Rb, deelgeschil: beroepsziekte, verjaring gestuit door mededeling en daarop volgende correspondentie

Samenvatting:

Verzoeker is van 1984 tot 2013 in dienst geweest bij chemisch bedrijf als A-operator. Hij is 2013 arbeidsongeschikt geraakt vanwege fysieke klachten en stelt in 2013 werkgever aansprakelijk ex art. 7:658 BW. Verzekeraar stelt dat vordering is verjaard, nu geen tijdige stuitingshandelingen zijn verricht. De kantonrechter oordeelt dat, gelet op tussen partijen gevoerde correspondentie die volgde op de uitdrukkelijke schriftelijke mededeling van belangenbehartiger in 2019 dat de aansprakelijkstelling voor de door verzoeker geleden schade die het gevolg is van de door hem gestelde beroepsziekte wordt gehandhaafd dat is voldaan aan de in art. 3:317 lid 1 BW aan een stuiting gestelde vereisten.

ECLI:NL:RBROT:2021:12487, Rechtbank Rotterdam, 9410672 VZ VERZ 21-14528 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2021:12487

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

15-12-2021

Datum publicatie

23-12-2021

Zaaknummer

9410672 VZ VERZ 21-14528

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verjaring. Vordering ex-werknemer uit hoofde van artikel 7:658 BW is niet verjaard. Begroting kosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9410672 VZ VERZ 21-14528

uitspraak: 15 december 2021

beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. G.J. Knotter te Utrecht,

tegen

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Aluminium & Chemie Rotterdam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

  1. de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

handelend onder de naam Avero Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

verweersters,

gemachtigden: mr. E.L. Traag en mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]”, “Aluchemie” en “Achmea”.

1.Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, met producties, ontvangen op

23 augustus 2021;

het verweerschrift, met producties, ontvangen op 16 november 2021;

de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de zijde van Aluchemie en Achmea overgelegde pleitaantekeningen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 november 2021. Namens [verzoeker] is zijn gemachtigde verschenen. Aan de zijde van Aluchemie en Achmea is verschenen [naam 1], HR-manager bij Aluchemie, bijgestaan door mr. Traag voornoemd en mr. M.A. Teunissen, kantoorgenoot. Partijen hebben hun standpunten (nader) doen toelichten door hun respectieve gemachtigden. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2.De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Aluchemie is een bedrijf dat koolstofanodes voor de aluminiumindustrie produceert. Aluchemie heeft zich voor wat betreft werkgeversaansprakelijkheid verzekerd bij Achmea.

2.2

[verzoeker], geboren op [geboortedatum verzoeker], is van 23 juli 1984 tot en met 30 april 2013 in dienst geweest bij Aluchemie in de functie van hoofdzakelijk A-operator. [verzoeker] is op 24 januari 2013 volledig arbeidsongeschikt geraakt vanwege fysieke klachten.

2.3

Bij brief van 2 december 2013 heeft [verzoeker] Aluchemie aansprakelijk gesteld ex artikel 7:658 BW en artikel 7:611 BW voor zijn (gezondheids)schade.

2.4

Vervolgens heeft [verzoeker] zich gewend tot het Bureau Beroepsziekten FNV (hierna BBZ FNV) met het verzoek onderzoek te doen naar de vraag of sprake is van een beroepsziekte en een aansprakelijkheidszaak in behandeling te nemen.

2.5

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft BBZ FNV Aluchemie nogmaals aansprakelijk gesteld voor de door [verzoeker] gestelde schade als gevolg van een opgelopen beroepsziekte, bestaande uit (kort gezegd) fysieke klachten, en is de verjaring gestuit. Aluchemie heeft vervolgens Achmea ingeschakeld. Achmea heeft iedere aansprakelijkheid van Aluchemie afgewezen.

2.6

BBZ FNV heeft onderzoek laten doen naar de vraag of de klachten van [verzoeker] veroorzaakt zijn door de door hem bij Aluchemie verrichte werkzaamheden en of sprake is van een arbeidsgerelateerde ziekte waarvoor Aluchemie op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Het onderzoek is uitgevoerd door [naam 2] die daartoe op 22 februari 2016 een Arbo rapportage heeft opgemaakt.

2.7

Partijen hebben daarna met elkaar gecorrespondeerd.

2.8

Bij e-mail van 25 juli 2017 heeft Achmea het volgende – voor zover thans van belang – aan BBZ FNV meegedeeld:

“(…) Helaas hebben wij lange tijd met enorme achterstanden gewerkt, dit is de reden van het uitblijven van een reactie. Dit is uiteraard niet goed te praten. En daarvoor mijn excuses. (…)”

2.9

Bij brief van 15 januari 2019 heeft BBZ FNV het volgende – voor zover thans van belang – aan Achmea meegedeeld:

“(…) Er is sprake van arbeidsgerelateerde gezondheidsschade. Uw verzekerde is aansprakelijk voor de schade die mijn cliënt dientengevolge lijdt. Conform constante jurisprudentie van de Hoge Raad, verwoord in de 7 juni arresten, heeft mijn cliënt aan zijn bewijslast voldaan. Namens cliënt handhaaf ik dan ook de aansprakelijkstelling voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van deze beroepsziekte. Uw verzekerde kan alleen aan aansprakelijkheid ontkomen als hij stelt en gemotiveerd betwist dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. (…)”

2.10

Bij e-mail van 1 april 2020 heeft Achmea het volgende – voor zover thans van belang – aan BBZ FNV meegedeeld:

“(…) Hierbij treft u het advies van mijn medisch adviseur (…). Conform onze voorgaande berichten, handhaven wij ons standpunt. (…)”

2.11

Bij brief van 25 juni 2020 heeft BBZ FNV het volgende – voor zover thans van belang – aan Achmea meegedeeld:

“(…) Hierbij reageer ik op uw emailbericht van 1 april jl. waarin u aangeeft op basis van eerdere berichtgeving uw standpunt ten aanzien van aansprakelijkheid te handhaven.

Mijn cliënt betreurt dit ten zeerste.

Tevens heeft u een medisch advies van uw medisch adviseur bijgevoegd. (…)

Wel concludeer ik dat beide medisch adviseurs van mening blijven verschillen over de medische causaliteit. Teneinde om duidelijkheid te verkrijgen of er sprake is van werkgerelateerde gezondheidsklachten bij [verzoeker] verzoek ik u om akkoord te gaan met een expertise. Ik stel voor om de expertise te laten verrichten door deskundigen van (…).”

2.12

Bij e-mail van 3 juli 2020 heeft Achmea het volgende – voor zover thans van belang – aan BBZ FNV meegedeeld:

“(…) Het nu voorstellen voor het entameren van dan maar een medische expertise komt op mij over als een fishing expedition. De kosten van de voornoemde expertise kunnen mijns inziens niet voor rekening van Achmea komen. (…)”

2.13

Bij brief van 9 oktober 2020 heeft BBZ FNV het volgende – voor zover thans van belang – aan Achmea meegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van het standpunt van uw medisch adviseur heb ik verzocht of mijn medisch adviseur alsnog zou willen reageren op de stellingen van uw medisch adviseur.

U treft het advies bijgevoegd. (…) Een dergelijk verschil van inzicht tussen beide medisch adviseurs kan beslecht worden middels een expertise (…). Wat mij betreft zouden we voor de gezamenlijke expertise de kosten kunnen delen. (…)”

2.14

Bij e-mail van 14 oktober 2020 heeft Achmea het volgende – voor zover thans van belang – aan BBZ FNV meegedeeld:

“(…) Ik meen er toch goed aan te doen het advies van uw medisch adviseur voor een nadere reactie aan mijn MA [medisch adviseur, toevoeging kantonrechter] dr. Vossen voor te leggen. (…) Na ontvangst van de reactie van mijn MA kom ik nader inhoudelijk bij u op de zaak terug. (…)”

2.15

Bij e-mail van 29 december 2020 heeft Achmea het volgende – voor zover thans van belang – aan BBZ FNV meegedeeld:

“(…) Inmiddels ontving ik het aanvullend advies van onze MA [naam 3]. Bijgaand zend ik u en uw eigen MA hiervan ter kennisneming een afschrift. (…)

Aansprakelijkheid zal dus niet worden erkend op basis van de huidige bekende gegevens.

Voor een pragmatische afdoening zie ik helaas geen ruimte. Mocht uw client cq u omtrent het aansprakelijkheidsvraagstuk een andere mening zijn toegedaan dan rest ons niets anders om dan maar het oordeel van de rechter te vragen. In het voorkomende geval zullen wij voor gepast verweer zorgdragen. (…)”

3.Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoeker] heeft op de voet van artikel 1019w Rv (de deelgeschilprocedure betreffende letsel- en overlijdensschade) verzocht, bij beschikking, te verklaren dat de vordering van [verzoeker] uit hoofde van zijn beroepsziekte ex artikel 7:658 BW niet is verjaard dan wel dat het door Achmea gedane beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gehonoreerd, met begroting van de kosten van dit deelgeschil op € 2.989,00.

3.2

Aan dit verzoek heeft [verzoeker] – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

Aluchemie is op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van klachten die bij hem zijn ontstaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Aluchemie.

3.2.2

Achmea heeft namens Aluchemie ten onrechte een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [verzoeker]. Alhoewel uit de namens [verzoeker] gevoerde correspondentie niet volgt dat daarin een uitdrukkelijke mededeling ter stuiting van de aansprakelijkheid binnen de vereiste vijf jaar is gedaan, zijn – gelet op de na de aansprakelijkstelling van 22 oktober 2015 tussen BBZ FNV en Achmea gevoerde (context van de) correspondentie, die steeds voortborduurt op hetzelfde thema van de aansprakelijkheid – de aanspraken van [verzoeker] op vergoeding van zijn schade steeds in (voldoende) duidelijke bewoordingen voorbehouden. Er is dan ook voldaan aan de criteria voor stuiting van de verjaring.

3.2.3

Subsidiair stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat Aluchemie en Achmea zich redelijkerwijs niet (meer) op verjaring van de vordering van [verzoeker] kunnen beroepen.

Het beroep op verjaring kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden gehonoreerd. In de e-mail van Achmea van 29 december 2020 is geen beroep gedaan op verjaring, maar is juist aangegeven dat ons niets anders rest dan het oordeel van de rechter te vragen en dat dan verweer wordt gevoerd.

3.2.4

[verzoeker] heeft kosten gemaakt voor het voeren van deze deelgeschilprocedure. Die kosten heeft hij begroot op een bedrag van in totaal € 2.989,00 inclusief het griffierecht van € 85,00 dat [verzoeker] heeft voldaan in het kader van deze procedure. Daarbij is gerekend op basis van in totaal 10 uren die door de gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak zijn besteed en een uurtarief van € 240,00, vermeerderd met 21% btw.

3.3

Op hetgeen [verzoeker] overigens nog naar voren heeft gebracht wordt hierna, althans voor zover van belang, ingegaan.

4.Het verweer

4.1

Aluchemie en Achmea hebben het verzoek betwist en hebben geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met begroting van de kosten van het deelgeschil op € 1.694,00.

Hiertoe hebben Aluchemie en Achmea – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende aangevoerd.

4.1.1

[verzoeker] heeft in de periode tussen 22 oktober 2015 en 22 oktober 2020 geen stuitingshandeling verricht. [verzoeker] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht en hij heeft niet geconcretiseerd welke schriftelijke mededeling Aluchemie en Achmea in de correspondentie van na 22 oktober 2015 precies hadden moeten opvatten als een stuitingshandeling. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om op enig moment aan te kondigen dat hij Aluchemie en Achmea in rechte zou gaan betrekken, althans dat [verzoeker] een procedure zou starten of dat hij zich dat recht voorbehield. [verzoeker] heeft dat echter niet gedaan.

De vordering is verjaard.

4.1.2

Ook het beroep dat [verzoeker] heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan niet slagen. Achmea heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen beroep (meer) zal doen op verjaring.

4.1.3

Er kunnen geen kosten in rekening worden gebracht voor een intakegesprek. Ook is het niet redelijk om vier uur voor het opstellen van het verzoekschrift te begroten. Deze kosten dienen te worden begroot op twee uur. Het uurtarief van € 240,00 is te hoog. Dit tarief dient te worden begroot op € 200,00 per uur. Gelet hierop dienen de kosten te worden begroot op in totaal € 1.694,00.

4.2

Op hetgeen Aluchemie en Achmea overigens nog naar voren hebben gebracht wordt hierna, althans voor zover van belang, ingegaan.

5.De beoordeling

5.1

[verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen.

5.2

[verzoeker] heeft gesteld (kort gezegd) dat Aluchemie aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van klachten die bij hem zijn ontstaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Aluchemie. [verzoeker] verzoekt in het kader van de onderhavige deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat de vordering ter zake die aansprakelijkheid niet is verjaard, zodat partijen verder kunnen onderhandelen over de andere geschilpunten en daarover mogelijk ook overeenstemming kunnen bereiken. Het gaat thans dus (alleen) om de vraag of de vordering van [verzoeker] al dan niet is verjaard. In dit verband geldt het volgende toetsingskader.

5.3

Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis onder meer kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Volgens vaste rechtspraak (o.a. Hoge Raad 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2274 en laatstelijk Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489) moet deze schriftelijke mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet dient niet alleen te worden gelet op de formulering van de mededeling, maar ook op de context waarin zij is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad

18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502 en Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112). Tot die context en overige omstandigheden behoort ook de inhoud van overige correspondentie tussen partijen (Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063). Dit betreft niet uitsluitend correspondentie voorafgaand aan de schriftelijke mededeling die ter beoordeling staat, maar ook correspondentie die op die schriftelijke mededeling volgt (Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).

Het standpunt van Aluchemie en Achmea dat voor een stuitingshandeling ook is vereist dat daarin wordt aangekondigd dat de schuldenaar (mogelijk) in rechte wordt betrokken en dat (mogelijk) een procedure wordt gestart, vindt geen steun in de wet en/of die jurisprudentie.

5.4

Tussen partijen staat vast dat BBZ FNV bij brief van 22 oktober 2015 Aluchemie (nogmaals) aansprakelijk heeft gesteld, dat de verjaring toen is gestuit en dat de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf dat moment (weer) is gaan lopen.

Partijen hebben na 22 oktober 2015 vele malen met elkaar gecorrespondeerd. Een deel van die correspondentie is hiervoor vermeld. De correspondentie heeft enige tijd stilgelegen als gevolg van achterstanden bij Achmea, zoals verwoord in de e-mail van Achmea van 25 juli 2017.

In de hiervoor (deels) geciteerde brief van 15 januari 2019 van BBZ FNV is uitdrukkelijk aan Achmea meegedeeld dat de aansprakelijkstelling voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van de door hem gestelde beroepsziekte wordt gehandhaafd. De kantonrechter is van oordeel dat het Achmea hiermee voldoende duidelijk moet zijn geweest dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee diende te houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door [verzoeker] ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

Vervolgens hebben partijen weer diverse malen gecorrespondeerd. Bij brief van 25 juni 2020, en dus vóór 22 oktober 2020, heeft BBZ FNV nog voorgesteld om een medische expertise te laten verrichten. Dat voorstel is nog eens herhaald bij brief van 9 oktober 2020, en dus ook weer vóór 22 oktober 2020. Niet valt in te zien dat een dergelijk voorstel wordt gedaan indien het voor [verzoeker] “niet echt menens was” of dat “hij het verder zou laten voor wat het is”, zoals door Aluchemie en Achmea is aangevoerd. Dit geldt met name in het licht van de hiervoor vermelde brief van 15 januari 2019.

Ook Achmea zelf is bezig gebleven met de medische adviezen. Bij e-mail van 14 oktober 2020, en dus (kort) vóór 22 oktober 2020, heeft Achmea nog aan BBZ FNV meegedeeld dat het laatste advies van de medisch adviseur van [verzoeker] voor een nadere reactie aan de medisch adviseur van Achmea wordt gestuurd om daarop te reageren. Bij e-mail van 29 december 2020 heeft Achmea vervolgens aan BBZ FNV meegedeeld dat het aanvullend advies van de medisch adviseur van Achmea inmiddels was ontvangen en is een afschrift daarvan bijgevoegd.

Bij dit alles komt nog dat Achmea in diezelfde e-mail van 29 december 2020 heeft meegedeeld dat indien [verzoeker] van mening is dat Aluchemie aansprakelijk is, “dan rest ons niets anders om dan maar het oordeel van de rechter te vragen”. Ook hieruit blijkt dat Achmea zelf begreep dat zij er rekening mee diende te houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog door [verzoeker] ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Niet valt in te zien dat met die opmerking van Achmea was bedoeld dat “de kous af was”, zoals door Aluchemie en Achmea is aangevoerd. Daarvoor bestaat geen enkele aanwijzing.

5.5

Gelet op de hiervoor besproken tussen partijen gevoerde correspondentie die volgde op de uitdrukkelijke schriftelijke mededeling van BBZ FNV van 15 januari 2019 dat de aansprakelijkstelling voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van de door hem gestelde beroepsziekte wordt gehandhaafd,

een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, is de kantonrechter van oordeel dat is voldaan aan de in artikel 3:317 lid 1 BW en in de genoemde jurisprudentie aan een stuiting gestelde vereisten.

De kantonrechter gaat voorbij aan het (eerst) tijdens de mondelinge behandeling door Aluchemie en Achmea gevoerde verweer dat bij het onderhavige dossier betrokken medewerkers van Achmea inmiddels niet meer werkzaam zijn bij Achmea, waardoor veel kennis verloren is gegaan. Voor zover dat al het geval is, kan een en ander niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen en kan dat niet tot een ander oordeel leiden.

5.6

De conclusie is dat de vordering van [verzoeker] ex artikel 7:658 BW niet is verjaard.

Dit betekent dat de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen, op de wijze zoals hierna is bepaald. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag. Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.7

[verzoeker] heeft voorts nog verzocht om begroting van de kosten van het deelgeschil. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Bij de begroting van de kosten moet de dubbele redelijkheidstoets worden gehanteerd.

[verzoeker] heeft gesteld dat het gevorderde bedrag van in totaal € 2.989,00 bestaat uit door zijn gemachtigde verrichte werkzaamheden van in totaal 10 uren en € 85,00 aan griffierecht.

Dat tijdsbestek van 10 uren bestaat volgens [verzoeker] uit 5 uren voor het vervaardigen van het verzoekschrift inclusief 1 uur voorbespreking en 5 uren voor de bestudering van het verweerschrift, de voorbereiding en het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Aluchemie en Achmea hebben aangevoerd dat er geen kosten in rekening kunnen worden gebracht voor een intakegesprek, maar van een dergelijk gesprek kan hier niet worden gesproken. De gemachtigde van [verzoeker] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij op 6 augustus 2021 de zaak inhoudelijk met [verzoeker] heeft besproken en de deelgeschilprocedure aan hem heeft uitgelegd, dat het dossier al volledig was voorbereid door BBZ FNV en dat dus van een intakegesprek geen sprake was. Aluchemie en Achmea hebben ook niet betwist dat de gemachtigde van [verzoeker] een reeds voorbereid dossier had ontvangen van BBZ FNV, zodat de zaak en de onderhavige procedure direct inhoudelijk besproken kon worden met [verzoeker]. De bespreking van 1 uur wordt dan ook betrokken in de tijdsbesteding.

Ook acht de kantonrechter een tijdsbesteding van 4 uren voor het opstellen van het verzoekschrift niet onredelijk. Ditzelfde geldt voor de tijdsbesteding van 5 uren voor de bestudering van het verweerschrift, de voorbereiding en het bijwonen van de mondelinge behandeling. Aluchemie en Achmea hebben daar ook geen verweer tegen gevoerd.

Het gevorderde uurtarief van € 240,00 (vermeerderd met 21% btw) acht de kantonrechter eveneens redelijk, nu de gemachtigde van [verzoeker] onweersproken heeft gesteld dat hij een gespecialiseerd advocaat is op het gebied van werkgeversaansprakelijkheid en dat hij dat werk al 20 jaar doet.

De kosten van het onderhavige deelgeschil worden daarmee aan de zijde van [verzoeker] begroot op een bedrag van € 2.904,00. Dit bedrag zal nog worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 85,00. Dit alles betekent dat de totale kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 2.989,00 (inclusief btw). Het hierop gerichte verzoek zal daarom worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de vordering van [verzoeker] uit hoofde van artikel 7:658 BW niet is verjaard;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 2.989,00 (inclusief btw);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey