerde] heeft gehandeld. Daartoe is het volgende van belang.

 

3.9

In 2014 was het voor fietsers – anders dan voor snorfietsers overigens – nog niet verboden een telefoon in de hand te hebben. Als een fietser wordt ingehaald, moet dit ingevolge artikel 11 RVV 1990 over links gebeuren. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] daaraan heeft voldaan. Verder geldt voor alle bestuurders op grond van artikel 3 RVV 1990 dat zij zoveel mogelijk rechts moeten houden. Dat betekent echter niet dat het een fietser als een verkeersfout (onrechtmatige daad) moet worden aangerekend als deze niet steeds een geheel rechte lijn aanhoudt. Door stuuruitwijkingen als gevolg van oneffenheden in of op het wegdek of in verband met het uitwijken daarvoor, dan wel als gevolg van onhandigheid, een lage snelheid of een schrikreactie, kan er sprake zijn van zijwaartse slingerbewegingen, die in het algemeen nauwelijks te vermijden zijn. Dat is zodanig gebruikelijk en komt in het verkeer zo veel voor, dat andere weggebruikers daarmee rekening dienen te houden. Dat betekent uiteraard niet dat fietsers slingerend over de weg mogen gaan, maar wel dat niet iedere slingerbeweging zonder meer onrechtmatig is. Het gaat erom of er sprake is geweest van een uitzonderlijke slingerbeweging, waarmee andere weggebruikers geen rekening hoefden te houden.

 

Verder is van belang dat van een bestuurder die een ander inhaalt, wordt verwacht dat deze voldoende zijwaartse afstand bewaart, zeker in een situatie waarin degene die inhaalt wezenlijk harder rijdt dan de degene die wordt ingehaald, zoals dat in het algemeen het geval is bij een snorfiets (maximaal 25 km/uur) die een fietser (doorgaans ongeveer 15 km/uur) inhaalt. Met de hiervoor bedoelde schrikreactie en stuuruitwijking dient rekening te worden gehouden door de inhalende weggebruiker. Ook met de breedte van het eigen voertuig dient een snorfietser rekening te houden. Dit laatste is in deze zaak in het bijzonder van belang, nu uit de overgelegde foto’s blijkt dat enkele meters voor de paal waar [geïntimeerde] tegenaan is gevallen een bushokje staat, dat met de achterzijde pal aan het fietspad grenst. Aan de zijde waar [geïntimeerde] wenste in te halen was dus sprake van een obstakel. Feitelijk was de situatie zo dat zij op een smal fietspad met relatief hoge snelheid tussen twee manshoge obstakels (rechts een fietser en links een bushokje) door moest rijden.

 

Uit de verklaring die [geïntimeerde] als getuige heeft afgelegd volgt dat [appellant] begon te slingeren toen zij vlakbij hem was, waarna hij, toen zij hem passeerde en naast hem reed, tegen haar rechterschouder botste. Zij zag hem dus kennelijk al slingeren voordat zij hem op haar snorfiets ging passeren. Een voorzichtig en oplettend verkeersdeelnemer moet dan inhouden of remmen en de fietser via een belsignaal waarschuwen. Dat heeft zij kennelijk niet gedaan. Zonder in te houden of te remmen en zonder hem te waarschuwen, heeft [geïntimeerde] haar inhaalmanoeuvre blijkbaar voortgezet. Vervolgens hebben zij elkaar kennelijk alleen maar geschampt ter hoogte van [geïntimeerde] schouder, waarna [geïntimeerde] uit koers raakte. Gelet op de geringe breedte van het fietspad, de breedte van de snorfiets en rekening houdend met het feit dat er links van [geïntimeerde] ook nog dat bushokje stond waardoor haar manoeuvreerruimte beperkt was (of zij dit bushokje nu al passeerde of nog naderde), duidt dit schampen bij de schouder erop dat [appellant] met zijn fiets niet al te veel naar links kan zijn uitgeweken, want dan zouden zij met de voertuigen tegen elkaar aan zijn gereden. Uit een en ander volgt dan ook dat de thans vaststaande feiten onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat [appellant] een zodanig uitzonderlijke slingerbeweging heeft gemaakt dat [geïntimeerde] daar geen rekening mee kon of hoefde te houden. Het feit dat [appellant] oordopjes inhad en wellicht ook bezig was met zijn telefoon, maakt dit niet anders. Bij die stand van zaken heeft [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd uiteengezet waarom het handelen van [appellant] in de gegeven situatie onrechtmatig jegens haar was.

 

3.10

Waar niet van onrechtmatig handelen van [appellant] kan worden uitgegaan, is een verdeling van aansprakelijkheid tussen [geïntimeerde] en [appellant] niet aan de orde. De eerste grief van [appellant] slaagt, zijn tweede grief behoeft geen behandeling. De grieven 1 en 2 in [geïntimeerde] incidenteel appel worden verworpen. Het incidenteel appel van [geïntimeerde] tegen het vonnis in incident van 13 februari 2019 is gelet op het bepaalde in artikel 337 lid 1 Rv te laat ingesteld, zodat [geïntimeerde] daarin niet-ontvankelijk is.

 

3.11

Het eindvonnis van 11 december 2019 dient te worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] moeten alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden verwezen. Die kosten worden voor de eerste aanleg aan de zijde van [appellant] als volgt begroot:

 

€ 79,00 voor eigen bijdrage in het griffierecht,

 

€ 2.685,00 voor advocaatkosten (2,5 punt tarief IV). Wat betreft het belang van de zaak, wordt aansluiting gezocht bij het feit dat volgens [geïntimeerde] haar schade tenminste € 57.376,14 beloopt.

 

Voor het hoger beroep worden de kosten als volgt begroot:

 

€ 417,09 voor verschotten (griffierecht € 332,00 betekeningskosten € 85,09)

 

€ 3.046,50 voor advocaatkosten (1 punt tarief IV in het principaal appel en 1 punt tarief IV x 0,5 in het incidenteel appel).

 

Ook de door [appellant] gevorderde nakosten, vermeerderd met wettelijke rente, komen voor toewijzing in aanmerking.

 

4De uitspraak

Het hof:

 

in het principaal appel

 

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, zittingsplaats Eindhoven , van 11 december 2019, gewezen onder zaaknummer 341029, en opnieuw recht doende:

 

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,

 

in het incidenteel appel

 

verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar incidenteel appel tegen het vonnis in incident van 13 februari 2019,

 

in het principaal en het incidenteel appel

 

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] voor de eerste aanleg begroot op € 79,00 voor griffierecht en € 2.685,00 voor advocaatkosten en voor het hoger beroep op € 417,09 voor verschotten en € 3.046,50 voor advocaatkosten voor het principaal en het incidenteel hoger beroep,

 

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 246,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

 

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaan bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en P.M.A de Groot-van Dijken en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021.

 

griffier rolraadsheer

 

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey