Hof: werkgever niet aansprakelijk ex art 7:658 BW voor val op magazijnvloer, voldoende maatregelen getroffen

Samenvatting:

Werknemer, magazijnmedewerker, komt ten val in magazijn en breekt heup. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof acht van belang a. dat de aard van de werkzaamheden– lopen met een orderbriefje –niet anders meebracht dan dat werknemer over de vloer moest lopen op een wijze die bij een ieder in het dagelijks leven kan voorkomen; b.  dat het voor deze werkzaamheden het niet nodig is dat werknemer werd ingewerkt of instructies werden gegeven; c. dat werkgever met werknemer heeft afgesproken dat werknemer zijn eigen nieuwe veiligheidsschoenen zou gaan gebruiken. Het hof overweegt dat het onder deze omstandigheden niet nodig was om andere maatregelen te treffen dan die werkgever heeft getroffen.

 

 

ECLI:NL:GHSHE:2021:3717, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 200.282.326_01 (rechtspraak.nl)

 

ECLI:NL:GHSHE:2021:3717

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

14-12-2021

Datum publicatie

15-12-2021

Zaaknummer

200.282.326_01

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:1310

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

werkgever heeft voldaan aan zorgplicht bij val op magazijnvloer

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Team Handelsrecht

 

zaaknummer 200.282.326/01

 

arrest van 14 december 2021

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

appellant,

 

hierna aan te duiden als [werknemer] ,

 

advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,

 

tegen

 

[besloten vennootschap] Tegels, Keukens & Sanitair BV,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als [werkgever] ,

 

advocaat: mr. S.T. Könning te Utrecht,

 

op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2020 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 9 mei 2019 en 5 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [werknemer] als eiser en [werkgever] als gedaagde.

 

5Het verdere geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

 

het tussenarrest van 13 oktober 2020;

 

de bij H-16 formulier van 13 januari 2021 door [werknemer] toegezonden productie, die [werknemer] bij de (meervoudige) mondelinge behandeling na aanbrengen in het geding heeft gebracht;

 

het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 20 januari 2021;

 

de memorie van grieven met producties;

 

de memorie van antwoord met producties.

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

 

6De beoordeling

6.1.1.

Deze zaak gaat in de kern om de vraag of de werkgever van [werknemer] aansprakelijk is voor zijn val op een magazijnvloer.

 

6.1.2.

In de bestreden vonnissen heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. In de memorie van grieven (randnummer 15) wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Deze vaststelling is anders dan die van de rechtbank en in zoverre slaagt de grief. Of dit er toe zal leiden dat de vonnissen in eerste aanleg moeten worden vernietigd, zal hierna blijken bij de verdere behandeling van de grieven.

 

6.1.3.

De vaststaande feiten – voor zover relevant – zijn de volgende:

 

  1. [werkgever] is een bedrijf dat zich toelegt op de distributie en verkoop van onder meer tegels, badkamers en sanitair. In de voormalige vestiging van het bedrijf in [voormalige vestigingsplaats] waren een showroom, kantoren en een magazijn gevestigd.

 

  1. [werknemer] , geboren op [geboortedag] 1959, is op 23 juni 2015 als magazijnmedewerker in dienst getreden bij [werkgever] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

 

  1. Op 17 juli 2015 liep [werknemer] in het magazijn van [werkgever] . [werknemer] is daar ten val gekomen. [werknemer] heeft daarbij de heupkom/-kop gebroken. Diezelfde dag is een heupprothese bij [werknemer] geplaatst. Op 18 juli 2015 is [werknemer] uit het ziekenhuis ontslagen.

 

  1. De re-integratie van [werknemer] is op 24 augustus 2015 gestart op aanwijzing van de Arbodienst met twee uur per dag.

 

  1. Op 20 november 2015 heeft de Inspectie SZW een melding gekregen van het ongeval dat [werknemer] op 17 juli 2015 is overkomen. De Inspectie SZW heeft geen onderzoek ingesteld.

 

  1. In december 2015 is de eerste arbeidsovereenkomst opgevolgd door een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd welke is geëindigd op 23 februari 2016.

 

  1. Op 15 juli 2016 is een revisieoperatie aan de heup van [werknemer] uitgevoerd. Daarna heeft [werknemer] niet meer kunnen werken. Hij is volledig arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering.

 

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [werknemer] , uitvoerbaar bij voorraad,

 

  1. te verklaren voor recht dat [werkgever] aansprakelijk is voor het arbeidsongeval dat hem op 17 juli 2015 bij [werkgever] is overkomen;

 

[werkgever] te veroordelen tot:

 

  1. betaling van een voorschot van € 5.000,– op de immateriële schade en € 4.000,– op de materiële schade;

 

  1. betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.693,46;

 

  1. vergoeding van de door hem als gevolg van het hem overkomen arbeidsongeval geleden en nog te lijden schade, rente en kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

 

  1. de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

 

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [werknemer] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [werknemer] is [werkgever] aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door zijn val op de magazijnvloer van [werkgever] . Hij is uitgegleden op de vloer die zodanig glad was dat het op ijs leek. Bij zijn val is hij op een pallet gevallen die uitstak, waardoor zijn letsel ernstiger is geworden. [werkgever] heeft hem niet goed ingewerkt, heeft geen goed schoeisel verstrekt, het magazijn was wanordelijk en onveilig, er werd onvoldoende schoongemaakt, in het magazijn werden vloeistoffen opgeslagen en voertuigen lekten olie in het magazijn. Er was een gevaarzettende situatie in het magazijn. [werkgever] had maatregelen moeten treffen in het magazijn, zoals het leggen van rubberen matten. Bovendien is zijn re-integratie mislukt, waarbij [werknemer] is overbelast door [werkgever] .

 

6.2.3.

[werkgever] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

 

6.2.4.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank [werkgever] opgedragen te bewijzen dat [werkgever] haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen en aan alle (veiligheids-) maatregelen heeft voldaan ter voorkoming van de door [werknemer] geleden schade.

 

6.2.5.

[werkgever] heeft getuigen laten horen en een rapport over de stroefheid van de vloer ingediend.

 

6.2.6

In het eindvonnis heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat

 

– [werkgever] heeft voldoende aangetoond dat de magazijnvloer aan het vereiste (hoge) veiligheidsniveau van artikel 7:658 lid 1 BW voldeed en is daarmee haar zorgplicht nagekomen;

 

– omdat niet is komen vast te staan dat de vloer glad was, kan [werknemer] niet worden gevolgd in zijn stelling dat [werkgever] het profiel van deze schoenen had moeten controleren. [werkgever] kon niet voorzien dat [werknemer] zou uitglijden, zodat op haar ook niet de verplichting rustte om veiligheidsschoenen met bijvoorbeeld een anti-slipprofiel te verstrekken. Niet is komen vast te staan dat [werkgever] haar zorgplicht op dit punt heeft geschonden;

 

– ten aanzien van de overige verwijten dat [werknemer] niet dan wel onvoldoende is ingewerkt, dat er geen instructies zijn gegeven en dat het magazijn wanordelijk en onveilig was ingericht, geldt dat geen van die omstandigheden op welke manier dan ook een rol hebben gespeeld bij zijn val. Die omstandigheden rechtvaardigen dan ook niet de conclusie dat een intensiever inwerktraject of uitgebreidere instructies en eventuele andere te stellen eisen aan de inrichting van het magazijn de val van [werknemer] hadden kunnen voorkomen. Daarbij kan in het midden blijven of [werknemer] ten val is gekomen doordat hij is uitgegleden of doordat hij zijn enkel heeft omgezwikt;

 

– [werknemer] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de manier waarop het magazijn was ingericht, hoe hij zich daar moest bewegen, oorzaak was van zijn val. Al hierom brengt de gestelde subsidiaire grondslag geen aansprakelijkheid voor

 

[werkgever] met zich mee.

 

De rechtbank concludeert dat er geen omstandigheden zijn aan te wijzen op grond waarvan [werkgever] redelijkerwijs verplicht was om maatregelen te treffen om dit gevaar te voorkomen. [werkgever] is dan ook niet aansprakelijk voor de schade die [werknemer] als gevolg van dit ongeval heeft geleden of nog lijdt. De vorderingen van [werknemer] zijn afgewezen en [werknemer] is in de proceskosten veroordeeld.

 

6.3.

[werknemer] heeft in hoger beroep elf grieven aangevoerd. [werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen en betaling van de proceskosten in beide instanties (waaronder de nakosten vermeerderd met wettelijke rente).

 

6.4.

Bij de beoordeling van onderhavig geschil stelt het hof het volgende voorop.

 

– In artikel 7:658 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

 

– Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (ECLI:NL:HR:2008:BC9225).

 

– Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

 

– Voornoemd artikel houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

Grief I – toedracht ongeval

 

6.5.1.

Het hof zal eerst grief I behandelen. [werknemer] betoogt daarbij dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of hij zijn enkel heeft omgezwikt. Aangenomen moet worden dat hij is uitgegleden tijdens zijn werkzaamheden en daardoor letsel heeft opgelopen. Volgens [werknemer] rust de bewijslast van de toedracht van het ongeval op [werkgever] .

 

6.5.2.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW voor de stelplicht en bewijslastverdeling het volgende geldt:

 

(i) De werknemer dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. De juiste, exacte toedracht van het ongeval hoeft hij daarbij niet te stellen.

 

(ii) Indien komt vast te staan dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van de werknemer is te wijten. Staat die toedracht vast, dan kan de werkgever volstaan met aan te tonen dat hij heeft voldaan aan alle op hem rustende verplichtingen teneinde dit specifieke ongeval te voorkomen. Onduidelijkheid omtrent de toedracht van het ongeval betekent derhalve een ruimere bewijslast voor de werkgever.

 

(iii) Slaagt de werkgever niet erin het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen. Ook op dit punt is de toedracht van het ongeval van belang, omdat ook hier geldt dat de omstandigheid dat hieromtrent onduidelijkheid bestaat, een ruimere bewijslast voor de werkgever meebrengt.

 

6.5.3.

Deze verdeling van stelplicht en bewijslast kent als achtergrond dat van een werknemer mag worden verlangd dat hij stelt en zo nodig bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, maar dat niet ook van hem mag worden verlangd dat hij aantoont wat nu precies de toedracht of oorzaak is geweest (ECLI:NL: HR:2001:AB1430). Dit betekent echter niet dat daarmee ook is beslist dat de werkgever de precieze toedracht moet aantonen, zoals [werknemer] ten onrechte betoogt.

 

6.5.4.

Uitgangspunt voor de verdere beoordeling van deze zaak is dus wat hiervoor in rov. 6.5.2. onder (ii) staat. Vast staat dat [werknemer] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De toedracht van de val staat echter niet vast. In dat verband merkt het hof nog het volgende op. [werkgever] heeft ondanks de aan haar in artikel 9 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1999 opgelegde verplichting geen directe melding van dit ongeval gedaan bij de Inspectie SZW, welke melding, nu [werknemer] met behulp van een ambulance naar een ziekenhuis is vervoerd, daar ook is opgenomen en een heupoperatie heeft ondergaan, wel vereist was. Daardoor is het opmaken van een ongevalsrapport als bedoeld in artikel 24 lid 4 Arbeidsomstandighedenwet 1999, welk rapport mogelijk wat meer duidelijkheid zou hebben kunnen verschaffen over de precieze toedracht van het ongeval, achterwege gebleven. Dat nalaten dient voor rekening en risico van [werkgever] te blijven. Daaraan doet niet af dat [werkgever] in een veel later stadium het ongeval wel gemeld heeft en de Inspectie SZW toen van het opmaken van een ongevalsrapport heeft afgezien. Bij de behandeling van de verdere grieven zal het hof toetsen of [werkgever] aan haar zorgplicht heeft voldaan, waarbij wordt uitgegaan van een ruimere bewijslast voor [werkgever] . Dat betekent dat ook het hof van oordeel is dat in het midden kan blijven of [werknemer] zijn enkel heeft omgezwikt. Grief I slaagt niet.

 

Grieven II t/m VIII en X – de magazijnvloer en de maatregelen

 

6.6.1.

[werknemer] is het (samengevat) niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de magazijnvloer voldeed aan het vereiste (hoge) veiligheidsniveau van artikel 7:658 BW en dat niet is komen vast te staan dat de vloer glad was (grief II), dat er geen aanwijzingen zijn dat de vloer als zodanig extra risico’s op valgevaar met zich bracht (grief VI), dat niet aannemelijk is dat op de plaats van de val olie op de vloer lag (grief III), dat de toegepaste zogeheten ‘Slingerproef’ in de rapportage van de werkgever achterhaald is (grief IV), dat de verkleuringen in de vloer zijn afgewimpeld (grief V), dat de veiligheidsschoenen betere anti-slipzolen hadden moeten hebben, dat er chaos in het magazijn was met werkverkeer op de vloer (grief VII), dat de overige omstandigheden niet juist waren (grief VIII) en dat [werkgever] meer maatregelen had moeten treffen (grief X). [werknemer] stelt dat daarbij uitgegaan moet worden van een gevaarzettende situatie in het magazijn (memorie van grieven onder nr. 12).

 

6.6.2.

Hoewel het hof het met [werknemer] eens is dat in een magazijn in het algemeen mogelijk sprake zou kunnen zijn van een gevaarzettende situatie, is dat hier niet het uitgangspunt van de beoordeling. Naar het oordeel van het hof gaat het hier immers om het lopen op de magazijnvloer waarbij de aard van de werkzaamheden op dat moment – lopen met een orderbriefje – niet anders meebracht dan dat [werknemer] over de vloer moest lopen op een wijze die bij een ieder in het dagelijks leven kan voorkomen. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [werknemer] liep in het magazijn.

 

6.6.3.

Aangezien de toedracht van het ongeval van [werknemer] niet is komen vast te staan, zal [werkgever] moeten aantonen dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht ten aanzien van de vloer. Zoals hiervoor al is overwogen in rov. 6.5.4. laat ook het hof in het midden of [werknemer] zijn enkel heeft omgezwikt. Het hof gaat dus uit van een ruimere bewijslast waarbij [werkgever] zal moeten aantonen dat zij voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat [werknemer] zou uitglijden op de vloer.

 

6.6.4.

Zoals al is overwogen in rov. 6.4. is het afhankelijk van de omstandigheden van het geval welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren. Daarbij is van belang dat de wet niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar.

 

6.6.5.

Het hof gaat uit van de volgende omstandigheden:

 

– de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) van [werkgever] dateert van zeven jaar voor het ongeval. Hoewel er dus sprake is van tijdverloop, slaat het hof toch acht op de bevinding uit deze RI&E dat geen aandachtspunten zijn opgenomen ten aanzien van de magazijnvloer. Er bestaat immers geen wettelijke verplichte termijn voor de geldigheidsduur van een RI&E. De wet benoemt alleen dat de RI&E wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven (art. 5 lid 4 Arbeidsomstandig-hedenwet 1999);

 

– de aard van de werkzaamheden op het moment van het ongeval – lopen met een orderbriefje – bracht niet anders mee dan dat [werknemer] over de vloer moest lopen op een wijze die bij een ieder in het dagelijks leven kan voorkomen (ECLI:NL:HR:2007:AZ5834);

 

– voor deze werkzaamheden is het niet nodig dat [werknemer] werd ingewerkt of instructies werden gegeven, daarvoor is het meelopen gedurende twee zaterdagen voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst ruimschoots voldoende;

 

– [werkgever] heeft met [werknemer] het dragen van veiligheidsschoenen bij het begin van de werkzaamheden besproken. Daarbij is afgesproken dat [werknemer] zijn eigen nieuwe veiligheidsschoenen zou gaan gebruiken. Deze schoenen had [werknemer] aan ten tijde van het ongeval;

 

– de in eerste aanleg gehoorde getuigen reppen niet over olie op de vloer op de ongevalsplek. Ook [werknemer] zelf heeft tijdens zijn verhoor bij de rechtbank verklaard: “waar ik gevallen ben heb ik geen olie aangetroffen, misschien dat het onder mijn schoenen zat”, en [werknemer] heeft pas ongeveer vier maanden na het ongeval voor het eerst gesproken over de mogelijke aanwezigheid van olie onder zijn schoenen.

 

Het hof oordeelt dat anders dan [werknemer] stelt, de overgelegde rapporten over de vloer wel relevante informatie geven. Dat de inspectie SZW na vier maanden geen onderzoek naar de toedracht van het ongeval kon doen, ligt voor de hand omdat geen duidelijkheid was over veel van de omstandigheden. Ten aanzien van de vloer is dat anders. Daar is immers wel duidelijkheid over: de desbetreffende vloer lag er ten tijde van het ongeval en lag er ten tijde van het onderzoek nog steeds. Of het magazijn chaotisch was ingericht, of er voldoende werd schoongemaakt, waar de voertuigen in het magazijn precies reden en hoe breed de looppaden ten tijde van het ongeval waren, is bij het vaststellen van de omstandigheden niet relevant nu niet is gesteld dat de val daardoor is veroorzaakt. Ook het feit dat er sinds 2015 een nieuwe methode wordt gehanteerd voor het meten van stroefheid die nauwkeuriger is, maakt niet dat de metingen met een veronderstelde verouderde methode onbruikbaar zijn geworden.

 

Dit betekent dat het hof bij de omstandigheden ook betrekt:

 

  1. de bevindingen over de vloer in het rapport van [expertisebureau 1] van 12 september 2016: “De vloer heb ik met eigen ogen bezichtigd en ik kan slechts opmerken dat deze er zeer netjes bij ligt. De vloer heeft een tamelijk ruw oppervlak. Men ziet een egale vloer zonder gaten. Op sommige plekken ziet men bepaalde verkleuringen in het beton. Dat doet echter totaal niets af aan de kwaliteit van de vloer, zo heb ik op meerdere plaatsen geconstateerd waar verkleuringen aanwezig zijn. Ook op de plaatsen met de verkleuringen is het oppervlak tamelijk ruw. (…) Met eigen ogen kan ik ook zien dat de verkleuringen in de vloer ook niet het gevolg zijn van olie.”

 

  1. de conclusie over de vloer in het rapport van [expertisebureau 2]

 

van 19 juni 2019: “De stroefheid op de meetplaatsen is zowel in droge als natte toestand ruim boven de aanbevolen waarde. De beproefde oppervlakte is dus ‘voldoende veilig’.”

 

6.6.6.

Het hof overweegt dat het onder de bovengenoemde omstandigheden niet nodig was om andere maatregelen te treffen dan die [werkgever] heeft getroffen. Met de gegeven toestand van de vloer neemt het hof ook geen noodzaak aan voor veiligheidsschoenen met een beter anti-slipprofiel. En anders dan in het geval van de wasserij (ECLI:NL:HR:2008:BC9225) waar het ging om maatregelen bij gladheid, ontstaan door waterplassen die in een wasserij nu eenmaal niet zijn te voorkomen en waar de omgeving regelmatig nat is, ziet het hof in deze zaak onvoldoende toegevoegde waarde in het leggen van rubberen matten. Ook voor andere maatregelen bestaat geen aanleiding. De grieven II tot en met VIII, alsmede X slagen dus niet.

 

Grief IX – de subsidiaire grondslag

 

6.7.1.

[werknemer] stelt dat hij uitgleed en met zijn heup een uitstekende of daar gelegen pallet raakte. Hij stelt dat indien de werkplek was ingericht op een wijze waarop de pallet (netjes) kon worden opgeruimd, hij geen pallet bij zijn val zou hebben geraakt. Het letsel zou dan (veel) minder ernstig zijn geweest. Het is aan [werkgever] om invulling te geven aan haar zorgplicht. Het letsel wijst op een heftige aanraking met een voorwerp in het magazijn op een looppad.

 

6.7.2.

Het hof overweegt dat ook hier geldt dat de toedracht van de val niet is komen vast te staan en dat daarbij dus een ruime toerekening moet worden toegepast voor het aantonen van het voldoen aan de zorgplicht door [werkgever] (zie rov. 6.5.4.). Aangezien het hof hiervoor al heeft overwogen dat [werkgever] heeft voldaan aan haar zorgplicht ten aanzien van het vallen op de vloer, is er geen grondslag om subsidiair aansprakelijkheid aan te nemen voor een pallet die mogelijk uitstak. In het magazijn stonden nu eenmaal pallets (alsook andere voorwerpen) en [werknemer] heeft onvoldoende gesteld hoe [werkgever] het ná de val terechtkomen op een pallet of een ander voorwerp had kunnen voorkomen. Ook heeft [werknemer] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zijn re-integratie is mislukt door toedoen van [werkgever] en waarbij hij overbelast zou zijn door [werkgever] . Ook deze grief slaagt niet.

 

Grief XI

 

6.8.

De elfde grief heeft naast de vorige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

 

Bewijsaanbod

 

6.9.

Het bewijsaanbod van [werknemer] wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

 

Conclusie

 

6.10

De conclusie is dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen, dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd (waaronder de proceskostenbeslissing), en dat [werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van [werkgever] . Deze kosten zullen worden begroot voor het griffierecht op € 760,– en voor het salaris advocaat op een bedrag van € 2.228,– (2 punten x tarief II € 1.114,–).

 

7De uitspraak

Het hof:

 

– bekrachtigt het tussenvonnis van 9 mei 2019 en het eindvonnis van 5 maart 2020 van de rechtbank te Oost-Brabant, locatie Eindhoven;

 

– veroordeelt [werknemer] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] vastgesteld op € 760,– voor het griffierecht en voor het salaris advocaat op een bedrag van € 2.228,– overeenkomstig het liquidatietarief;

 

– veroordeelt [werknemer] in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval [werknemer] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

 

– verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de hierin vermelde proceskostenveroordelingen;

 

– wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H.K.N. Vos, O.G.H. Milar en A. van Zanten-Baris en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 december 2021.

 

griffier rolraadsheer

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey