Rb, deelgeschil: verzekeraar heeft terecht onderhandelingen beëindigd, verzoek om heropening afgewezen

Samenvatting:

Benadeelde verzoekt om verzekeraar te veroordelen tot heropening van het letselschadedossier. Verzekeraar stelt dat van haar niet verlangd kan worden om het buitengerechtelijk traject te hervatten. De rechtbank stelt voorop dat het een verzekeraar in beginsel vrijstaat om de buitengerechtelijke onderhandelingen eenzijdig af te breken, tenzij dit op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van de andere partij of in verband met andere (bijzondere) omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank acht het causale verband (nog steeds) onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het niet zonder meer aannemelijk dat de aanrijding een forse geweldsinwerking tot gevolg heeft gehad. Verzekeraar heeft, ondanks de onzekerheid over het causaal verband, voorschotten betaald en een slotbetaling aangeboden. Verzoekster heeft de zaak niet op die basis willen regelen. Nu er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn kan verzekeraar zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat zij geen heil meer ziet in minnelijk overleg en heeft zij de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen beëindigen.

 

ECLI:NL:RBROT:2021:3196

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

31-03-2021

Datum publicatie

14-04-2021

Zaaknummer

C/10/596295 / HA RK 20-394

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verzoek tot heropening van het dossier wordt afgewezen, omdat dat de verzekeraar het dossier niet op onredelijke gronden heeft gesloten en er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn. Verzoek tot medewerking aan een deskundigenonderzoek wordt eveneens afgewezen, want een dergelijk verzoek hoort thuis in een procedure ex artikel 202 Rv.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

 

Team handel en haven

 

zaaknummer / rekestnummer: C/10/596295 / HA RK 20-394

 

Beschikking van 31 maart 2021

 

in de zaak van

 

[naam verzoekster] ,

 

wonende te [woonplaats verzoekster],

 

verzoekster,

 

advocaat mr. I.L. Madu te Rotterdam,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

 

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Amstelveen,

 

verweerster,

 

advocaat mr. M.D. Spruit te Ermelo.

 

Partijen worden hierna [naam verzoekster] en Vivat genoemd.

  1. De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen:

 

 

het verzoekschrift van 7 mei 2020, met producties,

 

het verweerschrift van 19 juni 2020, met producties,

 

de brief met twee aanvullende producties van de zijde van [naam verzoekster], ontvangen op 21 september 2020,

 

het e-mailbericht met een aanvullende productie van de zijde van [naam verzoekster], ontvangen op 24 september 2020,

 

de pleitaantekeningen van mr. Madu, voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling op 25 september 2020.

 

1.2.

 

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2020. [naam verzoekster] is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. Madu, voornoemd. Namens Vivat is mr. Spruit, voornoemd, verschenen.

1.3.

 

De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1.

 

[naam verzoekster] is op 31 januari 2018 als inzittende van een personenauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval (hierna: het ongeval). Het ongeval vond plaats op de Nieuwe Damlaan te Schiedam. De auto werd bestuurd door de zus van [naam verzoekster], [naam].

2.2.

 

De auto werd van achteren aangereden door een ander voertuig, dat op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd was bij Vivat. Vivat heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3.

 

Na het ongeval heeft [naam verzoekster] meerdere malen de huisarts bezocht. Op 12 maart 2018 heeft zij bij de huisarts – na eerdere bezoeken na het ongeval op 6 februari 2018, 19 februari 2018 en 5 maart 2018 – melding gemaakt van het ongeval.

2.4.

 

Op 19 juni 2018 heeft een expert van CED Letselschade namens Vivat een huisbezoek gebracht aan [naam verzoekster]. Van dit huisbezoek is door de expert eveneens op 19 juni 2018 een rapport opgemaakt.

2.4.1.

 

In het rapport van 19 juni 2018 is – onder meer – het volgende opgenomen:

 

“ aard letsel

 

Nekklachten, schouderklachten en hoofdpijn.

 

beloopinformatie

 

Betrokkene zei dat zij onmiddellijk na het ongeval last had van haar nek. Zij had bij een eerder ongeval ook al nekklachten, hoofdpijn en schouderklachten opgelopen. Dit betrof een ongeval van 13 juni 2017 en dit was eveneens een verkeersongeval waarbij de auto waarin betrokkene zich bevond aan de achterzijde werd aangereden. Als gevolg van het eerste ongeval was betrokkene al onder behandeling bij een fysiotherapeut en die behandeling werd voortgezet. Betrokkene zei dat na dit eerst ongeval haar klachten geleidelijk aan minder werden maar dat zij ten tijde van het onderhavige, tweede, ongeval nog niet over waren.

 

(…)

 

gezondheid voor ongeval / niet ongevalsgerelateerde informatie

 

In 2017 had betrokkene al fysiotherapie in verband met het eerdere ongeval van 12 juni 2017. Die klachten waren wel verminderd maar waren nog niet over toen het onderhavige ongeval zich voordeed. Voor het overige had betrokkene een goede gezondheid.”

2.5.

 

Vivat heeft gedurende het schadetraject eenmalig een voorschot onder algemene titel van € 4.000,00 aan [naam verzoekster] verstrekt. Daarnaast heeft zij € 1.315,95 voldaan als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.

2.6.

 

Op 4 juli 2019 stuurt mr. M. Klunder (hierna: mr. Klunder) namens Vivat het medisch advies van de medisch adviseur van Vivat door naar mr. I.L. Madu (hierna: mr. Madu). In de begeleidende brief stelt Vivat zich op het standpunt dat [naam verzoekster] het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval onvoldoende heeft aangetoond. Vivat meent daarom dat zij met het betaalde voorschot van € 4.000,00 de (aangetoonde) schade als gevolg van het ongeval heeft vergoed.

2.7.

 

Op 18 juli 2019 reageert mr. Madu namens [naam verzoekster] dat zij het oneens is met de bevindingen van de medisch adviseur van Vivat, onder meer omdat niet alle medische informatie zou zijn beoordeeld. Onder verwijzing naar het advies van haar eigen medisch adviseur wordt gesteld dat de thans bestaande klachten en beperkingen wel veroorzaakt zijn door het ongeval.

2.8.

 

Op 18 september 2019 reageert mr. Klunder met een aanvullend medisch advies. Volgens Vivat geeft dit aanvullende medische advies geen aanleiding om het standpunt te herzien. Desondanks laat mr. Klunder weten dat Vivat bereid is om de zaak (tegen finale kwijting) af te wikkelen tegen een slotbetaling van € 2.500,00 inclusief buitengerechtelijke kosten. De totale schade wordt in dat geval vastgesteld op een totaal bedrag van € 6.500,00.

2.9.

 

Op 2 januari 2020 reageert mr. Madu namens [naam verzoekster] dat de standpunten over de causaliteit ver uiteen liggen. Volgens mr. Madu sluit de op dat moment actuele schadestaat op een bedrag van € 211.959,50. Om Vivat in haar standpunt tegemoet te komen, stelt [naam verzoekster] voor dat Vivat een slotvergoeding van € 75.000,00 exclusief buitengerechtelijke kosten uitkeert.

2.10.

 

Op 17 januari 2020 reageert mr. Klunder namens Vivat als volgt:

 

“Het tegenvoorstel van uw cliënte van een bedrag van € 75.000,00 exclusief buitengerechtelijke kosten is besproken met cliënte.

 

In deze zaak is sprake van een bewijsprobleem aan de zijde van uw cliënte. Zie hiervoor de

 

brief van 4 juli 2019 (bijlage 1). Samengevat: op basis van de huidige gegevens staat de

 

(aanwezigheid) van de gestelde klachten en gestelde beperkingen niet vast. Evenmin staat het causaal verband tussen de gestelde klachten en gestelde beperkingen en het ongeval vast.

 

Inmiddels werd door cliënte een bedrag van € 4.000,– vergoed. Cliënte meent dat zij door

 

deze betaling de volledige schade van uw cliënt als gevolg van het ongeval heeft vergoed en

 

dat meer of andere schade niet is aangetoond.

 

Cliënte heeft in de brief van 18 september de bereidheid getoond om nog een bedrag te

 

betalen van € 2.500,– (all-in, inclusief buitengerechtelijke kosten) (bijlage 2). Nogmaals:

 

dergelijke schade is beslist niet aangetoond.

 

(…)

 

Mocht de zaak daarmee voor uw cliënte klaar zijn dan kunnen de boeken definitief dicht. Als u toch meent dat nadere procedures gevoerd moeten worden en/of nadere onderzoeken verricht dienen te worden dan kan dat alles worden gefinancierd uit het door cliënte ter beschikking gestelde bedrag. Als uw cliënte dus een verzoekschrift deskundigenbericht zou indienen dan zal daartegen verweer worden gevoerd, maar dan zal ook uiteen worden gezet dat de kosten ten behoeve van het deskundigenonderzoek (als de rechtbank dat toch zou gelasten) al (in ieder geval deels) op uw rekening (of de rekening van uw cliënte) staan. Datzelfde geldt indien – bijvoorbeeld – een deelgeschil zou worden aangevangen. Ook dan staan de kosten daarvoor al op uw rekening.”

2.11.

 

Op 29 januari 2020 bericht mr. Klunder aan zowel mr. Madu als rechtstreeks per aangetekende post aan [naam verzoekster] dat Vivat de slotbetaling van € 2.500,00 rechtstreeks aan [naam verzoekster] heeft overgemaakt.

  1. Het geschil

3.1.

 

[naam verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. Vivat te veroordelen tot heropening van het letselschadedossier,

 

  1. Vivat te veroordelen tot het verlenen van medewerking in het minnelijk traject aan

 

deskundigenonderzoeken door een neuroloog, psychiater en verzekeringsgeneeskundige en daarvan de buitengerechtelijke kosten te dragen;

 

iii. te bepalen dat Vivat een bedrag ad € 6.979,43 dient te voldoen aan het kantoor van [naam verzoekster]’s belangenbehartiger aan buitengerechtelijke kosten,

 

  1. Vivat te veroordelen in de kosten van onderhavige deelgeschilprocedure, te weten

 

€ 3.930,80,

 

  1. een beslissing te geven welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

 

Aan haar verzoek heeft [naam verzoekster] – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Sinds het ongeval ervaart [naam verzoekster] verergering van haar nek-, schouder- en rugklachten. Alhoewel [naam verzoekster] op 13 juni 2017 ook betrokken is geraakt bij een ongeval zijn de huidige klachten volgens de fysiotherapeut het gevolg van het ongeval op 31 januari 2018. De medisch adviseurs van partijen verschillen van mening of de klachten in causaal verband staan met het ongeval. Normaliter zou een medische expertise dan uitsluitsel moeten bieden. Het letselschadedossier is door Vivat echter eenzijdig afgesloten. Een schadebedrag van € 6.500,00 exclusief buitengerechtelijke kosten dekt de geleden en nog te lijden schade van [naam verzoekster] niet. Met de onderhavige procedure wordt beoogd de onderhandelingen voort te zetten en Vivat mee te laten werken aan een medische expertise. De gevorderde buitengerechtelijke kosten staan nog open en moeten ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW worden vergoed. De gevorderde kosten doorstaan de dubbele redelijkheidstoets.

3.3.

 

Vivat heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van de verzoeken.

3.4.

 

Aan haar verweer heeft Vivat – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Van Vivat kan niet worden verlangd om het buitengerechtelijk traject voort te zetten. De schade van [naam verzoekster] is algeheel en definitief afgewikkeld. Gedurende het schaderegelingstraject is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de aanrijding zoals deze op 31 januari 2018 heeft plaatsgevonden heeft geleid tot de door [naam verzoekster] gestelde letsel en materiële schade. Gelet op de relevante medische voorgeschiedenis en de geringe geweldsinwerking tijdens het ongeval is het aannemelijk dat de gestelde klachten en beperkingen een buiten deze aanrijding gelegen oorzaak hebben. In dat kader is van belang dat [naam verzoekster] op 13 juni 2017 betrokken was bij een eerder ongeval en zij voor het ongeval ook al bekend was met nek-, hoofdpijn- en rugklachten. Voorts heeft [naam verzoekster] na het ongeval op 31 januari 2018 pas op 12 maart 2018 – na eerdere bezoeken op 6 februari 2018, 19 februari 2018 en 5 maart 2018 – bij de huisarts voor het eerst melding gedaan van klachten als gevolg van het ongeval op 31 januari 2018. Het causaal verband tussen de gestelde schade en beperkingen het ongeval is dan ook niet aangetoond. Een bedrag van € 6.500,00 onder algemene titel en een bedrag voor de buitengerechtelijke kosten van € 1.315,95 is ruimschoots voldoende om de schade – inclusief buitengerechtelijke kosten – te vergoeden.

 

Het verzoek om Vivat mee te laten werken aan de deskundigenonderzoeken hoort voorts niet thuis in de deelgeschilprocedure. [naam verzoekster] wenst met dit verzoek op oneigenlijke gronden tot deskundigenberichten te komen. Naast dat hiervoor geen aanleiding bestaat, bestaat hiervoor een ander procesrechtelijk instrument als bedoeld in artikel 202 Rv.

 

Voorts is er geen aanleiding om te komen tot een kostenbegroting en een veroordeling van Vivat in de kosten, omdat het standpunt van Vivat al langere tijd genoegzaam bekend was en desondanks geen aanvullende informatie is verzameld of aangedragen. Het deelgeschil is daarom ook om deze reden onnodig of onterecht ingesteld.

 

Het verzoek aan de rechtbank om in goede justitie een beslissing te nemen is daarnaast te algemeen en leent zich niet voor een behandeling in de deelgeschilprocedure.

  1. De beoordeling

4.1.

 

Het verzoek van [naam verzoekster] berust op artikel 1019w Rv. Dit artikel geeft, indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, de mogelijkheid om de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Met andere woorden: de rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.2.

 

Het verzoek van [naam verzoekster] strekt tot het heropenen van het letselschadedossier (I), het verlenen van medewerking aan medische expertises (II) en het betalen van de buitengerechtelijke kosten (III). De geschilpunten vallen naar oordeel van de rechtbank in beginsel binnen de reikwijdte van de deelgeschilprocedure. Aannemelijk is immers dat de beslechting van dit deelgeschil de weg kan openen voor verdere onderhandelingen die uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst kunnen leiden. De rechtbank acht [naam verzoekster] dan ook ontvankelijk in haar verzoeken en zal deze verzoeken dan ook inhoudelijk behandelen.

 

Heropening dossier

4.3.

 

[naam verzoekster] verzoekt onder I Vivat te veroordelen tot heropening van het letselschadedossier. Vivat heeft aangegeven dat zij zich daartegen verzet omdat van haar niet verlangd kan worden om het buitengerechtelijk traject te hervatten.

4.4.

 

De rechtbank stelt voorop dat het een verzekeraar in beginsel vrijstaat om de buitengerechtelijke onderhandelingen eenzijdig af te breken, tenzij dit op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van de andere partij of in verband met andere (bijzondere) omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.

4.5.

 

De rechtbank stelt op basis van de onder 2.3 tot en met 2.11 vermelde feiten vast dat Vivat na de aansprakelijkstelling van [naam verzoekster] het schaderegelingstraject serieus heeft opgepakt. Dit heeft na de erkenning van de aansprakelijkheid geresulteerd in diverse medische adviezen, voorschotbetalingen en een schikkingsvoorstel op 17 januari 2020. Op 29 januari 2020 werden de buitengerechtelijke onderhandelingen door Vivat afgebroken en werd door haar een slotbetaling aan [naam verzoekster] overgemaakt.

4.6.

 

[naam verzoekster] wenst hervatting omdat zij meent dat het ongeval ernstige klachten en beperkingen en daarmee grote schade heeft veroorzaakt. Vivat onderbouwt haar weigering om het buitengerechtelijk traject te hervatten met verwijzing naar haar buiten rechte ingenomen standpunt dat het causaal verband tussen het ongeval en de voortdurende klachten niet is aangetoond.

 

De rechtbank acht dat causale verband op dit moment inderdaad (nog steeds) onvoldoende onderbouwd. Het is niet zonder meer aannemelijk dat de aanrijding een forse geweldsinwerking tot gevolg heeft gehad. Voorts is van belang dat [naam verzoekster] betrokken was bij een eerder ongeval en ook eerder bekend was met gezondheidsklachten, waaronder nek- en rugklachten. Ten slotte heeft [naam verzoekster] pas tijdens het vierde bezoek bij de huisarts ná het ongeval melding gemaakt van het ongeval.

4.7.

 

Vivat heeft, ondanks de onzekerheid over het causaal verband, voorschotten betaald en een slotbetaling aangeboden. [naam verzoekster] heeft de zaak niet op die basis willen regelen. Nu er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn kan Vivat zich in het licht van het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt stellen dat zij geen heil meer ziet in minnelijk overleg en heeft zij de buitengerechtelijke onderhandelingen met [naam verzoekster] kunnen beëindigen. Feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat dit in de onderhavige situatie onaanvaardbaar zou zijn, zijn gesteld noch gebleken. De bestaande geschillen kan [naam verzoekster] desgewenst in een bodemprocedure aan de rechter voorleggen.

4.8.

 

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in het kader van deze procedure geen aanleiding om Vivat te verplichten om over te gaan tot heropening van het dossier. Het verzoek onder I wordt dan ook afgewezen.

 

Medewerking deskundigenonderzoeken

4.9.

 

[naam verzoekster] verzoekt onder II Vivat te veroordelen tot het verlenen van medewerking in het minnelijk traject aan deskundigenonderzoeken door een neuroloog, een psychiater en een verzekeringsgeneeskundige. Door Vivat is aangevoerd dat [naam verzoekster] met dit verzoek op oneigenlijke gronden tot deskundigenberichten wenst te komen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.10.

 

Voor de behandeling van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht bestaat een ander passend procesrechtelijk instrument (een procedure ex artikel 202 Rv). Dat deze procedure eigen, van de deelgeschilprocedure afwijkende, regels ten aanzien van de vergoeding van kosten kent doet niet af aan de passendheid daarvan.

 

Onder omstandigheden kan ook in een deelgeschilprocedure een verzoek om de wederpartij te gelasten mee te werken aan een deskundigenonderzoek worden toegewezen, als extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. Dat doet zich echter voor, zoals blijkt uit de vaste lijn in de rechtspraak, indien partijen in het buitengerechtelijk traject afspraken hebben gemaakt over een deskundigenonderzoek en vervolgens een van de partijen alsnog de medewerking daarvoor intrekt.

4.11.

 

Een dergelijke of daarmee vergelijkbare situatie doet zich hier echter niet voor. [naam verzoekster] en Vivat twisten over het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, maar het staat tussen partijen vast dat Vivat nimmer de bereidheid heeft getoond om nog nader onderzoek te laten verrichten en aan een dergelijk deskundigenonderzoek mee te zullen werken.

4.12.

 

Het oordeel luidt dan ook dat in deze deelgeschilprocedure een vraag voorligt die in beginsel in een procedure ex artikel 202 Rv beoordeeld dient te worden, namelijk of de door [naam verzoekster] genoemde deskundigenonderzoeken in het onderhavige geval gelast dienen te worden.

4.13.

 

Het verzoek onder I wordt dan ook afgewezen.

 

Buitengerechtelijke kosten

4.14.

 

[naam verzoekster] verzoekt onder III Vivat te veroordelen tot het betalen van buitengerechtelijke kosten.

4.15.

 

Of de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 6.979,43 voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Het is vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is (geweest) om vergoeding van de schade te verkrijgen. Bij de toets of de buitengerechtelijke kosten redelijk zijn, speelt de schadeomvang een rol.

4.16.

 

De rechtbank stelt vast dat Vivat een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten heeft voldaan, te weten een bedrag van € 1.315,95. Voorts is aan [naam verzoekster] een schadevergoeding onder algemene titel uitgekeerd van in totaal € 6.500,00.

4.17.

 

Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat Vivat haar standpunt omtrent het causaal verband al vroeg in het buitengerechtelijk traject heeft ingenomen is de rechtbank binnen de reikwijdte van dit deelgeschil van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de overige buitengerechtelijke kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen, zodat deze thans niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarmee is uiteraard niet uitgesloten dat, indien het volledige partijdebat in een bodemprocedure aan de rechter zou worden voorgelegd, de buitengerechtelijke kosten alsnog aan de orde kunnen komen.

4.18.

 

Het voorgaande betekent dat ook het verzoek tot nadere vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen.

 

Kosten deelgeschilprocedure

4.19.

 

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Ondanks de afwijzing van de verzoeken dient op de voet van artikel 1019aa Rv aldus een begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van de verzoeken. Daarbij dient de rechter ook in dit verband de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.20.

 

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de zaak het gevorderde aantal uren redelijk is. De rechtbank acht voorts het door de advocaat van [naam verzoekster] gehanteerde uurtarief van € 200,00 redelijk. Het vorenstaande betekent dat de kosten van dit deelgeschil zullen worden begroot op € 200,00 x 16 uren, te vermeerderen met 21% BTW en 6% kantoorkosten = € 3.930,80, (naast het door [naam verzoekster] voor de deelgeschilprocedure betaalde griffierecht van € 83,00).

4.21.

 

Gelet op het feit dat de verzoeken van [naam verzoekster] in onderhavige procedure worden afgewezen, zal het verzoek van [naam verzoekster] om Vivat te veroordelen tot integrale betaling van de met het deelgeschil samenhangende kosten eveneens worden afgewezen.

 

Beslissing in goede justitie

4.22.

 

Door de rechtbank worden de verzoeken I tot en met IV afgewezen. Verzoek V is in deze zaak zo onbepaald dat daaraan naast de overige verzoeken geen zelfstandige betekenis toekomt en wordt eveneens afgewezen.

  1. De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

begroot de advocaatkosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 3.930,80;

5.2.

 

wijst af het door [naam verzoekster] meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.

 

[3070/801/106]

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey