Hof: terugvordering letselschade, is voldaan aan vereisten proportionaliteit en subsidiariteit in Gedragscode Persoonlijk Onderzoek?

Samenvatting:

Verzekeraar vordert na vermoeden van fraude € 25000,- terug van benadeelde, welk bedrag was uitgekeerd i.v.m. whiplashklachten. Na mededeling van verzekerde was verzekeraar persoonlijk onderzoek gestart. 1. Het hof oordeelt dat art. 7:941 lid 5 BW niet van toepassing in WAM-zaken. 2. Het hof schets de vereisten uit de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (r.o. 3.11 ev). Naar het oordeel van het hof is het thans nog onduidelijk of in het kader van het uitgevoerde onderzoek voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals de in de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek is omschreven. Indien niet aan genoemde eisen blijkt te zijn voldaan dan heeft verzekeraar naar het oordeel van het hof jegens appellant onrechtmatig gehandeld door het persoonlijk onderzoek te laten uitvoeren zonder dat daaraan een deugdelijk feitelijk onderzoek ten grondslag lag. Indien het onderzoek wel gerechtvaardigd blijkt dient er te worden bezien wat de uitkomsten in de onderhavige zaak betekenen. Betekent het feit dat appellant een sportschool inloopt dat hij dan weer net zo kan sporten als voorheen? Betekent het feit dat appellant in een lesauto zit dat hij dan helemaal geen letsel meer heeft althans zoals voorheen weer les, tegen betaling, kan geven? Het hof gelast een comparitie van partijen om nader van gedachten te wisselen.

ECLI:NL:GHSHE:2020:1448

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

28-04-2020

Datum publicatie

04-05-2020

Zaaknummer

200.252.896_01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Vermoeden van verzekeringsfraude. Toepassing Gedragscode Persoonlijk Onderzoek. Comparitie i.v.m. feitelijke gang van zaken. Artikel 7:941 lid 5 BW niet van toepassing in WAM-zaken. Teruggevorderde schadeposten.

Wetsverwijzingen

Burgerlijk Wetboek Boek 7 941

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.252.896/01

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.W. de Rijk te Helmond,

tegen:

Vivat Schadeverzekeringen N.V.,

handelend onder de namen Reaal Schadeverzekeringen en Proteq NL,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 november 2018 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 23 augustus 2018 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – Reaal – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 6641312 \ CV EXPL 18-978)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 19 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep van 22 november 2018;

– de memorie van grieven van [appellant] van 2 april 2019 met producties;

– de memorie van antwoord van Reaal van 11 juni 2019 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

In eerste aanleg is Reaal aangeduid als Reaal Schadeverzekeringen N.V. en in hoger beroep als Vivat Schadeverzekeringen N.V., handelend onder de namen Reaal Schadeverzekeringen en Proteq NL. Op dit verschil in tenaamstelling zijn partijen niet ingegaan. Met partijen gaat het hof ervan uit dat het hier om dezelfde rechtspersoon gaat.

3.2

De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 3.1. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:

[appellant] is op 3 oktober 2014 betrokken geweest bij een verkeersongeval te [plaats] waarbij hij in zijn auto van achteren is aangereden door een andere auto.

De bestuurder van de andere auto was verzekerd bij ‘IAK Motorrijtuigen verzekering’, een gevolmachtigde van Reaal. [appellant] heeft zijn schade als gevolg van het ongeval middels een schadeformulier gemeld bij Reaal. [appellant] heeft aangegeven naast materiële schade ook letselschade te hebben geleden.

Op 30 december 2014 heeft de heer [medewerker van Personenschade] van [Personenschade] Personenschade in opdracht van Reaal een bezoek gebracht aan [appellant] . Tijdens dit bezoek heeft [appellant] aangegeven last te hebben van nek- en schouderklachten, hoofdpijn, misselijkheid, geheugenverlies en concentratieproblemen. Als gevolg hiervan zou [appellant] niet in staat zijn werkzaamheden als rijschoolhouder, althans als instructeur, uit te voeren. [appellant] zou volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard.

Reaal heeft ten behoeve van [appellant] uitkeringen gedaan tot een bedrag van € 24.980,82.

In juni 2015 is bij Reaal twijfel ontstaan omtrent het letsel en de beperkingen van [appellant] .

Op 18 augustus 2015 heeft [medewerker van Personenschade] van [Personenschade] Personenschade in opdracht van Reaal opnieuw een bezoek aan [appellant] gebracht. Tijdens dat bezoek heeft [appellant] onder meer aangegeven dat de klachten als gevolg van het ongeval nog onverminderd aanwezig waren en dat hij niet meer in staat was rijlessen te geven en te fitnessen.

Reaal is vervolgens een fraudeonderzoek gestart, onder meer bestaande uit een observatie van 72 uur op 19, 20 en 29 oktober 2015. Bij brief van 22 januari 2016 heeft Reaal [appellant] van het onderzoek en de observatie op de hoogte gesteld.

3.3.1.

Bij dagvaarding van 28 december 2017 heeft Reaal de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Bij vonnis van 8 februari 2018 heeft deze zich ambtshalve onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de relatief bevoegde kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, waar de procedure is voortgezet.

3.3.2.

In deze procedure stelt Reaal dat [appellant] over zijn letsel en beperkingen onjuiste verklaringen heeft afgelegd en daardoor jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, zodat Reaal de betalingen aan [appellant] onverschuldigd heeft verricht althans [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt. [appellant] dient daarom de uitbetaalde uitkeringen (€ 7.000,=) terug te betalen en aan derden betaalde kosten (€ 17.980,82) te vergoeden, aldus Reaal. Op grond daarvan vordert Reaal veroordeling van [appellant] tot betaling van het bedrag van € 24.980,82 met rente en kosten, in verband met de competentiegrens beperkt tot een bedrag van € 25.000,=, zij het behoudens het recht op het restant, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 24.980,82 vanaf de dag van dagvaarding. [appellant] heeft de vordering van Reaal gemotiveerd betwist. Volgens hem is er geen grond de uitkeringen terug te vorderen en is het uitvoeren van de observatie jegens hem onrechtmatig zodat Reaal daaraan geen bewijs kan ontlenen.

3.4

Bij tussenvonnis van 19 april 2018 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 29 mei 2018 heeft plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 23 augustus 2018 heeft de rechtbank het verweer van [appellant] tegen de vordering van Reaal verworpen en deze geheel toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.5

Tegen het eindvonnis van 23 augustus 2018 heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd, samengevat, tot het alsnog afwijzen van de vordering van Reaal met veroordeling van Reaal in de kosten van beide instanties. Reaal heeft de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten. De grieven van [appellant] betreffen het geschil in volle omvang. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6

Bij memorie van antwoord heeft Reaal vier producties overgelegd. Deze stukken zijn deels bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegd en deels met het oog op de comparitie van partijen in eerste aanleg toegezonden, zodat dit geen nieuwe stukken zijn waar [appellant] eventueel nog op zou moeten kunnen reageren. [appellant] heeft aan de inhoud van betreffende stukken voorts aandacht besteed in zijn memorie van grieven.

3.7

Het hof zal eerst het relevante wettelijk kader weergeven.

3.7.1.

[appellant] heeft als benadeelde van een auto-ongeluk veroorzaakt door een bij Reaal als verzekeraar verzekerde auto, Reaal aangesproken. Reaal is een zogenaamde WAM-verzekeraar (zie mva pt. 2): de betreffende verzekering valt onder de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). De WAM is tot stand gekomen ter uitvoering van onder meer diverse Europese richtlijnen op het gebied van aansprakelijkheidsverzekeringen (zoals richtlijn 20092009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, en de in considerans 1 van die richtlijn genoemde eerdere richtlijnen). Aldus speelt in de onderhavige zaak ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) een rol, nu in dit geval (mede) het recht betreffende de Europese unie ten uitvoer wordt gelegd als bedoeld in artikel 51 lid 1 HGEU.

3.7.2.

Artikel 6 lid 1 WAM biedt de mogelijkheid aan [appellant] om als benadeelde/ slachtoffer rechtstreeks Reaal als WAM-verzekeraar aan te spreken.

Artikel 11 lid 1 WAM beperkt voor de WAM-verzekeraar nadrukkelijk de mogelijkheid aan de benadeelde bezwaren ontleend aan of samenhangend met de verzekeringsoverkomst tegen te werpen:

“Geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen”.

3.7.3.

Vanwege de hierboven kort geschetste positie speelt in de verhouding [appellant] – Reaal artikel 7:941 lid 5 BW niet, juist omdat [appellant] een eigen recht uitoefent uit hoofde van de WAM. Aldus heeft de Hoge Raad uitgemaakt in HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103:

“3.3.5. Bij personenschade veroorzaakt door een motorrijtuig heeft een benadeelde jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid voor de schade van de benadeelde wordt gedekt op grond van de WAM, ingevolge art. 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding. Bij gebreke van een contractuele verhouding tussen de benadeelde en de verzekeraar is van rechtstreekse toepasselijkheid van art. 7:941 lid 5 BW geen sprake. Ook voor analoge toepassing van deze bepaling op de hiervoor bedoelde rechtsverhouding is geen plaats. Art. 7:941 lid 5 BW is geschreven voor een specifieke contractuele rechtsverhouding. De rechtsverhouding tussen de WAM-verzekeraar en de benadeelde is van geheel andere aard dan die rechtsverhouding en hangt bovendien samen met een andere (niet contractuele) rechtsverhouding, te weten die tussen de benadeelde en de verzekerde. Voorts heeft art. 7:941 lid 5 BW een sanctiekarakter. Deze bepaling kan toepassing vinden bij uiteenlopende gevallen van misleiding, ook gevallen waarbij de misleiding minder ernstig is of alleen betrekking heeft op de omvang van de schade. De (potentieel) verstrekkende gevolgen van deze sanctie brengen mee dat zij een wettelijke basis dient te hebben. Voor het aanvaarden van een algemene buitenwettelijke regel die meebrengt dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht van art. 6 WAM vervalt, is derhalve geen plaats.” [vet, GHSHE].

3.7.4.

Voor zover de kantonrechter artikel 7:941 lid 5 BW in deze zaak heeft toegepast, en in de aangenomen onjuiste voorstelling van zaken door [appellant] aanleiding heeft gezien fraude aan te nemen en daarmee verval van het volledig recht op uitkering, is deze beslissing als zodanig onjuist. Dit betekent evenwel niet dat automatisch vernietiging van het vonnis van de kantonrechter moet volgen, nu Reaal ook andere gronden heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar vordering, zoals schadevergoedingsplicht wegens onrechtmatig handelen, onverschuldigde betaling en onrechtmatige verrijking.

3.7.5.

Ten aanzien van de aan het vonnis in eerste aanleg ten grondslag gelegde feiten bestaat evenzeer discussie, in het bijzonder voor zover het de uitkomsten betreft van het op verzoek van Reaal uitgevoerde onderzoek als bedoeld in onderdeel 3.2 onder f van dit arrest.

3.7.6.

Beide partijen gaan ervan uit dat voor een door een verzekeraar uit te voeren onderzoek bij onder meer een vermoeden van fraude de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek als toetsingskader heeft te gelden. In hun processtukken verwijzen beide partijen naar deze gedragscode zonder de tekst daarvan over te leggen. Via de website van het Verbond van Verzekeraars dat de gedragscode heeft opgesteld heeft het hof kennis genomen van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van 21 december 2011. Dit is kennelijk de tekst is waar partijen op doelen, zodat er geen reden is (een van) partijen te verzoeken de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek alsnog in het geding te brengen.

3.8

Reaal heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door valse verklaringen te doen over de omvang van zijn schade doordat hij zijn beperkingen aanzienlijk ernstiger heeft doen voorkomen dan deze in werkelijkheid waren. Volgens Reaal is uit haar onderzoek en met name de observatie gebleken dat [appellant] zich zonder beperkingen kan bewegen, lange autoritten kan maken en rijles kan geven. Daardoor kan worden aangenomen dat er als gevolg van het ongeval geen beperkingen aanwezig zijn op het gebied van loonvormende arbeid of op andere gebieden, zodat [appellant] daarover opzettelijk onware verklaringen heeft afgelegd en geen enkel recht heeft op schadevergoeding van de kant van Reaal.

3.9

[appellant] bestrijdt dat hij zijn beperkingen onjuist heeft voorgesteld. Zijn activiteiten zijn in overeenstemming met de adviezen die hij van medische zijde heeft gekregen om actief te blijven en op arbeid therapeutische basis te proberen weer eens een rijles te geven. De wijze waarop Reaal haar standpunt over zijn toestand met een persoonlijk onderzoek heeft willen onderbouwen is volgens [appellant] niet in overeenstemming met de daarvoor geldende gedragscode. Tot slot heeft [appellant] in hoger beroep gesteld wel degelijk schade te hebben geleden.

3.10

Het hof stelt voorop dat het instellen van een persoonlijk onderzoek in de vorm van observatie een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde, hetgeen in beginsel als onrechtmatig heeft te gelden. Er kan echter een rechtvaardigingsgrond bestaan die het onrechtmatige karakter daaraan ontneemt. Of zo een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend.

3.11

In de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek zijn deze uitgangspunten nader uitgewerkt waarbij is bepaald dat een persoonlijk onderzoek kan worden ingesteld nadat het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing in onder meer het geval dat een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude is ontstaan. De wijze waarop de belangenafweging voor het instellen van een persoonlijk onderzoek vervolgens dient plaats te vinden is in de gedragscode als volgt omschreven:

“ Artikel 2 Belangenafweging betrokkene en verzekeraar (Proportionaliteit)

2.1. De verzekeraar maakt bij het instellen van een persoonlijk onderzoek steeds een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de verzekeraar bij het uitvoeren van het onderzoek en het recht op bescherming van de persoonlijk levenssfeer van betrokkene.

2.2.

Bij de belangenafweging moeten alle relevante aspecten betrokken worden, zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene, het financiële belang, het belang bij waarheidsvinding, het belang bij snelle en zorgvuldige besluitvorming of de mate van inbreuk op integriteit of veiligheid.

Artikel 3 Belangenafweging onderzoeksmiddel (Subsidiariteit)

3.1. De verzekeraar beoordeelt of persoonlijk onderzoek het enige hem ten dienste staande middel is dan wel of er andere mogelijkheden van onderzoek zijn die tot minder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene leiden maar wel hetzelfde resultaat kunnen opleveren.

3.2.

De verzekeraar maakt daarbij de afweging of het doel van het persoonlijk onderzoek (en de daarbij te hanteren bijzondere onderzoeksmethoden en -middelen) in redelijkheid niet op een andere, voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden bereikt.”

Aan de hand van dit toetsingskader dient de werkwijze van Reaal in het onderhavige geval bezien te worden.

3.12.1.

Reaal heeft gesteld dat het vermoeden van verzekeringsfraude door [appellant] bij haar is gewekt door een melding door haar verzekerde in juni 2015. In de overgelegde correspondentie en in de stukken van de eerste aanleg is deze melding niet nader omschreven. In haar memorie van antwoord (punt 5) heeft Reaal vermeld dat de melding afkomstig is geweest van haar verzekerde, de heer [de verzekerde] , die de aanrijding veroorzaakte. Over de concrete inhoud van diens melding of over de omstandigheden waaronder deze is gedaan, waarom dat gebeurde en aan wie heeft Reaal verder niets gesteld. Door Reaal is verder ook niets gesteld over enig onderzoek van haar kant naar aanleiding van de melding, afgezien van het bezoek van [medewerker van Personenschade] van [Personenschade] Personenschade aan [appellant] op 18 augustus 2015. Het doel van dat bezoek is in het rapport van [medewerker van Personenschade] van 26 augustus 2015 als volgt omschreven: “Het doel van de bespreking was te komen tot een definitieve regeling van de schade van betrokkene.” Het hof gaat er voorshands van uit dat dit ook als doel van de bespreking aan [appellant] is meegedeeld. Uit het rapport blijkt in ieder geval niet van enige andersluidende mededeling daarover van de kant van [medewerker van Personenschade] . De melding van [de verzekerde] is kennelijk niet als reden voor het bezoek vermeld of tijdens het bezoek aan de orde gesteld, mogelijk omdat Reaal wilde weten of [appellant] uit eigen beweging anders over zijn beperkingen zou gaan verklaren.

Onduidelijk is voorshands in hoeverre – expliciet of impliciet – (al dan niet betaalde dan wel arbeidstherapeutische) activiteiten van [appellant] , hetzij (toen) recent plaatsgevonden of op korte termijn te verwachten, zijn besproken, dan wel door [medewerker van Personenschade] hadden moeten worden begrepen. In dit verband is niet onbelangrijk hetgeen klaarblijkelijk (mvg p. 5) door de toenmalig gemachtigde van [appellant] , zijnde mevrouw [de toenmalig gemachtigde] (mvg p. 13) die het gesprek op 18 augustus 2015 heeft bijgewoond, is gehoord dan wel begrepen.

Een schriftelijke verklaring van deze getuige ontbreekt evenwel op dit moment.

Naar het oordeel van het hof is het thans dan ook nog onduidelijk of in het kader van het uitgevoerde onderzoek voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals de in de hiervoor aangehaalde bepalingen van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek is omschreven.

3.12.2.

Indien niet aan genoemde eisen blijkt te zijn voldaan dan heeft Reaal naar het oordeel van het hof jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld door het persoonlijk onderzoek te laten uitvoeren zonder dat daaraan een deugdelijk feitelijk onderzoek ten grondslag lag. Dat brengt alsdan – indien dus niet aan de betreffende eisen is voldaan – mee dat Reaal in redelijkheid geen beroep kan doen op de resultaten van de observatie (Hoge Raad, 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942), zodat alsdan tevens in het midden kan blijven in hoeverre die resultaten een voldoende onderbouwing bieden voor de vordering zoals Reaal die in deze procedure heeft ingesteld.

Indien het onderzoek wel gerechtvaardigd blijkt dient er te worden bezien wat de uitkomsten in de onderhavige zaak betekenen. Betekent het feit dat [appellant] een sportschool inloopt dat hij dan weer net zo kan sporten als voorheen? Betekent het feit dat [appellant] in een lesauto zit dat hij dan helemaal geen letsel meer heeft althans zoals voorheen weer les, tegen betaling, kan geven? Dit zal alsdan nader moeten worden bezien.

Voorshands ziet het hof overigens geen andere feitelijke grondslag voor de beoogde terugvordering respectievelijk schadevergoeding dan hetgeen uit het observatieonderzoek zou zijn gebleken.

3.13.

Het hof acht termen aanwezig met partijen tijdens een comparitie van partijen over bovenstaande nader van gedachten te wisselen. In dat kader kan het dienstig zijn dat in ieder geval op voorhand over een schriftelijke verklaring van mevrouw [de toenmalig gemachtigde] omtrent de gang van zaken op 18 augustus 2015 tijdens het bezoek van [medewerker van Personenschade] kan worden beschikt.

3.14.

De comparitie kan daarnaast worden benut om – los van het voorgaande – aandacht te besteden aan de door Reaal gevorderde bedragen, die gezamenlijk zijn afgerond op

€ 25.000,= met zelfs een voorbehoud voor het meerdere (zie onderdeel 3.3. van dit arrest).

3.14.1.

In onderdeel 16 van de inleidende dagvaarding wordt een bedrag genoemd van

€ 24.980,82, in welk verband wordt verwezen naar productie 8 bij de inleidende dagvaarding, en de in de dagvaarding nader genoemde factuurnummers, die steeds eindigen op “ [factuurnummers eindigend op] ”en dan een volgnummer (1 t/m 12).

Het hof zal kort alvast op deze posten respectievelijk facturen ingaan.

3.14.2.

De posten “ [factuurnummer 1] ” en “ [factuurnummer 2] ” betreffen respectievelijk € 1.000,= (geen specificatie, maar mogelijk een voorschot onder algemene titel) en € 6.000,= ( specificatie per 31 december 2014, diverse componenten leidend tot een voorschot onder algemene titel). Het betreft klaarblijkelijk tweemaal algemene voorschotten gebaseerd op de situatie kort na het ongeluk en voorshands is niet duidelijk wat eventueel gebleken feiten – zie ook hierboven – die zich ruim een jaar na het ongeluk hebben voorgedaan daar aan afdoen.

3.14.3.

De posten “ [factuurnummer 3] ” ad € 3.805,97 en “ [factuurnummer 4] ” ad € 310,= betreffen de materiele schade aan de auto. Het bedrag ad 3.805,97 correspondeert met een berekening die als onderdeel van productie 8 voornoemd is overgelegd. Er is sprake van een gebruikelijke schadeberekening (onderdelen/ arbeidsloon/bijkomende kosten/spuitwerk/ milieutoeslag), gebaseerd op de begrote reparatiekosten en gespecificeerd op 12 pagina’s, en zonder vermeerdering met btw. Btw over de schade is, althans was toen in 2014 / 2015, voor [appellant] een verrekenpost.

Het bedrag van € 310,= is te vinden als ‘waardevermindering excl. BTW’ op p. 11 van genoemde specificatie, en vormt de aanleiding voor post “ [factuurnummer 4] ” (als ook af te leiden uit productie 6 bij inleidende dagvaarding).

Zonder toelichting – die geheel ontbreekt – vermag het hof niet in te zien hoe deze materiële schade aan de auto van [appellant] in totaliteit is of kan zijn beïnvloed door gedrag of verklaringen van [appellant] aangaande zijn (gestelde) letselschade.

3.14.4.

De post “ [factuurnummer 5] ” betreft de factuur van [Personenschade] Personenschade van 7 januari 2015 ad € 1.238,94, en heeft betrekking op de werkzaamheden tot 31 december 2014.

Door [appellant] is erop gewezen (cva pt. 13) dat Reaal de kosten van het schaderegelingsbureau in algemene zin altijd had moeten maken. Ook deze post zal nader worden besproken ter comparitie, zowel in het kader van het algemene verweer als in het kader van causaal verband tussen deze kosten en de door Reaal gestelde feiten uit oktober 2015.

3.14.5.

Hetgeen is opgemerkt aangaande de post “ [factuurnummer 5] ” op het punt van de door [appellant] gevoerde verweren, te weten ‘toch te maken kosten’ en ‘causaal verband’, geldt evenzeer voor:

– de post “ [factuurnummer 6] ” (factuur [Expertise] Expertise) ad € 301,79;

– de post “ [factuurnummer 7] ” (factuur [Personenschade] van 1 juli 2015 ) ad € 646,08;

– de post “ [factuurnummer 8] ” (factuur [Personenschade] van 2 oktober 2015 ) ad € 1.872,50;

– de post “ [factuurnummer 9] ” (factuur [Personenschade] van 6 januari 2016) ad € 376,88;

– de post “ [factuurnummer 10] ”(factuur (‘slotdeclaratie’ [Personenschade] van 27 januari 2016) ad € 108,61;

3.14.6.

De post “ [factuurnummer 11] ” betreft de onderzoekskosten van [onderzoeksbureau] , als vermeld op hun factuur van 31 oktober 2015, groot € 7.447,55. Indien uiteindelijk komt vast te staan dat een observatieonderzoek in de gegeven omstandigheden inderdaad ten onrechte heeft plaatsgevonden, dan ligt het voorshands in de rede dat deze kosten niet kunnen worden verhaald op [appellant] .

3.14.7.

Van de post “ [factuurnummer 12] ” ad € 1.872,50, gedateerd blijkens onderdeel 16 van de inleidende dagvaarding ‘12 januari 2016’, is geen onderliggend stuk overgelegd. Het valt verder op dat hetzelfde bedrag als post “ [factuurnummer 8] ” wordt opgevoerd, terwijl post “ [factuurnummer 9] ” al ziet op de periode van na september 2015. Mogelijk is sprake van een dubbeltelling, mogelijk ontbreekt nog een nader onderliggend stuk. In het laatste geval is het aan Reaal dit stuk alsnog in het geding te brengen.

3.15.

Bovenstaande punten zullen tijdens de comparitie eveneens worden besproken.

3.16.

Voorts kan tijdens de comparitie zo mogelijk aandacht worden besteed aan hetgeen is voorgevallen na januari 2016 in het kader van de schadeafhandeling. Mogelijk is inmiddels een eindtoestand bereikt. [appellant] kan desgewenst ter zake nadere informatie inclusief medische stukken op voorhand overleggen, op de wijze als nader te bepalen.

3.17.

Ten slotte zal de comparitie kunnen worden benut teneinde een minnelijke regeling te beproeven, hetzij aangaande aspecten als vervat in de onderhavige procedure, hetzij ter zake de totale schade-afhandeling.

3.18.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – [appellant] in persoon en Reaal deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. R.R.M. de Moor als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ‘s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.13 tot en met 3.17 vermelde doeleinden;

bepaalt dat de advocaten de zaak desgewenst aan het begin van de zitting maximaal 10 minuten mogen toelichten aan de hand van spreeknotities;

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2020 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 8 tot 16 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de zitting zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 3.13. en 3.14. (en eventueel 3.16.) bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de zitting te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M de Moor, L.S. Frakes en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 april 2020.

griffier rolraadsheer

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey