Rb, deelgeschil: werkgever aansprakelijk voor val van binnenschip vanwege ontbreken voorlichting en specifieke maatregelen

Samenvatting:

Bij het ontmeren van binnenvaartschip is verzoeker op het ponton gestapt om de trossen los te maken en is tussen het ponton en het schip gevallen. De kantonrechter oordeelt dat werkgever niet heeft aangetoond dat zij haar zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. De stelling van werkgever dat een dergelijk incident in de afgelopen vijftien jaar nooit eerder is voorgekomen, maakt niet dat geen zorgplicht zou gelden. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de Arbocatalogus Binnenvaart, waarin duidelijk naar voren komt dat dat te water raken het grootste arbeidsrisico in de binnenscheepvaart is. De werkgever is hierbij verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken. Hoewel werkgever wel heeft gewezen op de ervaring, het salaris en de verantwoordelijkheden van werknemer, heeft zij nagelaten te stellen en te onderbouwen dat werkgever voorlichting heeft verstrekt of specifieke maatregelen heeft genomen om de risico’s op dit vlak weg te nemen of te beperken.

ECLI:NL:RBROT:2021:7518, Rechtbank Rotterdam, 9048132 VZ VERZ 21-2371 (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBROT:2021:7518

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

11-06-2021

Datum publicatie

10-08-2021

Zaaknummer

9048132 VZ VERZ 21-2371

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aansprakelijkheid arbeidsongeval.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9048132 VZ VERZ 21-2371

uitspraak: 11 juni 2021

beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Wildeboer,

tegen

[verweerster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.M. van Leeuwen.

Partijen worden hierna nader aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerster] ”.

1.Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

het verzoekschrift, met producties;

het verweerschrift, met producties;

de nader overgelegde producties aan de zijde van [verzoeker] ;

de pleitnotities aan de zijde van [verzoeker] en het ter zitting overgelegde declaratievoorstel;

de pleitnotities aan de zijde van [verweerster] .

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft in aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 12 mei 2021. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht.

1.3

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

In de onderhavige procedure zal – voor zover van belang – worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is per 14 maart 2018 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van Chief Officer op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden.

2.2

[verweerster] is eigenaar van de sleepboot ‘ [naam vaartuig 1] ’ (hierna: [naam vaartuig 1] ). [naam vaartuig 1] lag op

23 maart 2018 aangemeerd tegen een ponton in de Tennesseehaven te Rotterdam. Er lag een andere sleepboot, zijnde de ‘ [naam vaartuig 2] ’ langszij.

2.3

[verzoeker] was op 23 maart 2018 werkzaam op [naam vaartuig 1] in de functie van stuurman.

[naam vaartuig 1] moest in de ochtend van 23 maart 2018 rond 04:00 uur uitvaren. Bij het ontmeren stonden de deklichten van [naam vaartuig 1] vol aan. [verzoeker] is van [naam vaartuig 1] op het ponton gestapt om de trossen van de bolders op het ponton los te maken en is vervolgens tussen het ponton en het schip gevallen en te water geraakt. Nadat alarm is geslagen is [verzoeker] weer aan boord gehaald.

2.4

Nadat [naam vaartuig 1] rond 11:00 uur in de ochtend van 23 maart 2018 is teruggekeerd naar de Tennesseehaven is [verzoeker] met een taxi naar het Havenziekenhuis te Rotterdam gebracht.

2.5

In de door [verweerster] opgestelde ongevalsrapportage is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“ Description (…)

On 23-03-2018 at 04:15 LT: There has been an MOB accident while in process of unmooring the [naam vaartuig 1] . This accident occurred in de Tennesseehaven in which the person involved [verzoeker] (CH Mate) accidentally fell between the tug and pontoon, (gap of approx 40cm). After being notified the Master immediately disengaged the propellors and proceeded by assisting on deck. The CH Mate was back on deck in approx. 5 minutes after falling and further actions were taken according. (…)

Corrective action (…)

Rescue/Life hook on each pontoon, mobile ladders on each pontoon and lighting on pontoons” (…)

2.6

In de Arbocatalogus Binnenvaart, onderdeel Verdrinkingsgevaar is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“Bij het werk aan boord van een schip, zowel varend of afgemeerd, is altijd het risico van te water raken aanwezig. De omstandigheden bepalen hoe groot dit risico is. Belangrijke omstandigheden die het te water raken kunnen beïnvloeden zijn:

  • Het weer, regen, sneeuw, harde wind.
  • Scheepsbewegingen (denk aan ruim water en slingerend schip).
  • Toestand van het dek, gladheid, obstakels.
  • Goede toegang tot het schip.
  • Situaties op haventerreinen, onvoldoende verlichting, struikel objecten en slechte bestrating langs de waterkant.

Uit recente onderzoeken van onder andere de Arbeidsinspectie blijkt dat te water raken het grootste arbeidsrisico in de binnenscheepvaart is, gevolgd door het werken op hoogte en werken met arbeidsmiddelen. (…)

De werkgever is hierbij verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken.

Een belangrijk artikel uit het Binnenvaartpolitiereglement en Rijnvaartpolitiereglement is “goed zeemanschap” (…). Hierin staat onder andere dat de werkgever, ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften, alle voorzorgsmaatregelen moet nemen die volgens goed zeemanschap en de omstandigheden nodig zijn om gevaarlijke situaties te voorkomen. Daarbij is het belangrijk dat in eerste instantie moet worden voorkomen dat opvarenden over boord vallen.

Daarbij moet u op het volgende letten:

  • De weersomstandigheden
  • De manoeuvreermogelijkheden van het schip en andere schepen.
  • De stabiliteitstoestand van het schip.
  • De omstandigheden en de bijzonderheden van het vaarwater.
  • Het geven van instructies aan de werknemers over het juiste gebruik van een valbeveiliging en reddingsvesten. (…)

Op arbeidsplaatsen waar gevaar voor verdrinking bestaat, moet dit gevaar zoveel mogelijk worden voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op een goed zichtbare plaats beschikbaar. De Arbowetgeving beschouwt een schip als een arbeidsplaats. Als gevolg daarvan is bijvoorbeeld een loopplank een toegangsmiddel tot een arbeidsplaats.

De werkgever is verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken. Het overboord raken moet op grond van artikel 3 van de Arbowet zo veel – in alle redelijkheid – als mogelijk is worden voorkomen. Dit kan door de volgende maatregelen te nemen:

  • Als het schip daartoe de mogelijkheid biedt een railing te plaatsen.
  • Zorg voor een net en opgeruimd dek.
  • Zorg voor, indien nodig, doelmatige verlichting.
  • Zorg voor een extra man aan dek ter assistentie van de werkzaamheden en voor aanwijzingen of alarmering naar diegene die het roer bedient.
  • Indien mogelijk een staaldraad over luik of langs de den van stuurhuis naar voorschip spannen, waaraan men zich bij werkzaamheden aan dek kan vastmaken (denk aan een doelmatig veiligheidsharnas).
  • Organisatorische maatregelen zoals niet lopen over onbekende, slecht verlichte kades of haventerreinen. Neem een lamp mee.
  • Eén hand voor jezelf en één voor het schip
  • Ook al is de kortste weg naar de poort van een haventerrein langs de kade, vermijd lopen langs de waterkant.
  • Plaats altijd een doelmatige loopplank. Vermijd klim- en klauterpartijen om aan de wal te komen. Is het absoluut technisch onmogelijk om een loopplank te plaatsen of veilig te gebruiken, bijvoorbeeld als het schip laag onder de kade ligt, zorg dan dat het alternatieve toegangsmiddel (bijvoorbeeld een ladder) minimaal dezelfde veiligheid waarborgt als een normale loopplank.
  • Laat op ruim water (bijvoorbeeld het IJsselmeer) in het donker bij voorkeur geen werkzaamheden aan dek uitvoeren. Een drenkeling terugvinden in roerig water in het donker is uiterst moeilijk.

2.7

De e-mail van [verzoeker] aan [verweerster] van 26 juni 2018 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Na het ongeluk en de nasleep heb ik na goede gesprekken met de trauma arts goed nagedacht en ben ik zover dat het beter voor me is niet verder te gaan in de sleepvaart. Ik stel voor om het contract te beëindigen per eind Juli en zeg dan nu voor het eind van deze maand Juni bij deze het contract op. Heb dan tot eind van de maand Juli nog de tijd om te herstellen en de therapie te volgen die voorgeschreven is door mijn arts en de bedrijfsarts , en voor mijn gemoedsrust weer uit te gaan kijken naar een baan in de handelsvaart of een walbaan. Op deze manier word ik niet constant herinnerd aan het ongemak in de Sleepvaart.

Ik wil jullie hartelijk bedanken voor de steun en ruimte om te herstellen. Ik had het graag anders gezien, maar dit is voor mij de beste oplossing”. (…)

2.8

Op 29 april 2020 heeft [verzoeker] [verweerster] aansprakelijk gesteld voor het letsel dat hij tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. [verweerster] heeft tot op heden de aansprakelijkheid niet erkend.

3.Het geschil

3.1

[verzoeker] heeft verzocht te verklaren voor recht dat [verweerster] (primair) aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het aan hem op 23 maart 2018 overkomen ongeval en dat [verweerster] (subsidiair) aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] als gevolg van het aan hem op 23 maart 2018 overkomen ongeval, behoudens door [verweerster] te leveren bewijs dat nakoming van haar zorgplicht het aan [verzoeker] overkomen ongeval niet zou hebben voorkomen en/of door [verweerster] te leveren bewijs dat het ongeval het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] ex artikel 7:658 lid 2 BW.

3.2

[verzoeker] heeft voorts verzocht om [verweerster] te veroordelen binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking een afschrift van haar op 23 maart 2018 van toepassing zijnde Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (hierna: RI&E) te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft alsmede tot vergoeding aan [verzoeker] van de kosten van zijn rechtsbijstand in dit deelgeschil, vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht.

3.3

Aan haar zijn verzoek heeft [verzoeker] – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

[verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval op 23 maart 2018 lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hematoom op zijn rechterheup en een zwaar gekneusd rechter scheenbeen. [verzoeker] heeft voorts door zijn angstige momenten in het water PTSS opgelopen, waarvoor hij uitvoerig door een psycholoog is behandeld. [verzoeker] had na het ongeval onder meer last van angsten, herbelevingen, concentratieproblemen, hij sliep slecht en had last van nachtmerries. [verzoeker] is als gevolg van zijn psychische klachten voor langere tijd arbeidsongeschikt geweest. Zijn werk als zeeman heeft [verzoeker] moeten opgeven. [verzoeker] meent dat [verweerster] ten tijde van het ongeval niet heeft voldaan aan alle verplichtingen uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW, door [verweerster] waren ten tijde van het ongeval geen van de in de Arbocatalogus opgenomen maatregelen om over boord raken te voorkomen (hierboven onder 2.6 opgenomen) genomen. Nu zij haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden is [verweerster] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. De schade van [verzoeker] bestaat uit medische kosten, verlies aan arbeidsvermogen, smartengeld en diverse andere schadeposten De schade bedraagt inmiddels meer dan € 50.000,00.

Een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag in het onderhavige deelgeschil kan volgens [verzoeker] meer dan voldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

3.4

[verzoeker] is tussen het ponton en het schip geraakt op het moment dat hij de achtertros van de bolder op het ponton had losgehaald en over de reling van [naam vaartuig 1] wilde leggen.

Er was geen (doelmatige) verlichting op het ponton (richting de aanmerende schepen), terwijl de deklichten van [naam vaartuig 1] vol aanstonden, als gevolg waarvan een verblindend effect kan ontstaan. Op het lagergelegen ponton was het donker, omdat het deklicht werd geblokkeerd door de reling van het schip. Er hing geen touwladder en [verzoeker] kon zich niet aan het ponton of [naam vaartuig 1] vastgrijpen. [verzoeker] beschikt daarnaast niet over een door [verweerster] ter beschikking gestelde zak- of helmlamp en [verweerster] had bovendien geen loopplank geplaatst. In de ongevalsrapportage is bovendien door de kapitein opgenomen dat extra maatregelen genomen moesten worden (‘corrective actions’). [verweerster] heeft nagelaten een afschrift van de ten tijde van het ongeval van toepassing zijnde RI&E te verstrekken. [verzoeker] meent dat hij daarbij een rechtmatig belang heeft, primair op grond van artikel 5 lid 6 van de Arbeidsomstandighedenwet en subsidiair op grond van artikel 843a Rv.

3.5

[verzoeker] begroot de kosten van het deelgeschil op totaal € 6.240,49.

3.7

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat strekt tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] .

3.8

Door [verweerster] is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Nu tussen partijen over de toedracht een geschil bestaat en dit alleen kan worden opgelost door middel van het horen van getuigen, waarvoor een deelgeschilprocedure niet geschikt is, ligt het verzoek alleen al om die reden voor afwijzing gereed. Het verzoek van [verzoeker] voldoet daarnaast niet aan de vereisten van artikel 1019w Rv, is volstrekt voorbarig en dient te worden afgewezen, omdat de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De zaak is voorts niet geschikt voor een deelgeschilprocedure, omdat geen sprake is van een geschil tussen partijen omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake rechtens tussen partijen geldt.

3.9

[verweerster] stelt voorts dat partijen het enkel eens zijn over het feit dat [verzoeker] op 23 maart 2018 te water is geraakt in de Tennesseehaven. Voor zover dit bij [verweerster] bekend is heeft dit niet geleid tot ernstige gevolgen. [verzoeker] is snel aan boord gebracht, hij had enkel een blauwe plek op zijn onderbeen en pijn in de heup en hij is op eigen kracht naar Leeuwarden gereden. [verzoeker] heeft bij opzegging van zijn arbeidsovereenkomst geen klachten geuit, noch over [verweerster] of haar schip, bemanning of werkwijze, noch over zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De aansprakelijkheidstelling is gevolgd op een periode van complete stilte van bijna twee jaar terwijl de klachtplicht ook ten aanzien van arbeidsovereenkomsten geldt. [verweerster] betwist de door [verzoeker] geschetste toedracht, ontkent dat sprake is van relevant letsel dat met het incident te maken heeft en zij betwist de aansprakelijkheid.

[verzoeker] is misgestapt door een gebrek aan oplettendheid en niet door enig gebrek aan zorg door [verweerster] of enig defect of een onjuiste inrichting of gebrekkig onderhoud van [naam vaartuig 1] .

[verzoeker] had als stuurman een leidinggevende en verantwoordelijke functie en hij verdiende navenant. Voor zover [verzoeker] al tekortkomingen heeft gesignaleerd had hij aan de bel moeten trekken. Twee jaar na het ongeval bestaat er voor [verweerster] nog onduidelijkheid over het verband tussen de beweerdelijke (en nog bestaande) klachten van [verzoeker] en het oorspronkelijke voorval. Ook in het door [verzoeker] overgelegde medisch advies worden ten onrechte beweringen gepresenteerd als waarheden of vaststaande feiten. [verzoeker] heeft nog geen begin gemaakt met een deugdelijke onderbouwing van een eventuele vordering en heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. [verweerster] is haar verplichtingen nagekomen. Aan [verzoeker] zijn persoonlijke beschermingsmiddelen verstrekt, die zijn gebruikt, aan hem zijn voldoende instructies gegeven en de werkplek op [naam vaartuig 1] voldeed aan alle eisen, er was voldoende toezicht en de kapitein heeft bij het voorval direct ingegrepen. [verweerster] hoeft van een ervaren stuurman geen onoplettendheid of onhandigheid te verwachten en welke maatregelen [verweerster] had moeten treffen is niet concreet gemaakt. [verweerster] weet niets over de medische toestand van [verzoeker] . Een vaststellingsovereenkomst is niet in zicht en wat [verweerster] betreft ook in het geheel niet aan de orde. [verweerster] wenst ook niet aan een onderhandelingstafel te worden gedwongen.

3.10

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat voor een verklaring voor recht met betrekking tot aansprakelijkheid geen grond bestaat. Dit geldt eveneens voor bewijslevering via een afgedwongen RI&E. [verweerster] heeft verschillende RI&E’s en onduidelijk is welke door [verzoeker] wordt bedoeld. Zelfs in het geval zij aansprakelijk zou zijn betwist [verweerster] dat sprake is van blijvend letsel dat in direct verband staat met het incident en dat sprake is van op geld waardeerbare schade die voor een vergoeding in aanmerking komt. [verweerster] verzet zich voorts tegen toewijzing van de door [verzoeker] verlangde begroting van de kosten, nu het deelgeschil onnodig en onterecht is ingesteld.

3.11

De overige stellingen van partijen worden – voor zover van belang – bij de beoordeling betrokken.

4.De beoordeling

4.1

[verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w – 1019cc Rv). Allereerst dient beoordeeld te worden of dat verzoek, gezien ook het ter zake door [verweerster] gevoerde verweer, zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w e.v. Rv.

De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

Een deelgeschil dient de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen (artikel 1019w Rv). Volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade kan daarvoor ook (alleen) een aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde komen. Niet is vereist dat vast komt te staan dat partijen na een beslissing op het verzoek een vaststellingsovereenkomst zullen sluiten. Voldoende is dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De omstandigheid dat van onderhandelingen over de aansprakelijkheidsvraag (nog) geen sprake is geweest is bovendien onvoldoende voor het oordeel dat het verzoek niet geschikt is voor behandeling in de onderhavige procedure. Door een oordeel in deze deelgeschilprocedure kan juist de impasse waarin partijen zich bevinden worden doorbroken. Ook het feit dat er tussen partijen mogelijk nog andere geschilpunten zijn en dat de beslechting van het deelgeschil nog niet meebrengt dat direct een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten, is geen beletsel. De wetgever heeft namelijk ook de mogelijkheid onder ogen gezien dat meerdere deelgeschilprocedures moeten worden gevoerd. Van belang is dat het partijen door de beslissing duidelijk wordt of het nodig is weer aan onderhandelingstafel plaats te nemen. Nu de vraag of [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het aan hem op 23 maart 2018 overkomen ongeval aanleiding is geweest voor het vastlopen van partijen in hun onderhandelingen, zal, in het geval het verzoek zal worden toegewezen, het verzoek kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Derhalve zal worden toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.2

Het gaat in deze procedure om de vraag of [verweerster] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het door hem beschreven incident op 23 maart 2018. Daarbij zal worden uitgegaan van het volgende op de wet en de rechtspraak gebaseerde toetsingskader.

4.3

Van een werkgever wordt op grond van artikel 7:658 lid 1 BW een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede de organisatie van de betrokken werkzaamheden en de instructie aan de werknemer verwacht, teneinde te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

[verweerster] is derhalve als de werkgever van [verzoeker] gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn teneinde ongevallen, die zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden op [naam vaartuig 1] zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Hoewel artikel 7:658 BW geen absolute waarborg beoogd te scheppen voor de bescherming van een werknemer tegen gevaar, is sprake van een ruime zorgplicht en kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor de door de werknemer geleden schade. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze de werknemer moet worden geïnstrueerd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.4

In het kader van artikel 7:658 BW dient een werknemer te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook dient te bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is (zie onder meer HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB1430).

Indien vast komt te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW lid 1. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval in beginsel gegeven.

Een werkgever kan dan evenwel nog aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij stelt en bewijst dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van [verzoeker] .

4.5

Nu [verzoeker] feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan hij meent dat [verweerster] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade valt niet in te zien op welke wijze hij onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan. Het verweer van [verweerster] op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.6

Tussen partijen staat niet ter discussie dat op 23 maart 2018 een incident heeft plaatsgevonden waarbij [verzoeker] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval is overkomen nu hij tussen het ponton en het schip te water is geraakt. Door [verweerster] is niet, althans niet voldoende, weersproken dat [verzoeker] daarbij (in ieder geval lichamelijk) letsel heeft opgelopen. Ter zitting is door [verzoeker] aan de hand van de plattegrond van [naam vaartuig 1] nog nader toegelicht dat hij vanaf het afgemeerde schip op het ponton (in het donker) is gestapt, dat de deklichten in zijn gezicht schenen en dat hij daarom geen zicht had en dat [naam vaartuig 1] door het gelijktijdig afmeren van een ander schip van het ponton is gedreven en dat hij vervolgens tussen het ponton en [naam vaartuig 1] in het water is gevallen.

4.7

Hierbij is nog van belang dat ingevolge artikel 1 lid 3 sub g van de Arbeidsomstandighedenwet onder arbeidsplaats wordt verstaan iedere plaats die in verband met het verrichten van de arbeid wordt gebruikt of pleegt te worden gebruikt. Anders dan dat door [verweerster] (ten onrechte) is betoogd is ook het ponton aan te merken als arbeidsplaats.

Derhalve is door [verzoeker] voldoende onderbouwd gesteld dat hij op 23 maart 2018 in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden als gevolg van een ongeval.

4.8

Het is vervolgens aan [verweerster] om aan te tonen zij niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Het is dus aan [verweerster] om allereerst te stellen welke maatregelen er zijn getroffen en welke aanwijzingen zijn gegeven die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat ongevallen zoals [verzoeker] is overkomen, gebeuren. De stelling van [verweerster] dat een incident als het onderhavige uniek is en in de afgelopen vijftien jaar nooit eerder is voorgekomen, maakt niet dat geen zorgplicht zou gelden. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de Arbocatalogus Binnenvaart, onderdeel Verdrinkingsgevaar zoals hierboven is weergegeven en waarin duidelijk naar voren komt dat dat te water raken het grootste arbeidsrisico in de binnenscheepvaart is. De werkgever is hierbij verantwoordelijk voor optimale arbeidsomstandigheden, het verstrekken van voorlichting aan de werknemers en het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken.

4.9

Hoewel [verweerster] wel heeft gewezen op de ervaring, het salaris en de verantwoordelijkheden van [verzoeker] , heeft zij nagelaten te stellen en te onderbouwen dat [verweerster] voorlichting heeft verstrekt of specifieke maatregelen heeft genomen om de risico’s op dit vlak weg te nemen of te beperken. [verweerster] heeft slechts in algemene termen aangevoerd dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan, dat de werkplek van [verzoeker] (waarmee zij heeft bedoeld [naam vaartuig 1] ) voldeed aan alle eisen, omdat er geen gebrek aan zorg voor, of enig defect of onjuiste inrichting of gebrekkig onderhoud aan het schip was, en dat [verzoeker] als ervaren stuurman wist waar hij mee bezig was, althans dat hij dat had moeten weten. Maar hoe en op welke wijze zij aan haar verplichtingen heeft voldaan is niet concreet gesteld.

4.10

Ook is niet duidelijk geworden of er ten aanzien van de desbetreffende werkplek een RI&E is opgesteld. Dat in dit geval het niet nodig was om een bijgewerkte en geëvalueerde RI&E te hebben, is door [verweerster] ook niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en evenmin heeft [verweerster] gesteld dat ook in het geval er wel een RI&E zou zijn geweest die aan de daaraan te stellen eisen voldeed, dit het ongeval niet zou hebben voorkomen. Uit de nadere toelichting van [verweerster] ter zitting begrijpt de kantonrechter dat er wel specifiek voor [naam vaartuig 1] een eigen risk assessment is geschreven en dat de RI&E ‘overkoepelend’ van toepassing is voor heel [verweerster] , maar deze stukken zijn niet overgelegd zodat ook op basis daarvan niet kan worden aangenomen dat [verweerster] aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.11

Daar komt nog bij dat door [verweerster] is erkend dat de verlichting op het ponton tekortschoot, in die zin dat er slechts sprake was van een vorm van basisverlichting, gelet op het ontbreken van een stroomvoorziening. De ongevalsrapportage wijst ook in die richting, nu daarin (naast een reddingshaak en mobiele ladders op ieder ponton) het aanbrengen van verlichting daarin als ‘corrective action’ is opgenomen.

4.12

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen luidt de conclusie dat [verweerster] niet heeft aangetoond dat zij haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen en daarmee is zij ten opzichte van [verzoeker] aansprakelijk voor de gevolgen van het hem overkomen arbeidsongeval. Dat thans (nog) niet kan worden vastgesteld wat die schade precies inhoudt, waar de schade uit bestaat en welke schade moet worden toegerekend aan dit ongeval, maakt niet dat er geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Het enkele feit dat er letsel en dus schade is, is voldoende. In de door [verweerster] aangehaalde uitspraken ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een ander oordeel, nu daaraan andere uitgangspunten ten grondslag liggen.

4.13

Voor zover [verweerster] zich nog heeft willen beroepen op artikel 6:89 BW omdat [verweerster] eerst op 29 april 2020 aansprakelijk is gesteld voor het ongeval 23 maart 2018, heeft zij dit beroep onvoldoende feitelijk onderbouwd. Gesteld noch gebleken is namelijk dat de tijdsverloop zo lang is geweest dat gelet op alle omstandigheden niet meer kan worden gesproken van een tijdige klacht.

4.14

Gelet op het bovenstaande zal het primaire verzoek van [verzoeker] worden toegewezen. Het subsidiaire verzoek behoeft daarmee geen nadere bespreking en beoordeling meer.

4.15

Nu de aansprakelijkheidsvraag is beantwoord in het voordeel van [verzoeker] valt niet in te zien wat zijn belang is bij een veroordeling van [verweerster] tot het verstrekken van een afschrift van de RI&E bij wijze van nevenverzoek, voor zover een dergelijk verzoek tot het overleggen van stukken al past binnen de beperkingen van een deelgeschilprocedure.

Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.16

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.17

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 6.240,49 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met het griffierecht tot een bedrag van € 240,00. Het betoog van [verweerster] dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het geschil zich niet leent voor behandeling als deelgeschil, gaat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen niet op. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gehanteerde tarief redelijk en is het aantal bestede uren in overeenstemming met de aard en complexiteit van dit deelgeschil.

Nu [verweerster] de kostenbegroting in zoverre ook niet heeft betwist zullen deze kosten worden toegewezen als verzocht en op de wijze als in het dictum vermeld.

5.De beslissing

de kantonrechter:

verklaart voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] als gevolg van het aan hem op 23 maart 2018 overkomen arbeidsongeval;

begroot de kosten ex artikel 1019aa lid 1 Rv van dit deelgeschil op € 6.240,49 inclusief btw en kantoorkosten alsmede het door [verzoeker] betaalde griffierecht tot een bedrag van

€ 240,00 en veroordeelt [verweerster] tot betaling daarvan aan [verzoeker] , rechtstreeks te betalen aan zijn gemachtigde;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829

Heeft u een account? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey